Bijlage 14 Quickscan Wet natuurbescherming
Tekst van het document
QUICKSCAN WET NATUURBESCHERMING ZWEMBAD DE BOSSELAAR (ZONNEWEIDE) TE ZEVENBERGEN
Rapportage quickscan Wet natuurbescherming Zwembad De Bosselaar (zonneweide) te Zevenbergen Opdrachtgever
Gemeente Moerdijk Postbus 4 4760 AA Zevenbergen
Rapportnummer Versienummer
17771.002 D2
Status
Eindrapportage
Datum
7 februari 2022
Vestiging
Zuid-Holland Hoofdweg 240 3067 GJ Rotterdam 010-7640828 rotterdam@econsultancy.nl
Opsteller
Mevrouw E. Hessel, MSc
Paraaf
Kwaliteitscontrole
De heer O. Streng, BSc
Paraaf
Kwaliteitszorg Econsultancy is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). Het NGB is een vereniging van ecologische advies- en onderzoeksbureaus die werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte en die de belangen behartigt van groene adviesbureaus. Het Netwerk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. Econsultancy werkt volgens een dynamisch kwaliteits- en milieusysteem, zoals beschreven in het kwaliteits- en milieuhandboek. Ons kwaliteits- en milieusysteem is gecertificeerd volgens de eisen in de NEN-EN-ISO 9001 en NEN-EN-ISO 14001. Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving ten aanzien van natuurwetgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten en het al dan niet voorkomen van soorten. De gebruikte informatie omtrent verspreiding van soorten is deels afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden.
Econsultancy accepteert op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Econsultancy uitgevoerde onderzoek neemt. In het algemeen kan gesteld worden dat een quickscan geldig is voor een periode van 2 tot 3 jaar, tenzij in deze periode de ecologische omstandigheden wezenlijk zijn veranderd en/of de Wet natuurbescherming, dan wel inzichten hieromtrent zijn gewijzigd. Bij uitstel van de uitvoering van een project met meer dan 3 jaar verdient het de aanbeveling de resultaten van de quickscan opnieuw te toetsen.
INHOUDSOPGAVE 1
INLEIDING .................................................................................................................................. 1
2
GEBIEDSBESCHRIJVING ......................................................................................................... 2 2.1 2.2
Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving ............................................................... 2 Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen ..................... 4
3
ONDERZOEKSMETHODIEK ..................................................................................................... 5
4
OVERZICHT VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING ..................................................... 6 4.1 4.2 4.3 4.4
5
AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN .................................. 9 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6
6
Vogels ............................................................................................................................... 9 Vleermuizen .................................................................................................................... 11 Overige zoogdieren ........................................................................................................ 12 Reptielen, amfibieën en vissen....................................................................................... 13 Ongewervelden............................................................................................................... 13 Planten ............................................................................................................................ 14
TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING ......................................................................... 15 6.1 6.2 6.3 6.4
7
Zorgplicht .......................................................................................................................... 6 Soortenbescherming ........................................................................................................ 6 Gebiedenbescherming ..................................................................................................... 7 Houtopstanden ................................................................................................................. 8
Broedvogels .................................................................................................................... 15 Vleermuizen .................................................................................................................... 15 Algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën .................................................... 16 Overige soort(groep)en .................................................................................................. 16
TOETSING AAN GEBIEDENBESCHERMING ........................................................................ 17 7.1 7.2
Natura 2000 .................................................................................................................... 17 Natuurnetwerk Nederland ............................................................................................... 18
8
HOUTOPSTANDEN ................................................................................................................. 19
9
SAMENVATTING EN CONCLUSIES ....................................................................................... 20
Bijlage 1 Bijlage 2
toelichting verbodsbepalingen Wet natuurbescherming verklarende woordenlijst 17771.002
1
INLEIDING
Econsultancy heeft van Gemeente Moerdijk opdracht gekregen voor het uitvoeren van een quickscan Wet natuurbescherming bij het Zwembad De Bosselaar (zonneweide) te Zevenbergen. De quickscan Wet natuurbescherming is uitgevoerd in het kader van de aanleg van een sportaccommodatie en heeft als doel in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Tevens is beoordeeld of de voorgenomen ingreep invloed kan hebben op Natura 2000-gebieden, houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd, of op gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. Econsultancy is lid van de branchevereniging Netwerk Groene Bureaus en werkt volgens de door het Netwerk opgestelde gedragscode en protocollen. In dat kader verklaart Econsultancy ten behoeve van de onderzoekslocatie niet eerder betrokken te zijn geweest voor ecologische advisering of ecologisch onderzoek.
R 17771.002 versie D2
Pagina 1 van 21
2 2.1
GEBIEDSBESCHRIJVING Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving
De onderzoekslocatie (± 6.400 m²) betreft een zonneweide van Zwembad De Bosselaar te Zevenbergen. In figuur 1 is de ligging van de onderzoekslocatie weergegeven.
Figuur 1. Topografische ligging van de onderzoekslocatie.
De onderzoekslocatie betreft een zonneweide van Zwembad De Bosselaar van gemeente Moerdijk (exploitatie door Optisport). De onderzoekslocatie is geheel onbebouwd. Het betreft een gazon dat ten zuiden omgeven wordt door een laurierhaag en een strook bomen en struikgewas, ten westen door een bosschage en ten noorden door een laurierhaag. Aan de oostzijde staan tevens zes essen. Op het gazon en aan de randen groeit onder andere madelief, brandnetel, braam, distel, hondsdraf en fluitenkruid. Op het gazon staan ook een aantal speeltoestellen. In de bosschages groeit onder andere hazelaar, hulst, veldesdoorn en es. Ten noorden van de onderzoekslocatie loop een weg en aan de overzijde daarvan staat een school. Ten noordoosten van de onderzoekslocatie staat het gebouw van het zwembad, met onder andere eetgelegenheid en kleedkamers. Dit gebouw is opgetrokken uit bakstenen en heeft een plat dak. Ten oosten van de onderzoekslocatie ligt het zwembad, gazon en speeltoestellen. Ten zuiden van de onderzoekslocatie ligt een natuurijsbaan. Ten westen van de onderzoekslocatie loopt een sloot met natuurlijke oevers en aan de overzijde daarvan staan woonhuizen. Op circa 100 meter ten oosten van de onderzoekslocatie loopt een spoorweg, ten oosten van deze spoorweg begint het buitengebied van Zevenbergen.
R 17771.002 versie D2
Pagina 2 van 21
In figuur 2 is een luchtfoto van de onderzoekslocatie en de directe omgeving weergegeven. De figuren 3 t/m 11 geven een impressie van de onderzoekslocatie, middels foto’s die zijn genomen tijdens het veldbezoek.
Figuur 2. Luchtfoto onderzoekslocatie en directe omgeving.
Figuur 3. Laurierhaag in het noorden van de onderzoekslocatie.
Figuur 4. Overzichtsfoto van de onderzoekslocatie, kijkrichting naar het zuidwesten.
Figuur 5. Bosschage in het westen van de onderzoekslocatie, kijkrichting naar het zuiden.
