CConstaterende datMoerdijk
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijl5- Regeling van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid houdende specifieke uitkeringen voor gemeenten en provincies die het mogelijk maken asielzoekers op te vangen (Regeling specifieke uitkeringen .pdf

Raadsvergadering 13 juli 2023, gemeente MoerdijkBij agendapunt: Huisvesting asielzoekers aan de Schansdijk4.022 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

CONCEPT Regeling van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van * (datum), nummer *, houdende specifieke uitkeringen voor gemeenten en provincies die het mogelijk maken asielzoekers op te vangen (Regeling specifieke uitkeringen Wet gemeentelijke taak mogelijk maken asielopvangvoorzieningen) De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, Gelet op de artikelen 9, tweede lid, onderdeel b, en vierde lid, 13, vierde lid, van de Wet gemeentelijke taak mogelijk maken asielopvangvoorzieningen en de artikelen 3.1, eerste lid, en 3.2, tweede lid, van het Besluit gemeentelijke taak mogelijk maken asielopvangvoorzieningen; Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Definitiebepaling In deze regeling wordt verstaan onder: - uitkering: een specifieke uitkering, als bedoeld in artikel 15a van de Financiële-verhoudingswet. Hoofdstuk 2. Uitkeringen gemeenten en provincies Artikel 2. Aanvraag of ambtshalve verstrekking 1. Voor opvangplaatsen als bedoeld in artikel 9, tweede lid, onder a, en derde lid van de wet verstrekt Onze Minister aan de gemeente onderscheidenlijk de provincie en de gemeente ambtshalve een uitkering. 2. Voor duurzame opvangplaatsen als bedoeld in artikel 9, tweede lid, onderdeel b, van de wet verstrekt Onze Minister een uitkering op aanvraag van het college van de betreffende gemeente. 3.

De aanvraag, bedoeld in het tweede lid, wordt ingediend door gebruikmaking van een door Onze Minister beschikbaar gesteld elektronisch aanvraagformulier. 4. De aanvraag, bedoeld in het tweede lid, wordt ingediend uiterlijk voor het begin van een nieuwe wetscyclus. 5. De aanvraag, bedoeld in het tweede lid, bevat ten minste: a. het tijdstip vanaf wanneer de opvangplaatsen beschikbaar worden gesteld aan het COA of, indien het college verantwoordelijk is voor de exploitatie van de opvangvoorziening, aan het college; b. het aantal ingediende duurzame opvangplaatsen; c. het soort duurzame opvangplaatsen; d. de periode van beschikbaarheid van de duurzame opvangplaatsen. Artikel 3. Hoogte van de uitkeringen 1. De uitkering, bedoeld in artikel 9, tweede lid, onderdeel a, van de wet bedraagt per opvangplaats van bijzondere aard € 2500. Indien deze wordt ingediend in het kader van de landelijke inbrengfase en duurzaam is komt daar € 2500 bij. Indien deze opvangplaats duurzaam is en in het kader van de provinciale inbrengfase wordt ingediend of niet in het kader van de provinciale inbrengfase wordt ingediend, maar wel in het verdeelbesluit wordt opgenomen komt daar € 1500 bij. 2.

De uitkering, bedoeld in artikel 9, tweede lid, onderdeel b, van de wet bedraagt per duurzame opvangplaats van reguliere aard die in het kader van de landelijke inbrengfase wordt ingediend € 2500 en € 1500 indien deze in het kader van de provinciale inbrengfase wordt ingediend of niet in het kader van de provinciale inbrengfase wordt ingediend, maar wel in het verdeelbesluit wordt opgenomen. 3. De uitkering, bedoeld in artikel 9, derde lid, van de wet bedraagt per opvangplaats € 1500. 4. De uitkering, bedoeld in het derde lid, wordt volgens een vaste verdeling van 85% voor de gemeenten en 15% voor de provincie verdeeld. Artikel 4. Vereisten De uitkeringen, bedoeld in artikel 3, worden alleen verstrekt: a. indien de opvangplaatsen beschikbaar zijn gesteld aan het Centraal Orgaan opvang asielzoekers of, indien het college verantwoordelijk is voor de exploitatie van de opvangvoorziening, aan het college en; b. indien voor de opvangplaatsen van bijzondere aard, bedoeld in kolom I, wordt voldaan aan de

vereisten inzake de omvang, bedoeld in kolom II en de periode van beschikbaarheid van minimaal 5 jaar voor duurzame opvangplaatsen en minimaal 2 jaar voor niet-duurzame opvangplaatsen. I.

