CConstaterende datMoerdijk
Koppel je AI →
Document · PDF

Bestemmingsplan Bolwerk Klundert toelichting

Raadsvergadering 17 juni 2021, gemeente MoerdijkBij agendapunt: Bestemmingsplan Bolwerk Klundert15.818 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

38

5.6

Externe veiligheid

5.6.1

Kader

Externe veiligheid richt zich op het beheersen van activiteiten die een risico voor de omgeving kunnen opleveren, zoals milieurisico's, transportrisico's en risico's die kunnen optreden bij de productie, het vervoer en de opslag van gevaarlijke stoffen in inrichtingen. Bij de (her)inrichting van een gebied bepaalt de externe veiligheidssituatie mede de ruimtelijke (on)mogelijkheden. In het kader van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gelezen in samenhang met de regels omtrent externe veiligheid moet worden onderzocht of er sprake is van aanwezigheid van risicobronnen in de nabijheid van de locatie waarop het Wro besluit betrekking heeft en dienen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR), en de eventuele toename hiervan, berekend te worden. Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas. De normstelling heeft de status van een grenswaarde die niet overschreden mag worden. Voor kwetsbare objecten wordt in zowel bestaande als nieuwe situaties het niveau van 10-6 per jaar als grenswaarde gehanteerd. Nieuwe beperkt kwetsbare objecten zijn alleen toegestaan onder een gewichtige motivering.

Bestaande beperkt kwetsbare objecten zijn toegestaan binnen de PR 10-6 contour. Het GR kan worden beschouwd als de maat van maatschappelijke ontwrichting in geval van een calamiteit (en drukt dus de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal 10 personen overlijdt als rechtstreeks gevolg van een calamiteit). De normstelling heeft de status van een oriënterende waarde. Deze waarde is geen vastgestelde wettelijke norm. Desondanks hebben overheden en betrokken private instellingen een inspanningsverplichting om te voldoen aan deze oriënterende waarde en dient een toename van het GR bestuurlijk te worden verantwoord.

Besluit externe veiligheid inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) uit 2004 legt veiligheidsnormen op aan overheden die besluiten nemen over bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein. Het gaat daarbij om bijvoorbeeld chemische fabrieken, LPG-tankstations en spoorwegemplacementen waar goederentreinen met gevaarlijke stoffen rangeren. Deze bedrijven verrichten soms risicovolle activiteiten dichtbij (beperkt) kwetsbare objecten waaronder woningen, ziekenhuizen, scholen, winkels, horecagelegenheden en sporthallen. Hierdoor ontstaan risico's voor mensen die in de buurt ervan wonen of werken. Het besluit verplicht gemeenten en provincies bij het verlenen van milieuvergunningen en het maken van bestemmingsplannen met externe veiligheid rekening te houden. Dit betekent bijvoorbeeld dat woningen op een bepaalde afstand moeten staan van een bedrijf dat werkt met gevaarlijke stoffen.

Regelgeving transport van gevaarlijke stoffen over wegen, water en spoor Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) in werking getreden. In het Bevt staan regels voor de ruimtelijke inrichting rond wegen, waterwegen en spoorwegen met vervoer van gevaarlijke stoffen. Het Bevt hanteert een vaste grens van 200 m, vanaf de buitenrand van de transportroute, waarbuiten in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Buiten de 200 m is een verantwoording niet noodzakelijk. Wel geldt dat bij ruimtelijke ontwikkelingen die nieuwe kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten mogelijk maken buiten de 200 m dient in de toelichting aandacht moet worden gegeven aan de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid voor zover het binnen het invloedsgebied van de transportroute is gelegen.

39

Ten aanzien van de verantwoordingsplicht groepsrisico wordt, net als bij het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), onderscheid gemaakt tussen een volledige verantwoording en een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Een volledige verantwoording kan bovendien achterwege blijven indien kan worden aangetoond dat: a. het groepsrisico, niet hoger is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico, of; b. het groepsrisico, gelet op de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen, met niet meer dan 10% toeneemt en; c. de oriëntatiewaarde, gelet op de dichtheid van personen, niet wordt overschreden. d. Indien sprake is van een volledige verantwoording dienen maatregelen ter beperking van het GR, alternatieve ruimtelijke ontwikkelingen met een lager GR en mogelijkheden en voorgenomen maatregelen ter beperking van de omvang van een calamiteit te worden overwogen. Een beperkte verantwoording houdt wel rekening met de effecten van een calamiteit en vindt alleen plaats als het plangebied binnen het invloedsgebied (effectgebied) van transportassen is gelegen. In het Bevt zijn tevens plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes.

Een PAG is een zone, waarbinnen een aanvullende verantwoording noodzakelijk is met betrekking tot het al dan niet nemen maatregelen om de effecten van een plasbrand te beperken en de zelfredzaamheid van personen.

Regelgeving transport van gevaarlijke stoffen via buisleidingen Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. De normstelling is in lijn met het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Daarmee zijn nieuwe kwetsbare objecten binnen de PR 10-6-contour niet toegestaan. Ook is vastgesteld dat wanneer binnen het invloedsgebied van een buisleiding een ruimtelijk besluit wordt genomen, de verantwoordingsplicht van toepassing is. Het Bevb gaat uit van een belemmerde strook van 4 of 5 m, afhankelijk van de werkdruk. Voor deze strook geldt een bouwverbod en een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden. Net als bij het Bevi worden de risicoafstanden en rekenmethodiek die volgen uit het Bevb opgenomen in een regeling, de Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb). 5.6.2

Onderzoek

De ontwikkeling is gelegen binnen de invloedsgebieden van diverse inrichtingen (Shell Moerdijk, Dr. Kolb, Schutz) maar op een zodanige afstand van de bron dat op basis daarvan volstaan kan worden met een standaardverantwoording (afbeelding 5.6).

40

Afbeelding 5.7 Invloedsgebieden inrichtingen en buisleidingen

Daarnaast is het invloedsgebied van de A17 over het plangebied gelegen maar ook deze afstand is zodanig (ca. 2.500 m) dat op basis van het Bevt volstaan kan worden met een beperkte verantwoording. Daarom kan de standaardverantwoording worden toegepast.