Figuur 6. Overzichtsfoto onderzoekslocatie, kijkrichting naar het oosten.
Figuur 7. Laurierhaag met strook bomen en struikgewas in het zuiden van de onderzoekslocatie.
Figuur 8. Natuurijsbaan ten zuiden van de onderzoekslocatie.
R 17771.002 versie D2
Pagina 3 van 21
Figuur 9. Het zwembad ten oosten van de onderzoekslocatie.
2.2
Figuur 10. Het gebouw van het zwembad, in het noordoosten van de onderzoekslocatie.
Figuur 11. De sloot ten westen van de onderzoekslocatie.
Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen
De initiatiefnemer is voornemens een sportaccommodatie te ontwikkelen op de onderzoekslocatie.
R 17771.002 versie D2
Pagina 4 van 21
3
ONDERZOEKSMETHODIEK
Het onderzoek is uitgevoerd middels het verrichten van een veldbezoek en een bureauonderzoek. Op deze wijze is inzicht verkregen in de aanwezigheid van geschikt habitat en de daarbij te verwachten beschermde soorten, gesitueerd op of nabij de onderzoekslocatie. Het veldbezoek is afgelegd op 20 januari 2022. Tijdens dit veldbezoek is de gehele onderzoekslocatie, alsmede de directe omgeving beoordeeld. Gedurende het veldbezoek is gelet op de mogelijke aanwezigheid van beschermde en bedreigde soorten op basis van het aanwezige habitat. Verder is aan de hand van verspreidingsatlassen, andere standaardwerken en op basis van ‘expert judgement’ nagegaan welke bijzondere planten- en diersoorten er voor kunnen komen op de onderzoekslocatie en zijn omtrent gebiedsbescherming gegevens van de provincie Noord-Brabant opgevraagd. Actuele verspreidingsgegevens van flora en fauna zijn uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) opgevraagd. De quickscan Wet natuurbescherming is een toets van de ecologische potenties van de onderzoekslocatie en betreft geen volwaardig soort(en) specifiek onderzoek. Er zijn in het onderhavige onderzoek geen inventarisaties uitgevoerd van soorten en soortgroepen. Een ecologische inventarisatie beslaat meerdere veldbezoeken gedurende de voor de soortgroep meest gunstige periode van het jaar.
R 17771.002 versie D2
Pagina 5 van 21
4
OVERZICHT VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING
Dit hoofdstuk geeft achtergrondinformatie over de natuurwetgeving waaraan de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie wordt getoetst. Er wordt een globale toelichting gegeven ten aanzien van potentiële overtredingen van de Wet natuurbescherming bij de meest voorkomende soorten en soortgroepen. Dit hoofdstuk is niet toegespitst op de situatie op de onderzoekslocatie, maar geeft enkel een beschrijving van de vigerende wetgeving. De Wet natuurbescherming is gericht op: • • •
het beschermen en ontwikkelen van de natuur, mede vanwege de intrinsieke waarde en het behouden en herstellen van de biologische diversiteit; het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur ter vervulling van maatschappelijke functies; het verzekeren van een samenhangend beleid gericht op het behoud en beheer van waardevolle landschappen, vanwege hun bijdrage aan de biologische diversiteit en hun cultuurhistorische betekenis, mede ter vervulling van maatschappelijke functies.
De bevoegdheid voor het verlenen van ontheffingen en vrijstellingen bij soortenbescherming ligt grotendeels bij de provincies. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. 4.1
Zorgplicht
Het eerste artikel in de Wet natuurbescherming heeft betrekking op de zorgplicht en heeft betrekking op het voorkomen of beperken van schade aan soorten en gebieden, voor zover deze niet middels overige verbodsbepalingen zijn gereguleerd. Het gaat daarbij in de praktijk vooral om minder streng beschermde soorten, waarbij het onnodig doden, verwonden of beschadigen dient te worden vermeden. In bijlage 1 wordt dit artikel nader toegelicht. 4.2
Soortenbescherming
Bij een quickscan wordt in beeld gebracht of er (potentiële) vaste rust- of voortplantingsplaatsen aanwezig zijn van de soorten uit de verschillende beschermingsregimes. Vervolgens wordt beoordeeld of de voorgenomen ingreep verstorend kan zijn en of nader onderzoek noodzakelijk wordt geacht. De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; • • •
soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10).
In bijlage 1 worden deze artikelen nader toegelicht.
R 17771.002 versie D2
Pagina 6 van 21
4.3
Gebiedenbescherming
Indien een plangebied in of nabij een beschermd gebied is gelegen, dan dient te worden bepaald of er een (extern) effect valt te verwachten. Het gaat daarbij om Natura 2000-gebieden en gebieden behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. 4.3.1
Natura 2000
Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief. Met Natura 2000 wil men deze flora en fauna duurzaam beschermen. De staatssecretaris van Economische Zaken heeft voor Nederland ruim 160 Natura 2000-gebieden aangewezen. Gezamenlijk hebben ze een oppervlak van ruim 1,1 miljoen hectare. Ze maken deel uit van een samenhangend netwerk van natuurgebieden in de Europese Unie die zijn aangewezen op grond van de vogelrichtlijn en habitatrichtlijn. Het doel van Natura 2000 is het keren van de achteruitgang van de biodiversiteit. Binnen een gebied kan spanning optreden tussen economie en ecologie. In een zogenaamd beheerplan leggen Rijk en provincies vast welke activiteiten, op welke wijze mogelijk zijn. Uitgangspunt is steeds het realiseren van ecologische doelen met respect voor en in een zorgvuldige balans met wat particulieren en ondernemers willen. Het opstellen gebeurt daarom in overleg met alle direct betrokkenen, zoals beheerders, gebruikers, omwonenden, gemeenten, natuurorganisaties en waterschappen. Samen geven ze invulling aan beleven, gebruiken en beschermen. Daar draait het om in de Nederlandse Natura 2000-gebieden (bron: Regiegroep Natura 2000).
Het is verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten een project te realiseren dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000gebied. (artikel 2.7, lid 2). Handelingen die een negatieve invloed hebben op Natura 2000-gebieden, worden slechts onder strikte voorwaarden toegestaan. Een vergunning is vereist. Door middel van het Nederlandse vergunningsstelsel wordt een zorgvuldige afweging gewaarborgd. De vergunningen zullen beoordeeld en afgegeven worden door de desbetreffende provincie. 4.3.2
Natuurnetwerk Nederland
Het Natuurnetwerk Nederland is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het Natuurnetwerk Nederland bestaat uit: • • • • •
bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de Noordzee en de Waddenzee; alle Natura 2000-gebieden.
R 17771.002 versie D2
Pagina 7 van 21
Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. 4.4
Houtopstanden
De bescherming van houtopstanden conform hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming heeft als doel om het aanwezige areaal bos in Nederland te behouden. Onder houtopstanden vallen alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van tien are of meer of rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat. In bijlage 1 (tabel VI) worden de regels nader toegelicht. Wanneer houtopstanden geveld worden, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Op basis van deze melding wordt door de provincie beoordeeld of de voorgenomen velling aanvaardbaar is in het kader van natuur- en landschapswaarden. Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud. Indien bij de voorgenomen ontwikkeling herplantplicht geldt, maar niet voldaan kan worden aan de herplantplicht op de projectlocatie zelf, dan dient een ontheffing aangevraagd te worden met betrekking tot de herplantplicht bij de desbetreffende provincie.