Opvangmodaliteit

II.

Vereiste omvang1

Centrale ontvangstlocatie (col) Intensief Begeleidende Opvang (ibo) Handhaving en toezichtlocatie (htl) Vrijheidsbeperkende locatie (vbl) Proces Beschikbaarheidslocatie (pbl) Gezinslocatie (gl) Alle amv locaties (pol-amv, poa, rgo1, rgo2, bo) c. voor de opvangplaatsen, bedoeld in artikel 9, tweede lid, onder b, van de wet, waarmee het met toepassing van artikel 3 van de wet bepaalde indicatieve deel van het aantal opvangplaatsen in de betreffende gemeente wordt overschreden, waarbij de in de landelijke en provinciale inbrengfase ingediende opvangplaatsen worden opgeteld. Artikel 5. Tijdstip van verstrekking van de uitkeringen 1. De uitkeringen, bedoeld in artikel 9, tweede lid, van de wet worden verstrekt in de eerstvolgende maand juni of november nadat aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 4, is voldaan. 2. De uitkering bedoeld in artikel 9, derde lid, van de wet wordt verstrekt in de eerstvolgende maand juni of november na ommekomst van de periode van twee jaar, bedoeld in artikel 2 van de wet. Artikel 6. Verantwoording De gemeenten en de provincies leggen uiterlijk op 15 juli van het kalenderjaar volgend op het laatste van de twee kalenderjaren, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de wet, verantwoording af over de voorwaarden waaronder de uitkering wordt verstrekt op de wijze bepaald in artikel 17a van de Financiële-verhoudingswet. Artikel 7.

Procedure vaststelling uitkering Onze Minister stelt de uitkering vast uiterlijk op 31 december van het jaar waarin de verantwoordingsinformatie, bedoeld in artikel 6, is ontvangen. Artikel 8. Terugvordering De uitkering kan worden teruggevorderd indien en voor zover na de beschikbaarstelling van de opvangplaatsen blijkt dat niet is voldaan aan de vereisten voor het ontvangen van de uitkering. Hoofdstuk 3. Minimale omvang bijzondere opvangplaatsen voor de toepassing van artikelen 2, derde lid, en 5 van de wet en verspreiding over meerdere opvangvoorzieningen Artikel 9 Minimale omvang opvangvoorzieningen ten behoeve van bijzondere opvangplaatsen 1. Om gekenmerkt te worden als opvangplaatsen van bijzondere aard, ten behoeve van de toepassing van de artikelen 2, derde lid, en 5 van de wet geldt de minimale opvang bedoeld in de tabel in artikel 4, onder b, kolom II. 2. De amv-opvangplaatsen mogen verspreid worden over meerdere opvangvoorzieningen binnen de gemeente.

1

Nog nader te bepalen.

Hoofdstuk 4. Overgangs- en slotbepalingen Artikel 10. Overgangsbepaling Op de uitkering, bedoeld in artikel 13, derde lid, van de wet, zijn de artikelen 2, tweede tot en met vijfde lid, drie, tweede lid, en 6 tot en met 8 van overeenkomstige toepassing. Artikel 11. Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop de wet in werking treedt. Artikel 12. Citeertitel Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling specifieke uitkeringen Wet gemeentelijke taak mogelijk maken asielopvangvoorzieningen. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

NOTA VAN TOELICHTING I. ALGEMEEN DEEL Deze regeling bevat nadere regels over de specifieke uitkeringen (hierna: uitkeringen) voor gemeenten en provincies die zij op basis van de Wet gemeentelijke taak mogelijk maken asielopvangvoorzieningen (hierna: de wet) en het Besluit gemeentelijke taak mogelijk maken asielopvangvoorzieningen (hierna: het Besluit) kunnen ontvangen. De grondslag voor de uitkeringen is gelegen in de artikelen 9, tweede lid, onderdeel b, en vierde lid, 13, vierde lid, van de wet en de artikelen 3.1, eerste lid, onder b en 3.2, derde lid, van het Besluit. De wet beoogt een verandering te brengen in de situatie waarin het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (hierna: COA) afhankelijk is van de vrijwillige medewerking van gemeenten om opvang voor asielzoekers in Nederland mogelijk te maken. Deze wet creëert derhalve een nieuwe systematiek met een tweejaarlijkse cyclus van raming, overleg en verdeling. Het doel hiervan is om te komen tot een duurzaam en stabiel opvanglandschap. De wet zet in op het vrijwillig aanbieden van opvangplaatsen door gemeenten en beoogt een balans te vinden tussen enerzijds het neerleggen van een wettelijke taak voor gemeenten om asielopvang mogelijk te maken, en anderzijds deze (mogelijke) wettelijke taak voor gemeenten zo klein als mogelijk te houden.

