Bijlage 1 - Rapport ‘Beleid gemeenschapshuizen, ontmoetingsfunctie in de kernen’
Tekst van het document
5.2.2
Bezetting en spreiding
Huidige situatie: Op dit moment beschikt elke kern binnen de gemeente over een gemeenschapshuis. Hiermee is de spreiding optimaal. Gezien de over het algemeen beperkte bezetting per gemeenschapshuis kan ook worden gesteld dat de capaciteit momenteel te ruim is. In de vorige paragraaf zijn kansen genoemd om het gebruik en hiermee de bezetting te verbreden en te intensiveren. Beleidsuitgangspunten op het onderdeel bezetting en spreiding zijn: Er zijn landelijk geen algemeen geldende bezettingsnormen beschikbaar voor ruimten in gemeenschapshuizen. De bezetting is voor een deel ook afhankelijk van de omvang van de kern/het verzorgingsgebied en het aantal ruimten. Bij de beoordeling van het maatschappelijk rendement van de voorziening wordt dan ook met name gekeken naar het aantal activiteiten. Indien sprake is van een lage bezetting wordt bepaald in hoeverre het mogelijk is om activiteiten te concentreren in bepaalde ruimten. Indien op deze wijze ruimten kunnen worden vrijgespeeld kan de exploitant samen met de gemeente onderzoeken op welke wijze het mogelijk is om deze ruimte permanent aan een vaste gebruiker, maatschappelijk dan wel commercieel, te verhuren (tegen een nader te bepalen tarief). Een dergelijke invulling kan ook noodzakelijk zijn om de continuïteit van het bieden van huisvesting voor de overige maatschappelijke activiteiten te waarborgen.
De gemeentelijke ambitie is om in iedere kern van de gemeente de vijf verschillende (in paragraaf 5.2.1. genoemd) functies waar een gemeenschapshuis in kan voorzien aan te bieden. Dit aanbod hoeft overigens in de toekomst niet per definitie in het gemeenschapshuis plaats te vinden, maar zou ook in andere accommodaties kunnen worden aangeboden. Toekomst: Voor de ontwikkeling wordt zoals eerder aangegeven 3 jaar uitgetrokken. Bezetting (per ruimte) is een belangrijk criterium in de toekomst en kan bepalend zijn voor het al dan niet handhaven van een gemeenschapshuis. Afhankelijk van de bezetting wordt in de toekomst gekeken naar clustering van functies en dus voorzieningen in een kern. Ook kan een clustering van kernen worden gemaakt die gezamenlijk gebruikmaken van elkaars voorzieningen, zoals ook verwoord is in de concept omgevingsvisie.
5.2.3
Exploitatie & beheer en rolinvulling
Huidige situatie: Het grootste deel van de gemeenschapshuizen wordt momenteel geëxploiteerd door een stichting. In drie gevallen is sprake van exploitatie door een ondernemer waarvan in één geval een grote marktpartij. De marktpartijen kunnen worden gezien als (maatschappelijk) ondernemers. De rolinvulling door de stichtingen verschilt sterk maar in de meeste gevallen is sprake van een relatief beperkte mate van ondernemerschap. De rol van de stichting beperkt zich dan tot het uitvoeren van schoonmaak en dagelijks onderhoud alsmede het verhuren van ruimten aan maatschappelijke organisaties. Beleidsuitgangspunten op het onderdeel exploitatie & beheer en rolinvulling zijn: Bij exploitatie en beheer wordt onderscheid gemaakt tussen enerzijds De Niervaert en De Parel en anderzijds de negen overige gemeenschapshuizen. De exploitatie en het beheer van De Niervaert en De Parel wordt te complex geacht om dit aan een (lokale) stichting over te laten, de meest geëigende beheersvorm betreft hier een marktpartij/ondernemer. Voor de overige gemeenschapshuizen is de stichting de preferente beheersvorm. De situaties waarbij sprake is van exploitatie door een stichting worden derhalve door de gemeente, met name vanwege de lokale betrokkenheid, gekoesterd. Beide vormen zijn mogelijk en de situatie is bepalend voor de keuze.