De provincie toetst vervolgens of voldaan wordt aan de bij de provinciale verordening gestelde regels voor herbeplanting op andere perceelsgronden. Deze regels hebben onder andere betrekking op de kwaliteit, oppervlakte en locatie van de andere grond en de natuurwaarde van de te vellen houtopstand. Tevens kan ontheffing verleend worden van herplantplicht ter plaatse, indien gewerkt wordt via een door het ministerie goedgekeurde gedragscode die gebruikt mag worden door een van de betrokken partijen voor een wijze van vellen en een wijze van herplanten.
R 17771.002 versie D2
Pagina 8 van 21
5
AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN
Het voorkomen van planten- en diersoorten in een gebied wordt mede bepaald door de aanwezigheid van geschikt leefgebied. Een soort kan in zijn leefgebied gebruik maken van verschillende plekken om te verblijven. Al deze plekken (biotopen) kunnen een bepaalde functie voor de soort vervullen. In dit hoofdstuk wordt op basis van het aanwezige habitat/verblijfsmogelijkheden samen met verspreidingsgegevens beschreven welke beschermde soorten binnen de onderzoekslocatie kunnen voorkomen. Afhankelijk van de soort wordt ingegaan op de potentiële aanwezigheid van vaste rust- of voortplantingsplaatsen, foerageergebied en verbindingsroutes. Tevens wordt beoordeeld of de voorgenomen plannen een negatief effect kunnen hebben op de mogelijk aanwezige beschermde soorten. In hoofdstuk 6 wordt beschreven welke juridische implicaties dit voor het project heeft. 5.1 5.1.1
Vogels Broedvogels categorie 1-4 (nesten jaarrond beschermd)
Deze categorie betreft broedvogels waarvan de nesten ook beschermd zijn op het moment dat ze niet voor de voortplanting in gebruik zijn. Volgens de verspreidingsgegevens van de NDFF zijn in de afgelopen 5 jaar binnen enkele kilometers van de onderzoekslocatie vogelsoorten waargenomen waarvan de nestlocaties jaarrond beschermd zijn. Deze categorie 1-4 broedvogelsoorten zijn: boomvalk, buizerd, havik, ransuil, sperwer, zwarte wouw, kerkuil, steenuil, ooievaar, slechtvalk, gierzwaluw, huismus en grote gele kwikstaart. Van deze soorten kunnen de boomvalk, buizerd, havik, ransuil, sperwer en zwarte wouw op voorhand worden uitgesloten. Deze vogels broeden hoofdzakelijk in bossen of halfopen landschappen, soms in solitaire bomen en vaak midden hoog tot hoog in een boomkruin of nestkast, waar ze grote nesten maken of hergebruiken. Op en in directe omgeving van de onderzoekslocatie zijn geen grote nesten of nestkasten aangetroffen. Tijdens het veldbezoek is een buizerd waargenomen op de onderzoekslocatie. Hij zat even in een boom en even op de grond. Er zijn geen prooiresten op betreffende locatie gevonden. Potentieel geschikte broedlocaties en foerageergebied bevinden zich in het naastgelegen buitengebied van Zevenbergen, in de vorm van kleinschalige bosschages, akkers en bomenrijen, wat gezien de werkzaamheden buiten de invloedsfeer van de ingreep ligt.
De buizerd heeft een foerageergebied van enkele kilometers rondom zijn nest. Als de onderzoekslocatie deel uitmaakt van het foerageerbied van de buizerd, zal het verlies aan oppervlakte niet significant zijn. Het is daarom voor deze vogelsoorten redelijkerwijs uit te sluiten dat ze een negatief effect ondervinden van de voorgenomen ingreep. Nader onderzoek ten aanzien van deze soorten wordt niet noodzakelijk geacht. De steenuil en kerkuil hebben de voorkeur voor kleinschalige, half open tot open cultuurlandschappen. De steenuil is een holenbroeder die onder andere bebouwing, nestkasten en holle bomen gebruikt als broedlocatie. De kerkuil broedt typerend in schuren op boerderijerven of in speciale nestkasten. Op of om de onderzoekslocatie staan geen bomen of bebouwing die dienst kunnen doen als broedlocatie voor de steenuil of kerkuil. Tevens vormt het buitengebied van Zevenbergen kwalitatief beter leefgebied. De onderzoekslocatie is door het ontbreken van geschikte holtes, nestkasten en geschikte bebouwing niet geschikt als broedlocatie voor deze soorten. Nader onderzoek wordt niet noodzakelijk geacht. De ooievaar en slechtvalk zijn soorten die broeden op hoge of torenvormige structuren als hoogspanningsmasten, (kerk)torens, kantoorgebouwen of nestpalen. Deze nestmogelijkheden ontbreken op de onderzoekslocatie.
Het is daarom voor deze vogelsoorten redelijkerwijs uit te sluiten dat deze
R 17771.002 versie D2
Pagina 9 van 21
op of nabij de onderzoekslocatie broeden en een negatief effect ondervinden van de voorgenomen ingreep. Nader onderzoek ten aanzien van deze soorten wordt niet noodzakelijk geacht. De huismus en gierzwaluw zijn gebonden aan bebouwing als broedlocatie. Het zijn koloniebroeders die vaak broeden onder dakpannen bereikbaar via de dakgoot of losliggende dakpannen. De onderzoekslocatie is geheel onbebouwd. De huizen ten westen van de onderzoekslocatie zijn mogelijk geschikt als broedlocatie voor de huismus en gierzwaluw. Gezien de werkzaamheden liggen deze woningen echter buiten de invloedssfeer van de ingreep. Het gebouw van het zwembad, ten noordoosten van de onderzoekslocatie, is door het ontbreken van dakpannen en geschikte ruimte onder het dak niet geschikt als broedlocatie voor de huismus of gierzwaluw. Nader onderzoek naar deze soorten wordt niet noodzakelijk geacht. De grote gele kwikstaart broedt en foerageert vrijwel uitsluitend aan de oevers van snelstromende beken en rivieren, liefst met loofbos of loofbomen omzoomd. Deze vogel nestelt graag in een nis in een muur, onder een brug of bij boomwortels in oevers. Vanwege het ontbreken van deze broedmogelijkheden op en om de onderzoekslocatie is het redelijkerwijs uit te sluiten dat deze soort op of nabij de onderzoekslocatie broedt en een negatief effect ondervindt van de voorgenomen ingreep.
