CConstaterende datMoerdijk
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 - Ruimtelijke onderbouwing d.d. 26 augustus 2024

Commissievergadering 21 augustus 2025, gemeente MoerdijkBij agendapunt: Raadsinformatiebrief Aanvraag omgevingsvergunning Exportweg 1 Moerdijk8.003 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

omgevingsvergunning

RO opslag gevaarlijke stoffen, DSV locatie Logistiek Park Moerdijk Moerdijk

DATUM IMRO IDN

13-02-2025 NL.IMRO.1709.RODSVMoerdijk-0002

PROJECT PROJECTLEIDER

RO opslag gevaarlijke stoffen, DSV locatie Logistiek Park Moerdijk ing. D.C.W. van Roij

OPDRACHTGEVER PROJECTNUMMER

DSV Real Estate Moerdijk B.V. 20230296

AUTEUR STATUS

S. den Breejen MSc ontwerp

Inhoudsopgave

Ruimtelijke onderbouwing

5

Hoofdstuk 1

Inleiding

7

1.1.

Aanleiding

1.2.

Ligging projectgebied

1.3.

Geldend bestemmingsplan

1.4.

Principeverzoek

Hoofdstuk 2

Projectbeschrijving

2.1.

Huidige situatie

2.2.

Beoogde situatie

2.3.

Toetsing voorwaarden principebesluit

Hoofdstuk 3

Beleidskader

3.1.

Inleiding

3.2.

Rijksbeleid

3.3.

Provinciaal beleid

3.4.

Gemeentelijk beleid

Hoofdstuk 4

Toetsing aan omgevingsaspecten

4.1.

Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r-beoordeling

4.2.

Bedrijven en milieuhinder

4.3.

Externe veiligheid

4.4.

Verkeer en parkeren

4.5.

Geluid

4.6.

Archeologie

4.7.

Bodem

4.8.

Ecologie

4.9.

Luchtkwaliteit

4.10.

Water

4.11.

Kabels en leidingen

13

17

21

Hoofdstuk 5

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

33

Hoofdstuk 6

Financiële uitvoerbaarheid

35

3/35

4/35

Ruimtelijke onderbouwing

5/35

6/35

Hoofdstuk 1

Inleiding

1.1. Aanleiding DSV Solutions Nederland B.V. (verder: DSV) is een wereldwijde leverancier van transport- en logistieke diensten en heeft in Nederland diverse magazijnen. Op het Logistiek Park Moerdijk is DSV voornemens een nieuw op- en overslagcentrum te bouwen in ontwikkelcel 1. Hiervoor is door de gemeente Moerdijk in augustus 2022 reeds een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen verleend voor de bouw van een inrichting aan de Exportweg 1 te Moerdijk voor de op- en overslag van koopmansgoederen. DSV is thans voornemens een deel van de inrichting in gebruik te nemen voor de (tijdelijke) opslag van verpakte gevaarlijke stoffen. Een aantal opslagvoorzieningen zullen worden ingericht voor de opslag van verpakte gevaarlijke stoffen en er worden bijbehorende expeditieruimtes voor de verpakte gevaarlijke stoffen gerealiseerd. Tevens zullen handelingen met gevaarlijke stoffen, zoals ompakken, plaats gaan vinden. Een nadere beschrijving van de beoogde bedrijfsvoering en daarvoor te treffen maatregelen, evenals het type gevaarlijke stoffen en de omvang en locatie daarvan binnen de inrichting, blijken uit de algemene beschrijving van de inrichting in het bij de aanvraag gevoegde rapport van Peutz (rapport FD 19479-3-RA-003).

Als gevolg van deze activiteiten, zal de inrichting onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) vallen op basis van artikel 2, eerste lid onderdeel f van dat Besluit. Het geldend planologisch regime betreft het Provinciaal inpassingsplan (PIP) 'Logistiek Park Moerdijk', onherroepelijk na uitspraak van Raad van State op 30-09-2020. Binnen de regels van het PIP zijn binnen de voor 'Bedrijventerrein' aangewezen gronden in ontwikkelcel 1 geen risicovolle inrichtingen toegestaan. Het op- en overslagcentrum van DSV moet echter wel als zodanig worden aangemerkt wanneer de beoogde activiteiten in ogenschouw worden genomen. Dit maakt dat de beoogde functieverbreding op grond van het inrichtingsplan niet toegestaan. Gelet op bovenstaande wordt een buitenplanse omgevingsvergunningprocedure doorlopen om de beoogde ontwikkeling planologisch mogelijk te maken. Dit kan conform artikel 2.12, lid 1, onder a, sub 3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Ter motivering van het besluit op de vergunningaanvraag dient een ruimtelijke onderbouwing opgesteld te worden, waar met dit document invulling aan wordt gegeven.

1.2. Ligging projectgebied Het projectgebied betreft ontwikkelcel 1 van Logistiek Park Moerdijk. Dit nieuw, logistiek park is in ontwikkeling en bevindt zich in de oksel van de A16 en de A17, ten zuidoosten van het industrie- en havencomplex van Moerdijk. De globale ligging daarvan is weergegeven in figuur 1.1.

7/35

Figuur 1.1

Ligging Logistiek Park Moerdijk

Op dit Logistiek Park Moerdijk ontwikkelt DSV haar distributiecentrum in 'ontwikkelcel 1'. Deze ligt aan de noordzijde van het park, parallel aan de A17. Een meer specifieke weergave van deze ontwikkelcel, is opgenomen in figuur 1.2.

8/35

Figuur 1.2

Ligging ontwikkelcel 1

Zoals uit deze figuur duidelijk wordt, ligt ontwikkelcel 1 ingesloten tussen: de A17 aan de noordwestzijde; Afrit 27 en de daarop aansluitende verkeersstructuur aan de noordoostzijde; de interne verkeersstructuur van het logistiek park aan de zuidoostzijde; en de grens van het logistiek park aan de zuidwestzijde.