Daartoe gaat de wet uit van een systematiek waarin het verdelen van asielopvangplaatsen gebeurt in twee fasen. Om de vrijwillige inbreng van opvangplaatsen te vergroten, bevat de wet meerdere financiële prikkels in de vorm van uitkeringen, die in deze regeling nader zijn uitgewerkt. Gemeenten en provincies kunnen de uitkeringen vrij besteden. Gemeenten komen in twee fasen van de in de wet geregelde tweejaarlijkse wetscyclus in aanmerking voor een uitkering voor het realiseren van opvangplaatsen. De hoogte van de uitkering verschilt al naar gelang de fase van indienen van de opvangplaatsen, evenals naar het soort opvangplaatsen dat een gemeente indient. Ook provincies ontvangen een uitkering voor iedere gerealiseerde opvangplaats boven de 75% van de provinciale opgave. De uitkeringen worden hieronder nader toegelicht. Toelichting uitkering voor duurzame opvangplaatsen De wetscyclus begint met het bekendmaken van de capaciteitsraming door de Minister van Justitie en Veiligheid (hierna: Minister van J&V). Deze capaciteitsraming bevat het aantal benodigde opvangplaatsen voor de komende periode van twee jaar. Hierin is opgenomen welk deel daarvan bestaat uit reguliere opvangplaatsen en welk deel uit opvangplaatsen voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen. Daarnaast wordt een overzicht meegestuurd van het soort en aantal bijzondere opvangplaatsen waaraan landelijk behoefte is.

Op basis van de verdeelsleutel naar inwoneraantal wordt vervolgens aan gemeenten gecommuniceerd wat hun maximale indicatieve deel is tijdens de provinciale inbrengfase. Dit maximale indicatieve deel geeft gemeenten een richting voor hun inzet binnen de provincie. Tijdens de landelijke inbrengfase kunnen gemeenten duurzame opvangplaatsen indienen, waaronder duurzame opvangplaatsen die tevens van bijzondere aard zijn. Duurzame opvangplaatsen zijn minimaal honderd opvangplaatsen in een gemeente die minimaal vijf jaar beschikbaar zijn. De reguliere en amv-opvangplaatsen mogen over meerdere opvangvoorzieningen binnen de gemeente verspreid zijn, mits het gebruik van de aangeboden opvangplaatsen uitvoerbaar is binnen de kaders die voor de verschillende uitvoeringspartijen binnen de migratieketen zijn opgesteld. Als aan het einde van de landelijke inbrengfase blijkt dat het aantal ingebrachte duurzame opvangplaatsen niet voldoende is om aan de capaciteitsraming te voldoen, dan wordt opnieuw bekend gemaakt aan hoeveel opvangplaatsen er nog behoefte is. Dit is de provinciale opgave. Dit aantal is de uitkomst van de capaciteitsraming verminderd met de in de landelijk ingebrachte duurzame opvangplaatsen. In de bekendmaking van de provinciale opgave is opnieuw opgenomen welk deel daarvan bestaat uit reguliere opvangplaatsen en welk deel uit opvangplaatsen voor alleenstaande minderjarigen.

Eveneens wordt een overzicht verstuurd van het aantal overige bijzondere opvangplaatsen waaraan nog behoefte is. Op basis van de verdeelsleutel naar inwoneraantal wordt opnieuw aan gemeenten gecommuniceerd wat hun (nieuwe) indicatieve deel is voor reguliere opvangplaatsen en amv-opvangplaatsen. Dit is het indicatieve deel voor gemeenten tijdens de provinciale inbrengfase. Gemeenten bespreken vervolgens onder leiding van de Commissaris van de Koning (hierna: CdK) aan de Provinciale Regietafel (PRT) hoe zij de