Afbeelding 5.8 Zone indeling standaard verantwoording groepsrisico

De ontwikkeling is gelegen in de "blauwe zone" (200 m) van een gemeentelijke weg waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Het betreft het traject Zevenbergseweg, Zevenbergse poort, Oliemolenstraat, Krugerweg (afbeelding 5.7). Over dit traject vindt vervoer van 36 tankwagens propaan plaats ten behoeve van levering in het buitengebied. Dit aantal, in combinatie met de bevolkingsdichtheid van minder dan 60 p/ha, betekent dat

41

op grond van het Bevt volstaan kan worden met een beperkte verantwoording* (bron: Rapportage Vervoer Gevaarlijke Stoffen, Actualisatie 2017-2018, Gemeente Moerdijk, november 2018). Dit betekent dat, tenzij er sprake is van verminderd zelfredzame personen, er volstaan kan worden met een standaard verantwoording conform het beleid van de gemeente Moerdijk en de Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant. De Standaard verantwoording is opgenomen in Bijlage 10 Standaard verantwoording groepsrisico. 5.6.3

Conclusie

Op basis van de standaard verantwoording wordt geconcludeerd dat er personen in het plangebied worden blootgesteld aan externe veiligheidsrisico’s, ook na het treffen van maatregelen. De besproken maatregelen dragen wel bij aan het verminderen van de gevolgen die zich voordoen bij één van de beschreven scenario’s. De Veiligheidsregio is voldoende ingericht om tijdig de noodzakelijke hulpverleningscapaciteit van de beschreven scenario’s te leveren. Op basis van de beschouwde scenario’s en het gelijkblijvende groepsrisico acht de gemeente het Wro-besluit verantwoord.

5.7

Leidingen

Naast de hiervoor beschreven milieuaspecten kunnen er nog andere belemmeringen in of nabij het plangebied aanwezig zijn die van invloed kunnen zijn op de planvorming. Het gaat bijvoorbeeld om de aanwezigheid van straalpaden, planologisch relevante kabels en leidingen (zoals waterleidingen of rioleringsleidingen), beschermingszones en dergelijke. In of in de directe nabijheid van het plangebied zijn geen leidingen of andere belemmeringen aanwezig die een planologische bescherming behoeven, of die de planuitvoering in de weg staan.

5.8

Luchtkwaliteit

5.8.1

Kader

Nederland heeft de Europese regels ten aanzien van luchtkwaliteit geïmplementeerd in de Wet milieubeheer (Wm). De in deze wet gehanteerde normen gelden overal, met uitzondering van een arbeidsplaats (hierop is de Arbeidsomstandighedenwet van toepassing). Op 15 november 2007 is het onderdeel luchtkwaliteit van de Wm in werking getreden. Kern van de wet is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Hierin staat wanneer en hoe overschrijdingen van de luchtkwaliteit moeten worden aangepakt. Het programma houdt rekening met nieuwe ontwikkelingen zoals bouwprojecten of de aanleg van infrastructuur. Projecten die passen in dit programma, hoeven niet meer te worden getoetst aan de normen (grenswaarden) voor luchtkwaliteit. De ministerraad heeft op voorstel van de minister van VROM ingestemd met het NSL. Het NSL is op 1 augustus 2009 in werking getreden. Ook projecten die 'niet in betekenende mate' (nibm) van invloed zijn op de luchtkwaliteit hoeven niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. De criteria om te kunnen beoordelen of er voor een project sprake is van nibm, zijn vastgelegd in de AMvB-nibm. In de AMvB-nibm is vastgelegd dat na vaststelling van het NSL of een regionaal programma een grens van 3% verslechtering van de luchtkwaliteit (een toename van maximaal 1,2 g/m3 NO2 of PM10) als 'niet in betekenende mate' wordt beschouwd.

Daarnaast geldt in het kader van het aspect luchtkwaliteit het Besluit gevoelige bestemmingen. Dit besluit is gericht op de beperking van de vestiging in de nabijheid van provinciale en rijkswegen van gevoelige bestemmingen, zoals gebouwen voor kinderopvang, scholen, verzorgings- of verpleegtehuizen. Dit besluit is niet op onderhavig plan van toepassing.

42

5.8.2

Afweging

Op basis van de Nota Parkeernormen van de gemeente heeft Klundert een adressendichtheid van 479 per km2 en daarmee een verstedelijksgraad van 5 (niet verstedelijkt). Voor het bepalen van verkeersgeneratie kan gebruik worden gemaakt van de CROW publicatie 317 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie'. Op basis van de publicatie geldt voor Klundert woonmilieu V Centrum - dorps. Per woning geldt als gemiddeld aantal motorvoertuigbewegingen 6,3 per weekdagetmaal bij dit woonmilieu. Voorliggend plan maakt woningbouw mogelijk. Op basis van de NIBM-tool draagt een woningbouwplan pas vanaf 1.370 extra verkeersbewegingen vanwege het plan in betekenende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Om op dit aantal verkeersbewegingen uit te komen dienen binnen dit plangebied meer dan 200 woningen gebouwd te worden. Binnen het bouwvlak zijn maximaal 40 woningen mogelijk. Dat betekent dat de omvang van het plan dusdanig beperkt blijft dat het niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit. Aanvullend onderzoek is niet noodzakelijk. Tevens zijn in de huidige situatie geen overschrijdingen ten aanzien van stikstof, fijnstof en zeer fijn stof. Het plan is ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit uitvoerbaar. 5.8.3

Conclusie

Gelet op vorenstaande vormt het aspect luchtkwaliteit geen belemmeringen voor onderhavige planontwikkeling.

