Bijlage 12, Bureauonderzoek Archeologie Zuid West 380 Oost VKA 1.0.2 - D10011245
Tekst van het document
BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE ZUID WEST 380 KV Arcadis Archeologische Rapporten 257 Kenmerk Meridian 002.678.00 0855150 (VKA 1.0.2) TenneT TSO B.V.
30 SEPTEMBER 2020
BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE ZUID WEST 380 KV
Contact EIMERT GOOSSENS Adviseur Archeologie & Cultuurhistorie
T 0031 627062042
Arcadis Nederland B.V. P.O. Box 220 3800 AE Amersfoort The Netherlands
2
BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE ZUID WEST 380 KV
INHOUDSOPGAVE SAMENVATTING
5
1
INLEIDING
6
1.1
Aanleiding
6
1.2
Doel rapportage
6
PROJECTOMSCHRIJVING
8
2.1
Aanpassingen aan hoogspanningsverbindingen
8
2.2
Werkzaamheden
9
2
3
4
ADMINISTRATIEVE GEGEVENS
10
3.1
Plangebied en onderzoeksgebied
10
3.2
Administratieve gegevens
10
3.3
Doel van het bureauonderzoek
10
3.4
Werkwijze
11
JURIDISCH- EN BELEIDSKADER
12
4.1
Verdrag van Malta (1992)
12
4.2
Erfgoedwet (2016) en Monumentenwet (1988)
12
4.3
Provinciaal beleid
13
4.3.1
Provincie Zeeland
13
4.3.2
Provincie Noord-Brabant
13
4.4
Gemeentelijk beleid
13
4.4.1
Gemeente Bergen op Zoom
13
4.4.2
Gemeente Dongen
14
4.4.3
Gemeente Drimmelen
14
4.4.4
Gemeente Geertruidenberg
15
4.4.5
Gemeente Halderberge
15
4.4.6
Gemeente Loon op Zand
16
4.4.7
Gemeente Moerdijk
16
4.4.8
Gemeente Oosterhout
17
4.4.9
Gemeente Reimerswaal
18 3
BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE ZUID WEST 380 KV
5
6
7
4.4.10
Gemeente Roosendaal
18
4.4.11
Gemeente Steenbergen
19
4.4.12
Gemeente Tilburg
19
4.4.13
Gemeente Waalwijk
19
4.4.14
Gemeente Woensdrecht
20
LANDSCHAP
21
5.1
Inleiding
21
5.2
Geomorfologie en bodem
21
5.2.1
Het zuidwestelijk zeekleigebied
21
5.2.2
Het Brabants zandgebied
22
ARCHEOLOGISCHE INFORMATIE
24
6.1
Inleiding
24
6.2
Gemeentelijke archeologische verwachtingskaart
24
6.3
Archeologische informatie
24
6.3.1
AMK-terreinen
24
6.3.2
Vondstlocaties
25
6.3.3
Eerder uitgevoerd onderzoek
26
6.4
Historische informatie
26
6.4.1
Historische erflocaties
26
6.4.2
De Zuiderwaterlinie
26
CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN
29
7.1
Conclusie: gespecificeerd verwachtingsmodel
29
7.2
Advies
29
BRONNEN
31
BIJLAGEN
33
BIJLAGE 1. UITGEVOERDE ONDERZOEKEN
34
4
BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE ZUID WEST 380 KV
SAMENVATTING In opdracht van Tennet TSO heeft Arcadis in 2018 een bureauonderzoek uitgevoerd in het kader van nieuwe 380 kV-hoogspanningsverbinding tussen het (in aanbouw zijnde) 380 kV-station Rilland en een nieuw te bouwen 380 kV-station bij Tilburg. In 2019 is het VKA (1.0) verder uitgewerkt en is het plangebied uitgebreid en is het bureauonderzoek uitgebreid (Figuur 1). In 2020 is het VKA (1.0.2) opnieuw verder uitgewerkt en in het kader van deze uitbreiding is dit bureauonderzoek opgesteld, dat in feite een aanvulling is van het in 2018 en 2019 uitgevoerde bureauonderzoek. Voor de detailuitwerking van het VKA zijn nog aanvullende, meer gedetailleerde gegevens nodig om afwegingen en keuzes te kunnen maken voor de ligging van de nieuwe hoogspanningslijn. De eerste stap hierin is het uitvoeren van bureauonderzoeken, waarin van het onderzoeksgebied rond het VKA bepaald wordt wat de bekende archeologische waarden en verwachtingen zijn. Hiertoe is gebruik gemaakt van de gemeentelijke archeologische verwachtingskaarten. Deze zijn aangevuld met vindplaatsgegevens uit Archis en historische erflocaties. Alhoewel voor grote delen een lage archeologische verwachting geldt, zijn er binnen het plangebied meerdere hoge tot zeer hoge verwachtingszones en bovendien één AMK-terrein, 15 in Archis geregistreerde vindplaatsen en 83 historische erflocaties voor.
Als advies voor vervolgonderzoek is verkennend booronderzoek voor middel tot zeer hoge verwachtingszones geadviseerd. Voor bekende vindplaatsen is maatwerk geadviseerd. Afhankelijk van de reeds bekende data kan bepaald worden of er verkennend booronderzoek moet worden uitgevoerd en/of een proefsleuvenonderzoek. Voor lage archeologische verwachtingszones, verstoorde zones en water is geen archeologisch vervolgonderzoek geadviseerd.
5
BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE ZUID WEST 380 KV
1
INLEIDING
1.1
Aanleiding
TenneT TSO B.V., de beheerder van het landelijke hoogspanningsnet, heeft het voornemen een nieuwe 380 kilovolt (kV) hoogspanningsverbinding in Zuidwest-Nederland aan te leggen. Het betreft de realisatie van een nieuwe 380 kV-verbinding tussen Borssele en de landelijke ring bij Tilburg; Zuid-West 380 kV (ZW380). Deze verbinding transporteert elektriciteit van productielocaties in Zeeland naar Tilburg, waar verder transport via de landelijke 380 kV-ring plaatsvindt. De aanleg van de nieuwe hoogspanningsverbinding is nodig om nu en in de toekomst te kunnen voldoen aan de wettelijke eisen voor leveringszekerheid van elektriciteit.
Deze verbinding transporteert elektriciteit van de productielocatie van Zeeland naar Tilburg, vanwaar verder transport via de landelijke 380kV ring plaatsvindt. De aanleg van deze 380kV-hoogspanningsverbinding is nodig om nu en in de toekomst te kunnen voldoen aan de wettelijke eisen voor de leveringszekerheid van elektriciteit. TenneT heeft dit voornemen in 2009 bekend gemaakt. De besluitvorming over het project en realisatie ervan vindt in verschillende onderdelen plaats: • • • •
De besluitvorming over het 380 kV-hoogspanningsstation bij Rilland is achter de rug; dit station is inmiddels gebouwd. Over het deel van de verbinding tussen Borssele en Rilland heeft besluitvorming plaatsgevonden; de aanleg van dit gedeelte van de verbinding is momenteel in voorbereiding. Momenteel vindt besluitvorming plaats over het nieuwe 380kV-hoogspanningsstation ten noorden van Tilburg; de realisatie hiervan wordt momenteel voorbereid. De planvorming van de verbinding tussen Rilland en Tilburg is nu zo ver gevorderd, dat hierover besluitvorming kan plaatsvinden.
Om de hoogspanningsverbinding tussen Rilland en Tilburg mogelijk te maken wordt een Rijksinpassingsplan voorbereid door de ministers van Economische Zaken en Klimaat (EZK) en van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelatie (BZK). In de aanloop naar dit Rijksinpassingsplan en voor het MER zijn verschillende onderzoeken uitgevoerd. In de voorbereiding van het opstellen van dit inpassingsplan vindt overleg plaats met onder andere gemeenten en andere belanghebbenden. Dit document betreft het bureauonderzoek archeologie.
1.2
Doel rapportage
De planprocedures voor het westelijk deel zijn inmiddels geheel afgrond en de aanleg van de verbinding is in de zomer van 2018 gestart. Het oostelijke deel bevindt zich nog in de planprocedure. Begin 2018 is hiervoor een MER opgesteld, waarin een zogenaamd voorkeursalternatief (VKA) is vastgesteld. Dit alternatief moet nu verder in detail uitgewerkt worden waar de verbinding exact komt te liggen en wat de mastposities worden. Voor de detailuitwerking zijn nog aanvullende, meer gedetailleerde gegevens nodig om afwegingen en keuzes te kunnen maken voor de ligging van de nieuwe hoogspanningslijn. De eerste stap hierin is het uitvoeren van bureauonderzoeken, waarin van het onderzoeksgebied rond het VKA bepaald wordt wat de waarden zijn.
6
BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE ZUID WEST 380 KV
Figuur 1. Het plangebied en de gemeentelijke grenzen.