Tegelijkertijd wordt geconstateerd dat stichtingen soms kwetsbaar zijn (continuïteit van vrijwilligers en bestuursleden, moeizame exploitatie door externe factoren als Covid-19 en de volatiele energiemarkt, de exploitatie van accommodaties wordt steeds complexer). Bij het opstellen van het maatschappelijk accommodatiebeleid wordt nader onderzoek gevoerd naar de wijze waarop accommodaties toekomstbestendig beheerd worden. Dingen die dan aan bod komen, zijn: hoe is de 18
verhouding professioneel beheer en de inzet van vrijwilligers, op welke ondersteuning vanuit de gemeente kunnen de stichtingen met vrijwilligers rekenen etc. De gemeente wil de continuïteit van activiteiten en indien mogelijk accommodaties zoveel mogelijk borgen. De vrijwilligers en besturen kunnen dan ook op ondersteuning rekenen van de gemeente, zowel vanuit vastgoed als vanuit cluster advies sociaal domein. Waar knelpunten ontstaan doordat stichtingen de continuïteit niet kunnen garanderen, onderzoekt de gemeente andere oplossingen. Wat de alternatieve mogelijkheden kunnen zijn, (zoals een gemeentelijk vastgoed- en exploitatiebedrijf) wordt uitgewerkt in het integrale maatschappelijk accommodatiebeleid. De gemeente is zich ervan bewust dat met name stichtingen, maar ook lokale ondernemers niet overvraagd dienen te worden. Bij de vijf eerder genoemde functies die in een gemeenschapshuis plaats moeten vinden, is dan ook sprake van een gezamenlijke rolverdeling. Ook de gemeente en andere organisaties (zowel vrijwilligersorganisaties als professionele partijen) hebben hierbij een taak en verantwoordelijkheid. De verhuurfunctie is de verantwoordelijkheid van de exploitant.
Bij de ontmoetingsfunctie is sprake van een gedeelde verantwoordelijkheid voor de exploitant en de welzijnsorganisatie Surplus die het concept “Huis van de Wijk” in de gemeenschapshuizen aanbiedt en andere maatschappelijke organisaties die hierop kunnen aansluiten. Activiteiten en evenementen die in het gemeenschapshuis plaatsvinden worden primair door externe organisaties georganiseerd. Het is uiteraard ook mogelijk dat de exploitant de activiteit aanbiedt. In veel gevallen is sprake van een samenwerking tussen de exploitant en de externe organisatie. Voor dit onderdeel zijn vaak ook subsidies beschikbaar bij de gemeente. De informatie en adviesfunctie zal in principe door derden worden aangeboden. Deze functie maakt onderdeel uit van het concept ‘Huis van de Wijk’ en afstemming vindt plaats met de exploitant en Surplus. Ook hier kunnen andere maatschappelijke organisaties op aansluiten. Ook het aanbod van alternatieve voorzieningen vindt in de regel plaats door derden. Afstemming tussen gemeente en exploitanten (Planning & Control) wordt geformaliseerd. Enerzijds dient dit te leiden tot uniformiteit in de informatie en inzichtelijkheid voor de gemeente als (indirect) subsidieverstrekker. Anderzijds resulteert dit in een format dat ook voor de exploitanten eenvoudig is te hanteren (zie ook paragraaf 5.2.5).
Onderdeel van de Planning & Control cyclus is ook de driejaarlijkse evaluatie zoals beschreven in paragraaf 5.3. De exploitant van het gemeenschapshuis levert een bijdrage aan de participatie van inwoners van de kern door hen als vrijwilliger te betrekken bij het gemeenschapshuis. Het is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van de gemeente en de exploitant om te zorgen dat de activiteiten die plaatsvinden in het gemeentehuis aansluiten bij de behoefte van de inwoners in de betreffende kern. Toekomst: Met uitzondering van De Parel en De Niervaert worden de accommodaties zoveel mogelijk geëxploiteerd door lokale stichtingen. Er wordt per kern een plan van aanpak gemaakt met alle (lokale) partijen. Hierbij wordt gekeken naar de behoefte van inwoners in de betreffende kern, het huidige aanbod en de mogelijkheden voor nieuwe aanvullingen. Dit is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van de exploitanten en de gemeente. De eerder beschreven vijf functies die in een gemeenschapshuis dienen plaats te vinden, zijn hiervoor het uitgangspunt. Bij dit plan van aanpak wordt tevens de onderlinge samenwerking en taakverdeling tussen de diverse partijen vastgelegd. Ook is er vanuit de gemeente, zeker de komende 3 jaar, meer ondersteuning. Zie hiervoor hoofdstuk 6.