5.9

Archeologie en cultuurhistorie

5.9.1

Kader

De Monumentenwet 1988 is per 1 juli 2016 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. De Erfgoedwet bundelt en wijzigt een aantal wetten op het terrein van cultureel erfgoed. De kern van deze wet is dat wanneer de bodem wordt verstoord, de archeologische resten intact moeten blijven (in situ). Wanneer dit niet mogelijk is, worden archeologische resten opgegraven en elders bewaard (ex situ). Daarnaast dient ieder ruimtelijk plan een analyse van de overige cultuurhistorische waarden van het plangebied te bevatten. Voor zover in een plangebied sprake is van erfgoed, dient op grond van voorgaande dan ook aangegeven te worden op welke wijze met deze cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten archeologie rekening wordt gehouden. De cultuurhistorische waardenkaart (CHW-kaart) van de provincie Noord-Brabant laat zien welke cultuurhistorische interessante en waardevolle patronen en objecten zich in het plangebied bevinden. Elke tijdsperiode heeft haar weerslag gehad op de vorming van de gebouwde omgeving. Lijnen, punten en vlakken uit het verleden zijn soms nog afleesbaar in het huidige landschap. De CHW-kaart brengt deze cultuurhistorische waardevolle patronen en objecten in beeld.

Met de Cultuurhistorische Waardenkaart wil de provincie Noord-Brabant een ‘handvat’ bieden voor het inpassen van cultuurhistorische waardevolle elementen binnen de ruimtelijke ordening. Het uitgangspunt is niet het bewaren van ‘monumenten’, maar het inpassen van cultuurhistorisch waardevolle elementen in het landschap.

43

Afbeelding 5.9: Cultuurhistorische Waardenkaart Noord-Brabant (ligging plangebied is rood omcirkeld)

Op de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Noord-Brabant is aangegeven dat het plangebied grotendeels binnen de oude stadskern van Klundert (een archeologisch monument) ligt. Binnen deze contouren kunnen resten van bewoning worden aangetroffen. Door verschuiving van bewoning gelden deze contouren niet als harde grens. Klundert is bovendien onderdeel van de Zuiderwaterlinie met oude vestingwerken, schootsvelden en inundatiegebied. Deze elementen dienen behouden te worden. Daarnaast wordt de Oliemolenstraat een hoge geografische waarde toegekend. 5.9.2

Archeologie

Kader Sinds enkele jaren is het opstellen en uitvoeren van archeologisch beleid een gemeentelijke

44

aangelegenheid. De Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro) verlangen namelijk van gemeenten dat zij archeologische waarden volwaardig meewegen in de ruimtelijke planvorming. Voordeel is dat de gemeenten zelf een afweging kunnen maken ten aanzien van de gebieden die onderzoeksplichtig zijn, en welke vrijstellingsregimes gehanteerd worden. Daarbij past een eigen archeologiebeleid, met als basis een archeologische waarden- en verwachtingenkaart en een beleidskaart.

Afbeelding 5.10: uitsnede archeologische waarden- en verwachtingskaart gemeente Moerdijk (ligging plangebied is rood omcirkeld)

45

De Archeologische waarden- en verwachtingskaart geeft een gedetailleerd overzicht van de aanwezige archeologische waarden en de archeologische verwachtingen in de gemeente Moerdijk (zie afbeelding 5.8). Deze kaart biedt bovendien een goede kapstok om de kennis over de rijke geschiedenis van de gemeente bij een breed publiek onder de aandacht te brengen. De kaart vormt de basis voor de beleidsadvieskaart. Deze beleidsadvieskaart geeft een vertaling van de archeologische waarden en verwachtingen naar beleidsmaatregelen. In het voorliggende plangebied geldt een hoge archeologische verwachtingswaarde. Een archeologisch onderzoek is nodig bij een bodemverstoring bij een verstoringsdiepte van 30 m2 en met een minimum oppervlakte van respectievelijk 50 m2 en 30 m2.

Vooronderzoek Voorafgaand aan de sanering van het plangebied is in 2016 een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd om de verwachte archeologische waarden te toetsen en aan te vullen. Dit onderzoek was uitgevoerd in het kader van de (tijdelijke) herinrichting van het terrein als parkeerterrein. De rapportage van dit onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 4 Archeologisch vooronderzoek. Tijdens het proefsleuvenonderzoek zijn archeologische resten aangetroffen. Hierbij gaat het om resten van een oliemolen aan of direct onder het maaiveld en resten van een bastionwal en gracht circa 1 m onder het maaiveld. Deze resten hangen samen met de verdedigingswerken van Klundert uit de 17e eeuw. Deze vindplaatsen zijn aangemerkt als behoudenswaardig. Aanbevolen wordt om bij eventuele toekomstige inrichting van het plangebied rekening te houden met de ligging van resten van de 19e eeuwse oliemolen vanaf het maaiveld. Ten aanzien van de verdedigingswerken wordt aanbevolen om de werken indien mogelijk in hun oorspronkelijke staat terug te brengen. Het originele profiel van de wal van het bastion kan worden terug gebracht.

Indien terugbrengen in de oorspronkelijke staat niet mogelijk is, kunnen de contouren van de wal en de gracht zichtbaar worden gemaakt door middel van begroeiing of bestrating en kan een informatiebord worden geplaats met een reconstructie van de oorspronkelijke situatie uit de 17e eeuw. Indien bodemingrepen onvermijdelijk zijn, dienen de behoudenswaardige vindplaatsen te worden veilig gesteld door middel van een opgraving binnen de diepte en omvang van de ingrepen.

Veldonderzoek In het plangebied was sprake van bodemverontreinigingen. De locatie van de verontreinigingen kwamen voor in hetzelfde plek en diepte als de restanten van de voormalige Oliemolen en restanten van het Bastion. Om op de locatie te kunnen herontwikkelen was het noodzakelijk om de bodem te saneren. Beoogd was het achterterrein op gelijk niveau te houden dan wel op te halen zodat archeologische vindplaatsen behouden kunnen blijven. In overleg met de regio archeoloog en de plaatselijke Heemkundekring is afgesproken dat tijdens de uitvoering van het saneringsonderzoek ruimte is om eventuele archeologische resten in kaart te brengen en/of in veiligheid te stellen. Zie hiervoor het saneringsplan in Bijlage 7.