7
BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE ZUID WEST 380 KV
2
PROJECTOMSCHRIJVING
2.1
Aanpassingen aan hoogspanningsverbindingen
TenneT voorziet in een nieuwe 380 kV-verbinding. Het realiseren van de nieuwe verbinding gaat gepaard met het combineren, aanpassen en amoveren van bestaande verbindingen. Hierin is echter niet over de volledige lengte van het tracé eenzelfde aanpassing gemaakt, maar leiden verschillende bestaande situaties tot verschillende inrichtingen. In Figuur 2 is een overzicht van 15 onderscheidende situaties weergegeven. De onderscheidde deelverbindingen zijn gekozen op basis van landschapsmorfologie. Hieronder volgt een samenvatting van deze 15 onderscheidende situaties: 1. Huidige hoogspanningsverbinding wordt vervangen. Oude verbinding wordt geamoveerd. 2. Huidige hoogspanningsverbinding wordt vervangen door een kabelverbinding. Oude verbinding wordt geamoveerd; 150 kV komt gedeeltelijk in ander kabelbed. 3. Huidige hoogspanningsverbinding wordt vervangen. Oude verbinding wordt geamoveerd. 4. Tracé waar de huidige hoogspanningsverbinding (150 kV) wordt vervangen door een kabelverbinding. Oude verbinding wordt geamoveerd. Daarnaast wordt een nieuwe verbinding 380kV gerealiseerd. 5. Huidige hoogspanningsverbindingen blijft gehandhaafd en een nieuwe verbinding wordt gerealiseerd. 6. Huidige 380 kV-hoogspanningsverbinding blijft gehandhaafd. De bestaande 150 kV verbinding wordt gecombineerd met nieuwe 380kV en de oude verbinding wordt geamoveerd. 7.
Huidige 380 kV-hoogspanningsverbinding wordt gereconstrueerd op een andere locatie. De bestaande 150 kV verbinding wordt gecombineerd en de oude verbinding wordt geamoveerd. Hier komt een tijdelijke 380kV-verbinding ten behoeve van de ombouw van de bestaande verbinding. Dit betreft masten met de helft aan aantal draden van de bestaande verbinding. 8. Huidige 380 kV hoogspanningsverbinding blijft gehandhaafd. De bestaande 150 kV verbinding wordt gecombineerd en de oude verbinding wordt geamoveerd. De aansluiting met het station Moerdijk gebeurt met een korte kabelverbinding. 9. Huidige 380 kV-hoogspanningsverbinding blijft gehandhaafd. De bestaande 150 kV verbinding wordt gecombineerd en de oude verbinding wordt geamoveerd. De aansluiting met het station Moerdijk en Zevenbergschenhoek gebeurt met een korte kabelverbinding. 10. Huidige 380 kV-hoogspanningsverbinding wordt gereconstrueerd op een andere locatie. De bestaande 150 kV verbinding wordt gecombineerd en de oude verbinding wordt geamoveerd. Hier komt een tijdelijke 380kV-verbinding ten behoeve van de ombouw van de bestaande verbinding. Dit betreft masten met een gelijk aantal draden als de bestaande verbinding. 11. Huidige 380 kV-hoogspanningsverbinding blijft gehandhaafd. De bestaande 150 kV verbinding wordt gecombineerd en de oude verbinding wordt geamoveerd.
Hier komt een tijdelijke 380kV-verbinding ten behoeve van de ombouw van de bestaande verbinding. Dit betreft masten met de helft aan aantal draden van de bestaande verbinding. 12. Huidige 380 kV-hoogspanningsverbinding blijft gehandhaafd. De bestaande 150 kV verbinding naar Roosendaal en Tilburg West wordt gecombineerd en de oude verbindingen worden geamoveerd. De verbinding naar Breda (haakse kruising) wordt gedeeltelijk verkabeld. 13. Huidige 380 kV-hoogspanningsverbinding blijft gehandhaafd. De bestaande 150 kV verbinding wordt gecombineerd en de oude verbinding wordt geamoveerd. 14. Huidige 380 kV-hoogspanningsverbinding blijft gehandhaafd. De bestaande 150 kV verbinding wordt gecombineerd en de oude verbinding wordt geamoveerd. Er worden kabels aangelegd richting Oosteind en Tilburg-West en amoveren verbinding tot aan Tilburg-West. 15. Huidige 380 kV hoogspanningsverbinding wordt gereconstrueerd op een andere locatie. De bestaande 150 kV-verbinding wordt gecombineerd en de oude verbinding wordt geamoveerd.
8
BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE ZUID WEST 380 KV
Figuur 2: Overzicht nieuwe hoogspanningsverbinding ZuidWest 380kv-Oost tussen Rilland en Tilburg.
2.2
Werkzaamheden
Deze werkzaamheden vinden niet tegelijkertijd over de gehele lengte van het tracé plaats. Op één of meerdere locaties wordt gewerkt en de werkzaamheden schuiven langs het tracé op. De werkzaamheden, niet noodzakelijkerwijs in deze volgorde, zijn als volgt: • Vrijmaken ruimte voor tijdelijke wegen en bouwterrein, sloop en bouw van verbindingen. • Bouw nieuw 150 kV hoogspanningsstation • Aanpassingen aan bestaande 150 kV hoogspanningsstations • Uitvoeren ondergrondse kabelverbinding in open ontgraving • Uitvoeren boring: • • • •
Bouw nieuwe gecombineerde verbinding: • • • • • • • • • •
•
Aanleggen werkwegen en werkterrein (geotextiel / tijdelijke verharding) per mast. Aanbrengen funderingspalen (mogelijk door heien). Ontgraven bouwput per mast. Aanbrengen fundering. Aanvoer mast in delen. Plaatsen masten met een kraan. Aanbrengen isolatoren. Indien nodig bouwen van jukken. Aanbrengen trekdraad. Intrekken geleiders.
Indien van toepassing: sloop verbinding: • • • • • •
•
Aanleg van intrede- en uittredepunt. Uitleggen buis. Bij het afpompen bij het in- en uittredepunt wordt water meteen teruggebracht in het gebied waardoor de grondwaterstand niet daalt.
Verwijderen geleiders. Demonteren masten. Afvoeren masten. Vrijleggen mastvoeten (graven). Verwijderen bovenste deel fundering (tot 2 m diepte). Aanvullen gaten rond mastvoeten/herstel bouwvoor.
Opruimen: • • •
Verwijderen tijdelijke verharding en geotextiel. Herstel oude maaiveld, watergangen en dergelijke. Eventueel inzaaien. 9
BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE ZUID WEST 380 KV
3 3.1
ADMINISTRATIEVE GEGEVENS Plangebied en onderzoeksgebied
Voor het bureauonderzoek is uitgegaan van een zoals is aangeleverd door TenneT. Deze en de voorgenomen werkzaamheden worden in hoofdstuk 1 en 2 beschreven.
3.2
Administratieve gegevens
Objectgegevens onderzoek
Projectnaam
Arcadis Projectnummer
C05062.000381
ISSN-nummer
2666-8718
Projectnaam
ZW380 Oost VKA 1.0.2
Plaats
Rilland tot Tilburg
Gemeente
Bergen op Zoom, Dongen, Drimmelen, Geertruidenberg, Halderberge, Loon op Zand, Moerdijk, Oosterhout, Reimerswaal, Roosendaal, Steenbergen, Tilburg, Waalwijk, Woensdrecht
Provincie
Zeeland en Noord-Brabant
Coördinaten (X,Y) Startpunt gemeente Reimerswaal Eindpunt gemeente Tilburg
Startpunt: 73.683 / 382.312 Eindpunt: 135.014 / 400.758
Oppervlakte plangebied
842 hectares
Onderzoeksmelding Archis3
4869132100
Uitvoerder
Arcadis Nederland BV
Contactpersoon
Eimert Goossens Arcadis Nederland B.V. Eimert.goossens@arcadis.com
Auteur
Eimert Goossens (Senior KNA Archeoloog) en Koos Mol
Opdrachtgever
TenneT TSO B.V.
Bevoegd Gezag
Bovenstaande gemeenten
Uitvoeringsperiode onderzoek
Juni – September 2020.