Nader onderzoek ten aanzien van de grote gele kwikstaart wordt niet noodzakelijk geacht. 5.1.2
Broedvogels categorie 5 (nesten soms jaarrond beschermd)
De broedvogels waarvan het nest in uitzonderlijke gevallen eveneens jaarrond is beschermd, zijn voornamelijk holenbroeders, zoals spechten en mezen, of makers van grote nesten, zoals ekster en zwarte kraai. Voor de vogelsoorten in deze categorie geldt een jaarronde nestbescherming enkel bij ecologisch zwaarwegende redenen. Tijdens het veldbezoek zijn op de onderzoekslocatie geen nesten aangetroffen van bovengenoemde soorten. Daarnaast is in de directe omgeving van de onderzoekslocatie voldoende broedgelegenheid van minimaal eenzelfde kwaliteit voor de hierboven genoemde soorten, indien zij in de omgeving zouden willen nestelen. Er zijn derhalve geen bijzondere ecologische omstandigheden die rechtvaardigen dat eventueel aanwezige nesten van genoemde soorten op de onderzoekslocatie een jaarrond beschermde status zouden moeten hebben. Het kan gebeuren dat op een later moment alsnog nesten worden aangetroffen op de onderzoekslocatie. Het werken buiten het broedseizoen is in dat geval voldoende om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen (zie hoofdstuk 6). 5.1.3
Overige broedvogels
De bomen en het struikgewas op de onderzoekslocatie kunnen nestgelegenheid bieden aan algemene broedvogelsoorten zoals merel, houtduif en heggenmus. In het zuiden van de onderzoekslocatie zijn twee kleine nesten aangetroffen (zie figuur 12 en 13). De nesten van deze soorten zijn alleen beschermd op het moment dat ze als zodanig in gebruik zijn. Overtredingen van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming zijn te voorkomen (zie hoofdstuk 6).
R 17771.002 versie D2
Pagina 10 van 21
Figuur 12. Merelnest, waargenomen in het struikgewas in het zuiden van de onderzoekslocatie.
5.2
Figuur 13. Houtduifnest (roze cirkel), waargenomen in een boom in het zuiden van de onderzoekslocatie.
Vleermuizen
Volgens verspreidingsgegevens en de verspreidingsatlas van de NDFF is de onderzoekslocatie gelegen in een deel van Nederland waar de volgende vleermuissoorten kunnen voorkomen: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, laatvlieger, meervleermuis en watervleermuis. Verblijfplaatsen op de onderzoekslocatie De onderzoekslocatie is geheel onbebouwd. De aanwezige bomen op de onderzoekslocatie zijn onderzocht op holtes, spleten en/of loshangend schors, die kunnen dienen als potentiële vaste rust- of voortplantingsplaats voor boombewonende vleermuizen. Deze zijn niet aangetroffen en daarmee zijn verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen uit te sluiten. Overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van vleermuizen is niet aan de orde. Verblijfplaatsen buiten de onderzoekslocatie Naast de onderzoekslocatie, ten noordoosten, bevindt zich het gebouw van het zwembad. Dit gebouw heeft ruimtes tussen de muur en de betimmering, waar gebouwbewonende vleermuizen eventueel gebruik van zouden kunnen maken. Eventuele verblijfplaatsen hierin ondervinden door de afstand tot de bouwlocatie en de aard van de ingreep, geen hinder van de ingreep op de onderzoekslocatie. Lichtverstoring van deze eventuele verblijfplaatsen kan voorkomen worden (zie hoofdstuk 6).
Foerageerhabitat De onderzoekslocatie zal, gelet op het aanwezige habitat gebruikt kunnen worden door in de omgeving verblijvende vleermuizen als gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger om te foerageren. De plannen zullen echter geen aantasting van belangrijk foerageerhabitat vormen. Door de voorgenomen ingreep zal het aanbod van foerageermogelijkheden niet in het geding komen, in de directe omgeving is meer geschikt foerageerhabitat voor vleermuizen aanwezig. Het betreft de natuurijsbaan ten zuiden van de onderzoekslocatie en de andere zonneweide van het zwembad. Verstoring van in de omgeving foeragerende vleermuizen kan voorkomen worden (zie hoofdstuk 6). Vliegroutes Vleermuizen maken veelal gebruik van lijnvormige (donkere) landschapselementen als houtsingels, beken en lanen om zich te verplaatsen tussen verblijfplaatsen en foerageergebieden. De bomenrij in het westen van de onderzoekslocatie vormt mogelijk een vliegroute. Deze bomen blijven echter zoveel als mogelijk behouden, waardoor de vliegroute niet verloren zal gaan door de voorgenomen in-
R 17771.002 versie D2
Pagina 11 van 21
greep. De bomenrij in het zuiden van de onderzoekslocatie kan tevens als vliegroute functioneren voor vleermuizen om van oost naar west of van west naar oost te migreren. Deze potentiële vliegroute is echter niet essentieel, ten noorden van de onderzoekslocatie loopt watergang Zwanengat, die dezelfde functie kan vervullen. Verstoring van eventuele aanwezige vliegroutes in de omgeving kan worden voorkomen (zie hoofdstuk 6). 5.3
Overige zoogdieren
Alle zoogdieren in Nederland zijn beschermd. Voor sommige algemeen voorkomende soorten geldt een provinciale vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling. Op deze wijze is er onderscheid te maken in streng beschermde en minder streng beschermde soorten. Streng beschermde soorten Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF ligt de onderzoekslocatie binnen het verspreidingsgebied van de volgende streng beschermde grondgebonden zoogdieren: bever, damhert en bunzing. De bever heeft een voorkeur voor rivieren en meren omzoomd door (broek)bossen met bomen als wilg en populier. Dit habitat ontbreekt op de onderzoekslocatie. Tevens betreft de waarneming van de NDFF een enkele waarneming, op circa 1,6 kilometer ten noorden van de onderzoekslocatie. Het kan daarom redelijkerwijs worden uitgesloten dat de bever gebruikmaakt van de onderzoekslocatie. Nader onderzoek naar deze soort wordt niet noodzakelijk geacht. Het damhert komt vooral voor in lichte loofbossen en gemengde bossen, met een voorkeur voor oudere bossen met dichte onderbegroeiing. Ook komt de soort voor in randzones bij open plekken, graslanden en akkerlanden en in parkachtige bosgebieden. Op en in de directe omgeving van de onderzoekslocatie is geen bosachtig gebied aanwezig. De waarneming uit de NDFF heeft tevens betrekking op een bosje op circa 2,6 kilometer ten westen van de onderzoekslocatie.
Het is daarom niet aannemelijk dat de damhert gebruikmaakt van de onderzoekslocatie. Overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van damhert kan op basis van de quickscan worden uitgesloten. De bunzing is sterk gebonden aan landschapselementen zoals houtwallen en bosschages die dekking bieden gedurende het foerageren en migreren tussen de vaste rust- of voortplantingsplaatsen en de foerageergebieden. Het struikgewas op de onderzoekslocatie is in principe geschikt voor de bunzing om in te schuilen. De onderzoekslocatie wordt echter intensief door mensen gebruikt wanneer het zwembad open is. Tevens zijn er tijdens het veldbezoek geen holen en geen sporen aangetroffen die kunnen duiden op aanwezigheid van de bunzing. Het is daardoor op voorhand redelijkerwijs uit te sluiten dat deze soort gebruikmaakt van de onderzoekslocatie. Nader onderzoek wordt niet noodzakelijk geacht. Licht beschermde soorten De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor een aantal soorten grondgebonden zoogdieren. Het gaat daarbij om algemene soorten als egel, rosse woelmuis en konijn. Op het gazon op de onderzoekslocatie zijn op meerdere plekken konijnenkeutels aangetroffen (zie figuur 14). Overtreding van de Wet natuurbescherming met betrekking tot algemene grondgebonden zoogdieren is te voorkomen (zie hoofdstuk 6).