1.3. Geldend bestemmingsplan De planologische regeling ter plaatse betreft het Provinciaal Inpassingsplan 'Logistiek Park Moerdijk', zoals vastgesteld op 15 juli 2016 met inachtname van de gerechtelijke uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 30 september 2016. Een uitsnede van de ter plaatse geldende bestemmingen is opgenomen in figuur 1.3.

Figuur 1.3

Uitsnede inpassingsplan Logistiek Park Moerdijk

De betreffende ontwikkelcel kent in dit plan de bestemming 'Bedrijventerrein'. Conform de bijbehorende bestemmingsregels zijn hier de volgende bedrijven toegestaan: Value Added Logistics bedrijven uit categorie 3.1 en 3.2 van de Lijst van Bedrijfsactiviteiten, waarbij geldt dat per bedrijf het bouwperceel ten minste 5 ha bedraagt. Value Added Logistics bedrijven zijn in dat verband als volgt gedefinieerd in artikel 1 van het inpassingsplan: Logistieke bedrijven die zich - naast transport en opslag van goederen - richten op activiteiten die een toegevoegde

9/35

waarde aan een product opleveren gedurende het logistieke proces of die een toegevoegde waarde opleveren voor het logistieke proces zelf, zoals etikettering, ompakken, toevoegen van onderdelen en software, assemblage, bundelen, voorraadbeheer, terugwinnen van grondstoffen, order-picking en kwaliteitscontroles. Deze activiteiten worden in de logistieke sector aangeduid met de termen Value Added Logistics (VAL) en/of Value Added Services (VAS). Zonder de algehele regeling hier te herhalen, is voor deze ruimtelijke onderbouwing in het bijzonder art 4. lid 1 sub l relevant, waarin is bepaald dat risicovolle inrichtingen niet zijn toegestaan. De beoogde inrichting van DSV dient echter als risicovolle inrichting aangemerkt te worden. Onder risicovolle inrichtingen wordt in het inrichtingsplan namelijk verstaan een bedrijf zoals bedoeld in artikel 3 en 4 van het Registratiebesluit externe veiligheid. Via het betreffende artikel 3, wordt gedoeld op inrichtingen die onder artikel 2, eerste lid van het Besluit externe veiligheid inrichtingen vallen. Uit de algemene beschrijving van Peutz bij de ingediende aanvraag (rapport FD 19479-3-RA-003) blijkt dat de inrichting van DSV onder artikel 2, eerst lid onderdeel f van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) geschaard moet worden.

Overigens kent het inpassingsplan een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid om van deze bepaling (art 4, lid 1 sub l inpassingsplan 'Logistiek Park Moerdijk') af te wijken. Die bevoegdheid ziet echter uitsluitend op het mogelijk maken van risico relevante installaties ten behoeve van de Value Added Logistics bedrijfsactiviteit. Het opslaan van gevaarlijke goederen die maken dat het bedrijf als risicovolle inrichting moet worden aangemerkt, is op basis van die bevoegdheid dus niet mogelijk. Tevens is er sprake van strijdigheid als gevolg van enkele transformatorkasten die op het terrein worden voorzien. In gevolge artikel 4, lid 2, sublid 3 onder a en b van het inpassingsplan, zijn dergelijke bouwwerken echter uitsluitend binnen het ingetekende bouwvlak voorzien, waar in dit geval niet voor alle transformatorkasten sprake van is.

1.4. Principeverzoek Zoals in de vorige paragraaf beschreven, kent het inpassingsplan dat voor deze locatie van toepassing is, een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid. De beoogde ontwikkeling past daar niet binnen, omdat de afwijkingsbevoegdheid alleen ziet op risico relevante installaties en niet op gevaarlijke stoffen/goederen). Om die reden heeft DSV een principeverzoek ingediend voor het afwijken van het inpassingsplan. Hier is door de gemeente Moerdijk op 17 januari 2023 een principebesluit over genomen, waarmee is besloten dat zij onder voorwaarden bereid is om hier medewerking aan te verlenen. De betreffende voorwaarden zijn als volgt: 1. de risicovolle activiteit is ten behoeve van VAL-bedrijfsactiviteit, stationaire opslag is niet toegestaan; 2. de risicovolle activiteit is ondergeschikt, hier 3% (7.350 m2) van het bvo; 3. de risicovolle activiteit is acceptabel, hetgeen inhoudt dat: a. Risicocontouren liggen binnen het bouwperceel van de inrichting of; b. Op gronden binnen het LPM-terrein met de bestemming Groen – 1 en/of Groen – 2, Groen – 3 en/of Verkeer; c. Er geen Brzo-drempels worden overschreden; d. Er sprake is van een verantwoord groepsrisico; e. Er instemmend advies wordt uitgebracht door het bestuur van de veiligheidsregio.

10/35

Een toetsing aan deze voorwaarden is opgenomen in paragraaf 2.3 van deze ruimtelijke onderbouwing.

11/35

12/35

Hoofdstuk 2

Projectbeschrijving

2.1. Huidige situatie Voor het beschrijven van de reeds bestaande situatie, is het vooral relevant te benoemen over welke vergunningen DSV reeds beschikt om ter plaatse haar op- en overslagcentrum te te realiseren. Dit betreft in juridische zin immers de bestaande situatie. Door DSV is d.d. 22 april 2022 een melding Activiteitenbesluit ingediend (type A inrichting Activiteitenbesluit). Deze melding is door de Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant voor kennisgeving aangenomen middels brief met kenmerk D2023-01-004949 d.d. 5 januari 2023. Door DSV is d.d. 25 april 2022 een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen aangevraagd voor het bouwen van een logistiek bedrijfsgebouw. Door de gemeente Moerdijk is d.d. 11 augustus 2022 hiervoor de omgevingsvergunning verleend. Door DSV is d.d. 2 december 2022 een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen aangevraagd voor het realiseren van extra brandcompartimenten in warehouse H. Door de gemeente Moerdijk is d.d. 13 februari 2023 hiervoor de omgevingsvergunning verleend. Voorts is in het kader van de Wet natuurbescherming door DSV op 21 juli 2023 een aanvraag voor een natuurvergunning ingediend (positieve weigering intern salderen). De definitieve beschikking heeft t/m 13 december 2023 ter inzage gelegen.