Beheerder en plaats documentatie
Arcadis Nederland BV, locatie Arnhem
3.3
Doel van het bureauonderzoek
1. Het bureauonderzoek heeft als doel inzicht te verschaffen in de archeologische waarden die zich in het plangebied bevinden of verwacht worden. 2. Aan de hand van het bureauonderzoek wordt een gespecificeerd verwachtingsmodel opgesteld voor het aantreffen van archeologische resten en de risico’s op het verstoren van deze resten binnen de planvorming. 3. Aan de hand van het bureauonderzoek wordt uitspraak gedaan over de noodzaak van archeologisch vervolgonderzoek en indien nodig, uit welke onderzoeksmethode het vervolgonderzoek zou moeten bestaan. 10
BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE ZUID WEST 380 KV
3.4
Werkwijze
Door Tauw is in 2014 ten behoeve van de MER een achtergrond rapport archeologie opgesteld. Voor de advieskaart is gebruik gemaakt van de Indicatieve Kaart Archeologische Waarden. Als advies voor vervolgonderzoek werd geadviseerd een bureauonderzoek uit te voeren en hierin gebruik te maken van provinciale en gemeentelijke beleidskaders en archeologische verwachtingen- en waardenkaarten. Hiervan is in onderhavige studie gebruik gemaakt. De landschappelijke en archeologische situatie wordt beschreven op basis van een aantal bronnen. Vanwege de lengte (circa 77 km) en omvang (circa 3100 hectare) van het tracé worden de landschappelijke, archeologische en historische achtergronden globaal beschreven. Op basis van de geïnventariseerde gegevens wordt een verwachting opgesteld voor de kans op het aantreffen van archeologische resten. Het onderzoek resulteert in een vlakdekkende verwachtingskaart en advieskaart (kaartbijlagen 6 en 7). Voor de detailuitwerking van de ligging van de nieuwe hoogspanningslijn kunnen op basis van dit kaartmateriaal afwegingen en keuzes gemaakt worden. De vlakdekkende advieskaart zal tevens als shape-file worden aangeleverd.
Voor het bureauonderzoek archeologie worden de volgende bronnen geraadpleegd: • Archeologische Monumenten Kaart (AMK); • Gemeentelijke archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart; • Relevante publicaties van reeds uitgevoerd archeologisch onderzoek; • Bodemkaart, geomorfologische kaart, het AHN; • Informatie uit Archis 3.
11
BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE ZUID WEST 380 KV
4
JURIDISCH- EN BELEIDSKADER
4.1
Verdrag van Malta (1992)
Op 16 januari 1992 is door de Raad van Europa het Europese verdrag van Malta - ook wel bekend als de Conventie van Malta of het Verdrag van Valletta - gesloten. Aanleiding was de toenemende druk op het archeologisch erfgoed in Europa, onder meer door ruimtelijke ontwikkelingen, waardoor bodemarchief ongezien verloren dreigde te gaan. Het verdrag beoogt het cultureel erfgoed dat zich in de bodem bevindt beter te beschermen. Grondslag van het verdrag is dat dit archeologische erfgoed integrale bescherming nodig heeft en krijgt. In het verdrag zijn drie uitgangspunten ten aanzien van de omgang met archeologie geïntroduceerd: •
•
•
Het streven naar het behouden van archeologie in de bodem, het zogenaamde "behoud in situ" (artikel 4, tweede lid). Opgraven is het (gedocumenteerd) vernietigen van het bodemarchief en is in principe niet het eerste streven. De gedachte daarachter is dat er bodemarchief voor toekomstige generaties bewaard moet blijven. Tijdig rekening houden in de ruimtelijke ordening met de mogelijkheid of aanwezigheid van archeologische waarden, zodat er nog ruimte is voor archeologievriendelijke alternatieven (artikel 5). Zo wordt voorgesteld om steeds vooraf onderzoek te laten doen naar de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden om het bodemarchief beter te beschermen en om onzekerheden tijdens de bouw van bijvoorbeeld nieuwe wijken te beperken. Op deze manier kan daar bij de ontwikkeling van de plannen zoveel mogelijk rekening mee worden gehouden. Door er vooraf rekening mee te houden, wordt vertraging in bouwprocessen voorkomen. Elke lidstaat die het Verdrag van Malta ondertekent is verplicht maatregelen te treffen om ervoor te zorgen dat bij particuliere of openbare ontwikkelingsprojecten de kosten van de noodzakelijke archeologische maatregelen worden gedekt (artikel 6). In de Nederlandse wetgeving is dit vertaald in het ‘de verstoorder betaalt’-principe (Wet op de archeologische monumentenzorg 2008).
De ontwikkelaar is verantwoordelijk voor de kosten van het archeologisch onderzoek en de uitwerking van de resultaten Dit principe is geïntroduceerd als een stimulans om locaties voor ruimtelijke ontwikkeling te zoeken waarbij de archeologische verwachtingswaarden minder hoog zijn.
4.2
Erfgoedwet (2016) en Monumentenwet (1988)
Sinds 1 juli 2016 geldt de nieuwe Erfgoedwet. Deze wet harmoniseert de bestaande wet- en regelgeving omtrent roerend en onroerend erfgoed en vormt één integrale Erfgoedwet voor het beheer en behoud van cultureel erfgoed. Een belangrijke wijziging voor archeologie is dat in de Erfgoedwet de regels voor de archeologische monumentenzorg aan de orde komen. De omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving wordt onderdeel van de Omgevingswet die naar verwachting in januari 2019 in werking zal treden. Tot dat de Omgevingswet ingaat blijven de artikelen uit de Monumentenwet 1988 die niet terugkomen in de Erfgoedwet van kracht, waaronder regelingen omtrent omgevingsvergunningen en bestemmingsplannen. •
•
Op grond van artikel 38a van de Monumentenwet 1988 en op grond van de Wet ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 Besluit ruimtelijke ordening), zijn gemeenten verplicht de belangen van de archeologische monumentenzorg in hun bestemmingsplannen te verankeren. De verankering vindt plaats door het toekennen van de bestemming of dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’. In een gemeentelijke verordening en in het bestemmingsplan worden regels opgenomen met betrekking tot het gebruik van de grond. Aan deze regels kan een omgevingsvergunningstelsel voor onder meer het gebruik van de grond en bodemwerkzaamheden worden gekoppeld. Op grond van artikel 2.22, derde lid onder d, van de Wet Algemene Bepalingen Omgevingsrecht kunnen in het belang van de archeologische monumentenzorg, voorschriften aan de omgevingsvergunning worden verbonden. Deze voorschriften kunnen inhouden dat de aanvrager van een omgevingsvergunning een rapport overlegd, waarin de archeologische waarde wordt vastgesteld van het terrein dat volgens de aanvraag wordt verstoord.
12
BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE ZUID WEST 380 KV
4.3
Provinciaal beleid
Provinciale overheden zijn bevoegd gezag bij ontgrondingsvergunningen. Daarnaast spelen ze een rol als depothouder voor archeologische vondsten. De meeste provincies kennen aanvullende richtlijnen voor archeologisch onderzoek.
4.3.1
Provincie Zeeland
De Stichting Cultureel Erfgoed Zeeland is het overheidsorgaan voor archeologisch beleid in de provincie. In mei 2009 hebben Gedeputeerde Staten van Zeeland een provinciale Regeling aanvullende richtlijnen voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland vastgesteld. GS stellen hierin bovenop de landelijke regeling extra eisen aan archeologisch onderzoek in Zeeland. Bij deze vaststelling is besloten dat de werking van deze richtlijnen telkens na vier jaar geëvalueerd zou worden. In 2017 zijn de richtlijnen voor archeologisch onderzoek bijgesteld 1.
4.3.2
Provincie Noord-Brabant
Erfgoed Brabant is het kennis- en expertisecentrum voor erfgoed in Brabant en werkt samen met het Provinciaal Depot Bodemvondsten. De hoofddoelen van het provinciaal beleid zijn: • • •
Duurzaam behoud en beheer van het archeologisch erfgoed in situ (ter plekke) door gebiedsbescherming; Duurzaam behoud en beheer van het archeologisch erfgoed ex situ (het depot), als behoud in situ onmogelijk blijkt; Vergroting van het maatschappelijk draagvlak voor archeologie in Brabant.
4.4
Gemeentelijk beleid
Het plangebied ligt in 14 verschillende gemeenten. Van deze gemeenten ligt alleen Reimerswaal in de provincie Zeeland, de overige gemeente bevinden zich in de provincie Noord-Brabant. De gemeenten waarin het plangebied zich bevindt zijn (op alfabetische volgorde): Bergen op Zoom, Dongen, Drimmelen, Geertruidenberg, Halderberge, Loon op Zand, Moerdijk, Oosterhout, Reimerswaal, Roosendaal, Steenbergen, Tilburg, Waalwijk en Woensdrecht.
4.4.1
Gemeente Bergen op Zoom
Het beleid van de gemeente Bergen op Zoom is vastgelegd in bestemmingsplannen (Uitvoeringsplan Materieel Erfgoed 2014). Daarnaast is er een online beleidskaart (http://www.monumentenboz.nl/main/kadaster). Toelichting bij de archeologische beleidskaart Bergen op Zoom. Deze kaart is een onderdeel van de gemeentelijke erfgoedverordening, door de Raad vastgesteld in 2011. De kaart is een vertaling van de archeologische verwachtingswaarden binnen de gemeentegrens. Deze waarden zijn opgenomen in de verschillende bestemmingsplannen van de gemeente. In de uitzonderlijke gevallen waar nog geen archeologie in de bestemmingsplannen is verwerkt, voorziet de erfgoedverordening. Voor een initiatiefnemer van een ruimtelijke ontwikkeling kan dit betekenen dat hij onderzoek moet verrichten naar de aanwezigheid van archeologische waarden in de ondergrond. Daarnaast kan de gemeente ter bescherming van archeologische waarden aanvullende voorwaarden stellen aan de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling.
