Bijlage 2, (GEWIJZIGD) bijlage bij reactiebrf voorontwerp-IP 380 kV
Tekst van het document
14
landschap al veel (infrastructurele) ingrepen zijn gedaan en dat deze nieuwe ingreep daarom minder zwaar telt? Deelgebied 2 en 3: voor zowel de nieuwe verbinding als de tijdelijke verbinding wordt bestaand groen doorsneden, wat tot kap zal leiden. De effecten daarvan komen weinig terug in het onderzoek. Pagina 17: voor archeologie is alleen gekeken naar de archeologische rijksmonumenten, niet naar de archeologische verwachtingswaarden uit het gemeentelijk beleid. De tijdelijke situatie gedurende de bouw duurt circa 10 jaar, die bouwperiode en de effecten daarvan, komen weinig terug in het MER, zo worden bijvoorbeeld de extra (bouw)wegen, extra verkeer enzovoort niet meegewogen en wordt geen aandacht besteed aan effecten van bijvoorbeeld tijdelijk afsluiten van wegen gedurende de bouw. Daardoor blijft onduidelijk of bijvoorbeeld een verdringingseffect optreedt dat elders milieu-effecten heeft.
Bureauonderzoek archeologie: -
-
-
Pagina 6, paragraaf 1.2: De rapportage van het bureauonderzoek is te summier. Wij zijn van mening dat het onderzoeksgebied te groot is voor een goed onderbouwde archeologische verwachting. Daarom stelt het programmabureau Regio-archeologie West Brabant (RWB) voor om voor het gehele gebied te voorzien van een dubbelbestemming ‘Waarde-Archeologie’ en het onderzoeksgebied op te delen in logische deelgebieden, bijvoorbeeld per gemeente voor nader bureauonderzoek. In dit verband ook de algemene opmerking om op de kaarten de gemeentegrenzen te vermelden. Zo kan er een gedegen afweging plaatsvinden met betrekking tot vervolgonderzoek. Voor zover nu kan worden afgeleid is de archeologische verwachting een interpretatie van de gemeentelijke verwachtingskaarten aangevuld met de locatie van de historische erven van rond 1900. Het is onduidelijk wat er met de informatie van bv. de reeds uitgevoerde archeologische onderzoeken is gedaan of de AHN. Informatie over de diepte van de geplande werkzaamheden en de diepte van de archeologische lagen ontbreekt. Hierdoor is niet duidelijk tot hoe diep het onderzoek dient te worden uitgevoerd. Voor bepaalde gebieden is geen eenduidig advies gegeven over het meest geschikte vervolgonderzoek.
Pagina 22, paragraaf 2.2 : Is bekend (globaal) wat de bodemverstoring is waarmee de werkzaamheden gepaard gaan? Of in ieder geval wat de maximale verstoringsdiepte is? Pagina 10, paragraaf 3.1: de zin “Voor het bureauonderzoek is uitgegaan van een zoals is aangeleverd door TenneT” is onvolledig. Wat is het onderzoeksgebied in relatie tot het plangebied? Pagina 10, paragraaf 3.2: Graag toevoegen voor de betreffende gemeenten: Deskundige van de bevoegde overheid: regio-archeologen programmabureau RWB Pagina 11, paragraaf 3.4: de archeologische rijksmonumenten vallen niet (meer) onder de AMK. Graag aanvullen (ook in paragraaf 6.3.1). Blijkbaar is er een archeologisch rapport opgesteld t.b.v. een MER op basis waarvan keuzes zijn gemaakt voor onderhavig rapport. Dit rapport is bij de RWB niet bekend en de gemaakte keuzes worden hiermee dus niet gemotiveerd. In de bronnen wordt beschreven dat de bodemkaart, de geomorfologische kaart en het AHN zijn geraadpleegd. Op welke wijze zijn deze (en dan met name de AHN) daadwerkelijk gebruikt voor de archeologische verwachting? Pagina 13, paragraaf 4.3: waarom is deze paragraaf opgenomen? Vinden er ontgrondingen plaats en is de provincie (mede) bevoegd gezag? In paragraaf 3.2 worden immers alleen de gemeenten als bevoegd gezag genoemd.