2.2. Beoogde situatie Zoals beschreven in paragraaf 1.1 bestaat de verandering ten opzichte van de reeds vergunde situatie (op- en overslag van koopmansgoederen) de (tijdelijke) opslag van meer dan 10 ton verpakte gevaarlijke stoffen in een opslagvoorziening, en handelingen met gevaarlijke stoffen binnen de inrichting (zoals ompakken), waardoor het bedrijf als een risicovolle inrichting moet worden aangemerkt, zoals gedefinieerd in het provinciaal inpassingsplan. Voor meer tekeningen en beschrijvingen, wordt verwezen naar de bij de aanvraag ingediende stukken. In de rapportage van Peutz met een nadere beschrijving van de beoogde bedrijfsvoering en daarvoor te treffen maatregelen (rapport FD 19479-3-RA-003), is een overzicht opgenomen van de aard en omvang van de gevaarlijke stoffen die DSV op wil kunnen slaan. Gelet op de reeds toegestane bedrijfsactiviteiten, zorgen de activiteiten met betrekking tot gevaarlijke stoffen niet tot een andere ruimtelijke of stedenbouwkundige uitstraling. De verantwoording hiervoor betreft in hoofdzaak een milieukundige. Hiervoor wordt verwezen naar hoofdstuk 4. Daarnaast zijn de voorwaarden uit het principebesluit getoetst, zie daarvoor paragraaf 2.3. Daarnaast worden diverse transformatorkasten buiten het bouwvlak gesitueerd. De kasten zijn onderdeel van de inrichting en daarmee passend binnen de bestemmingsomschrijving uit het inpassingsplan.

De strijdigheid betreft sec het feit dat enkele van deze kasten buiten het bouwvlak zijn gesitueerd. Dit vraagt om die reden om

13/35

een motivering vanuit stedenbouwkundig oogpunt. Daar wordt hieronder in voorzien. In de verdere ruimtelijke onderbouwing (hoofdstuk 3 beleid en hoofdstuk 4 omgevingsaspecten) komen de transformatorkasten daarom niet verder aan de orde. Motivering transformatorkasten De transformatorkasten zijn bouwwerken van 2,4 m x 2,9 m x 2 m (lxbxh). Ze staan verspreid over het terrein om de juiste stroomvoorziening over het gehele complex te kunnen verzorgen. Omdat de 10kV-kabel waar de kasten op aangesloten zijn buiten het bedrijfsgebouw om is voorzien, bevindt deze zich op sommige plekken nabij de randen van het bedrijfsperceel en daarmee buiten het bouwvlak. De transformatorkasten kunnen om die reden niet altijd binnen het bouwvlak worden gebracht. Gelet op de beperkte maatvoering en neutrale vormgeving, leidt dit niet tot onevenredige, nadelige effecten op stedenbouwkundig vlak. In dat verband wordt ook gewezen op de diverse mogelijkheden die het inpassingsplan biedt voor andere ondergeschikte bouwwerken buiten het bouwvlak, zoals portiersloges, hekwerken, lichtmasten (allen art. 4.2) en antenne-, beveiligings- en alarminstallaties en sirenes (via binnenplanse afwijking o.b.v. art. 4.4). Dit zijn allen bouwwerken die zowel in functionaliteit als in ruimtelijke uitstraling ondergeschikt zijn aan de totale bedrijfsvoering en -bebouwing op het betreffende bedrijfsperceel.

De betreffende transformatorkasten kunnen eveneens in dat licht worden bezien, gelet op de hier gegeven beschrijving.

2.3. Toetsing voorwaarden principebesluit In paragraaf 1.4 is beschreven dat de gemeente Moerdijk een principebesluit heeft genomen voor de beoogde ontwikkeling. Aan dit besluit zijn voorwaarden gekoppeld, om aan de ontwikkeling medewerking te verlenen. Hierna zijn de voorwaarden beschreven met een toetsing van de voorgenomen ontwikkeling daaraan. 1. de risicovolle activiteit is ten behoeve van VAL-bedrijfsactiviteit, stationaire opslag is niet toegestaan; De opslag van gevaarlijke stoffen maakt onderdeel uit van de algehele bedrijfsvoering van DSV, die gericht is op VAL-activiteiten, zoals het inpassingsplein dit nadrukkelijk en uitsluitend toestaat (art 4.1, sub a). Het enige afwijkende kenmerk ten aanzien van de gevaarlijke stoffen, is dat het om gevaarlijke stoffen gaat. Hiermee wordt voldaan aan voorwaarde 1. 2. de risicovolle activiteit is ondergeschikt, hier 3% (7.350 m2) van het bvo; Uit de bij de aanvraag gevoegde QRA-berekening (rapport FD-19479-5-RA-002, Peutz) volgt het overzicht van welke ruimten met welke oppervlakten worden gebruikt voor welke opslag. Dat overzicht is opgenomen in paragraaf 3.2 van het betreffende rapport. Dat overzicht resulteert in een totaal metrage van circa 7.100 m2. Daarmee wordt voldaan aan voorwaarde 2. De expeditieruimte is in dit metrage niet meegerekend, aangezien daar geen opslag palatsvindt, anders dan tijdelijke opslag.

Met tijdelijke opslag wordt het nederleggen van producten bedoeld, wat onderdeel uitmaakt van het transport. 3. de risicovolle activiteit is acceptabel, hetgeen inhoudt dat: a. Risicocontouren liggen binnen het bouwperceel van de inrichting of: Uit de bij de aanvraag gevoegde QRA-berekening (rapport FD 19479-5-RA-002, Peutz) blijkt dat de risicocontour volledig binnen het eigen perceel blijft.