Evaluatie- en selectieonderzoek Het bevoegd gezag heeft besloten dat de archeologische resten dienen te worden opgegraven, omdat het niet mogelijk bleek de vindplaatsen duurzaam in de ondergrond te behouden. Het veldwerk is uitgevoerd van 12 december 2018 tot en met 12 juli 2019. In het evaluatie- en selectierapport (Bijlage 5) zijn globaal de resultaten van het archeologische onderzoek en overzichten van aangetroffen sporen, vondsten en monsters vermeld. In dat rapport wordt een voorstel gedaan voor verdere uitwerking en analyse van het onderzoek. De sporen betreffen voor het grootste deel bakstenen funderingen, muur-, kelder- en vloerresten van gebouwen die bij de oliemolen horen.Enkele resten van muren en vloeren en een grote kelder stammen mogelijk uit een eerdere fase (bastionfase voorafgaand aan de molen). Deze zijn wel deels afgebroken bij de aanleg van de latere molen. Daarnaast zijn houten palen gedocumenteerd die ook met de funderingen van de molen samenhangen. Enkele kelders worden geïnterpreteerd als water- en

46

beerkelders. De overige sporen betreffen voornamelijk ophogingslagen (waaronder de wal van het halfbastion) die in de periode 17e – 20ste eeuw zijn opgebracht.

Conclusie De saneringslocatie is vrijgegeven van archeologische waarden. Alle behoudenswaardige sporen, vondsten en monsters zijn opgegraven en veilig gesteld. De locaties van de bestaande woning aan Westerstraat 46 en de bestaande inrit van Westerstraat 44 maakten geen onderdeel uit van het archeologisch onderzoek zodat hier mogelijk nog archeologische waarden aanwezig zijn. Voorafgaand aan de werkzaamheden dient eerst uitgesloten te worden dat er geen archeologische waarden verloren gaan. Daartoe is een archeologische dubbelbestemming opgenomen. 5.9.3

Cultuurhistorie

De gemeente Moerdijk heeft zelf een cultuurhistoriekaart samengesteld (zie afbeelding 5.9). De cultuurhistoriekaart brengt het erfgoed van de gemeente Moerdijk in beeld en geeft een overzicht van het bovengronds cultuurhistorisch erfgoed, bouwkundige objecten en landschappelijke gebieden met cultuurhistorische waarde. De waarden zoals benoemd in de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) van de provincie zijn integraal opgenomen in de cultuurhistoriekaart.

47

Afbeelding 5.11: Uitsnede Cultuurhistoriekaart gemeente Moerdijk (ligging plangebied is blauw omcirkeld)

Klundert is in de 16e eeuw aangelegd aan een lange kreek waarlangs een haven werd aangelegd. Nabij de haven kwam een molen te staan. Tijdens de Tachtigjarige Oorlog werd Klundert omgebouwd tot vestingsstad. Het oorspronkelijke karakter van kern in de polder bleef daarbij behouden. Het plangebied ligt binnen de oorspronkelijke oude kern en de vestingwerken. De Oliemolenstraat betreft de oude hoofdroute die tevens onderdeel uitmaakt van de waterkerende dijk of kade. De woning aan Westerstraat 46 heeft geen monumentale status en heeft geen bijzondere karakteristieke waarde. De beoogde ontwikkeling dient geen afbreuk te doen aan het historische stratenpatroon en de vestigingwerken. De invulling van het plangebied dient geen belemmering te vormen voor de beleving van het historische karakter van Klundert. Het stratenpatroon blijft intact. Verder ligt het plangebied ver buiten het gebied waar zicht is op de vestigingswerken. Hierdoor beïnvloedt het plangebied deze zichtrelatie niet.

5.10

Bodem

5.10.1 Kader In het kader van de onderzoeksplicht dient onder andere de bodemgesteldheid in het plangebied in kaart te worden gebracht. Onderzocht moet worden of de bodem verontreinigd is en wat voor gevolgen een eventuele bodemverontreiniging heeft voor de uitvoerbaarheid van het plan. Een nieuwe bestemming mag pas worden opgenomen als is aangetoond dat de bodem geschikt (of geschikt te maken) is voor de nieuwe of aangepaste bestemming. Wanneer (een deel van) de bodem in het plangebied is verontreinigd, moet worden aangetoond dat het bestemmingsplan, rekening houdend met de kosten van sanering, financieel uitvoerbaar is. Bodemonderzoeken mogen niet meer dan 5 jaar oud zijn. Indien er sprake is van bouwactiviteiten is ook in het kader van de omgevingsvergunning onderzoek naar de kwaliteit van de bodem nodig. In de praktijk worden deze onderzoeken vaak gecombineerd. 5.10.2 Onderzoek In het kader van onderhavig plan is in 2018 een actualiserend en verkennend bodemonderzoek uitgevoerd, dit is als Bijlage 6 toegevoegd. Het doel van het actualiserend onderzoek is het beoordelen van de mate en omvang van de olieverontreiniging. De doelstelling van het verkennend onderzoek is het vaststellen van de huidige milieuhygiënische bodemkwaliteit op de Bult, buiten de oliecontour alsmede op het achterliggende terrein.

Daarnaast is een nader asbest-in-grondonderzoek uitgevoerd op de Bult en het achterliggende terrein. Uit dit onderzoek zijn een aantal verontreinigingen naar voren gekomen, waaronder met asbest, puin, zink en/of PCB, waaronder twee gevallen van ernstige bodemverontreiniging. Hiertoe dient bodemsanering plaats te vinden, waarvoor een saneringsplan is opgesteld. Dit is als Bijlage 7 bijgevoegd. Vanwege de bodemveronreiniging kan de sanering uitgevoerd worden na instemming van het bevoegd gezag met het saneringsplan. Het besluit is als Bijlage 8 toegevoegd. De betreffende sanering is inmiddels uitgevoerd en de provincie heeft ingestemd met het saneringsverslag (Bijlage 9).

48

5.10.3 Conclusie De bodem is conform het saneringsplan gesaneerd, waardoor de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik. Hierdoor vormt het aspect bodem geen belemmering meer voor onderhavig plan.