Uiteraard wordt het plan van aanpak en de uitvoering daarvan onderwerp van gesprek tijdens de jaarlijkse gesprekken tussen de exploitanten en de gemeente.
5.2.4
Eigendom, kwaliteit en (multi-)functionaliteit
Huidige situatie: De huidige eigendomssituatie is divers. De gemeente is op dit moment eigenaar van vijf van de elf gemeenschapshuizen. De gemeente heeft op dit moment uitsluitend bij vijf accommodaties rechtstreeks invloed op kwaliteit en duurzaamheid. Indirect heeft de gemeente als huurder van accommodaties ook invloed. Zeker bij het verlengen van huurcontracten kan het gesprek over kwaliteit en duurzaamheid actief gevoerd worden.
19
Beleidsuitgangspunten op het onderdeel eigendom, kwaliteit en (multi-)functionaliteit zijn: Gemeente is eigenaar: Deze bestaande eigendomssituatie is uitgangspunt. Dit om complexe overnametrajecten te voorkomen alsmede ongewenste kosten zoals bijvoorbeeld de overdrachtsbelasting. Er is derhalve geen voornemen om actief eigendom van gemeenschapshuizen te verwerven of het eigendom van gemeenschapshuizen te vervreemden. Wel is in de recent door het college van B&W vastgestelde vastgoednota bepaald dat de gemeente eigenaar wil zijn van gemeenschapshuizen/MFA’s die in de toekomst gerealiseerd worden. Dit is al het geval bij de MFA's die nu in de projectfase zitten. Op die manier heeft de gemeente meer invloed en grip op onder andere de kosten. Ook staat de gemeente open voor overname van eigendom, mits partijen dit zelf aangeven en er overeenstemming wordt bereikt. Bij de accommodaties waar de gemeente eigenaar van is, wordt het onderhoud door de gemeente uitgevoerd. Ook worden investeringen gedaan op basis van de bepalingen zoals opgenomen in het gemeentelijk vastgoedbeleid, waarbij er gezorgd wordt voor voldoende budget. Op deze wijze wordt de kwaliteit gegarandeerd. Ook wordt aangesloten bij de gemeentelijke ambities op het gebied van duurzaamheid (conform de routekaart verduurzaming).
De huidige demarcatie bij gemeentelijke accommodaties tussen eigenaarsonderhoud en gebruikersonderhoud (dat door de exploitant dient te worden uitgevoerd) blijft gehandhaafd. Multifunctionaliteit wordt waar mogelijk gestimuleerd en gefaciliteerd, door zowel de gemeente als de exploitanten. Daarbij wordt ook de (fysieke) toegankelijkheid voor inwoners c.q. doelgroepen geanalyseerd en waar nodig worden knelpunten verholpen, ofwel door de gemeente ofwel door de exploitant, afhankelijk van de benodigde aanpassing. Nieuwe te realiseren accommodaties zijn naast multifunctioneel ook flexibel en aan te passen, zodat in de toekomst ingespeeld kan worden op mogelijke veranderende vraag van gebruikers. Nieuwe te realiseren accommodaties zijn tot slot niet alleen fysiek toegankelijk, maar ook inhoudelijk voor een diversiteit aan doelgroepen. Dit vanuit het uitgangspunt ‘inclusie’. Gemeente is geen eigenaar: Waar de gemeente geen eigendom heeft, worden (als huurder) afspraken met de eigenaar gemaakt over zaken als kwaliteit van het eigenaarsonderhoud, toegankelijkheid en multifunctionaliteit. Ook wordt ervoor gezorgd dat de verantwoordelijkheid voor de exploitant voor wat betreft het dagelijks onderhoud vergelijkbaar is met de situatie bij gemeentelijke accommodaties.