14/35

b. Op gronden binnen het LPM-terrein met de bestemming Groen – 1 en/of Groen – 2, Groen – 3 en/of Verkeer; Gezien de constatering bij punt a dat de risicocontour binnen het eigen perceel blijft, is verdere toetsing aan punt b niet relevant. c. Er geen Brzo-drempels worden overschreden; Uit paragraaf 4.3 en de bij de aanvraag gevoegde nadere beschrijving van de beoogde bedrijfsvoering (rapport FD 19479-3-RA-003, Peutz) en QRA-berekening (rapport FD 19479-5-RA-002, Peutz), blijkt dat deze drempels niet overschreden worden. d. Er sprake is van een verantwoord groepsrisico; Het is aan het bevoegd gezag om het groepsrisico te verantwoorden. Uit de QRA-berekening (rapport FD 19479-5-RA-002, Peutz) blijkt dat het berekende groepsrisico onder de oeriëntatiewaarde blijft. e. Er instemmend advies wordt uitgebracht door het bestuur van de veiligheidsregio. De Veiligheidsregio heeft naar aanleiding van deze vergunningaanvraag advies uitgebracht. Naar aanleiding hiervan is de aanvraag op onderdelen aangepast. De conclusie is dat de beoogde ontwikkeling voldoet aan de gestelde voorwaarden, voor zover het aan DSV is om daarin te voorzien. De gestelde voorwaarden onder 3d en 3e zullen in het kader van de vergunningverlening door de gemeenten respectievelijk de veiligheidsregio moeten worden ingevuld.

15/35

16/35

Hoofdstuk 3

Beleidskader

3.1. Inleiding Het project heeft betrekking op het (in ondergeschikte mate) toestaan van de opslag van gevaarlijke stoffen, binnen een inrichting waarvan de bedrijfsvoering verder aansluit bij het type bedrijvigheid dat reeds op LPM is toegestaan. Er is geen sprake van fysieke uitbreiding van de bedrijvigheid, laat staan van het LPM. In ruimtelijke zin betreft het een beperkte afwijking, waarvoor met name een milieukundige beoordeling nodig is. Hiervoor wordt verwezen naar hoofdstuk 4. De beleidstoets die in dit hoofdstuk is opgenomen, is om die reden beknopt ingestoken. Op het gebied van rijksbeleid en provinciaal beleid wordt volstaan met een beknopte toets aan de ruimtelijk relevante verordeningen (Barro, Bro en Interim Omgevingsverordening). Op gemeentelijk niveau wordt op hoofdlijnen stilgestaan bij de nu nog geldende structuurvisie (2011) en de nieuwe omgevingsvisie die in 2023 als ontwerp ter inzage heeft gelegen. In algemene zin wordt geconstateerd dat het LPM als een reeds ingezette ontwikkeling wordt aangemerkt en dat er met betrekking tot het in beperkte mate afwijken voor het type stoffen dat wordt opgeslagen, geen concrete bepalingen of beleidsuitspraken van toepassing zijn.

3.2. Rijksbeleid Barro In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) heeft het Rijk ruimtelijke regels vastgelegd waar bij het opstellen van bestemmingsplannen rekening mee gehouden dient te worden. Deze regels hebben betrekking op zaken van Rijksbelang, die met dit Besluit hun doorwerking hebben op ruimtelijke planvorming en besluitvorming op gemeentelijk niveau. Te denken valt dan bijvoorbeeld aan (de bescherming van)(reserveringen voor) luchthavens, militaire terreinen, rijksinfrastructuur, grote rivieren en de energievoorziening. Toetsing Het Barro kent geen bepalingen die voor deze gronden van toepassing zijn en staat de uitvoering van het project daarmee niet in de weg. Besluit ruimtelijke ordening Onderdeel van de nationale belangen zoals in de Structuurvisie Infrastructuur en Milieu vastgesteld is een zorgvuldige afweging bij alle ruimtelijke besluiten. In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is daarvoor de ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen in art. 3.1.6.. Dit artikel stelt het verplicht dat in geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, een beschrijving wordt gegeven van de behoefte aan die ontwikkeling, en indien buiten het bestaand stedelijk gebied in die behoefte wordt voorzien (door de nieuwe stedelijke ontwikkeling) dient bovendien gemotiveerd te worden waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die

17/35

behoefte voorzien kan worden. Toetsing De definitie voor een stedelijke ontwikkeling luidt op basis van lid 1.1.1 Bro als volgt: 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' In dit geval gaat het om een bestaand bedrijventerrein, waar binnen een op- en overslagbedrijf in ondergeschikte mate de opslag van gevaarlijke stoffen wordt mogelijk gemaakt. Hiervan valt te betwisten of dit als een ruimteljike ontwikkeling moet worden bezien. In fysieke zin vindt er geen uitbreiding plaats. In het toegestaan gebruik vindt daarentegen wel een verbreding plaats, al is het huidige verbod op risicovolle inrichtingen vooral vanuit veiligheidsoverwegingen (externe veiligheid) ingegeven. Gesignaleerd wordt dat hier ook zonder de opslag van gevaarlijke stoffen, een op- en overslag bedrijf in dezelfde omvang gerealiseerd kan worden. Daar zijn reeds vergunningen voor verleend, zoals ook blijkt uit paragraaf 2.1. In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt toch een beknopte beschrijving gegeven van de behoefte waar de opslag in gevaarlijke stoffen in voorziet. DSV signaleert dat de behoefte naar opslagcapaciteit voor deze stoffen groeit. Van haar bestaande klanten die met 'gevaarlijke stoffen' werken, wordt een groei verwacht tussen de 2% en 15% voor dat specifieke onderdeel.

Hiervoor zijn twee belangrijke oorzaken aan te wijzen: door de gevolgen van de Covid-pandemie en de steeds langer geworden leadtimes en tekorten op de markt van grondstoffen, half fabricaten en eindproducten vanuit het verre Oosten, zijn veel producenten op zoek naar opslaglocaties binnen Europa. Deze strategie maakt onderdeel uit van hun eigen business-continuatie-plan om distributie naar hun klanten te verzekeren; een toenemende vraag naar opslag van Lithium-ion energiedragers van bestaande en potentiële klanten, gelet op de steeds verder groeiende markt van elektrische apparaten en duurzame energie. DSV ziet haar ontwikkellocatie op LPM, waar zij de realisatie van een op- en overslagcentrum reeds in voorbereiding had, als een geschikte locatie om in ondergeschikte mate binnen de totale bedrijfsvoering in te spelen op deze behoefte. Conclusie Het Barro en Bro staan de uitvoering van het project niet in de weg.