R 17771.002 versie D2
Pagina 12 van 21
Figuur 14. Konijnenkeutels, aangetroffen op het gazon op de onderzoekslocatie.
5.4
Reptielen, amfibieën en vissen
Reptielen Reptielen stellen specifieke eisen aan het habitat die betrekking hebben op verschillende factoren. Op de onderzoekslocatie is geen geschikt habitat voor reptielen aanwezig. Tevens zijn er volgens de NDFF de afgelopen jaren in de omgeving van de onderzoekslocatie geen beschermde reptielen waargenomen. Doordat de onderzoekslocatie niet binnen het kerngebied van de soort valt en het habitat minder optimaal is, is het niet aannemelijk dat er een bestaande populatie van een streng beschermde reptielensoort aanwezig is. Amfibieën Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF zijn in het deel van Nederland waar de onderzoekslocatie ligt, de volgende soorten waargenomen: kleine watersalamander, gewone pad en bruine kikker. Doordat wateroppervlakten als poelen, sloten en plassen op de onderzoekslocatie ontbreken zijn voortplantingsmogelijkheden voor amfibieën op de onderzoekslocatie uitgesloten. De onderzoekslocatie vormt geschikt landhabitat voor algemene amfibieënsoorten als bruine kikker en gewone pad. De sloot die zich aan de westzijde van de onderzoekslocatie bevindt kan onderkomen bieden aan beide soorten. Op de onderzoekslocatie kunnen deze soorten beschutting vinden tussen de ruigte en onder takkenhopen. Door de voorgenomen werkzaamheden kunnen negatieve gevolgen ontstaan voor algemene soorten (zie hoofdstuk 6).
Vissen Vanwege het ontbreken van oppervlaktewater op de onderzoekslocatie kan deze soortgroep buiten beschouwing worden gelaten. 5.5
Ongewervelden
Libellen Er zijn slechts enkele libellensoorten die binnen de Wet natuurbescherming een strenge bescherming genieten. Deze zijn voor wat betreft hun verspreiding gebonden aan specifieke habitateisen, die veelal alleen in natuurgebied zijn te vinden. Beschermde soorten zijn op de onderzoekslocatie niet te verwachten.
R 17771.002 versie D2
Pagina 13 van 21
Vlinders Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF is in de afgelopen vijf jaar binnen enkele kilometers van de onderzoekslocatie de beschermde vlindersoort teunisbloempijlstaart waargenomen. Beschermde vlinders stellen specifieke eisen aan het voortplantingshabitat. Bij het habitat is het belangrijk dat aan de eisen van alle stadia van de vlindersoort wordt voldaan. Voor de beschermde soorten in Nederland geldt dat deze veelal gebonden zijn aan zeldzame waardplanten, die vaak alleen in natuurterreinen te vinden zijn. Geschikte waardplanten voor de teunisbloempijlstaart zijn wilgenroosje, teunisbloem, basterdwederik en kattenstaart. Deze waardplanten zijn tijdens het veldbezoek niet waargenomen. Het is uitgesloten dat er binnen de onderzoekslocatie geschikt habitat aanwezig is voor een (deel)populatie van een beschermde vlindersoort. Overige soorten Overige beschermde soorten, zoals vliegend hert, Europese rivierkreeft en platte schijfhoren, zijn op de onderzoekslocatie uit te sluiten. Er is geen geschikt habitat voor dergelijke beschermde soorten op de onderzoekslocatie aanwezig en er zijn geen waarnemingen bekend in de directe omgeving van de onderzoekslocatie. 5.6
Planten
De onderzoekslocatie bestaat uit gazon, laurierhagen en bosschages. Tijdens het veldbezoek zijn onder andere de volgende plantensoorten waargenomen: gras, hondsdraf, brandnetel, braam, distel en madelief. De planten op de onderzoekslocatie geven aan dat de bodem voedselrijk, zuur en vochtig is. In dergelijke vegetaties zijn geen beschermde soorten te verwachten. De meeste beschermde plantensoorten en de daarbij horende specifieke groeiomstandigheden zijn zeldzaam te noemen en zijn op de onderzoekslocatie niet aanwezig.
R 17771.002 versie D2
Pagina 14 van 21
6
TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING
Als gevolg van de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie kunnen er overtredingen van verbodsbepalingen uit soortbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbescherming optreden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke soorten er sprake is van dreigende overtreding van de Wet natuurbescherming en of met eenvoudige maatregelen overtreding is te voorkomen. Verder wordt beschreven voor welke soorten een vervolgtraject noodzakelijk is, bijvoorbeeld omdat toetsing van de ingreep aan de Wet natuurbescherming op basis van de huidige onderzoeksinspanning niet mogelijk is, en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van ontheffingen. 6.1 6.1.1
Broedvogels Algemene broedvogels en broedvogels categorie 5
Voor de algemene broedvogelsoorten en broedvogelsoorten behorend tot categorie 5 die op de onderzoekslocatie zijn te verwachten geldt dat, indien het groen buiten het broedseizoen wordt verwijderd, er geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot deze soorten. Artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming (Het is verboden nesten te beschadigen, te vernielen of weg te nemen) is van toepassing. De nesten mogen echter wel worden weggenomen wanneer deze op dat moment niet in gebruik zijn. In de Wet natuurbescherming wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot eind augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. Indien het groen toch binnen het broedseizoen gekapt dient te worden, zal voorafgaand hieraan door een ter zake kundig ecoloog geïnspecteerd moeten worden of er broedgevallen binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden aanwezig zijn. De ecoloog zal naar aanleiding van de inspectie kunnen adviseren of het mogelijk is om het groen te kappen zonder daarbij broedvogels te verstoren. Met betrekking tot het verwijderen van de aanwezige beplanting buiten het broedseizoen wordt geadviseerd om ook het snoeiafval buiten het broedseizoen te verwijderen.
Een grote stapel snoeiafval vormt namelijk een ideale broedlocatie voor kleine vogelsoorten als de winterkoning. Indien onverhoopt een dergelijke soort hierin tot broeden komt, mag het snoeiafval niet eerder worden verwijderd dan wanneer de jongen definitief zijn uitgevlogen. 6.2
Vleermuizen
Alle vleermuissoorten zijn opgenomen in bijlage IV van de EU-Habitatrichtlijn, dier- en plantensoorten van communautair belang die strikt moeten worden beschermd. Vleermuizen worden ook benoemd in Bijlage II van de conventie van Bonn. Met betrekking tot mogelijke verblijfplaatsen of vliegroutes buiten de onderzoekslocatie en voor in de omgeving foeragerende vleermuizen wordt geadviseerd om vleermuisvriendelijk licht te gebruiken. Door de verlichting vleermuisvriendelijk in te richten zullen de mogelijke verblijfplaatsen, het foerageergebied en de vliegroutes niet in hun functie beperkt worden. Vleermuisvriendelijke verlichting is amberkleurig, de armaturen zijn weggericht van de naastgelegen bebouwing en bomen, en de verlichting is zo min mogelijk diffuus.