resterende benodigde opvangplaatsen onderling gaan verdelen. Dit mondt uit in een verslag van de CdK dat door de Minister van J&V wordt gebruikt voor het verdeelbesluit. Aan gemeenten wordt dus tweemaal hun indicatieve deel gecommuniceerd: bij de bekendmaking van de capaciteitsraming en bij de bekendmaking van de provinciale opgave bedoeld in artikel 3 van de wet. De toepassing van het indicatieve deel wordt hieronder nader toegelicht. Het indicatieve deel Het indicatieve deel is niet afdwingbaar. Het heeft ten eerste een rol in het komen tot een evenwichtige verdeling van de opvangplaatsen over Nederland. Het geeft ook richting aan gemeenten voor hun inzet tijdens de provinciale inbrengfase. De wettelijke taak, waarbij voor bepaalde gemeenten wordt bepaald hoeveel opvangplaatsen zij moeten realiseren, volgt bij het verdeelbesluit, waarbij het verslag van de CdK een belangrijke basis vormt. Wanneer een gemeente wordt opgenomen in het verdeelbesluit kan worden afgeweken van het indicatieve deel van de gemeente. Ten tweede biedt het indicatieve deel een drempelwaarde: de uitkering voor wat betreft de duurzame opvangplaatsen wordt berekend over de opvangplaatsen boven deze drempelwaarde.

Alleen de duurzame opvangplaatsen bóven het indicatieve deel in de provinciale inbrengfase, zoals dat is vastgesteld en gecommuniceerd bij de bekendmaking van de provinciale opgave, komen in aanmerking voor de uitkering. De uitkering voor duurzame opvangplaatsen kan dus pas berekend worden als het indicatieve deel op basis van de provinciale opgave bekend is. Gemeenten krijgen voor de duurzame opvangplaatsen boven dat indicatieve deel een uitkering van 2500 euro per opvangplaats indien deze is ingediend tijdens de landelijke inbrengfase en een uitkering van 1500 euro per opvangplaats indien deze is ingediend tijdens de provinciale inbrengfase of is opgenomen in het verdeelbesluit. Voor de landelijke inbrengfase geldt voor de reguliere duurzame opvangplaatsen een drempelwaarde van minimaal 100 opvangplaatsen per gemeente. Voor de provinciale inbreng van reguliere opvangplaatsen geldt geen drempelwaarde, zodat er dan ook minder dan 100 opvangplaatsen per gemeente kunnen worden ingediend. Om tijdens de provinciale inbrengfase aan de vereisten voor de uitkering voor duurzame opvangplaatsen te voldoen, worden de opvangplaatsen die een gemeente tijdens de landelijke inbrengfase heeft ingebracht daarbij opgeteld om aan de drempelwaarde van 100 opvangplaatsen te kunnen voldoen.

Gemeenten kunnen tijdens de provinciale inbrengfase aan hun indicatieve deel voldoen met zowel duurzame reguliere of bijzondere opvangplaatsen als niet-duurzame reguliere of bijzondere opvangplaatsen. Herijking indicatieve deel Zoals hierboven is toegelicht, wordt aan gemeenten en provincies op twee momenten een indicatieve verdeling gecommuniceerd; de eerste keer bij de bekendmaking van de capaciteitsraming op basis van het totaal aantal opvangplaatsen zoals opgenomen in deze capaciteitsraming, en de tweede keer bij de bekendmaking van de provinciale opgave, op basis van het aantal opvangplaatsen zoals opgenomen in deze provinciale opgave. Indien gemeenten duurzame opvangplaatsen indienen tijdens de landelijke inbrengfase, leidt dit ertoe dat het totaal aantal te verdelen opvangplaatsen over de provincies (de provinciale opgaven) omlaag gaat. Wanneer er tijdens de landelijke inbrengfase duurzame opvangplaatsen zijn ingediend, zal het indicatieve deel van iedere gemeente voor de provinciale inbrengfase dus lager zijn dan het indicatieve deel tijdens de landelijke inbrengfase op basis van de capaciteitsraming. Dit kan tot de situatie leiden dat een gemeente, na de bekendmaking van de provinciale opgave, meer duurzame opvangplaatsen boven haar indicatieve deel heeft ingediend.