3.3. Provinciaal beleid Interim omgevingsverordening Noord-Brabant Provinciale Staten van Noord-Brabant hebben op 25 oktober 2019 de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant (hierna: Iov N-B) vastgesteld. Nadien zijn meerdere actualisaties vastgesteld. In hoofdstuk 3 van Iov N-B zijn de instructieregels opgenomen die gemeenten moeten toepassen in hun bestemmingsplannen (of bij het afwijken van bestemmingsplannen, of zoals in dit geval van een provinciaal inpassingsplan). In de instructieregels staan regels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies (in

18/35

plaats van het bestemmen van ontwikkelingen). Daarnaast richten de regels zich op een goede omgevingskwaliteit, inclusief een veilige en gezonde leefomgeving (in plaats van een goede ruimtelijke kwaliteit). Tevens zijn een aantal algemene basisprincipes opgenomen. Toetsing In de verordening zijn geen specifieke regels opgenomen die specifiek betrekking hebben op het (in ondergeschikte mate) opslaan van gevaarlijke stoffen binnen een op- en overslag bedrijf die voor het overige passend is binnen het provinciale inpassingsplan LPM. Conclusie De Iov N-B omgevingsverordening staat de uitvoering van het project niet in de weg.

3.4. Gemeentelijk beleid Omgevingsvisie Op 14 december 2023 is de Omgevingsvisie van de gemeente Moerdijk vastgesteld. In deze omgevingsvisie worden drie integrale kernambities voor Moerdijk richting 2040 uitgesproken, te weten: 1. Versterken van stadse én dorpse leefomgeving; 2. Bouwen aan een vitale en gezonde economie; 3. Werken aan een groen, duurzaam, veilig en beleefbaar buitengebied. Een uitsnede van de visiekaart, laat het Logistiek Park Moerdijk als zodanig zien, omringd door een groenblauwe afronding. Het project heeft betrekking op het (in ondergeschikte mate) toestaan van de opslag van gevaarlijke stoffen, binnen een inrichting waarvan de bedrijfsvoering verder aansluit bij het type bedrijvigheid dat op LPM is toegestaan. Er is geen sprake van fysieke uitbreiding van de bedrijvigheid, laat staan van het LPM.

Figuur 3.2

19/35

Uitsnede visiekaart ontwerp-omgevingsvisie 2023

Ten aanzien van de kernambities geldt dat DSV als onderdeel van LPM bijdraagt aan een vitale en gezonde economie (ambitie 2) en gelet op de zeer beperkte milieueffecten (zie hoofdstuk 4) staat het ook de versterking van stads- en dorpsgebied (ambitie 1) en de ambities voor het buitengebied (ambitie 3) niet in de weg. Conclusie Het project is niet in strijd met de doelstellingen en ambities uit de omgevingsvisie.

20/35

Hoofdstuk 4

Toetsing aan omgevingsaspecten

4.1. Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r-beoordeling De centrale doelstelling van het instrument milieueffectrapportage is het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over activiteiten met mogelijk belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. De basis van de milieueffectrapportage wordt gevormd door de EU Richtlijn m.e.r. De richtlijn is van toepassing op de milieueffectbeoordeling van openbare en particuliere projecten die aanzienlijke gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De Europese regelgeving is in de Nederlandse wetgeving onder andere geïmplementeerd in de Wet milieubeheer (verder Wm) en in het Besluit milieueffectrapportage 1994. In de bijlagen behorende bij het Besluit m.e.r. zijn de m.e.r.-plichtige activiteiten (de C-lijst) en de m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten (de D-lijst) beschreven. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Voor de betreffende activiteiten die niet aan de drempelwaarden voldoen, dient het bevoegd gezag na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen: de kenmerken van de projecten; de plaats van de projecten; de kenmerken van de potentiële effecten.

Onderzoek en conclusie Uit de bij de aanvraag ingediende aanmeldingsnotitie van Peutz (FD 19479-9-NO-001) blijkt dat de opslag van chemische producten (verpakte gevaarlijke stoffen) valt onder categorie 25 van onderdeel C en D van het Besluit m.e.r. aangezien in bijlage II van de Europese merrichtlijn (2011/92/EU) in onderdeel 6, onder c, opslagruimten voor aardolie, petrochemische en chemische producten zijn aangewezen als m.e.r.-beoordelingsplichtige projecten. Uit de betreffende rapportage blijkt dat de betreffende opslagcapaciteit ruim minder is dan de drempelwaarde zoals vermeld in bijlage D van het Besluit m.e.r. (100.000 ton). Om die reden kan worden volstaan met een vormvrije m.e.r.-beoordeling, waar de rapportage in voorziet. Gelet op de effecten die in de aanmeldingsnotitie beschouwd zijn, volgt daaruit de conclusie dat een volledige m.e.r.-procedure, en daarmee het opstellen van een MER, geen toegevoegde waarde heeft in de besluitvorming.

4.2. Bedrijven en milieuhinder Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen: ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd; rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven. Om in de bestemmingsregeling de belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen in voldoende

21/35

mate mee te nemen, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. Toetsing Zoals in paragraaf 2.1 beschreven, beschikt DSV reeds over diverse vergunningen om haar op- en overslagcentrum te kunnen realiseren. Hieruit blijkt dat de beoogde bedrijfsvoering, met afwijking van de opslag van gevaarlijke stoffen die nu wordt aangevraagd, als passend binnen de regels van het inpassingsplan moet worden gezien. In het bestemmingsplan zijn ter plaatse Value Added Logistics bedrijven toegestaan uit categorie 3.1 en 3.2 van de Lijst van Bedrijfsactiviteiten. Op basis van de VNG-publicatie én op basis van de 'Lijst van Bedrijfsactiviteiten' die onderdeel uitmaakt van de regels behorende bij het vigerende inpassingsplan 'Logistiek Park Moerdijk', valt het op- en overslagcentrum van DSV in te schalen als een 'distributiecentrum'.