R 17771.002 versie D2
Pagina 15 van 21
6.3
Algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën
Voor de te verwachten algemene soorten geldt dat de werkzaamheden mogelijk verstorend kunnen werken. Als gevolg van graafwerkzaamheden kunnen dieren verwond of gedood worden en holen kunnen worden verwijderd. Dit houdt een overtreding van artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming in. Voor de te verwachten soorten geldt, op grond van het provinciale soortenbeleid, bij ruimtelijke ontwikkelingen echter een vrijstelling, waardoor geen ontheffing hoeft te worden aangevraagd. Het is echter in het kader van de zorgplicht wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. Het doden of verwonden kan plaatsvinden wanneer rust- of voortplantingslocaties worden aangetast. Het verwijderen van het groen dient daarom buiten de gevoelige periode van voortplanting of winterrust plaats te vinden. De geschikte periode voor het uitvoeren van de werkzaamheden betreft de maanden september en oktober. Dieren die gedurende de werkzaamheden worden aangetroffen dienen de gelegenheid te krijgen om veilig weg te komen. 6.4
Overige soort(groep)en
Overtredingen van de Wet natuurbescherming ten aanzien van beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn wegens het ontbreken van geschikt habitat/verblijfsmogelijkheden, op basis van verspreidingsgegevens, de aanwezigheid van voldoende alternatieven en/of gezien de aard van de ingreep in dit geval niet aan de orde.
R 17771.002 versie D2
Pagina 16 van 21
7
TOETSING AAN GEBIEDENBESCHERMING
In algemene zin kan er door een plan sprake zijn van negatieve gevolgen, op vanuit de Wet natuurbescherming aangewezen beschermde gebieden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke gebieden er mogelijk sprake is van negatieve effecten als gevolg van de voorgenomen ingrepen op de onderzoekslocatie. Verder wordt beschreven of een vervolgtraject noodzakelijk is en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van vergunningen. 7.1
Natura 2000
De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen de grenzen, of in de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, Hollands Diep, bevindt zich op circa 6 kilometer afstand ten noorden van de onderzoekslocatie. Het meest nabijgelegen stikstofgevoelige Natura 2000-gebied, Biesbosch, bevindt zich op circa 8,5 kilometer ten noordoosten van de onderzoekslocatie (zie figuur 15).
Figuur 15. Ligging onderzoekslocatie ten opzichte van Natura 2000.
Voor de aanlegfase (bouwwerkzaamheden) wordt aansluiting gezocht bij de in de Wet stikstofreductie en natuurbescherming (Wsn) opgenomen partiële vrijstelling. De vrijstelling geldt voor projecten waarbij slechts tijdelijke emissies vrijkomen, zoals bouwwerkzaamheden ten behoeve van de realisatie van woningen. Voor de bouwwerkzaamheden is geen onderzoek stikstofdepositie (AERIUS-berekening) benodigd en kunnen significant negatieve effecten uitgesloten worden op basis van de tijdelijkheid van de emissies en eventueel bijbehorende stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Vervolgonderzoek in het kader van de gebiedsbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbescherming ten aanzien van stikstof wordt daarom niet noodzakelijk geacht.
R 17771.002 versie D2
Pagina 17 van 21
7.2
Natuurnetwerk Nederland
De onderzoekslocatie maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk. De onderzoekslocatie ligt ook niet in de nabijheid van een gebied, behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. Het meest nabijgelegen gebied bevindt zich circa 800 meter ten noorden van de onderzoekslocatie. In figuur 16 is de ligging van de onderzoekslocatie ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland weergegeven.
Figuur 16. Ligging onderzoekslocatie ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland.
Initiatiefnemers van ingrepen binnen of in de directe nabijheid van het Natuurnetwerk Nederland dienen in Noord-Brabant de effecten van de ingreep op de wezenlijke waarden en kenmerken van het Natuurnetwerk te onderzoeken. Gezien de afstand van de onderzoekslocatie tot het dichtstbijzijnde deel van het Natuurnetwerk zullen de wezenlijke waarden en kenmerken ten opzichte van de oorspronkelijke situatie niet veranderen. Vervolgonderzoek in het kader van het Natuurnetwerk Nederland wordt niet noodzakelijk geacht.
R 17771.002 versie D2
Pagina 18 van 21
8
HOUTOPSTANDEN
De Wet natuurbescherming beschermt bos van minimaal 10 are en bomenrijen van minimaal 21 bomen, gelegen buiten de bebouwde kom (de zogenaamde 'houtopstanden'). Het is verboden deze houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen zonder voorafgaande melding bij gedeputeerde staten. In dit hoofdstuk wordt beschreven of er bij de voorgenomen kap sprake is van meldingsplicht en herplantplicht conform artikel 4.2 en artikel 4.3 van de Wet natuurbescherming. Verder wordt beschreven of er vervolgmaatregelen getroffen dienen te worden ten behoeve van de voorgenomen houtkap. De bomen op de onderzoekslocatie vallen niet onder de definitie houtopstanden als bedoeld in paragraaf 4.1 van de Wet natuurbescherming. De houtopstand op de onderzoekslocatie is gelegen binnen de bij besluit van gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom. Voor deze houtopstand geldt daarom geen meldingsplicht en herplantplicht.
R 17771.002 versie D2
Pagina 19 van 21
9
SAMENVATTING EN CONCLUSIES
Econsultancy heeft in opdracht van Gemeente Moerdijk een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd bij het Zwembad De Bosselaar (zonneweide) te Zevenbergen. De quickscan Wet natuurbescherming is uitgevoerd in het kader van de aanleg van een sportaccommodatie en heeft tot doel om in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten, gebieden of houtopstanden aanwezig zijn die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve gevolgen kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. De initiatiefnemer is voornemens een sportaccommodatie te ontwikkelen op de onderzoekslocatie. De aanwezigheid van geschikt habitat op de onderzoekslocatie voor de verschillende soorten en soortgroepen is weergegeven in tabel I. In de tabel is samengevat of de voorgenomen ingreep mogelijk verstorend kan werken en wat de consequenties zijn voor eventuele vervolgstappen, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningstrajecten. In de tabel is weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen te voorkomen. Tabel I.