Op dit verschil zal een herijking worden toegepast; indien een gemeente tijdens de landelijke inbrengfase duurzame opvangplaatsen indient, geldt dat zij over het verschil tussen het indicatieve deel op basis van de capaciteitsraming en het indicatieve deel op basis van de provinciale opgave, ook de hogere uitkering van € 2500 per reguliere duurzame opvangplaats ontvangt. Dit is op dezelfde wijze van toepassing bij de uitkering voor bijzondere duurzame opvangplaatsen. Toelichting uitkering voor bijzondere opvangplaatsen Een gemeente kan zowel tijdens de landelijke inbrengfase als tijdens de provinciale inbrengfase bijzondere opvangplaatsen indienen. De landelijk ingediende bijzondere opvangplaatsen moeten echter ook duurzaam zijn. De bijzondere opvangplaatsen die tijdens de provinciale inbrengfase

beschikbaar worden gesteld, kunnen zowel duurzaam als niet-duurzaam zijn. De verschillende bijzondere opvangplaatsen zijn nader uitgewerkt in de tabel bij artikel 4. Voor de uitkering voor bijzondere opvangplaatsen geldt niet het vereiste dat deze pas wordt uitgekeerd, wanneer een gemeente aan haar indicatieve deel voldoet. Iedere bijzondere opvangplaats komt, mits deze voldoet aan de vereisten zoals opgenomen in deze regeling, in aanmerking voor de bijbehorende uitkering, ongeacht de verhouding met het indicatieve deel van de gemeente. Toelichting 75%-uitkering Op grond van artikel 9, derde lid, van de wet wordt een uitkering toegekend aan gemeenten en provincies voor iedere opvangplaats waarmee 75% van de provinciale opvangopgave is overschreden. Deze uitkering bedraagt 1500 euro per opvangplaats. Hiervoor komen in aanmerking opvangplaatsen in gemeenten die opvangplaatsen hebben geboden en hebben voldaan aan de taak in artikel 5, eerste lid, van de wet. De duurzame opvangplaatsen waarvoor op verzoek van een gemeente een uitkering is verstrekt, oftewel de reguliere duurzame opvangplaatsen, zijn daarvan uitgesloten. Opvangplaatsen van bijzondere aard zijn niet uitgezonderd.

Voor bijzondere opvangplaatsen kan dus tweemaal een uitkering worden verstrekt: eerst op grond van het zijn van een duurzame of niet-duurzame bijzondere opvangplaats, en vervolgens omdat de gemeenten in een provincie meer dan 75% van hun provinciale opgave behalen. De uitkering wordt verdeeld tussen de provincie en, naar rato van het aantal geboden opvangplaatsen, de gemeenten die opvangplaatsen hebben geboden. Deze verhouding is vastgesteld op 15% voor de provincie en 85% voor de gemeente. Provincie en gemeente kunnen de uitkering besteden aan een ander doel dan de bij of krachtens de wet gevorderde uitvoering. II. ARTIKELSGEWIJS Artikel 1. Definitiebepaling In artikel 15a, eerste lid, van de Financiële-verhoudingswet wordt omschreven wat een specifieke uitkering is. Deze omschrijving luidt: elke bijdrage uit ‘s Rijks kas die door of vanwege Onze Minister wie het aangaat onder voorwaarden ten behoeve van een bepaald openbaar belang aan provincies en gemeenten wordt verstrekt, is een specifieke uitkering. Artikel 2. Aanvraag In artikel 2 van deze regeling is artikel 9, tweede lid, van de wet nader uitgewerkt. Artikel 9, tweede lid, van de wet bepaalt dat bij ministeriële regeling een uitkering kan worden verstrekt voor opvangplaatsen van bijzondere aard en voor duurzame opvangplaatsen. In artikel 2 is geregeld dat er een uitkering wordt verstrekt.

Voorts wordt geregeld voor welk type opvangplaatsen een aanvraag voor een uitkering moet worden gedaan en voor welk type opvangplaatsen de minister ambtshalve een uitkering verstrekt. Het eerste lid regelt dat voor opvangplaatsen als bedoeld in artikel 9, tweede lid, onder a (de opvangplaatsen van bijzondere aard), en derde lid (de opvangplaatsen waarmee 75% van de provinciale opvang wordt overschreden, met uitzondering van de opvangplaatsen waarvoor op verzoek van de gemeente een uitkering is verstrekt) de minister van J&V ambtshalve een uitkering verstrekt. Dat betekent dat gemeenten bij het realiseren van deze opvangplaatsen niet separaat een aanvraag voor een uitkering hoeven te doen, maar dat ze deze uitkering automatisch zullen ontvangen. Het tweede lid regelt dat de staatssecretaris voor duurzame opvangplaatsen op aanvraag van een gemeente een uitkering verstrekt. Deze aanvraagmogelijkheid voor duurzame opvangplaatsen is opgenomen omdat artikel 9, derde lid, van de wet bepaalt dat de 75%-uitkering niet wordt uitgekeerd voor duurzame opvangplaatsen waarvoor reeds een uitkering is verstrekt. Het is dus aan gemeenten zelf om te bepalen op welke grond (artikel 9, tweede lid, onder b, of artikel 9, derde lid van de wet) zij een uitkering willen ontvangen.