Dit type bedrijvigheid is in de betreffende publicatie en de Lijst van Bedrijfsactiviteiten aangemerkt als milieucategorie 3.1, wat aansluit bij de toegestane milieucategorieën uit het het inpassingsplan. In de VNG-publicatie is voor 'distributiecentra' geen onderscheid gemaakt in het type stoffen of goederen dat hier wordt opgeslagen. Ook met de opslag van gevaarlijke stoffen kan de inrichting aangemerkt worden als een inrichting met milieucategorie 3.1 en daarmee als passend binnen de milieucategorie die binnen het bestemmingsplan is toegestaan. Binnen de daarbij behorende richtafstand van 50 m zijn geen milieugevoelige bestemmingen als woningen of maatschappelijke voorzieningen aanwezig. Waar de opslag van gevaarlijke stoffen niet van invloed is op de milieucategorie, kan deze mogelijk wel van invloed zijn op het aspect gevaar dat eveneens onderdeel uitmaakt van de beschouwing in het kader van het aspect milieuzonering. De beoordeling van de opslag van gevaarlijke stoffen ten aanzien van het aspect gevaar (voor de omgeving) komt in deze onderbouwing aan de orde in paragraaf 4.3. Conclusie Het aspect bedrijf en milieuzonering staat de uitvoering van het project niet in de weg.

4.3. Externe veiligheid Toetsingskader Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen.

22/35

Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde wordt overschreden. Risicovolle inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Op basis van het Bevi geldt voor het PR een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij een ruimtelijke ontwikkeling moet aan deze normen worden voldaan, ongeacht of het een bestaande of nieuwe situatie betreft.

Het Bevi bevat geen norm voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied van de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde. Vervoer van gevaarlijke stoffen Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en de regeling Basisnet in werking getreden. Het Bevt vormt de wet- en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het Bevt en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10-5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10-6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10-6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10-6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute.

Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes waarbinnen beperkingen voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen gelden. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Voor het groepsrisico geldt op grond van het Bevt slechts een oriënterende waarde en alleen in bepaalde gevallen is het doen van een verantwoording van een toename van het GR verplicht. Besluit externe veiligheid buisleidingen In het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Op grond van het Bevb dient bij ontwikkelingen inzicht te worden gegeven in de afstand tot het PR en de hoogte van

23/35

het GR als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen. Onderzoek De beoogde ontwikkeling maakt het opslaan van gevaarlijk stoffen mogelijk. Bij de aanvraag is een nadere beschrijving van de beoogde bedrijfsvoering en daarvoor te treffen maatregelen opgenomen (rapport FD 19479-3-RA-003, Peutz) en is een QRA-berekening uitgevoerd die eveneens bij de aanvraag is gevoegd (rapport FD 19479-5-RA-002, Peutz). Uit deze rapporten blijkt dat op basis van de typen en hoeveelheden gevaarlijke stoffen die maximaal binnen de inrichting aanwezig kunnen zijn, het Besluit Risico's Zware Ongevallen (BRZO 2015) en de bijbehorende Regeling risico's zware ongevallen 2015 (Rrzo 2015) niet van toepassing zijn op de inrichting. Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) is onder andere op basis van artikel 2, eerste lid onderdeel f wel van toepassing op de inrichting van DSV. Om die reden is een kwantitatieve risicoanalyse (QRA) opgesteld door Peutz waarin de effecten van de beoogde activiteiten op het gebied van externe veiligheid berekend en beschouwd zijn. Verwezen wordt naar het genoemde rapport van Peutz (FD 19479-5-RA-002, Peutz). Daaruit blijkt dat de risicocontour volledig binnen het eigen perceel valt. Het berekende groepsrisico is lager dan de oriëntatiewaarde.

De verantwoording van de hoogte van het groepsrisico dient door het bevoegd gezag te worden afgelegd. Conclusie Het aspect externe veiligheid staat de uitvoering van het project niet in de weg. De verantwoording van de hoogte van het groepsrisico dient door het bevoegd gezag te worden afgelegd.

4.4. Verkeer en parkeren Toetsingskader Op het gebied van verkeer en vervoer bestaat geen specifieke wetgeving die relevant is voor de voorgenomen activiteit. Wel dient in het kader van het ruimtelijk plan dat de activiteit mogelijk maakt, te worden onderbouwd dat het geheel voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. Beoordeling Het provinciaal inpassingsplan voorziet ter plaatse in de bestemming 'bedrijventerrein'. Op grond daarvan is een distributiecentrum zonder opslag van gevaarlijke stoffen bij recht toegestaan, wat ook correspondeert met het feit dat DSV reeds beschikt over diverse vergunningen om ter plaatse haar op- en overslagcentrum te kunnen realiseren, zoals beschreven in paragraaf 2.1 . Op basis van die bestaande, planologische mogelijkheden wordt op het Logistiek Park Moerdijk reeds rekening gehouden met een fors aantal verkeersbewegingen van zowel lichte als zware motorvoertuigen die de toekomstige bedrijven zullen genereren. Dit is in het provinciaal inpassingsplan uitgebreid berekend en onderzocht en de infrastructuur waar het LPM op aangesloten wordt is hierop gedimensioneerd.