Overzicht geschiktheid onderzoekslocatie voor soortgroepen en te nemen vervolgstappen Soortgroep
Geschikt habitat
Ingreep verstorend
Nader onderzoek
Ontheffingsaanvraag
algemeen en categorie 5
ja
ja
nee
nee
het verwijderen van nestgelegenheden buiten het broedseizoen uitvoeren
jaarrond beschermd
nee
nee
nee
nee
-
verblijfplaatsen
nee
nee
nee
nee
vleermuisvriendelijke verlichting, in verband met eventuele verblijfplaatsen in het gebouw ten noordoosten van de onderzoekslocatie
foerageergebied
ja
nee
nee
nee
aandacht voor verlichting van omliggend groen
vliegroutes
ja
nee
nee
nee
aandacht voor verlichting van bomenrijen in de omgeving
Grondgebonden zoogdieren
ja
mogelijk
nee
nee
Amfibieën
ja
mogelijk
nee
nee
aandacht voor zorgplicht ten aanzien van algemene soorten
Reptielen
nee
nee
nee
nee
-
Vissen
nee
nee
nee
nee
-
Libellen en vlinders
nee
nee
nee
nee
-
Overige ongewervelden
nee
nee
nee
nee
-
Vaatplanten
nee
nee
nee
nee
-
Gebied aanwezig
Ingreep verstorend
Nader onderzoek
Vergunningplicht
Natura 2000
6 km
nee
nee
nee
-
Natuurnetwerk Nederland
820 m
nee
nee
nee
-
Houtopstanden
n.v.t
-
-
-
-
Broedvogels
Vleermuizen
Gebiedsbescherming
Bijzonderheden / opmerkingen*
* Wijzigingen in het planvoornemen kunnen van invloed zijn op de uitkomst van het onderzoek.
R 17771.002 versie D2
Pagina 20 van 21
Conclusie Voor de broedvogels die op de onderzoekslocatie zijn te verwachten geldt dat, indien de nestgelegenheden buiten het broedseizoen worden verwijderd, er geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot deze soorten. In de Wet natuurbescherming wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot eind augustus worden aangehouden. Indien binnen het broedseizoen gewerkt wordt, dient vooraf aan de werkzaamheden een broedvogelinspectie te worden uitgevoerd door een ter zake kundige ecoloog. Voor vleermuizen wordt geadviseerd om vleermuisvriendelijke verlichting te gebruiken in de buurt van de bebouwing ten noordoosten van de onderzoekslocatie en in de buurt van omliggend groen. Zo worden eventuele verblijfsplaatsen, vliegroutes en foerageergebieden buiten de onderzoekslocatie niet in hun functie beperkt. Vleermuisvriendelijke verlichting is amberkleurig, de armaturen zijn weggericht van de bebouwing en het groen en de verlichting is zo min mogelijk diffuus. Tevens dient rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht met betrekking tot algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën, waarbij al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen.
Econsultancy Rotterdam, 7 februari 2022
R 17771.002 versie D2
Pagina 21 van 21
GERAADPLEEGDE BRONNEN BIJ12 (2017d). Kennisdocument gewone dwergvleermuis. Opgehaald van https://www.bij12.nl/assets/BIJ122017-004-Kennisdocument-Gewone-dwergvleermuis-1.0.pdf. Ministerie van Economische Zaken (2016). Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen. Lees hier wat de Wet natuurbescherming daarover regelt. Versie 1.3, december 2016. Ministerie van Economische Zaken, Den Haag. Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (z.d.). Natura 2000 gebieden. Geraadpleegd op 7 februari 2022 van https://www.natura2000.nl/gebieden. Nationale Database Flora en Fauna (z.d.). Uitvoerportaal; zoekgebied 3 kilometer rondom onderzoekslocatie, periode 2017-2022. NDFF. Geraadpleegd op 7 februari 2022 van https://ndff-ecogrid.nl. Sovon (z.d.). Soortenoverzicht. Geraadpleegd op 7 februari 2022 van https://stats.sovon.nl/stats/soorten. Verspreidingsatlas (z.d.). NDFF Verspreidingsatlas. Geraadpleegd op 7 februari 2022 van https://www.verspreidingsatlas.nl/. Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus (2021). Vleermuisprotocol 2021. Opgehaald van https://netwerkgroenebureaus.nl/vleermuisprotocol. Wet natuurbescherming (2015, 16 december). Opgehaald van: https://wetten.overheid.nl/BWBR0037552/202102-17.
Websites www.brabant.nl (NNN en beschermde gebieden in Noord-Brabant) www.zoogdiervereniging.nl (soortgegevens zoogdieren)
R 17771.002 versie D1
Bijlage 1 toelichting verbodsbepalingen Wet natuurbescherming Zorgplicht Het eerste artikel in de Wet natuurbescherming heeft betrekking op de zorgplicht en heeft betrekking op het voorkomen of beperken van schade aan soorten en gebieden, voor zover deze niet middels overige verbodsbepalingen zijn gereguleerd (zie tabel II). Het gaat daarbij in de praktijk vooral om minder streng beschermde soorten, waarbij het onnodig doden, verwonden of beschadigen dient te worden vermeden. Tabel II. Zorgplicht Artikel 1.11. Zorgplicht 1.
Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. De zorg houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: a) dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, b) indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of c) voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt.
2.
Overtreding van de zorgplicht is niet strafbaar gesteld; “de zorgplicht kan wel door toepassing van bestuursdwang worden gehandhaafd”. Deze formulering van de zorgplicht brengt met zich mee dat wanneer men een bepaalde handeling wilt verrichten die gevolgen voor natuurwaarden zou kunnen hebben, men zich daaraan voorafgaand op de hoogte stelt van de aanwezige natuurwaarden, de kwetsbaarheid ervan en de mogelijke gevolgen daarvoor van het voorgenomen handelen. De zorgplicht is te allen tijde van toepassing, ook al vindt er geen overtreding van een verbodsbepaling plaats. Indien er aanleiding is maatregelen te nemen ten aanzien van de zorgplicht, zal dat voor het betreffende beschermde natuurgebied en de betreffende soortgroep in deze rapportage worden aangegeven. Soortenbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; • • •
soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10).
In tabel III t/m V worden deze artikelen nader toegelicht.
R 17771.002 versie D1
Tabel III. Verbodsbepalingen en toelichting Artikel 3.1 Wet natuurbescherming Artikel 3.1. Soorten van de Vogelrichtlijn 1.
Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.
2. 3. 4. 5.
Toelichting Alle inheemse vogelsoorten in Nederland vallen onder de Vogelrichtlijn. De Vogelrichtlijn is een richtlijn vanuit de Europese Unie uit 1979 en heeft betrekking op de instandhouding van alle natuurlijk in het wild levende vogelsoorten op het Europese grondgebied van de Lidstaten waarop het Verdrag van toepassing is. De lijst met soorten is niet limitatief.
Tabel IV. Verbodsbepalingen en toelichting Artikel 3.5 Wet natuurbescherming Artikel 3.5. In het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn
1. 2. 3. 4. 5.