Pagina 13, paragraaf 4.4: Waarom worden alle beleidscategorieën per gemeente genoemd? Dit is één groot project waarvoor één onderzoeksplicht geldt; opknippen binnen de afweging is niet toegestaan. Uit dit onderzoek dient te blijken welke zones verder onderzoek verdienen of die simpelweg een vindplaats betreffen. Men zal dan nieuwe grenzen moeten bedenken en niet meer simpelweg overnemen van het beleid. Dit betekent ook dat de zones met een lage verwachting niet zomaar kunnen worden afgeschreven: ook deze gebieden moeten nader worden onderzocht. Juist hiervoor is het bureauonderzoek bedoeld. Wij zijn van mening dat het onderzoeksgebied te groot is voor een goed onderbouwde archeologische verwachting. Daarom stellen wij voor om voor het gehele gebied te voorzien in een dubbelbestemming ‘Waarde-Archeologie’ en het onderzoeksgebied op te delen in logische deelgebieden of gebieden per gemeente voor nader bureauonderzoek. Zo kan er een gedegen afweging plaatsvinden m.b.t. vervolgonderzoek.
15
-
-
-
Pagina 26, paragraaf 6.3: graag vermelden of deze onderzoeken (bijlage 1) daadwerkelijk (deels) in het huidige plangebied vallen en of de verwachting (die blijkbaar alleen is gebaseerd op de gemeentelijke beleidskaarten) met deze info is aangepast en zo ja hoe. Pagina 26, paragraaf 6.4.1: Waarom zijn niet (ook) de kadastrale kaarten gebruikt? Deze geven een betrouwbaarder beeld dan de 1:25.000 bonnebladen. In hoeverre is onderzocht of er behalve historische erven ook andere historische elementen aanwezig zijn( binvoorbeeld. dijken, waterlopen en linies)?. Pagina 26, paragraaf 6.4.2: in hoeverre doorsnijdt het tracé relicten van de linie? Pagina 29, paragraaf 7.1 : ‘Ter hoogte van het zeekleigebied komen de dekzanden diep voor en worden ze niet geraakt door de werkzaamheden. Meer oostelijk komen de dekzanden aan het oppervlakte voor.’ Onder andere de gemeente Moerdijk ligt op de overgang van het Pleistocene zandgebied naar het zeekleigebied. Dit betekent dat er een overgangszone is waar het dekzand vrij ondiep voorkomt. In dit kader is het belangrijk om te weten hoe diep de pleistocene ondergrond zich bevindt en tot hoe diep de bodem door de werkzaamheden wordt verstoord. Het is dan ook wenselijk een verwachtingskaart op te nemen met een verwachting per landschappelijke eenheid en hoe diep deze afzettingen voorkomen.
Dit betekent ook dat de lage verwachting niet zomaar kan worden overgenomen. De verwachting dient te worden onderbouwd en (waar nodig) nader te worden onderzocht door middel van een veldonderzoek. Uit de stukken blijkt dat deze veldonderzoeken nog niet hebben plaatsgevonden. Pagina 29, paragraaf 7: Als “bekende waarden” worden genoemd: maatwerk, verkennend vooronderzoek en/of proefsleuvenonderzoek. Waar wordt dit op gebaseerd en waarom is nog geen keuze gemaakt? Op basis van het bureauonderzoek is immers bekend welk soort vindplaats het is. Onder “zeer hoge verwachting” vallen de oude erven. Wat is het nut van verkennend booronderzoek in die zones? Verstoringen zijn immers in een boor niet of nauwelijks te onderscheiden van oudere verstoringen. Bij “lage verwachting” verwijzen we naar de eerdere opmerkingen over zones met een lage verwachting. Bij boordiepte (“dan wel 50 cm onder het onderste archeologische niveau”) rijst de vraag waar de diepte op gebaseerd wordt. Deze is immers nog niet opgenomen in het huidige onderzoek.
16