24/35

De bedrijfsvoering van DSV blijft in basis dezelfde als reeds vergund op basis van het bestemmingsplan, met dien verstande dat daar in ondergeschikte mate opslag van gevaarlijke stoffen plaats zal gaan vinden. De afwijking heeft enkel betrekking op het opslaan van gevaarlijke stoffen. Dit vindt in ondergeschikte mate plaats binnen de totale bedrijfsomvang, die reeds eerder is vergund. Omdat de totale bedrijfsomvang gelijk blijft, is er geen sprake van een (noemenswaardige) toename (of afname) in het aantal transportbewegingen. Net als het aantal vervoersbewegingen, zullen er ook geen noemenswaardige wijzigingen zijn in het type vervoersbewegingen. De gevaarlijke stoffen worden met vergelijkbare transporten als de reguliere producten aangeleverd en kunnen bovendien ook onderdeel zijn van een grotere, gemengde (gevaarlijke stoffen en reguliere goederen) uitmaken. Gelet op de reeds toegestane mogelijkheden, is er vanuit planologisch oogpunt geen aanleiding om op het gebied van verkeer noemenswaardige effecten te verwachten. Dit geldt eveneens voor het aspect parkeren. De parkeervoorzieningen bij het bedrijf zijn afgestemd op de reeds eerder vergunde, totale bedrijfsomvang. Het opslaan van gevaarlijke stoffen in ondergeschikte mate binnen de totale bedrijfsomvang, leidt niet tot een andere parkeerbehoefte.

In het kader van de oprichtingsvergunning, geeft Peutz in haar rapport waarin de bedrijfsvoering wordt beschreven (FD 19479-3-RA-003) een algemene beschrijving over het verkeer en het parkeren bij de inrichting van DSV. Conclusie Het aspect verkeer en parkeren staat de uitvoering van het project niet in de weg.

4.5. Geluid Toetsingskader De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidsniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd indien een plan een geluidsgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. In de omgeving van het projectgebied is geen gezoneerd bedrijventerrein, zoals bedoeld in de Wet geluidhinder, aanwezig. Het aspect industrielawaai is niet van toepassing. Ook spoorwegen en wegverkeerslawaai komen niet voor in de nabijheid van het projectgebied. Toetsing en conclusie De beoogde ontwikkeling betreft geen geluidsgevoelig object. Geluidsonderzoek naar relevante geluidbronnen in de omgeving is om die reden niet aan de orde. Voor het geluid van de inrichting zelf, geldt in planologische zin dat de bedrijfsvoering aansluit bij de reeds toegestane milieucategorie uit het inrichtingsplan en dat de opslag van gevaarlijke stoffen verder niet van invloed is op het aspect geluid. In planologische zin is akoestisch onderzoek om die reden niet nodig. Conclusie

25/35

Het aspect geluid staat de uitvoering van het project niet in de weg.

4.6. Archeologie Toetsingskader In de Wet op de Archeologische Monumentenzorg zijn de uitgangspunten van het Verdrag van Malta binnen de Nederlands wetgeving geïmplementeerd. De wet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen: 'de veroorzaker betaalt'. Het belangrijkste doel van de wet is het behoud van het bodemarchief in situ (ter plekke), omdat de bodem de beste garantie biedt voor een goede conservering van de archeologische waarden. Het is verplicht om in het proces van ruimtelijke ordening tijdig rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Op die manier komt er ruimte voor overweging van archeologievriendelijke alternatieven. De eigen rol van de overheden wordt hierbij steeds belangrijker. In het Besluit ruimtelijke ordening is opgenomen dat gemeenten bij het maken va ruimtelijke plannen tevens rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden. Daaronder vallen naast monumenten en beschermde stads- en dorpsgezichten ook landschappelijke elementen, gebieden en ruimtelijke patronen. Toetsing Het toestaan van opslag van gevaarlijke stoffen, heeft per definitie geen relatie met of effect op archeologische (verwachtings)waarden. Onderzoek kan daarom op voorhand achterwege blijven.

Daar komt bij dat in het inpassingsplan geen beschermingsregels ten aanzien van archeologie zijn opgenomen. Conclusie Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de uitvoering van het project.

4.7. Bodem Toetsingskader Op grond van artikel 3.1.6 van het Bro dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur te worden gerealiseerd op bodem die geschikt is voor het beoogde gebruik. Onderzoek Zoals in paragraaf 2.1 beschreven, beschikt DSV reeds over diverse vergunningen om haar op- en overslagcentrum te kunnen realiseren. Tevens voorziet het inpassingsplan ter plaatse al in de bestemming 'bedrijventerrein'.

26/35

Gelet op de reeds toegestane mogelijkheden, is er vanuit planologisch oogpunt geen aanleiding om bodemonderzoek uit te voeren om aan te tonen dat de bodem milieukundig geschikt is voor de opslag van gevaarlijke stoffen. Wel wordt een nulsituatie-bodemonderzoek uitgevoerd in verband met de mogelijk bodembedreigende activiteiten die worden aangevraagd (op- en overslag van gevaarlijke stoffen in een deel van warehouse H, J en X). Dit onderzoek wordt nagezonden. Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de uitvoering van het project. Een nul-metingonderzoek wordt nagezonden.

4.8. Ecologie Toetsingskader Met de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden, te weten: Natura-2000 gebieden; Natuurnetwerk Nederland (NNN). Natura-2000 gebieden De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn). Een bestemmingsplan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten.

Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: alternatieve oplossingen zijn niet voor handen; het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en; de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.

27/35

Natuurnetwerk Nederland (NNN) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen: soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; overige soorten. De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren.

GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Onderzoek Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen deel uit van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000. In de nabije omgeving van het plangebied bevinden zich meerdere Natura 2000-gebieden, zie figuur 4.8.1. De meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden betreffen 'Biesbosch' en 'Hollands diep' op ca. 2 km afstand van het plangebied. De dichtstbijzijnde onderdelen van Natuurnetwerk Nederland bevinden zich op circa 50 meter ten noorden van het projectgebied (zie figuur 4.8.2.).