Toekomst: Op basis van hetgeen is bepaald in de vastgoednota is de verwachting dat de gemeente, door de realisatie van nieuwe voorzieningen in gemeentelijk eigendom, in de toekomst meer gemeenschapshuizen/MFA’s in eigendom zal hebben. Op die manier heeft de gemeente dus ook meer invloed op kwaliteit en duurzaamheid, multifunctionaliteit en de kosten die verbonden zijn aan de gemeenschapshuizen.
5.2.5
Financiën en tarieven
Huidige situatie: Op dit moment is er sprake van onvoldoende duidelijkheid met betrekking tot de financiële situatie rond de gemeenschapshuizen. Dit was één van de aanleidingen voor dit beleid. Er is behoefte aan transparante en zoveel mogelijk eenduidige financiële afspraken bij de exploitatie van gemeenschapshuizen. Als algemeen uitgangspunt geldt nu dat de exploitant (vrijwel) volledige huurcompensatie ontvangt en voor wat betreft het onderhoud uitsluitend verantwoordelijk is voor het (dagelijks) huurdersonderhoud. De gemeente draagt de kosten voor eigenaarsonderhoud en andere eigenaarslasten zoals het eigenaarsdeel van de belastingen en verzekeringen (of betaalt de huur aan de eigenaar van de accommodatie waarin deze kostenposten zijn verdisconteerd. In de vastgoednota zijn inmiddels andere uitgangspunten gekozen die in dit beleid worden overgenomen. Beleidsuitgangspunten op het onderdeel financiën en tarieven zijn: De gemeente gaat, conform het bepaalde in het vastgoedbeleid, over tot het berekenen en hanteren van kostprijs dekkende huren voor gemeentelijk vastgoed. De stelregel is vervolgens dat er voor de gemeenschapshuizen sprake is van 90% huurcompensatie. Verder is er geen sprake van een exploitatiebijdrage voor de gemeenschapshuisfunctie (tenzij deze functie onderdeel is van een aanbesteding van een grotere multifunctionele accommodatie).
In de implementatiefase wordt inzichtelijk gemaakt wat dit betekent voor de afzonderlijke gemeenschapshuizen in de gemeente Moerdijk. We verwachten hierbij geen grote, financieel nadelige, gevolgen voor de exploitanten. 20
Indien andere functies (zoals binnensportaccommodaties, een zwembad of een jongerencentrum) aan een gemeenschapshuis zijn verbonden die onderdeel uitmaken van de exploitatie worden eventuele gemeentelijke bijdragen c.q. subsidies voor deze andere functies specifiek gemarkeerd. Op deze wijze blijft inzicht bestaan in de financiële situatie van het “gemeenschapsdeel” en de wijze waarop deze zich verhoudt tot de situatie bij andere gemeenschapshuizen. Er is binnen de gemeente Moerdijk al sprake van geüniformeerde/geharmoniseerde maatschappelijke tarieven die de exploitanten van gemeenschapshuizen aan hun maatschappelijke gebruikers in rekening dienen te brengen. De grondslag voor deze maatschappelijke tarieven wordt in het nieuwe maatschappelijk accommodatiebeleid onder de loep genomen. Voor andersoortige verhuur dienen marktconforme tarieven te worden gehanteerd. Er worden duidelijke afspraken gemaakt over de (financiële) informatie die door de exploitanten van de gemeenschapshuizen aan de gemeente dient te worden aangeleverd. Hiervoor wordt tijdens de implementatiefase een format ontwikkeld. Op basis van deze informatie kan de gemeente problemen tijdig signaleren (zie ook paragraaf 5.2.3). Het is mogelijk om in individuele gevallen van de voorgaande financiële basissituatie af te wijken.