5.11

Ecologie

5.11.1 Kader Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. Deze wet vervangt drie oude wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. Met de Wnb zijn de verantwoordelijkheden voor het beleid voor natuur overgedragen van het Rijk naar provinciale en gedeputeerde staten. Dit beleid is door de provincies vastgelegd in verordeningen. Naast regels over gebiedsbescherming (Natura 2000) en soortenbescherming kunnen vrijstellingen worden verleend van bepaalde verbodsbepalingen in de Wnb. Daarnaast heeft de provincie Noord-Brabant in de Verordening ruimte Noord-Brabant regels opgesteld over het Natuur Netwerk Nederland, wat in deze verordening het Natuurnetwerk Brabant wordt genoemd. Soortenbescherming In de Wnb worden drie beschermingsregimes onderscheiden voor beschermde soorten: 1. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn 2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn 3. Beschermingsregime andere soorten Provinciale staten kunnen vrijstelling verlenen en gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van verbodsbepalingen voor soorten uit de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Gebiedsbescherming De Wnb ziet op de bescherming van Natura 2000-gebieden. Voor deze gebieden zijn instandhoudingsdoelstellingen opgesteld voor één of meerdere soorten en/of habitats.

Als plannen of projecten mogelijk significante gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied, dient een passende beoordeling te worden gemaakt. Indien uit de passende beoordeling zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten, kan het plan worden vastgesteld. 5.11.2 Onderzoek In het kader van het bestemmingsplan is een ecologisch onderzoek uitgevoerd. De belangrijkste resultaten worden hieronder weergegeven, de volledige rapportage is als Bijlage 11 bij de toelichting gevoegd.

Soortenbescherming Vleermuizen In de bestaande woning kunnen mogelijk vleermuizen aanwezig zijn. Bovendien is het mogelijk dat het plangebied een foerageergebied voor bepaalde soorten vormt. Daarom is het noodzakelijk om aanvullend onderzoek te doen naar de aanwezigheid van vleermuizen. Als vleermuizen aanwezig zijn, kan vervolgens hiervoor een ontheffing worden aangevraagd.

Vogels De bestaande woning biedt geschikte nestgelegenheid voor de huismus en gierzwaluw. Van deze soorten zijn de nestplaatsen jaarrond beschermd. Om te bepalen of deze nestplaatsen aanwezig zijn, is

49

nader onderzoek uitgevoerd. Uit dit onderzoek komt naar voren dat geen sprake is van aanwezigheid van beschermde soorten (Bijlage 12). Voor de overige vogels geldt dat als deze aanwezig zijn, de werkzaamheden buiten het broedseizeoen moeten worden uitgevoerd. Het projectgebied vormt geen hoogwaardig foerageergebied voor vogels met jaarrond beschermde nesten en vleermuizen. Voor de te verwachten soorten is in de omgeving van het projectgebied in ruime mate alternatief en deels ook hoogwaardiger foerageergebied aanwezig. Als gevolg van de ontwikkelingen treden geen negatieve effecten op.

Amfibieën en zoogdierensoorten Het plangebied kan een potentieel leefgebied zijn voor de huisspitsmuis, egel en konijn. Als gevolg van het plan kunnen enkele verblijfsplaatsen van deze soorten worden verstoord en vernietigd, en kunnen dieren worden gedood. Deze soorten worden niet bedreigd en vallen onder de vrijstellingsregeling bij ruimtelijke ontwikkelingen van de provincie Noord-Brabant.

Zorgplicht Naast de verbodsbepalingen voor soorten kent de Wet natuurbescherming ook een zorgplicht. Deze is opgenomen in artikel 1.11 houdt in dat een ieder voldoende zorg in acht neemt voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. Dit betekent dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, deze handelingen achterwege laat, of als dit niet kan de noodzakelijke maatregelen treft om de nadelige gevolgen te voorkomen, of als deze gevolgen niet kunnen worden voorkomen ze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. Deze zorgplicht moet in acht worden genomen bij de uitvoering van de werkzaamheden.

Gebiedsbescherming In het kader van gebiedsbescherming is onderzocht of het initiatief invloed heeft op stikstofgevoelige Natura-2000 gebieden. Hiertoe is een Aerius berekening uitgevoerd. Deze berekening is opgenomen in Bijlage 13. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft Hollands Diep, op een afstand van circa 2 km. Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige gebied ligt op grotere afstand. Dit betreft de Biesbosch en ligt op circa 10 km afstand. Voor de ontwikkelingen in het plangebied zijn uitgangspunten voor de aanlegfase en de gebruiksfase bepaald, rekening houdend met een worst-case scenario ten aanzien van stikstofdepositie. Op basis van de uitgangspunten blijkt het projecteffect op de Natura 2000-gebieden ten gevolge van zowel de aanleg- als de gebruiksfase gelijkt te zijn aan 0,00 mol/ha/jaar. Bij een dergelijke projectbijdrage zal het beoogde plan niet voor een significante toename in stikstofdepositie zorgen en kunnen negatieve effecten worden uitgesloten. Een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming is niet noodzakelijk. 5.11.3 Conclusie Vanuit het aspect ecologie zijn geen actuele belemmeringen aanwezig ten aanzien van het project. Wel moet de zorgplicht van de Wnb in acht genomen worden.

5.12

Water

5.12.1 Kader Nationaal Waterplan

50

Het Rijksbeleid op het gebied van water is vastgelegd in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. De waterplannen geven het landelijke, respectievelijk regionale (strategische) waterbeleid weer. Voor het rijk is dit vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP). Het NWP geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid. Het Nationaal Waterplan 2016-2021 is de opvolger van het Nationaal Waterplan 2009-2015 en vervangt dit plan én de partiële herzieningen hiervan. Het NWP is op 10 december 2015 door de minister van Infrastructuur en Milieu en de staatssecretaris van Economische Zaken vastgesteld. Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten tevens een structuurvisie. Het NWP is zelfbindend voor het Rijk. Het Rijk is in Nederland verantwoordelijk voor het hoofd- watersysteem. In het Nationaal Waterplan legt het Rijk onder meer de strategische doelen voor het waterbeheer vast. Het kabinet speelt proactief in op de verwachte klimaatveranderingen op lange termijn, om overstromingen te voorkomen. Binnen de planperiode gaan realistische maatregelen in uitvoering die een antwoord bieden op de opgaven voor de korte termijn en voldoende mogelijkheden openlaten om op langere termijn verdere stappen te zetten. Het kabinet sluit daarmee aan bij de resultaten van het Deltaprogramma.