Het is verboden in het wild levende dieren van deze soorten in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van deze dieren te beschadigen of te vernielen. Het is verboden planten van soorten uit de Habitatrichtlijn of het Verdrag van Bern in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Toelichting Het gaat bij artikel 3.5 over in het wild levende dieren van verschillende soortgroepen. In de wet wordt voor vogelsoorten uit bijlage II van het verdrag van Bern geen uitzondering gemaakt. Van de vogelsoorten die in Nederland voorkomen is hieronder een selectie gemaakt. Van de overige soortengroepen zijn alle soorten genoemd. Soorten Planten
drijvende waterweegbree, groenknolorchis, kruipend moerasscherm, zomerschroeforchis
Zoogdieren
bever, hamster, hazelmuis, lynx, Noordse woelmuis, otter, wolf, wilde kat
Walvisachtigen
bruinvis, bultrug, butskop (hille), dwergpotvis, dwergvinvis, gestreepte dolfijn, gewone dolfijn, gewone spitsdolfijn, gewone vinvis, griend, grijze dolfijn, kleine zwaardwalvis, narwal, Noordse vinvis, orka, potvis, spitsdolfijn van Gray, tuimelaar, walrus witflankdolfijn, witsnuitdolfijn, witte dolfijn
Vleermuizen
Bechsteins vleermuis, bosvleermuis, Brandts vleermuis, franjestaart, gewone baardvleermuis, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, grijze grootoorvleermuis, grote hoefijzerneus, grote rosse vleermuis, ingekorven vleermuis, kleine dwergvleermuis, kleine hoefijzerneus, laatvlieger, meervleermuis, mopsvleermuis, Noordse vleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis, tweekleurige vleermuis, vale vleermuis, watervleermuis
Amfibieën
boomkikker, geelbuikvuurpad, heikikker, kamsalamander, knoflookpad, poelkikker, rugstreeppad, vroedmeesterpad
Reptielen
dikkopschildpad, gladde slang, Kemps’ zeeschildpad, lederschildpad, muurhagedis, soepschildpad, zandhagedis
Vissen
houting, steur
Vlinders
apollovlinder, boszandoog, donker pimpernelblauwtje, grote vuurvlinder, moerasparelmoervlinder, monarchvlinder, pimpernelblauwtje, teunisbloempijlstaart, tijmblauwtje, zilverstreephooibeestje
Libellen
bronslibel, gaffellibel, gevlekte witsnuitlibel, groene glazenmaker, mercuurwaterjuffer, Noordse winterjuffer, oostelijke witsnuitlibel, rivierrombout, sierlijke witsnuitlibel
Insecten
brede geelrandwaterroofkever, gestreepte waterroofkever, heldenbok, juchtleerkever, oeveraas, vermiljoenkever
Overig
Bataafse stroommossel, platte schijfhoren
R 17771.002 versie D1
Artikel 3.5. In het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn appelvink, baardman, beflijster, bergeend, bergfluiter, bijeneter, blauwborst, blauwe kiekendief, boerenzwaluw, bontbekplevier, bonte strandloper, bonte vliegenvanger, boomklever, boomkruiper, boompieper, boomvalk, bosrietzanger bosruiter, bosuil, braamsluiper, brandgans, bruine kiekendief, buizerd, casarca, Cetti’s zanger, draaihals, duinpieper, dwergmeeuw, dwergstern, Engelse kwikstaart, Europese kanarie, fitis, fluiter, geelgors, gekraagde roodstaart, gele kwikstaart, geoorde fuut, glanskop, goudhaan, grasmus, graspieper, graszanger, grauwe kiekendief, grauwe klauwier, grauwe vliegenvanger, griel, groene specht, groenling, grote bonte specht, grote gele kwikstaart, grote karekiet, grote stern, grote zilverreiger, havik, heggenmus, hop, huiszwaluw, ijsvogel, kerkuil, klapekster, klein waterhoen, kleine barmsijs, kleine bonte specht, kleine karekiet, kleine plevier, kleine zilverreiger, kleinst waterhoen, kluut, kneu, koolmees, koereiger, kraanvogel, krekelzanger, kortsnavelboomkruiper, kruisbek, kuifmees, kwak, kwartelkoning, lepelaar, matkop, middelste bonte specht, nachtegaal, Noordse stern, oehoe, oeverloper, oeverpieper, oeverzwaluw, ooievaar, orpheusspotvogel, paapje, pestvogel,
pimpelmees, poelruiter, porseleinhoen, purperreiger, putter, ransuil, rietgors, rietzanger, rode wouw, roerdomp, roodborst, roodborsttapuit, roodhalsfuut, rouwkwikstaart, sijs, slangenarend, slechtvalk, smelleken, snor, sperwer, spotvogel, sprinkhaanzanger, steenuil, steltkluut, strandplevier, taigaboomkruiper, tapuit, tjiftjaf, torenvalk, tuinfluiter, velduil, visarend, visdief, vuurgoudhaan, wespendief, wielewaal, winterkoning, witbandkruisbek, witte kwikstaart, witwangstern, nachtzwaluw, woudaap, zeearend, zwarte mees, zwarte ooievaar, zwarte roodstaart, zwarte specht, zwarte stern, zwarte wouw, zwartkop, zwartkopmeeuw
Vogels
Tabel V. Verbodsbepalingen en toelichting Artikel 3.10 Wet natuurbescherming Artikel 3.10. Andere soorten Het is verboden om: 1. 2. 3.
In het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, vlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A1, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen. De vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen. Vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B2, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Toelichting Het gaat bij artikel 10 om in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, vlinders, libellen en kevers. Dieren zijn opgenomen in bijlage onderdeel A1. Planten zijn opgenomen in bijlage onderdeel B2 van de Wet natuurbescherming. Voor een aantal zoogdieren, amfibieen en reptielen geldt per provincie een vrijstelling onder bepaalde voorwaarden. Dit verschilt per provincie. De betreffende soorten zijn aangegeven met een sterretje. Daarnaast is het mogelijk dat sommige provincies ook ‘eigen’ beschermde soorten hanteren, als aanvulling op het landelijke. Soorten Dieren
Planten
Zoogdieren
aardmuis*, boommarter, bosmuis*, bunzing*, damhert, das, dwergmuis*, dwergspitsmuis*, edelhert, eekhoorn*, egel*, eikelmuis, gewone bosspitsmuis*, gewone zeehond, grote bosmuis, grijze zeehond, haas*, hermelijn*, huisspitsmuis*, konijn*, molmuis, ondergrondse woelmuis*, ree*, rosse woelmuis*, steenmarter*, tweekleurige bosspitsmuis*, veldmuis*, veldspitsmuis, vos*, waterspitsmuis, wezel*, wild zwijn, woelrat*
Amfibieën
Alpenwatersalamander, bruine kikker*, gewone pad*, kleine watersalamander*, meerkikker*, middelste groene kikker*, vinpootsalamander, vuursalamander
Reptielen
adder, hazelworm*, levendbarende hagedis*, ringslang
Vissen
beekdonderpad, beekprik, elrits, gestippelde alver, grote modderkruiper, kwabaal
vlinders
aardbeivlinder, bosparelmoervlinder, bruin dikkopje, bruine eikenpage, donker pimpernelblauwtje, duinparelmoervlinder, gentiaanblauwtje, grote parelmoervlinder, grote vos, grote vuurvlinder, grote weerschijnvlinder, iepenpage, kleine heivlinder, kleine ijsvogelvlinder, kommavlinder, pimpernelblauwtje, sleedoornpage, spiegeldikkopje, veenbesblauwtje, veenbesparelmoervlinder, veenhooibeestje, veldparelmoervlinder, zilveren maan