Een duidelijke argumentatie en onderbouwing dient in dat geval aan de afwijking ten grondslag te liggen. Deze afwijking kan zowel een positief als negatief effect hebben voor de exploitant. Indien bij een gemeenschapshuis dat door de gemeente als voldoende waardevol wordt bestempeld sprake is van een structureel exploitatietekort dat niet binnen een exploitatie kan worden opgelost kan een aanvullende bijdrage worden verstrekt. Indien sprake is van een structureel exploitatieoverschot kan de gemeente besluiten de (indirecte) financiële bijdrage te reduceren. Hierbij dient voorkomen te worden dat een exploitant “slachtoffer wordt van zijn eigen succes” en gedemotiveerd wordt om een goede exploitatie te voeren. Het verdient dan ook aanbeveling om aan de exploitant de mogelijkheid te bieden om tot een nader te bepalen bedrag te reserveren voor toekomstige uitgaven. Dit wordt in de implementatiefase nader uitgewerkt. Toekomst: Door duidelijke uitgangspunten te hanteren bij het vaststellen van de huur ontstaat transparantie in de (indirecte) bijdrage die de gemeente levert in de exploitatie van de gemeenschapshuizen.
Door afspraken over de rapportage van de gemeenschapshuizen aan de gemeente kunnen financiële problemen tijdig wordt gesignaleerd en kunnen eventuele aanvullende onderbouwde (maatwerk) financiële afspraken worden gemaakt tussen de gemeente en de exploitant van een gemeenschapshuis. Exploitanten worden tot een nader te bepalen maximum in de gelegenheid gesteld om positieve exploitatieresultaten te reserveren.
5.3
Beleidsinstrumentarium
Zoals in paragraaf 1.1 is aangegeven is een beleidsplan voor maatschappelijke accommodaties geen statisch document. Het dient namelijk te resulteren in een continu proces van ontwikkeling, bijsturing en verbetering waarbij het essentieel is dat periodieke monitoring plaatsvindt. Daarbij is het van belang dat sprake is van een balans tussen enerzijds het bepalen van de kaders en richting geven en anderzijds ruimte laten voor initiatieven. Na vaststelling van dit beleidsplan breekt een periode aan van implementatie. In hoofdstuk 6 wordt verder ingegaan op deze implementatie. Aan de gemeenschapshuizen wordt tijd geboden om beter aan te sluiten bij de beleidsuitgangspunten en de gemeente Moerdijk speelt hierbij ook een faciliterende rol. Bij de start van implementatiefase vindt een nulmeting plaats, waarbij ook de resultaten van de inventarisatiefase worden meengenomen. Tijdens de implementatiefase vindt jaarlijks een tussentijdse evaluatie/jaargesprek plaats. Het eerste formele evaluatiemoment vindt drie jaar na vaststelling van het beleidsplan plaats en daarna op basis van een driejaarlijkse cyclus. Er is drie jaar nodig voor de implementatiefase. Ook partners zoals Surplus en Meer Moerdijk kunnen niet starten met 11 kernen tegelijk. Derhalve wordt een en ander fasegewijs opgepakt. In hoofdstuk 6 is een prioritering c.q. planning van de kernen opgenomen.