Met deze handelwijze is Nederland koploper en toonaangevend voorbeeld in de wereld. Met dit Nationaal Waterplan voldoet Nederland aan de Europese eisen die voortvloeien uit de Kaderrichtlijn Water (KRW), de Richtlijn Overstromingrisico`s (ROR) en de Kaderrichtlijn Mariene Strategie. Vanuit de verantwoordelijkheid voor het watersysteem verankert het Rijk de volgende principes: Integraal waterbeheer. Het kabinet houdt vast aan een integrale aanpak van de wateropgaven, door opgaven op het gebied van waterkwantiteit (waterveiligheid en wateroverlast), waterkwaliteit en gebruik van (zoet)water in natte en droge situaties in samenhang te beschouwen. Afwenteling voorkomen. Het kabinet wil voorkomen dat waterkwantiteitsen waterkwaliteitsproblemen worden afgewenteld in de ruimte en de tijd, zoals het afwentelen van bovenstrooms veroorzaakte waterkwaliteitsproblemen op benedenstrooms gelegen wateren. Om afwenteling te voorkomen, maken beheerders onderling afspraken over acceptabele hoeveelheden en de kwaliteit van het te ontvangen water. Om afwenteling te voorkomen gelden ook de tritsen vasthouden-bergen-afvoeren en schoonhouden-scheiden-schoonmaken. Nationaal Bestuursakkoord Water In het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) is het kabinetsstandpunt over het waterbeleid in de 21e eeuw vastgelegd.

De hoofddoelstellingen zijn: het waarborgen van het veiligheidsniveau bij overstromingen en het verminderen van wateroverlast. Daarbij wordt de voorkeur gegeven aan ruimtelijke maatregelen boven technische maatregelen. In het NBW is ook de watertoets als procesinstrument opgenomen. De watertoets is het proces van vroegtijdig informeren, adviseren en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van dit instrument is waarborgen dat de waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet in beschouwing worden genomen als het gaat om waterhuishoudkundig relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Uitvoering van de watertoets betekent in feite dat de gemeente en de waterbeheerder samenwerken bij het uitwerken van ruimtelijke plannen, zodat problemen in het gebied zelf en de omgeving worden voorkomen. De watertoets is sinds 2003 verankerd in de wet- en regelgeving en is hiermee verplicht voor alle ruimtelijke plannen en besluiten. In 2008 is het NBW geactualiseerd met als doel de watersystemen in 2015 op orde te krijgen, vooral op het gebied van wateroverlast en watertekort.

Kaderrichtlijn water Op 22 december 2000 is de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) van kracht geworden. De KRW geeft een kader voor de bescherming van de ecologische en chemische kwaliteit van oppervlaktewater en grondwater.

51

Waterbeheer 21e eeuw In september 2000 heeft de commissie Waterbeheer 21e eeuw (WB21) advies uitgebracht over het toekomstig waterbeheer in Nederland. Belangrijk onderdeel van WB21 is het uitgangspunt van ruimte voor water. Er mag geen afwenteling plaatshebben; berging moet binnen het stroomgebied plaatshebben. Dit betekent onder andere het aanwijzen en instandhouden van waterbergingsgebieden. Daarnaast wordt verdroging bestreden en worden watertekorten verminderd.

Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016-2021 Op 18 december 2015 is het Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016 - 2021 (PMWP) vastgesteld. Het PMWP staat voor samenwerken aan Brabant waar iedereen prettig woont, werkt en leeft in een veilige en gezonde leefomgeving. De zorg voor een duurzaam schone en veilige fysieke leefomgeving staat centraal het Provinciaal Milieuen Waterplan (PMWP). De Agenda van Brabant plaatst provinciaal beleid in dienst van gezondheid, biodiversiteit, sociale ontwikkeling en een innovatieve, duurzame economie. Het Provinciaal Milieuplan 2012-2015 en het Provinciaal Waterplan 2010-2015 gaven hieraan de afgelopen jaren invulling. Het Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016-2021 integreert de milieu- en de wateropgave. Het zet de nieuwe koers uit voor de provinciale inzet met betrekking tot water, bodem, lucht en de overige milieuaspecten. Om met de diverse belangen en milieuaspecten te kunnen omgaan, hanteert de provincie in het waterplan de principes van de people-planet-profit-benadering. Vanuit de sociaal-maatschappelijke invalshoek (people) krijgen veiligheid tegen overstroming, bescherming tegen wateroverlast, een betrouwbare drinkwatervoorziening en goede recreatievoorzieningen aandacht. Vanuit de economische invalshoek(profit) heeft het plan aandacht voor onder meer een goede watervoorziening voor industrie en landbouw en voor het transport over water.

Bij de derde invalshoek (planet) wordt uitgegaan van water als voorwaarde voor een gezonde leefomgeving voor mens en natuur. Belangrijke thema's hierbij zijn de verbetering van de waterkwaliteit, de verdrogingsbestrijding en de meer natuurlijke inrichting van de provinciale watersystemen.

Beleid Waterschap Brabantse Delta Het waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente. Het waterschap richt zich op een goede uitvoering van de wettelijke taken rondom waterveiligheid, waterkwaliteit en watersysteembeheer. Daarbij houden zij rekening met de toekomstbestendigheid van het watersysteem (met oog voor klimaatadaptatie, innovaties, ruimtelijke ontwikkelingen, toekomstig medegebruik en het tegengaan van verdroging). Het waterschap heeft de grondslag van haar beleid opgenomen in het waterbeheersplan 2016-2021 'Grenzeloos verbindend'. Daarnaast heeft het waterschap waar nodig nog toegespitst beleid en beleidsregels op de verschillende thema's/speerpunten uit het waterbeheersplan en heeft het waterschap een eigen verordening; De Keur en de legger. De Keur bevat gebods-en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. De legger geeft aan waar de waterstaatswerken liggen, aan welke afmetingen en eisen die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd. De Keur is onder andere te raadplegen via de site van waterschap Brabantse Delta.

Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de 'natuurlijke' waterhuishoudkundige situatie. Vanwege dit principe wordt bij uitbreiding van verhard oppervlak voor de omgang met hemelwater uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen, afvoeren. De technische eisen en uitgangspunten voor het ontwerp van watersystemen zijn opgenomen in de 'beleidsregel Afvoer hemelwater door toename en afkoppelen van verhard oppervlak, en de hydrologische uitgangspunten bij de keurregels voor afvoeren van hemelwater'.

52

Doelstelling Meerlaagsveiligheid Waterschap Brabantse Delta Het waterschap is continu betrokken bij ruimtelijke ontwikkelingen in hun beheergebied. Meerlaagsveiligheid is voor het waterschap steeds meer een manier om continu te werken aan: het reduceren van overstromingsrisico's (kansen en gevolgen) het verminderen van kwetsbaarheid het leefbaarder maken van de (bedreigde) omgeving De bedoeling is om bescherming tegen overstromingen en omgaan met overstromingsrisico expliciet bespreekbaar te maken in de ruimtelijke ontwikkeling. Impliciet worden nu risico's geaccepteerd: men denkt dat het veilig is, maar het risico is nooit nul. Door middel van een aanvulling in het toetsen van plannen willen we nu proberen om (de acceptatie van) deze risico's expliciet te maken.

Beleid gemeente Moerdijk Het waterbeleid van de gemeente maakt onderdeel uit van de paraplunota Leefomgeving, zie hiervoor paragraaf 4.3. 5.12.2 Onderzoek Het plan is getoetst aan verschillende waterthema's. Toetsing aan deze thema's levert de watertoets op. 5.12.3 Bestaande situatie Situering plangebied Het voorliggende plangebied is in de bestaande situatie een braakliggend terrein, een woning met tuin en een inrit en parkeerplaats. Aan de zuidoostzijde wordt het plangebied begrensd door de Oliemolenstraat en in het noordoosten door de Westerstraat.

Waterhuishoudkundige situatie Het waterkwantiteits- en kwaliteitsbeheer wordt ter plaatse van het plangebied gevoerd door Waterschap Brabantse Delta. Het plan ligt binnen het Peilbesluit Moerdijk en betreft het peilgebied Klundert (Vesting). met een zomerpeil van 1,15 m - NAP en een winterpeil van 1,15 m - NAP. In het plangebied zijn geen watergangen gelegen die in beheer zijn bij het Waterschap Brabantse Delta.

53

Afbeelding 5.12: watergangen rondom het plangebied (paars: waterkering / blauw: A-watergangen)

Riolering In het onbebouwde deel van het plangebied is op dit moment geen riolering aanwezig. De omliggende wegen en de bebouwing aan Westerstraat 46 zijn wel voorzien van riolering.

Bodemopbouw In het bodemonderzoek, opgesteld door V&S Milieu adviseurs b.v., is de regionale bodemopbouw tot 40 meter onder maaiveld in beeld gebracht. Dit is samengevat in onderstaande tabel.

Hoogte maaiveld De Oliemolenstraat, aan de zuidzijde van de planlocatie, ligt op circa 2,5 m +NAP. Het achterliggende terrein, aan de noordzijde van de planlocatie bevindt zich op circa 0,0 m +NAP. Het terrein loopt dus af vanaf de Oliemolenstraat richting de Steinstraat.

Grondwatersysteem De grondwaterstromingsrichting van het diepere grondwater is zuidelijk gericht. De grondwaterstroming

54

van het ondiepe freatische grondwater wordt sterk beïnvloed door omgevingsfactoren zoals de ligging van sloten en dergelijke. De locatie is niet gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied. 5.12.4 Uitgangspunten toekomstige situatie plangebied Waterbeheer Bij de voorbereiding van bestemmingsplannen wordt gestreefd naar een duurzame en integrale benadering van de totale waterhuishouding binnen een plangebied en een milieutechnische verantwoorde keuze van het rioleringsstelsel. De meest duurzame waterhuishoudkundige situatie in het stedelijke watersysteem is een situatie waarbij: Het oppervlaktewater door het stedelijke gebied kwalitatief noch kwantitatief wordt beïnvloed. Het grondwater door het stedelijke gebied kwalitatief noch kwantitatief wordt beïnvloed. Het benodigde ruimtebeslag voor een goed functionerende oppervlaktewatersysteem wordt gerespecteerd. Tegenwoordig geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd bij een toename van het verhard oppervlak en het gescheiden afvoeren van het hemelwater. Het doel van dit uitgangspunt is om te voorkomen dat hemelwater als gevolg van uitbreiding van het verhard oppervlak versneld op het watersysteem wordt geloosd. De waterbeheerder Waterschap Brabantse Delta heeft diverse uitgangspunten opgesteld voor het omgaan met de afvoer van hemelwater bij ruimtelijke ontwikkelingen.

De algemene voorkeur van de waterbeheerder om met water om te gaan, is de voorkeursvolgorde 'vasthouden', 'bergen' en 'afvoeren'. Vasthouden wil zeggen, zoveel mogelijk water binnen het gebied houden door zoveel mogelijk onverhard oppervlak te hebben of door bijvoorbeeld platte daken te gebruiken. Bergen wil zeggen, water tijdelijk op het terrein houden, bijvoorbeeld door infiltratie in de bodem of oppervlaktewater. Afvoeren is de laatste optie; dit kan naar oppervlaktewater of (hemelwater)riolering.

Waterberging Met het oog op de voorliggende ontwikkeling is beoordeeld hoeveel het verhard afvoerende oppervlak zal toenemen. Het braakliggende terrein heeft een oppervlakte van 5.366 m2 en is nu deels bedekt met betonplaten. Uitgaande van circa 80% verhard oppervlak zal in de toekomstige situatie circa 4.300 m2 verhard oppervlak aanwezig zijn. Dit betekent dat er niet hoeft te worden voorzien in retentie, omdat dit volgens de beleidsregels van het waterschap vanaf 10.000 m2 moet. Ook is er geen compensatie nodig. In de omgeving van het plangebied is bekend dat er waterproblemen zijn bij zware regenval. Het bouwplan wat naar aanleiding van dit bestemmingsplan wordt opgesteld dient hydrologisch neutraal te zijn en zal daarom geen verdere druk op de omgeving vormen. Hiernaast zal ten tijden van de prijsvraag gekeken worden of het bouwplan ook bij kan dragen aan het verminderen van de wateroverlast in de omgeving door innovatieve maatregelen toe te passen.