1 https://zoek.officielebekendmakingen.nl/prb-2017-3112.html
13
BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE ZUID WEST 380 KV
Tabel 1. Archeologiebeleid gemeente Bergen op Zoom.
Categorie
Beleid
Gebieden met een hoge archeologische verwachting
Bij bodemingrepen dieper dan 50 cm en groter dan 50 m² is een aanlegvergunning vereist.
Gebieden met een middelhoge archeologische verwachting
Bij bodemingrepen dieper dan 50 cm en groter dan 100 m² is een aanlegvergunning vereist.
Gebieden met een lage archeologische verwachting
Hier gelden geen archeologische beperkingen.
4.4.2
Gemeente Dongen
Het archeologiebeleid van de gemeente Dongen is vastgelegd in de Nota Cultureel Erfgoed Dongen (2016), waarin onderscheid wordt gemaakt tussen verschillende beleidszones (Tabel 2).
Tabel 2. Archeologiebeleid gemeente Dongen.
Categorie
Beleid
Terrein van hoge archeologische waarde
Deze gebieden zijn altijd onderzoeksplichtig.
Hoge archeologische verwachtingszone
Archeologisch onderzoek is verplicht bij ingrepen dieper dan 0,5 m -Mv en met een oppervlak groter dan 100 m2.
Middelhoge archeologische verwachtingszone
Archeologisch onderzoek is verplicht bij ingrepen dieper dan 0,5 m -Mv en met een oppervlak groter dan 100 m2.
Lage archeologische verwachtingszone
Archeologisch onderzoek alleen verplicht bij MER-plichtige projecten of een planoppervlak hebben van 50.000 m2 of meer.
Verstoord door ontgrondingen
Bodemingrepen zijn toegestaan.
4.4.3
Gemeente Drimmelen
Het beleid omtrent archeologie in de gemeente Drimmelen is weergeven op de Erfgoedkaart uit 2011 (Koopmanschap et al. 2011). Op de erfgoedkaart zijn 5 verschillende categorieën ondergrond weergegeven (Tabel 3).
Tabel 3 Archeologiebeleid gemeente Drimmelen.
Categorie
Beleid
Terrein van hoge archeologische waarde
Archeologisch onderzoek is verplicht bij ingrepen dieper dan 0,5 m -Mv en met een oppervlak groter dan 100 m2.
Hoge archeologische verwachtingszone
Archeologisch onderzoek is verplicht bij ingrepen dieper dan 0,5 m -Mv en met een oppervlak groter dan 100 m2.
Middelhoge archeologische verwachtingszone
Archeologisch onderzoek is verplicht bij ingrepen dieper dan 0,5 m -Mv en met een oppervlak groter dan 1000 m2.
Lage archeologische verwachtingszone
Bodemingrepen zijn in principe toegestaan. Archeologisch onderzoek is uitsluitend noodzakelijk bij ontgrondingen en/of MER-plichtige projecten of projecten met een planoppervlak van 5 hectare of meer.
14
BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE ZUID WEST 380 KV
Terrein vestoord door ontgrondingen
4.4.4
Hier geldt het beleid van de onderliggende verwachtingszone met de daarbij behorende onderzoeksplicht.
Gemeente Geertruidenberg
Het archeologiebeleid van de gemeente Geertruidenberg is vastgelegd in de Nota Archeologie (2017) waar onderscheid wordt gemaakt in verschillende beleidszones (Tabel 4).
Tabel 4. Archeologiebeleid gemeente Geertruidenberg.
Categorie
Beleid
Archeologisch waardevolle gebieden: wettelijk beschermde monumenten
Deze gebieden zijn altijd onderzoeksplichtig.
Archeologisch waardevolle gebieden: terrein van hoge archeologische waarde
Deze gebieden zijn altijd onderzoeksplichtig.
Archeologische verwachtingszone: zeer hoog
Archeologisch onderzoek is verplicht bij ingrepen dieper dan 0,3 m -Mv en met een oppervlak groter dan 50 m2. Historische bebouwing: archeologisch onderzoek is verplicht bij ingrepen dieper dan 0,4 m -Mv en met een oppervlak groter dan 100 m2.
Archeologische verwachtingszone: Hoog Overige hoge verwachtingszones: archeologisch onderzoek is verplicht bij ingrepen dieper dan 0,5 m -Mv en met een oppervlak groter dan 100 m2. Archeologische verwachtingszone: Middelhoog
Archeologisch onderzoek is verplicht bij ingrepen dieper dan 0,5 m -Mv en met een oppervlak groter dan 1.000 m2.
Archeologische verwachtingszone: Laag
Archeologisch onderzoek alleen verplicht bij MER-plichtige projecten of een planoppervlak hebben van 50.000 m2 of meer.
Verstoringen: ophogingen, afgravingen en ontgrondingen
Bij verhogingen moet rekening worden gehouden met de, onder de ophoging gelegen, verwachtingswaarde.
4.4.5
Gemeente Halderberge
De gemeente Halderberge heeft een archeologische verwachtingskaart. Op basis van deze verwachtingskaart is een advieskaart gemaakt waarop de verwachting gekoppeld is aan een advies. Het archeologiebeleid van de gemeente is vastgesteld in 2011, waarin onder andere de regie wordt beargumenteerd (Moonen 2011, 41). Zo worden er drie ondergrenzen gehanteerd: voor de diepte, de omvang van het plangebied en de omvang van de bodemingreep (Tabel 5). Alle bodemingrepen die niet dieper rijken dan 40 cm zijn in principe dus vrijgesteld van archeologisch onderzoek. Ingrepen dieper dan 40 cm hoeven overigens niet per se te leiden tot verstoring van archeologische waarden. De archeologische resten kunnen erg diep liggen en daardoor niet verstoord worden, (bureau- of veld-) onderzoek dient eerst vast te stellen op welke diepte de resten zich bevinden.
Tabel 5 Archeologiebeleid gemeente Halderberge.
Categorie
Legenda-eenheid archeologische advieskaart
1
-
Ondergrens ‘diepte ingreep’
Hoge archeologische verwachting voor vindplaatsen uit één of meer van de onderscheiden perioden. 40 cm Hoge archeologische verwachting voor vindplaatsen van jagers-verzamelaars. Onbekende verwachting
Ondergrens Ondergrens ‘plan‘bodemgebied’ ingreep’
1000 m²
500 m²
15
BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE ZUID WEST 380 KV
voor vindplaatsen uit de late landbouwperiode. Geen archeologische verwachting voor vindplaatsen uit de vroege landbouwperiode. 2
3
4.4.6
-
Middelhoge archeologische verwachting voor vindplaatsen van late landbouwers. Middelhoge tot lage archeologische verwachting voor vindplaatsen van vroege landbouwers. Lage archeologische verwachting voor vindplaatsen van jagerverzamelaars.
40 cm
2500 m²
500 m²
Historische bebouwing. Terrein van archeologische waarde. Bekende archeologische vindplaatsen (zone van 50 m rondom een vindplaats).
40 cm
50 m²
30 m²
Gemeente Loon op Zand
Het archeologiebeleid van de gemeente Loon op zand is gebaseerd op de archeologische verwachtingskaart (Heeringen en Schrijvers 2017) waarop onderscheid is gemaakt in verschillende beleidszones (Tabel 6).
Tabel 6. Archeologiebeleid gemeente Loon op Zand.
Categorie
Omschrijving
Beleid
AMK-terrein, wettelijk beschermd
Wettelijk beschermde archeologische monumenten
Altijd vergunningsplichtig
Archeologische waarde
Gebied/ terrein van archeologische waarde (AMK-terreinen, waaronder ook de historische dorpskernen)
Archeologisch onderzoek is verplicht bij ingrepen dieper dan 0,3 m -Mv en met een oppervlak groter dan 100 m2.
Archeologische waarde, bewoningscluster
Gebied/ terrein van archeologische waarde (verdichting historische bebouwing)
Archeologisch onderzoek is verplicht bij ingrepen dieper dan 0,3 m -Mv en met een oppervlak groter dan 100 m2.
Hoge verwachting
Gebied/ terrein met een hoge archeologische verwachting
Archeologisch onderzoek is verplicht bij ingrepen dieper dan 0,5 m -Mv en met een oppervlak groter dan 500 m2.
Middelhoge verwachting
Gebied/ terrein met een middelhoge archeologische verwachting
Archeologisch onderzoek is verplicht bij ingrepen dieper dan 0,5 m -Mv en met een oppervlak groter dan 5.000 m2.