De evaluatie vindt plaats aan de hand van een beleidsinstrumentarium. Met het beleidsinstrumentarium wordt bepaald hoe een gemeenschapshuis functioneert en presteert in relatie tot de vastgestelde beleidsuitgangspunten. Het betreft een in veel opzichten kwalitatieve beoordeling omdat bij gemeenschapshuizen “harde” normen en kengetallen ontbreken. Voor zowel de tussentijdse jaarlijkse evaluatie als de driejaarlijkse evaluatie wordt een checklist ontwikkeld die bestaat uit een aantal elementen: Worden alle vijf de hoofdfuncties aangeboden? Is er ook sprake van andere functies/activiteiten? 21
Hoeveel activiteiten vinden er gemiddeld plaats op weekbasis? Wat is de ontwikkeling van de bezetting? Is de exploiterende organisatie “in control” of is er sprake van continuïteitsrisico’s? Zijn er knelpunten met betrekking tot staat en toegankelijkheid van de accommodatie? Staan er grote investeringen op stapel? Worden de juiste tarieven gehanteerd? Is er sprake van een gezonde financiële situatie? Wat is de tevredenheid van gebruikers (op basis van periodieke enquête)? Is het gemeenschapshuis inclusief, zowel fysiek als financieel? Indien het gemeenschapshuis op één of meerdere aspecten negatief scoort wordt in onderling overleg tussen gemeente en exploitant bepaald op welke wijze wordt bijgestuurd en/of gerichte ingrepen worden gedaan. Indien zich grote knelpunten voordoen vinden andere maatregelen plaats. Voorbeelden van knelpunten met daarbij de maatregelen zijn: Er staan grote investeringen op stapel om de accommodatie in stand te kunnen houden: De keuze kan zijn om niet meer in een accommodatie die op leeftijd is te investeren en in plaats daarvan een nieuwe accommodatie te realiseren die beter aansluit bij de behoeften en eisen van deze tijd. De exploitant kan de continuïteit van de exploitatie niet waarborgen: Dit kan het geval zijn als een stichting onvoldoende vrijwilligers (bestuurlijk of operationeel) weet te committeren.
In dat geval kan de gemeente proberen om op een andere wijze invulling te geven aan de exploitatie. Dit kan op verschillende wijzen waaronder bijvoorbeeld een gemeentelijke “vastgoed- en exploitatiebedrijf” als eerder bij de beleidsdoelstellingen is genoemd. Er zijn ook situaties bekend waarbij Surplus als welzijnsorganisatie het beheer overneemt, bijvoorbeeld in Tuinzigt in Breda. Er is sprake van financiële problemen in de exploitatie: Indien er onvoldoende mogelijkheden worden gezien om de exploitatie te verbeteren maar het maatschappelijk rendement als voldoende wordt beoordeeld kan dit aanleiding zijn om aanpassingen aan te brengen in de financiële afspraken tussen gemeente en exploitant. Er is sprake van een erg lage bezetting en/of maatschappelijke waarde: Onderzocht wordt of het mogelijk is activiteiten te clusteren binnen de accommodatie en op deze wijze één of meerdere ruimten vrij te spelen voor permanente verhuur. Indien dit niet leidt tot de gewenste kan worden onderzocht of het mogelijk is om de activiteiten elders in de kern te huisvesten. Tenslotte kan onderscheid worden gemaakt tussen de in de omgevingsvisie beschreven hoofdkern, voorzieningenkernen en kleine kernen.
Indien een gemeenschapshuis in een kleine kern onvoldoende bestaansrecht heeft en activiteiten niet kunnen worden geconcentreerd of herplaatst binnen het dorp, worden de activiteiten ondergebracht in het gemeenschapshuis (of andere accommodatie) in de dichtstbijzijnde voorzieningenkern dan wel in de kern die het best bereikbaar is met (openbaar) vervoer. Ook worden er zogenaamde stroomschema’s ontwikkeld op basis waarvan in de toekomst, na de eerste 3 jaar, nadrukkelijker gestuurd wordt op de beleidsuitgangspunten. Enkele voorbeelden hiervan zijn opgenomen in bijlage 3.
22
23
6.
Implementatiefase
Na de vaststelling van het accommodatiebeleid in september 2023, start in het najaar van 2023 de implementatiefase. De overkoepelende uitgangspunten zijn de koers en de stip op de horizon, die geldt voor alle gemeenschapshuizen. In de implementatiefase wordt vervolgens per kern een plan van aanpak gemaakt dat uitgaat van de eigen kwaliteiten (en behoefte) van de verschillende kernen. In deze plannen van aanpak is onder andere aandacht voor: De huidige manier van werken in het betreffende gemeenschapshuis. Het gemeenschapshuis in relatie tot andere aanwezige voorzieningen in de desbetreffende kern. Het huidige programma in het gemeenschapshuis in relatie tot de behoefte van de inwoners. De samenwerkende rollen tussen gemeenschapshuizen, gemeente en andere partners. Op grond van de huidige situatie en de actuele ontwikkelingen (o.a. nieuwbouw) per kern in de implementatiefase opgedeeld in 3 fasen, waarover kernen/gemeenschapshuizen als volgt zijn verdeeld. Fase 1, vierde kwartaal 2023 en eerste kwartaal 2024: Standaardbuiten/De Standaert, Noordhoek/MFG D’ouwe School, Zevenbergschen Hoek/MFA, Willemstad/MFA; Fase 2, tweede en derde kwartaal 2024: Klundert/De Niervaert, Fijnaart/De Parel en Zevenburgen/Trefpunt; Fase 3, vierde kwartaal 2024 en eerste kwartaal 2025: Helwijk/De Blokhut, Moerdijk/De Ankerkuil, Langeweg/Ons Stedeke en Heijningen/Pestalozzihuis.