De gemeente doet deze aanvraag op grond van het vierde lid uiterlijk op de laatste dag voordat de nieuwe (volgende) wetscyclus begint. In het derde lid is geregeld dat de aanvraag van een uitkering moet worden ingediend met gebruikmaking van een aanvraagformulier dat elektronisch ter beschikking wordt gesteld.

In het vierde lid is geregeld dat de aanvraag uiterlijk voor het begin van een nieuwe wetscyclus wordt ingediend. Het vijfde lid bepaalt welke gegevens de aanvraag voor de uitkering voor duurzame opvangplaatsen in ieder geval moet bevatten, namelijk het aantal en soort opvangplaatsen (zijn het opvangplaatsen van bijzondere aard, en zo ja welke), de periode van beschikbaarheid van de opvangplaatsen alsmede het tijdstip vanaf wanneer de opvangplaatsen ter beschikking worden gesteld aan het COA of college. Artikel 3. Hoogte van de uitkeringen Dit artikel bevat de hoogte van de uitkeringen. Deze hoogte is afhankelijk van het soort opvangplaatsen (bijzonder of regulier en duurzaam of niet-duurzaam), het moment van indienen van de opvangplaatsen en de inhoud van het verdeelbesluit. De uitkeringsbedragen zijn hoger als de opvangplaatsen worden ingediend tijdens de landelijke inbrengfase en lager als zij worden ingediend tijdens de provinciale inbrengfase. Voor wat betreft de verdeling van de uitkering van 1500 euro tussen provincie en gemeenten voor iedere opvangplaats waarmee 75% van de provinciale opgave wordt overschreden, is deze vastgesteld op 15% voor de provincie en 85% voor de desbetreffende gemeente. Dit is in verhouding met de bijdrage die gemeenten en provincie leveren.

Het is immers redelijk dat de gemeenten, die de wettelijke taak hebben en de opvang daadwerkelijk realiseren het grootste deel van deze uitkering ontvangen. Artikel 4. Vereisten Onderdeel a bepaalt dat de uitkeringen eerst worden verstrekt indien de opvangplaatsen daadwerkelijk aan het COA ter beschikking zijn gesteld, dan wel ter beschikking zijn gesteld aan het college, indien het college zelf verantwoordelijk is voor de exploitatie van de opvangvoorziening. De tabel in artikel 4 bevat voor de verschillende typen opvangplaatsen van bijzondere aard, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel a, van de wet de vereisten in omvang waaraan moet zijn voldaan om voor de uitkering in aanmerking te komen. Voorts geldt op grond van onderdeel b een beschikbaarheid van minimaal 5 jaar voor duurzame opvangplaatsen en minimaal 2 jaar voor nietduurzame opvangplaatsen. In artikel 4, onderdeel c, wordt geregeld dat voor de opvangplaatsen, bedoeld in artikel 9, tweede lid, onderdeel b, alleen een uitkering wordt verstrekt indien het met toepassing van artikel 3 van de wet bepaalde indicatieve deel van het benodigde aantal opvangplaatsen in de betreffende gemeente wordt overschreden. Daarbij worden de tijdens de landelijke inbrengfase en provinciale inbrengfase ingediende duurzame opvangplaatsen bij elkaar opgeteld.

Het ministerie houdt bij hoeveel opvangplaatsen er op deze wijze beschikbaar worden gesteld. Wellicht ten overvloede wordt opgemerkt dat, zoals bepaald in artikel 9, derde lid, van de wet en hierboven toegelicht, voor de opvangplaatsen waarmee 75% van de provinciale opvangopgave wordt overschreden geen uitkering wordt toegekend indien aan de gemeente voor de betreffende opvangplaatsen al een uitkering met toepassing van artikel 9, tweede lid, van de wet is verstrekt. Artikel 5. Tijdstip van verstrekking van de uitkeringen Artikel 5 bepaalt wanneer de uitkeringen worden verstrekt. De uitkeringen op grond van artikel 9, tweede lid, van de wet worden verstrekt in de eerstvolgende maand juni of november nadat aan de voorwaarden voor de verstrekking is voldaan. Voor de uitkeringen op grond van artikel 9, derde lid, van de wet bepaalt de wet dat zij worden uitgekeerd na ommekomst van de periode van twee jaar, bedoeld in artikel 2 van de wet. Deze uitkeringen worden verstrekt in de eerstvolgende maand juni of oktober na die termijn van twee jaar. Voor de maanden juni en november is gekozen omdat zij aansluiten bij begrotingscyclus in de vorm van de voorjaars- en najaarsbesluitvorming. Artikel 6. Verantwoording