Lage verwachting
Gebied/ terrein met een lage archeologische verwachting
Archeologisch onderzoek is verplicht bij ingrepen dieper dan 0,5 m -Mv en met een oppervlak groter dan 10.000 m2.
Gebied/ terrein waar geen bodemarchief Geen verwachting/ (meer) aanwezig is (verstoord, afgerond Verstoring door bebouwing AMZ-proces t/m 2011)
Geen onderzoeksverplchting.
Water
Water
Geen onderzoeksverplchting.
4.4.7
Gemeente Moerdijk
Het archeologiebeleid van de gemeente Moerdijk staat weergegeven op de advies archeologische beleidskaart 2013 van de gemeente Moerdijk. In het bijbehorende rapport ‘Tussen water en land: Archeologische Waarden- en verwachtingskaart en advies archeologische beleidskaart van de gemeente Moerdijk’ staan de omschrijvingen van deze archeologische beleidsgebieden (Groot et al. 2013). 16
BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE ZUID WEST 380 KV
Tabel 7. Archeologiebeleid gemeente Moerdijk.
Categorie
Omschrijving
Beleid
Archeologisch beleidsgebied 1+2
Archeologische monumenten en Archeologische terreinen
Altijd een archeologische onderzoeksplicht vanaf een minimum diepte van 30 cm.
Archeologisch beleidsgebied 3
Stadskernen
Een archeologische onderzoeksplicht bij bodemverstoring met een minimum oppervlakte van 50 m2 en een verstoringsdiepte van 30 cm.
Archeologisch beleidsgebied 4
Dorpskernen
Een archeologische onderzoeksplicht bij bodemverstoring met een minimum oppervlakte van 80 m2 en een verstoringsdiepte van 30 cm.
Archeologisch beleidsgebied 5
Gebieden met een hoge archeologische verwachting
Een archeologische onderzoeksplicht bij bodemverstoring met een minimum oppervlakte van 100 m2 en een verstoringsdiepte van 50 cm.
Archeologisch beleidsgebied 6
Gebieden met een middelhoge archeologische verwachting (Ondiep)
Een archeologische onderzoeksplicht bij bodemverstoring met een minimum oppervlakte van 250 m2 en een verstoringsdiepte van 50 cm.
Archeologisch beleidsgebied 7
Gebieden met een middelhoge archeologische verwachting (Dekzand)
Een archeologische onderzoeksplicht bij bodemverstoring met een minimum oppervlakte van 250 m2 en een verstoringsdiepte van 200 cm.
Archeologisch beleidsgebied 8
Gebieden met een lage archeologische verwachting
Een archeologisch onderzoek zal alleen worden vereist in projecten die MER-plichtig zijn.
Archeologisch beleidsgebied 9
Gebieden waar geen archeologische verwachting (meer) voor geldt.
Geen archeologische onderzoeksplicht.
4.4.8
Gemeente Oosterhout
Het archeologiebeleid van de gemeente Oosterhout is vastgelegd in de Erfgoedverordening Oosterhout (2015) waarop onderscheid is gemaakt in verschillende beleidszones (Tabel 8).
Tabel 8. Archeologiebeleid gemeente Oosterhout.
Categorie
Beleid
Vastgestelde archeologische waarde binnen de contouren van de binnenstad
Archeologisch onderzoek is verplicht bij ingrepen dieper dan 0,5 m -Mv en met een oppervlak groter dan 50 m2.
Gebieden met een vastgestelde archeologische waarde (AMK- terreinen) en hoge en middelhoge archeologische verwachting buiten de contouren van de binnenstad
Archeologisch onderzoek is verplicht bij ingrepen dieper dan 0,5 m -Mv en met een oppervlak groter dan 100 m2.
Lage archeologische verwachtingszone
Bodemingrepen zijn in principe toegestaan. Archeologisch onderzoek is uitsluitend noodzakelijk bij ontgrondingen en/of MER-plichtige projecten of projecten met een planoppervlak van 5 hectare of meer.
17
BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE ZUID WEST 380 KV
4.4.9
Gemeente Reimerswaal
Het archeologiebeleid (Alkemade et al. 2011). Is vastgelegd in bestemmingsplannen, in dit geval bestemmingsplan Buitengebied (derde herziening 2015).
Tabel 9. Archeologiebeleid gemeente Reimerswaal.
Categorie
Waarde (op bestemmingsplan)
Zone
Beleid
1
-
Wettelijke beschermd monument
Altijd onderzoeksplichtig
2
1
Terrein van archeologische waarde
50 m2, 40 cm diepte
3
1
Gewaardeerde stads-/dorpskern
50 m2, 40 cm diepte
4
2
Hoge verwachting
250 m2, 40 cm diepte
5
3
Gematigde verwachting
500 m2, 40 cm diepte
6
4
Lage verwachting
2.500 m2, 40 cm diepte
7
-
Waterbodem
Altijd overleg met RCE
8
-
Geen verwachting
Geen onderzoeksplicht
4.4.10
Gemeente Roosendaal
Het archeologiebeleid van de gemeente Roosendaal is vastgelegd in de Erfgoedverordening Roosendaal (2017), waarin in onderscheid is gemaakt in verschillende beleidszones (Tabel 10).
Tabel 10. Archeologiebeleid gemeente Roosendaal.
Categorie
Beleid
Waardevolle archeologische gebieden
Altijd vergunningplichtig.
Hoge archeologische verwachtingszone
Archeologisch onderzoek is verplicht bij ingrepen dieper dan 0,5 m -Mv en met een oppervlak groter dan 50 m2.
Middelhoge archeologische verwachtingszone
Archeologisch onderzoek is verplicht bij ingrepen dieper dan 0,5 m -Mv en met een oppervlak groter dan 100 m2.
Lage archeologische verwachtingszone
Bodemingrepen zijn in principe toegestaan. Archeologisch onderzoek is uitsluitend noodzakelijk bij ontgrondingen en/of MER-plichtige projecten of projecten met een planoppervlak van 10.000 m2 of meer.
Verstoring
De verstoringscontour gaat boven de archeologische verwachtingszone, bodemingrepen zijn in principe toegestaan.
18
BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE ZUID WEST 380 KV
4.4.11
Gemeente Steenbergen
Het archeologie beleid van de gemeente Steenbergen staat vermeld in de Erfgoedverordening gemeente Steenbergen (2015).
Tabel 11. Archeologiebeleid gemeente Steenbergen.
Categorie
Archeologische verwachting
Beleid
1
Hoge archeologische verwachting
Archeologisch onderzoek is verplicht bij ingrepen dieper dan 0,5 m -Mv en bij een oppervlak groter dan 100 m2.
2
Middelhoge archeologische verwachting
Archeologisch onderzoek is verplicht bij ingrepen dieper dan 0,5 m -Mv en bij een oppervlak groter dan 250 m2.
3
Lage archeologische verwachting
Archeologisch onderzoek is verplicht bij ingrepen dieper dan 0,5 m -Mv en bij een oppervlak groter dan 1 ha.
4.4.12
Gemeente Tilburg
De gemeente Tilburg heeft een gemeentelijke archeologische verwachtingskaart (de ArWaTi). Het archeologiebeleid is echter vastgelegd in bestemmingsplannen met daarin dubbelbestemmingen. Een groot deel van het plangebied bevindt zich in bestemmingsplan Lobelia-Spinder-Rugdijk, waarvan delen een dubbelbestemming met de Waarde – Archeologie hebben. In deze gebieden is de ondergrens voor archeologische onderzoek 100 m2 en 60 cm diepte.
4.4.13
Gemeente Waalwijk
Het archeologiebeleid van de gemeente Waalwijk is vastgelegd in bestemmingsplannen en gebaseerd op de erfgoedkaart van de gemeente Waalwijk (Hessing et al. 2011). Op deze kaart is onderscheid gemaakt tussen verschillende categorieën (Tabel 12).
Tabel 12. Archeologiebeleid gemeente Waalwijk.
Categorie
Beleid
1
Wettelijk beschermd archeologisch monument.
Altijd vergunningplichtig.
2
Gebied van archeologische waarde.
Archeologisch onderzoek is verplicht bij ingrepen dieper dan 0,3 m -Mv en met een oppervlak groter dan 1 m2.
3
Gebied met een hoge archeologische verwachting.
Archeologisch onderzoek is verplicht bij ingrepen dieper dan 0,5 m -Mv en met een oppervlak groter dan 100 m2.
4
Gebied met een gematigde archeologische verwachting
Archeologisch onderzoek is verplicht bij ingrepen dieper dan 0,5m -Mv en bij een oppervlak groter dan 5.000m2.
5
Gebied met een lage archeologische verwachting.
Archeologisch onderzoek is uitsluitend noodzakelijk bij ontgrondingen en MER-plichtige projecten.
6
Gebied zonder archeologische verwachting.