28/35

Figuur 4.8.1 Het projectgebied ten opzichte van Natura 2000-gebieden (bron: AERIUS Calculator)

Figuur 4.8.2 Projectgebied ten aanzien van Natuurnetwerk Nederland. (bron: atlas leefomgeving) Gezien de afstand tot bovengenoemde gebieden heeft de inrichting van DSV mogelijk alleen ten aanzien van de storingsfactoren verzuring/vermesting (stikstofdepositie) een negatief effect op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebied. Overige storingsfactoren (geluid, licht, trillingen) zijn gezien de afstand niet reëel. In het kader van de oprichtingsvergunning-aanvraag is een stikstofonderzoek uitgevoerd. Daaruit blijkt dat er ten opzichte van de referentiesituatie geen sprake is van een toename van ammoniakemissie en stikstofdepositie op de Natura 2000-gebieden 'Biesbosch', 'Krammer-Volkerak', 'Ulvenhoutse Bos', 'Langstraat' en 'Heesbossen,

29/35

Vallei van Marke en Merkske en Ringven met valleigronden langs de Heerlese Loop'. Op grond van deze resultaten is door Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant geconcludeerd dat de aangevraagde activiteit, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen, geen significante gevolgen kan hebben voor de Natura 2000-gebieden 'Biesbosch', 'Krammer-Volkerak', 'Ulvenhoutse Bos', 'Langstraat' en 'Heesbossen, Vallei van Marke en Merkske en Ringven met valleigronden langs de Heerlese Loop'. Om die reden is op 31 oktober 2023 een positieve weigering verleend, gezien het ontbreken van een vergunningplicht. De definitieve beschikking in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb) is als bijlage bij de aanvraag gevoegd. Soortenbescherming De beoogde ontwikkeling, ten opzichte van reeds toegestaan is op basis van het provinciaal inpassingsplan en eerder verleende vergunningen als beschreven in paragraaf 2.1 betreft het opslaan van gevaarlijk stoffen binnen een inrichting. Dit geen aanleiding tot het uitvoeren van onderzoek naar soortenbescherming. Er is enkel sprake van een wijziging (verbreding) in gebruik. Rekening houdend met de algemene zorgplicht uit de Wet natuurbescherming, zijn effecten op beschermde soorten op voorhand uit te sluiten. Conclusie Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de uitvoering van het project.

4.9. Luchtkwaliteit Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 4.9.1 weergegeven. Tabel 4.9.1 Grenswaarden maatgevende stoffen Wet milieubeheer Stof Toetsing van Grenswaarde stikstofdioxide (NO2) jaargemiddelde concentratie 40 µg/m³ uurgemiddelde concentratie max. 18 keer p.j. meer dan 200 µg / m³ fijn stof (PM10) jaargemiddelde concentratie 40 µg/m³ 24-uurgemiddelde concentratie max. 35 keer p.j.

meer dan 50 µg / m³ fijn stof (PM2,5) jaargemiddelde concentratie 25 µg /m³ Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht. Besluit niet in betekenende mate (nibm)

30/35

In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een plan vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden: een plan heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³); een plan valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m2 bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 bij twee ontsluitingswegen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Onderzoek Voor de effecten op de lokale luchtkwaliteit is de uitstoot van fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) van gemotoriseerd verkeer maatgevend. Wanneer sec wordt gekeken naar het afwijken voor de opslag van gevaarlijke stoffen, valt in planologisch opzicht te motiveren dat dit niet tot een toename in verkeersbewegingen leidt ten opzichte van hetgeen al is toegestaan op basis van het provinciaal inpassingsplan en de reeds verleende vergunningen.

Dit is ook in paragraaf 4.4 reeds beschreven. Dit maakt dat er in planologisch opzicht ook geen aanleiding bestaat tot het uitvoeren van onderzoek naar (effecten op) luchtkwaliteit. Door DSV is evenwel luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd. Dit maakt onderdeel uit van de ingediende stukken bij de aanvraag (rapport FD 19479-4-RA-001, Peutz). Uit het onderzoek blijkt dat er inzake luchtkwaliteit geen belemmeringen voor de geprojecteerde inrichting van DSV. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoering van het project.

4.10. Water Beoordeling De beoogde ontwikkeling, ten opzichte van reeds toegestaan is op basis van het provinciaal inpassingsplan en eerder verleende vergunningen als beschreven in paragraaf 2.1 betreft het opslaan van gevaarlijk stoffen binnen een inrichting. Dit heeft geen gevolgen op het waterkundig systeem ter plaatse en in de omgeving. In planologisch opzicht is er derhalve geen aanleiding het aspect water nader te beschouwen. Een nadere beschrijving van de beoogde bedrijfsvoering en daarvoor te treffen maatregelen blijkt uit de algemene beschrijving van de inrichting in het bij de aanvraag gevoegde rapport van Peutz (rapport FD 19479-3-RA-003). Daarin wordt onder meer ingegaan op de aspecten afvalwater, hemelwater en te treffen maatregelen tegen bijvoorbeeld lekkages van verontreinigende stoffen. Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de uitvoering van het project.

31/35

4.11. Kabels en leidingen Toetsingskader Rond planologisch relevante leidingen dient rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden (belemmeringenzones). Onderzoek Over het Logistiek Park Moerdijk loopt een planologisch relevante watertransportleiding. Het tracé van deze leiding is (inclusief belemmeringenstrook) in het provinciaal inpassingsplan vastgelegd en deze ligt buiten de inrichting van DSV. Voor het overige zijn er binnen het projectgebied of de nabije omgeving geen planologisch relevante leidingen, hoogspanningslijnen, straalpaden of telecomverbindingen aanwezig. Conclusie Het aspect kabels en leidingen vormt geen belemmering voor de uitvoering van het project.

32/35

Hoofdstuk 5

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Tijdens de uitgebreide Wabo-procedure bestaat er de mogelijkheid om een zienswijze in te dienen. Na het indienen van de zienswijze is er nog beroep mogelijk bij de rechtbank en vervolgens hoger beroep mogelijk bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, indien de aanvrager of derde belanghebbenden het niet eens zijn met het besluit.

33/35

34/35

Hoofdstuk 6

Financiële uitvoerbaarheid

De kosten van de voorgenomen ontwikkeling worden volledig gedragen door de initiatiefnemer.

35/35

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Moerdijk&id=0c00c732-259f-45f4-b7da-3a1220659312