In bijlage 4 is per kern een overzicht te vinden van de belangrijkste ontwikkelingen en zaken die van belang zijn voor de implementatiefase en het plan van aanpak per kern. De gemeente begeleidt de ontwikkeling om het gebruik van de gemeenschapshuizen te verbreden (“zowel verhuur als ontmoetingsplek en gastheerschap”), en ook op andere aspecten aan te sluiten bij de geformuleerde beleidsdoelen, actief. Mogelijk is er ook een (opstartende) rol bij de gemeente ten aanzien van promotie, een zogenaamd makelpunt dat vraag en aanbod bij elkaar brengt, kennisuitwisseling etc. Om als gemeente dit proces te kunnen begeleiden, wordt nauw samengewerkt tussen de REO/Vastgoed enerzijds en het cluster advies sociaal domein anderzijds. Bij REO/Vastgoed is circa 24 uur formatie beschikbaar om de rol van accountmanagement in te vullen. Bij het cluster advies sociaal domein is hiervoor nog geen formatie beschikbaar. In eerste instantie is hiervoor 24 uur per week benodigd. Na de fase waarin de plannen van aanpak worden gemaakt, is dit een functie voor 16 uur in de week. Dit proces om het gebruik te verbreden, beter aan te sluiten bij de behoefte van de inwoners in de betreffende kern en bij de beleidsuitgangspunten van de gemeente heeft tijd nodig en mag die tijd krijgen. Het doel en de uitgangspunten, waarbij in hoofdstuk 5.2. vijf functies van gebruik zijn beschreven, staan vast.
Daarnaast is er uiteraard maatwerk per kern mogelijk en ook nodig. In elke kern zijn er immers andere ontwikkelingen. De belangrijkste ontwikkelingen per kern zijn beschreven in bijlage 4. De voortgang wordt in de jaarlijkse gesprekken uiteraard besproken en na drie jaar is er een formeel evaluatiemoment aan de hand van het beleidsinstrumentarium zoals beschreven in hoofdstuk 5.3
24
Bijlage 1
Inventarisatie
Deze bijlage is toegevoegd als apart pdf bestand.
25
Bijlage 2
Resultaten van de enquête onder bewoners
Deze bijlage is toegevoegd als apart pdf bestand.
26
Bijlage 3
Voorbeelden van zogenaamde stroomschema’s
27
Bijlage 4
Belangrijkste ontwikkelingen per kern
Hieronder wordt een doorkijk geboden naar de implementatiefase. Per kern wordt aangegeven wat de actuele ontwikkelingen zijn, die relevant zijn in relatie tot de gemeenschapshuizen. Willemstad: Buurthuis Irene Nieuwbouw: voorbereidingen voor de bouw van een nieuw MFA in Willemstad voor beide scholen, de gymzaal, kinderopvang en het buurthuis. Steunpunt In De Veste (Surplus), daar vindt ook de pilot Buurtkamer plaats. Dit wordt meegenomen in de implementatiefase. De beheerstichting is kwetsbaar. Voor de nieuwe situatie is het wenselijk dat er een toekomstbestendige beheerstichting komt. Deze beheerstichting kan ook een rol hebben in het beheer van het totale MFA. Dit moet verder onderzocht worden, in de implementatiefase en in relatie tot het overkoepelend maatschappelijk accommodatiebeleid. Noordhoek: D’Ouwe School Bewoners hebben het café gekocht. Op dit moment wordt in samenwerking met Woonkwartier (eigenaar) een renovatie voorbereid waarbij onderzocht wordt op welke manier de verschillende functies van het gemeenschapshuis het beste vorm kunnen krijgen. Er is een beheerstichting opgericht. Het is de bedoeling dat deze na voltooiing van de renovatie de exploitatie overneemt van Woonkwartier. Zevenbergschen Hoek: De Zevensprong Het huidige bestuur bouwt haar werkzaamheden af.