Geen onderzoeksplicht
19
BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE ZUID WEST 380 KV
4.4.14
Gemeente Woensdrecht
De gemeente Woensdrecht heeft in 2018 een gemeentelijk archeologisch beleid vastgesteld. Het beleid omtrent archeologie van de gemeente Woensdrecht is vastgelegd in de Erfgoedverordening uit 2018 (Tabel 13). De archeologische waarden zijn daarnaast vastgelegd in de bestemmingsplannen. Binnen het plangebied gaat het om het bestemmingsplan Buitengebied (herziening 2019).
Tabel 13. Archeologiebeleid gemeente Woensdrecht.
Categorie
Beleid
Lage archeologische verwachtingswaarde
Geen onderzoek noodzakelijk
Middelhoge archeologische verwachtingswaarde
Archeologisch onderzoek is verplicht bij ingrepen dieper dan 0,5 m -Mv en met een oppervlak groter dan 100 m2.
Hoge archeologische verwachtingswaarde
Archeologisch onderzoek is verplicht bij ingrepen dieper dan 0,5 m -Mv en met een oppervlak groter dan 50 m2.
Hoge archeologische verwachtingswaarde in het oude stroomdal van de Schelde
Archeologisch onderzoek is verplicht bij ingrepen dieper dan 1,5 m -Mv en met een oppervlak groter dan 100 m2.
AMK-terrein
Onderzoeksplichtig
20
BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE ZUID WEST 380 KV
5
LANDSCHAP
5.1
Inleiding
Het menselijke doen en laten werd in het verleden in grote mate bepaald door de landschappelijke omgeving en de mogelijkheden die daardoor geboden worden; de keuze van mensen om zich op een bepaalde locatie te vestigen was afhankelijk van de landschappelijke omstandigheden, zoals de aanwezigheid van vruchtbare gronden voor akkerbouw, beschikbaarheid van zoet water, bouwmaterialen en natuurlijke voedselbronnen. De geologische, geomorfologische en bodemkundige situaties zijn daarom van belang voor een archeologisch onderzoek.
5.2
Geomorfologie en bodem
Het plangebied ligt op de overgang tussen het Zeeuws of zuidwestelijk zeekleigebied en het Brabants zandgebied. Deze gebieden worden hieronder afzonderlijk, maar in samenhang beschreven (zie kaartbijlagen 2, 3 en 4).
5.2.1
Het zuidwestelijk zeekleigebied
Dit is een geologisch deelgebied dat ook Noordwest Brabant, Zeeland, de Zuid-Hollandse eilanden, de Biesbosch en het Westland omvat (Berendsen 2005). De geologische ontwikkeling van dit gebied is in hoge mate bepaald door de invloed van de getijden, in combinatie met de relatieve zeespiegelstijging. De getijdewerking van de zeearmen in het zuidwestelijk zeekleigebied is groot, als gevolg van stuwing van de vloedstroom. Daarnaast hebben de mondingen van de Schelde, Rijn, Maas en Waal grote invloed gehad op de vorming van het landschap. De Pleistocene afzettingen in het zuidwestelijk zeekleigebied, in de vorm van dekzandafzettingen uit de laatste ijstijd, behoren tot de Boxtel Formatie. Deze afzettingen liggen in Zeeuws-Vlaanderen nog aan het oppervlak en deze dekzandruggen zorgen voor hoogteverschillen met het omringend landschap van circa 12 m. De Holocene afzettingen in het zuidwestelijk zeekleigebied behoren tot de Naaldwijk Formatie en worden volgens de huidige lithostratigrafische indeling van Mulder e.a. (2003) verdeeld in het Wormer Laagpakket (de onderste mariene afzettingen) en het Walcheren Laagpakket (de bovenste mariene afzettingen). Deze laagpakketten zijn gevormd door de afzetting van zeeklei door de eeuwen heen. Vertand met de Naaldwijk Formatie komen ook veenafzettingen van de Nieuwkoop Formatie voor in het zuidwestelijk zeekleigebied.
Het veen dat op de Pleistocene afzettingen wordt aangetroffen wordt gerekend tot de Basisveen Laag. De veenlagen tussen de Holocene mariene afzettingen behoren tot het Hollandveen Laagpakket. De oudste mariene afzettingen, die van het Wormer Laagpakket, zijn tot in het begin van het Subboreaal (circa 7500 – 4500 jaar voor Chr.) gevormd, bij een min of meer open kust: het zuidwestelijk zeekleigebied had in deze periode het uiterlijk van een wadden‐ en kwelderlandschap, een getijdengebied dat werd doorsneden door getijdengeulen. Omdat de zeespiegel sneller steeg dan het land vonden er continu overstromingen plaats. Volgens Berendsen (2005) ligt de top van het Wormer Laagpakket nu in de 21ste eeuw op circa 4 m –NAP, wat betekent dat deze afzettingen niet voorkomen daar waar de Pleistocene afzettingen hoger liggen dan dat. De overstromingen vanuit zee gingen in Zeeland door tot circa 4400 voor Chr., toen de ophoging van het land door afzetting van zand en klei ongeveer gelijk op begon te lopen met de stijging van de zeespiegel. De kustlijn begon zich in het westen te sluiten door het ontstaan van strandwallen, wat een sterke uitbreiding van het veen achter deze barrière tot gevolg had. Tussen 3500 en 2500 voor Chr. nam de zeespiegelstijging af, maar de zee bleef zand en klei afzetten en nu meer dan nodig was om te compenseren voor de stijging van de zeespiegel.
Door deze toename van sedimentatie bouwden de strandwallen aan de kust zich westwaarts uit en begon de verlanding en vervening van het achterland (Vos e.a., 2011). De getijdengeulen verlandden door de sterke afname van de getijdenstroming. De weerstand tegen het tij in Zeeland werd hoger en als gevolg verminderde de getijslag – en dus de overstromingen. Lagere hoogwaterstanden waren het gevolg, net als een verslechtering van de afwatering in het achterland door het verlandden van de geulen. Hierdoor veranderde het getijdengebied langzamerhand in een kustmoeras.
21
BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE ZUID WEST 380 KV
De veenvorming ging van circa 3100 tot 750 voor Chr. onverminderd door. Hoewel er artefacten zijn gevonden in het veen die er op wijzen dat de mens tot het veenmoeras was doorgedrongen, was het land veelal te zompig om goed bewoonbaar te zijn. Vanaf 500 voor Chr. kreeg de zee wel weer beperkte invloed, toen tijdens een storm de strandwal bij Walcheren doorbrak en kleine getijdengebieden vlak achter de barrière ontstonden. De strandwallen en resterende hoger opgeslibde delen van het getijdengebied waren het beste geschikt voor bewoning; in het strandwallen‐ en duingebied van Walcheren zijn bewoningssporen uit de Brons‐ en IJzertijd aangetroffen, indicatie voor eeuwenlange bewoning in dit deel van het gebied. In het veengebied van Walcheren en langs de Schelde op Tholen zijn sporen van menselijke aanwezigheid aangetroffen van rond 200 voor Chr., wat een indicatie is dat het veen hier ontwaterd moet zijn om vestiging mogelijk te maken. In de vier eeuwen daarna nam de bevolking af, iets wat niet door landschappelijke veranderingen verklaard kan worden (Brugman e.a., 2011a; Vos & Van Heeringen, 1997). Rond 200 na Chr., in de Midden‐Romeinse Tijd, keerde de mens in groten getale terug in het Zeeuwse kustgebied en wel in het veengebied.
Grote delen van het veen werden door middel van sloten ontwaterd in deze periode en mensen vestigden zich op Walcheren, Zuid‐Beveland, westelijk Zeeuws‐Vlaanderen en langs de Schelde op Tholen en Schouwen. De sloten bevorderden het natuurlijke ontwateringsproces, dat plaatsvond via kreekjes en geulen. Dit menselijk ingrijpen had grote gevolgen voor het landschap: het maaiveld daalde door ontwatering, oxidatie en het afgraven van het veen, waardoor de zee de lager liggende delen weer kon overstromen. Nieuwe geulen sneden zich in, ruimden het veen verder op en verbeterden op hun beurt de ontwatering van het veen verder. Hierdoor begon een zichzelf versterkend proces van bodemdaling, erosie en overstroming. Als gevolg hiervan veranderde het kustmoeras tussen circa 300 en 400 na Chr. wederom in een getijdengebied. De nieuwe geulen namen het debiet van de oude geulen over, waardoor deze laatste verzandden. De nieuwe situatie van klei op veen (Walcheren Laagpakket op Hollandveen Laagpakket) en het deels eroderen van het veen door zowel natuurlijke als menselijke oorzaken, leidde tot een tweedeling in de Zeeuwse bodem: Oudland en Nieuwland (Brugman e.a., 2011a; Vos & Van Heeringen, 1997). Het Oudland behelst die delen van het zuidwestelijk zeekleigebied waar niet al het veen is verdwenen.