In artikel 6 wordt de verantwoording en geregeld. Deze verantwoording geschiedt via het systeem SiSa: het systeem van single information, single audit, zoals bepaald in de Regeling informatieverstrekking SiSa. Bij niet tijdig indienen van de verantwoordingsinformatie, treedt het maatregelenbeleid van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in werking. De uitkeringen worden verstrekt indien aan de vereisten, bedoeld in artikel 4, is voldaan. Zij kunnen, zoals in artikel 9 van de wet is bepaald, door provincie en gemeente worden besteed aan een ander doel dan de bij of krachtens de wet gevorderde uitvoering. Achteraf zullen gemeenten in de zogeheten SiSa-bijlage van de jaarrekening het aantal gerealiseerde opvangplaatsen en de andere vereisten verantwoorden, waarna het definitieve bedrag door de minister van J&V vastgesteld wordt. Artikel 7. Procedure vaststelling uitkering Artikel 7 regelt de procedure tot vaststelling van de uitkeringen door de minister van J&V. Artikel 8. Terugvordering Artikel 8 regelt de procedure tot terugvordering van de uitkeringen door de minister van J&V. Terugvordering is mogelijk als op een later tijdstip blijkt dat niet aan de vereisten wordt voldaan, bijvoorbeeld in het geval dat duurzame opvangplaatsen al voor het aflopen van het vijfde jaar worden beëindigd.

Artikel 9 Minimale omvang opvangvoorzieningen ten behoeve van bijzondere opvangplaatsen In artikel 9 worden artikel 3.1, eerste lid, en tweede lid, sub d, van het Besluit uitgewerkt. In het eerste lid wordt de minimale omvang bepaald voor de bijzondere opvangplaatsen die worden ingebracht in de landelijke inbrengfase en in mindering worden gebracht van de capaciteitsraming en voor de bijzondere opvangplaatsen in de provinciale inbrengfase die kunnen worden opgenomen in het verdeelbesluit. Daarbij is aangesloten bij de tabel in artikel 4, die de minimale omvang voor de bijzondere opvangplaatsen met betrekking tot de uitkering bepaalt. Het tweede lid bepaalt dat de amv-opvangplaatsen verspreid mogen worden over meerdere opvangvoorzieningen binnen de gemeente. Daarbij is het randvoorwaardelijk dat het gebruik van de aangeboden opvangplaatsen uitvoerbaar moet zijn binnen de kaders die voor de verschillende uitvoeringspartijen binnen de migratieketen zijn opgesteld. Artikel 10. Overgangsbepaling Artikel 13, vierde lid, van de wet bepaalt dat bij ministeriële regeling regels kunnen worden gesteld over de uitkering bedoeld in het derde lid van dat artikel.

Op grond van artikel 13, derde lid, van de wet wordt uiterlijk vier maanden na inwerkingtreding van de artikelen 1 tot en met 11, onderdeel A, van de wet aan de gemeente een uitkering verstrekt voor duurzame opvangplaatsen waarmee het met toepassing van artikel 3 van de wet bepaalde indicatieve deel (berekend op basis van de provinciale opgave) van het benodigde aantal opvangplaatsen in de betreffende gemeente wordt overschreden. Met dit artikel wordt beoogd gemeenten te stimuleren om al direct na inwerkingtreding van de wet opvangplaatsen voor minimaal vijf jaar ter beschikking te stellen. Op deze uitkering in de overgangsfase zijn de bepalingen met betrekking tot duurzame opvangplaatsen in de onderhavige regeling van overeenkomstige toepassing. Daarbij is artikel 4, onder c, van de wet niet in de opsomming opgenomen omdat de toepasselijkheid daarvan reeds uit de wet volgt. De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Moerdijkid=ffb2fd23-9924-4f0e-b64b-3555ce7a9b28