Uit de werkgroep van het gemeenschapshuis voor de nieuwbouw van het nieuwe MFA zijn enkele leden opgestaan die interesse hebben in een bestuursfunctie. Project voor nieuwe MFA zit in de ontwerpfase. Het nieuwe MFA in Zevenbergschen Hoek wordt gedeeld eigendom van Stichting de Waarden en gemeente. Klundert: De Niervaert Het zwembad is aan het eind van haar technische levensduur. Er loopt daarom een onderzoek naar nieuwbouw van het totale complex, waarbij de zwembadfunctie nu breder bekeken wordt in de hele gemeente. De gemeenschapshuisfunctie en sporthal staan niet ter discussie. Vanuit diverse geledingen is de vraag gesteld of het gemeenschapshuis in de Niervaert laagdrempeliger kan worden. Dit is in het project ook onderzocht. Dit geldt met name voor de consumptieprijs die niet voor iedereen betaalbaar is. In de implementatiefase is de Speeltuinvereniging een stakeholder. Daar zit bv de jeugd, jongerenwerk, Meer Moerdijk. Eveneens relevant in de implementatiefase: Huis van de Wijk zit niet in de Niervaert, maar in De Mauritshof. Zevenbergen :‘t Trefpunt Op termijn loopt huurcontract met eigenaar af. Er moet worden bezien op welke locatie vervanging van de functie plaatsvindt. Aspecten om mee te nemen in de implementatiefase: Pluspunt Serena: Pluspunt Serena is een ontmoetingsplaats voor bewoners uit de wijk Zoetendaal in Zevenbergen.
Pluspunt De Donk is een ontmoetingspunt voor nabij wonende ouderen. De pilot Buurtkamer vindt plaats in De Donk. Langeweg: Ons Stedeke Commercieel een aanbieder in de kern, De Droom. Er is een goede samenwerking. Wel wil Ons Stedeke graag meer ruimte in de horeca-exploitatie voor bijeenkomsten van persoonlijke aard, zoals verjaardagen, jubilea, bruiloften en uitvaarten. Dit van (oudere) mensen woonachtig in de betreffende kern. Helwijk: De Blokhut Cohesie neemt af, meer nieuwe mensen uit de stad en andere nieuwkomers. Zij gaan op zoek naar activiteiten buiten de kern. Verenigingsleven neemt hierdoor en door de vergrijzing af. 28
Heijningen: Pestalozzihuis Cohesie neemt af, meer nieuwe mensen uit de stad. Zij gaan op zoek naar activiteiten buiten de kern. Verenigingsleven neemt hierdoor en door de vergrijzing af. Kansen die gezien worden: verhuur van de zolder, meer samenwerking met Meer Moerdijk en Surplus (Huis van de Wijk). Moerdijk: De Ankerkuil Het dorpscafé is gesloten. Een aantal verenigingen heeft inmiddels onderdak gevonden in De Ankerkuil. Fijnaart : De Parel Versnippering van accommodaties, Huis van de Wijk niet in De Parel, maar in De Fendertshof. Stakeholder in de implementatiefase is onder andere Buurtvereniging ‘het Kwartier’ aan de Kwartiersedijk. Standdaarbuiten: De Standaert Het voortbestaan van het dorpscafé is onzeker. Mogelijk kunnen verenigingen onderdak vinden in De Standaert. In samenwerking met Meer Moerdijk wordt onderzocht of activiteiten voor jongeren een plek kunnen vinden in De Standaert.
29
30