Hier zijn de veen‐ en klei‐ op‐veengebieden sterk ingeklonken na ontwatering, waardoor de zandige geul‐ en kreekopvullingen hoger kwamen te liggen dan het omringende landschap. Deze differentiële klink heeft in gebieden waar oligotroof (voedselarm) veen voorkwam zelfs een reliëfinversie teweeggebracht. Differentiële klink had tot gevolg dat de verlande geulen en kreken als kreekruggen hoog in het landschap kwamen te liggen. De zandige en kalkrijke kreekruggen, hoog en droog, waren geschikt voor bewoning, om op te akkeren en om wegen te dragen. De kalkarme ingeklonken veen‐ en klei‐op‐veengebieden, laag en nat, waren alleen geschikt als weiland (Berendsen 2005). Het Nieuwland draagt de stempel van menselijke ingrepen in de Middeleeuwen. Vanaf circa 1250 na Chr. werden nieuwe landaanwassen langs de kust en getijdengeulen ingedijkt, om bescherming te bieden tegen stormvloeden. Dit nieuwe land bestaat uit zandig, kalkrijk sediment. Al het veen in de ondergrond is verdwenen door erosie, zodat de voor het Oudland zo kenmerkende differentiële klink niet kon plaatsvinden – laat staan reliëfinversie. Het Nieuwland is dan ook zeer vlak en kent nauwelijks reliëf, in tegenstelling tot het Oudland.
De bedijking had onbedoeld grote invloed op het getijdenproces: het stormvloedniveau tegen de dijken steeg, terwijl het land achter de dijken door ontwatering en ontginning van het veen steeds verder daalde. Ook de voor o.a. Zeeland kenmerkende selnering of moernering - zoutwinning door afgraven en verbranden van door zeewater overspoeld veen ‐ hielp deze invloed in de hand door grote gaten in het veen achter te laten. Uiteindelijk leidde dit alles ertoe dat extreme stormvloeden tot dijkdoorbraken konden leiden, die vervolgens catastrofale overstromingen tot gevolg hadden. Vele dorpen, zoals Valkenisse, Tholseinde, Nieuwlande en het oorspronkelijke Rilland op Zuid‐ Beveland zijn zo verdronken. De tweede St. Elizabethsvloed in 1421 is het bekendste voorbeeld van een dergelijke ramp in het verleden, maar ook de Watersnoodramp van 1953 was het gevolg van een stormvloed. Zo had de mens in de laatste eeuwen een grote invloed op de landschapsgenese van het zuidwestelijk zeekleigebied. Dit landschap bestaat binnen het plangebied thans uit vlakten van getij afzettingen en getij-oeverwallen. Bodemkundig komen met name kalkrijke poldervaaggronden voor.
5.2.2
Het Brabants zandgebied
Dit gebied wordt ook wel het zuidelijk zandgebied genoemd. Het is een relatief vlak gebied dat nooit door het landijs bedekt is geweest en wordt gekenmerkt door het voorkomen van dekzand uit de Boxtel Formatie. Dit uit zich in het voorkomen van dekzandvlakten, -welvingen en -ruggen. Bodemkundig komen met name 22
BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE ZUID WEST 380 KV
veldpodzolen, laarpodzolen en enkeerdgronden voor. Het dekzandgebied wordt doorsneden door enkele beken. Hier komen met name beekeerdgronden voor. Deze dekzanden zijn tijdens de laatste ijstijden, het Saalien en Weichselien, afgezet door de wind. De pakketten uit beide ijstijden worden soms gescheiden door een veenlaag uit het Eemien interglaciaal, maar er zijn ook veenlagen uit glaciale perioden bekend. Door dit verschil in datering van de veenlagen zijn de dekzandpakketten moeilijk van elkaar te scheiden en worden ze samen tot de Boxtel Formatie gerekend (Berendsen, 2005; De Mulder e.a., 2003). Deze zanden dekken rivierafzettingen van Rijn, Maas en Schelde uit het Vroeg- en Midden-Pleistoceen af. In het geval van het gebied tussen Bergen op Zoom en Breda, waar ze dicht onder het oppervlak voorkomen, behoren deze afzettingen tot de Waalre Formatie (De Mulder e.a., 2003). Het landschap werd en wordt door allerlei beken doorsneden. De beekdalen zijn over het algemeen ingesneden tot in de kleilagen onder het dekzand. Een kenmerkend fenomeen in dit gebied is het klif dat de westelijke begrenzing vormt: de Brabantse Wal. Waarschijnlijk is dit klif gevormd door mariene erosie in het Eemien interglaciaal, tijdens een periode van een hogere zeespiegelstand (Berendsen, 2005). Op een aantal plaatsen ging de duinvorming gepaard met uitblazingslaagten.
In deze laagten en in door dekzandruggen afgedamde oude erosiedalen vormde zich tijdens het Holoceen veen. De betrekkelijk lage ligging, de vaak dikke, slecht doorlatende en slecht wateropnemende lagen dicht onder de oppervlakte, en de dekzandruggen die bijna haaks op de natuurlijke afwatering liggen, zijn er de oorzaak van geweest dat na het Pleistoceen de afwatering in het gebied volkomen ontregeld raakte. De veengroei begon circa 8000 v. Chr. en bereikte haar maximale uitbreiding tussen 3000 en 900 v. Chr. Grote delen van West-Brabant waren bedekt met veenmoerassen en waren in de latere fases van de prehistorie, de Romeinse tijd en de vroege middeleeuwen niet of nauwelijks bewoonbaar. Het aldus ontstane hoogveen is in de periode 1250-1750 bijna volledig afgegraven en tot turf verwerkt. De invloed van de mens op de genese van het Brabants zandgebied laat zich naast turfwinning onder andere kennen door de aanwezigheid van plaggendekken en essen. Door vanaf de Middeleeuwen de zandgronden op te hogen door middel van plaggenbemesting, ontstonden vruchtbaardere gronden. Onder de plaggendekken bevindt zich het oorspronkelijke, natuurlijke bodemprofiel. Plaggendekken kunnen vindplaatsen uit het verleden afgedekt hebben, waardoor deze intact zijn gebleven. In de bodemkundige classificatie worden plaggenbodems enkeerdgronden genoemd wanneer de cultuurgrond dikker is dan 50 cm.
De termen plaggendek en es worden vaak door elkaar gebruikt, maar kennen elk een eigen genese en ouderdom. Er is zeker overlap, maar niet in alle gevallen (De Bakker, 1966; Berendsen, 2005).
23
BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE ZUID WEST 380 KV
6
ARCHEOLOGISCHE INFORMATIE
6.1
Inleiding
Om een archeologische verwachting voor een gebied op te kunnen stellen, is eerst kennis nodig van de reeds bekende archeologische waarden en van de verwachting die voor het gebied geldt. In dit hoofdstuk worden de bekende archeologische waarden en verwachtingen aan de hand van verschillende bronnen beschreven
Tabel 14. Archeologische perioden.
Periode
Begin
Einde
Nieuwe Tijd
1500
Heden
Late Middeleeuwen
1050
1500
Vroege Middeleeuwen
450
1050
Romeinse Tijd
12
v. Chr.
450
IJzertijd
800
v. Chr.
12
v. Chr.
Bronstijd
2.000
v. Chr.
800
v. Chr.
Neolithicum
5.300
v. Chr.
2.000
v. Chr.
Mesolithicum
8.800
v. Chr.
4.900
v. Chr.
Laat Paleolithicum
35.000 v. Chr.
8.800
v. Chr.
Midden Paleolithicum
300.000 v. Chr.
35.000 v. Chr.
6.2
Gemeentelijke archeologische verwachtingskaart
De archeologische verwachtingskaarten van de gemeenten zijn verwerkt in kaartbijlage 6: Archeologische waarden en verwachtingenkaart. Hierin komen de volgende eenheden voor: • • • • • • • • •
AMK-terreinen (zie 6.3.1); Bekende waarden (overige vindplaatsen uit Archis (zie 6.3.2) en vindplaatsen van gemeentelijke kaarten); Zeer hoge verwachting; Hoge verwachting; Middelhoge verwachting; Lage verwachting; Water; Ontgrond/verstoord; Onbekend.
6.3
Archeologische informatie
In de online-database Archis 3 wordt archeologie data opgeslagen waaronder vondstlocaties, uitgevoerde onderzoeken, en AMK-terreinen. Op kaartbijlage 5 zijn deze gegevens weergeven. Hieronder worden de gegevens beschreven en geïnterpreteerd.
6.3.1
AMK-terreinen
Op de Archeologische Monumenten Kaart (AMK) zijn bekende en waardevolle archeologische vindplaatsen weergegeven. Er wordt onderscheid gemaakt tussen terreinen van waarde, hoge waarde, zeer hoge waarde, en zeer hoge waarde – beschermd. In het laatste geval is het terrein een beschermd 24
BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE ZUID WEST 380 KV
Rijksmonument. Het uitgangspunt bij AMK-terreinen is in principe behoud van archeologische resten in situ. In het plangebied bevindt zich één AMK-terrein, het betreft 4290 (Tabel 15). Het AMK-terrein is gelegen nabij ’s-Gravenmoer, ten noorden van Dongen (Bijlage 6). Bij dit AMK-terrein hoort een vondstmelding (2771159100), die niet in het plangebied ligt en daarom niet in tabel 15 is opgenomen. De vondstmelding betreft steengoed (geglazuurd, grijs-, en roodbakkend aardewerk) en een leren schoen uit de periode Late Middeleeuwen – Nieuwe Tijd.
Tabel 15. AMK-terreinen in het plangebied (Archis 3).
AMKnummer
Waarde
Hoge 4290
archeologische waarde
6.3.2
Beschrijving Terrein met sporen van bewoning (huisterp) uit de Late Middeleeuwen nabij ‘SGravenmoer. Monument naar aanleiding van prospectie door de heer Voogd, die op 0603-1979 een zestal vindplaatsen langs de Wielstraat meldde. In het onderhavige geval betreft het een vindplaats (nr. 3) van tientallen scherven, leem en een leren schoen, in een voederkuil. Wordt geïnterpreteerd als een huisplaats die verdween in de St. Elisabethvloed (1421). Deze en andere vindplaatsen langs de Wielstraat zouden als verhoging zichtbaar zijn.
Vondstlocaties
Vondstlocaties zijn archeologische vondsten en waarnemingen die geregistreerd zijn in Archis (15 stuks). De vondstlocaties zijn weergegeven op kaartbijlage 5 en worden hieronder beschreven (Tabel 16). Deze vindplaatsen zijn gebufferd met een straal van 25 m en toegevoegd aan de archeologische verwachtingskaart als bekende waarde. Onderliggende verwachtingszones of verstoringen zijn hiermee komen te vervallen. Historische erven zijn gekarteerd aan de hand van de historische topografische kaart van 1900.
Tabel 16. Vondstlocaties in het plangebied (Archis 3). Zaak IDnummer
Datum en Plaats
Beschrijving
2966572100
1983, Geertruidenberg
Roodgeverfd aardewerk (Rubenach A2a/A2b, standring), vondstlocatie is bij benadering.
2966264100
1986, Made
Verschillende vondsten (aardewerk, steengoed, munten, weegschaal) uit de periode Late Middeleeuwen tot Nieuwe Tijd.
2885645100
Datum onbekend, Zevenbergen
Het betreft een schans, er zijn geen vondsten gemeld.
2966937100
1976, Geertruidenberg
Het betreft verschillende houten vondsten uit een opgraving, die dateren uit de periode Late Middeleeuwen tot Nieuwe Tijd.
2966580100
1983, Raamsdonkveer
Los fragment steengoed.
2897269100
1954, Loon op Zand
Het betreft Mesolithisch vuursteen. Vondsten verzameld in 1954 en 19691970 door studenten. De vondsten liggen in een smalle strook van ca. 300 m lengte langs de oostrand van het ven. Vanuit bovenstaande coördinatenverspreiding in richting NW en ZO, met coördinaten als ca middelpunt.
3158088100
2000, Zevenbergschen Hoek
Houtskool uit de periode Mesolithicum – Neolithicum uit een booronderzoek voor de Hogesnelheidslijn-Zuid.
3218246100
2006, Wouw
Zilveren penning uit de Middeleeuwen, gevonden met een metaaldetector.
2886771100
1997, Oud Gastel
Het betreft een terrein met resten van kasteel Grimhuizen.
25
BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE ZUID WEST 380 KV
Zaak IDnummer
Datum en Plaats
Beschrijving
3279475100
2006, Wouw
Romeinse munt uit de 1ste of 2de eeuw, gevonden met een metaaldetector.
2966248100
1985, Geertruidenberg
Verschillende vondsten (aardewerk, metaal, steengoed, lood, ijzer) uit de periode Vroege Middeleeuwen tot Nieuwe Tijd, gedaan tijdens een veldkartering.
3174928100
1986, Zevenbergen
Vondsten uit een proefsleuvenonderzoek bij een fort uit de Nieuwe Tijd.
2897260100
1949, Loon op Zand
Vuurstenen spits uit de periode Neolithicum – Bronstijd gedaan tijdens een veldkartering.
3261832100
2006, Wouw
Romeinse munt uit de 2de eeuw, gevonden met een metaaldetector.
2771167100
1978. s-Gravenmoer
Aardewerk uit de Late Middeleeuwen, complextype of vondstverwerving niet bekend.
6.3.3
Eerder uitgevoerd onderzoek
In verschillende zones binnen het onderzoeksgebied is eerder archeologisch bureau- en veldonderzoek uitgevoerd. Deze zones zijn aangegeven op kaartbijlage 6 en de resultaten van het onderzoek zijn beschreven in bijlage 1. Het betreffen in totaal 94 onderzoeksmeldingen waarvan 56 bureaustudies. Binnen het plangebied komen geen onderzoeken voor waarbinnen grote zones zijn vrijgegeven.
6.4
Historische informatie
De historie van een onderzoeksgebied speelt een grote rol bij het bepalen van de archeologische verwachting. Historische bronnen verschaffen informatie over de ontwikkelingen in het onderzoeksgebied. Voor de negentiende en twintigste eeuw zijn de ontwikkelingen eenvoudig te achterhalen door historisch kaartmateriaal te onderzoeken. Kaarten worden met een relatief grote regelmaat geproduceerd, en laten de ontwikkeling van een landschap nauwkeurig zien.
6.4.1
Historische erflocaties
Aan de hand van analyse van historisch kaartmateriaal zijn historische erflocaties geïnventariseerd (bron www.topotijdreis.nl; bonneblad anno 1900). Deze bestaan uit. In totaal zijn er 83 locaties in kaart gebracht. Bijna alle erflocaties betreffen eenvoudige erven bestaande uit een woongebouw met soms enkele bijgebouwen. Één locatie betreft Slot Grimhuizen nabij Oud Gastel in de gemeente Halderberge 2. Hiervan bestaat het vermoeden dat onder de huidige boerderij de resten van het voormalige kasteel Grimhuysen gelegen zijn Archis-id 2886771100). Voor de erven is een buffer van 100 meter gebruikt en deze gebieden zijn omschreven als zones met een zeer hoge verwachting. Bij gebieden met verstoringen of bekende waardes zijn deze op de advieskaart echter over de zones met historische erven gesneden.
6.4.2
De Zuiderwaterlinie
Het plangebied komt deels overheen met de loop van de Zuiderwaterlinie (Figuur 3). De Zuiderwaterlinie is een verdedigingslinie die loopt van Bergen op Zoom in het westen tot aan Grave in het oosten. De linie maakte deel uit van de uitgebreide verdedigingslinie die liep van Zeeland tot aan Bourtange in Groningen. Het is de oudste verdedigingslinie in Nederland en diende om Holland te beschermen tegen invallen vanuit het zuiden. Het gebied dat tegenwoordig Noord-Brabant heet, vormde bij deze verdediging een buffergebied. De Zuiderwaterlinie trad in 1582 in werking en heeft tot 1920 dienst gedaan. In het eind van de 17 e eeuw is de linie door de Hollandse vestingbouwer Menno van Coehoorn verbeterd, waarbij verschillende versterkte
2
https://cchin.nl/kastelenlexicon/lexobject.xql?id=lx0523 26
BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE ZUID WEST 380 KV
steden aaneengeschakeld werden door tussen de steden op de hogere delen in het landschap forten, schansen en aarden verdedigingswerken te bouwen en in de lagere delen van het landschap inundatiegebieden te creëren (Timmermans, 2018). Als inundatiegebied werden vaak gebieden gebruikt die laag, nat en niet dicht bewoond waren. Bijzonder aan de Zuiderwaterlinie is het ensemble van versterkte steden, de stenen en aarden verdedigingswerken, water regulerende elementen, en het open landschap. Naast steden en forten zijn ook de dijken, sluisjes, grachten, wielen en de openheid van het landschap typerend voor de Zuiderwaterlinie. Over de hele linie zijn nog beleefbare relicten die herinneren aan de Zuiderwaterlinie en daarom behouden en/of versterkt moeten worden. Vooral belangrijk zijn de openheid van het landschap, de resterende verdedigingselementen en de water regulerende elementen. Een ondergrondse kabelverbinding vormt geen aantasting op de beleving van deze elementen en heeft daarom de voorkeur vanuit cultuurhistorisch oogpunt.
Figuur 3. Het plangebied geprojecteerd op de situatie in 1575 (RCE).
27
BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE ZUID WEST 380 KV
Figuur 4. Ligging van de Zuiderwaterlinie en andere waterlinies (Bijsterveld et al. 2016).
28
BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE ZUID WEST 380 KV
7
CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN
7.1
Conclusie: gespecificeerd verwachtingsmodel