Gescheiden afvoer schoon- en vuilwater In het plangebied zal worden aangesloten op bestaande riolering. Daarnaast wordt een gescheiden rioolstelsel toegepast. Dit betekent dat het schone hemelwater, dat valt op daken en (niet vervuilde) terreinverhardingen, zoveel als mogelijk lokaal apart dient te worden ingezameld en dat alleen het vervuilde huishoudelijke afvalwater via het riool wordt afgevoerd naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie.

Afwatering Het toekomstige bouwpeil van de woningen is nog niet bekend. Dit wordt bepaald ten tijde van de omgevingsvergunningsprocedure. Bij het bepalen van het peil is het uitgangspunt dat de afwatering niet tot wateroverlast leidt bij de aangrenzende percelen.

55

Duurzaam waterbeheer Het gebruik van uitloogbare materialen (lood, koper, zink) is niet toegestaan, om de waterkwaliteit te bewaken. Voor de nieuwbouw van woningen gaan het waterschap en de gemeente daarnaast uit van een gescheiden rioleringsstelsel. 5.12.5 Conclusie Indien aan de uitgangspunten ten aanzien van water wordt voldaan is het plan voor dit aspect uitvoerbaar.

56

Hoofdstuk 6 6.1

M aatschappelijke uitvoerbaarheid

Draagvlak

Met dit bestemmingsplan wordt voorzien in de bouw van woningen. De ontwikkeling wordt passend geacht binnen de actuele beleidskaders van het rijk, de provincie en gemeente. Daarnaast is er reeds vanaf het allereerste begin van het project contact gelegd met de omwonenden en is hen gevraagd naar wat zij belangrijke aandachtspunten vonden bij deze ontwikkeling. Deze aandachtspunten zijn verwerkt in de regels en verbeelding van dit bestemmingsplan.

6.2

Voorbereidingsfase

Overleg Conform artikel 3.1.1. van het Bro hebben burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van het bestemmingsplan overleg gepleegd met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met de Rijks- en provinciale diensten die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. De vooroverlegreacties zijn opgenomen in Bijlage 14 Nota inspraak en vooroverleg.

Participatie Op 12 maart 2018 heeft de eerste plenaire bijeenkomst plaatsgevonden om omwonenden en geïnteresseerde in te lichten over de stappen die de gemeente gaat nemen ten behoeve van de ontwikkeling van Bolwerk. Er is een toelichting gegeven op de sanering, het opheffen van de parkeerplaatsen op de locatie en het hieraan gekoppeld parkeeronderzoek en men is meegenomen bij de ideeën omtrent de ontwerpprijsvraag. Op 30 augustus 2018 heeft er een tweede bijeenkomst plaatsgevonden voor omwonenden en andere geïnteresseerden. Tijdens deze bijeenkomst heeft er een verdieping plaatsgevonden op de saneringsopgave. Tevens is er uitvoerig stil gestaan bij de bestemmingsplanprocedure die opgestart zou gaan worden na afronding van de sanering én is met de aanwezigen een lijst van stedenbouwkundige uitgangspunten opgesteld. Gedurende de sanering zijn er kleinere bijeenkomsten georganiseerd over specifieke onderwerpen, zoals archeologie. Alle georganiseerde momenten zijn goed bezocht. Het algehele beeld is dat de omgeving positief is over de sanering van de locatie na al die jaren. Beseft wordt dat de sanering uitsluitend heeft plaatsgevonden vanwege de doorkijk naar woningbouw. Tevens is er in Klundert behoefte aan nieuwbouw nabij het centrumgebied. Op basis hiervan wordt verwacht dat er maatschappelijk draagvlak is voor de ontwikkeling.

Voordat het bestemmingsplan in procedure wordt gebracht, zal er een bijeenkomst georganiseerd worden om omwonenden en andere geïnteresseerden hierover een toelichting te geven.

Inspraak Het voorontwerpbestemmingsplan is, conform de gemeentelijke inspraakverordening, voorafgaand aan de formele bestemmingsplanprocedure voor inspraak vrijgegeven. Gedurende de inspraaktermijn werd een ieder in de mogelijkheid gesteld schriftelijk en/of mondeling te reageren op het bestemmingsplan. Hierop is een reactie en een steunbetuiging op deze reactie ontvangen. De inspraakreactie is terug te vinden in Bijlage 14 Nota inspraak en vooroverleg.

57

Procedure De aanpassingen die volgen uit de inspraak- en overlegreacties en enkele ambtelijke wijzigingen zijn verwerkt in het ontwerpbestemmingsplan. Conform de Wet ruimtelijke ordening ligt vervolgens het ontwerpbestemmingsplan gedurende zes weken voor een ieder ter inzage. Ingediende zienswijzen op het ontwerp worden door de gemeente beoordeeld en zo nodig meegenomen in het door het de gemeenteraad definitief vast te stellen bestemmingsplan.

58

Hoofdstuk 7 7.1

Economische uitvoerbaarheid

Exploitatieverplichting

Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in de plantoelichting van een bestemmingsplan minimaal inzicht te worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid van het plan. De gemeente is eigenaar van de gronden. De gemeente gaat een projectexploitatie opstellen op basis van de taxatie van de grond nadat de sanering is afgerond. Verder voert de gemeente een planschaderisicoanalyse uit en brengt het de overige kosten die gepaard gaan met het bestemmingsplan in beeld. De planschaderisicoanalyse wordt uitgevoerd tijdens het voorontwerp bestemmingsplan om mogelijke risico’s in beeld te brengen. Na het gunnen van de ontwikkeling aan een marktpartij zal een overeenkomst worden gesloten. In de overeenkomst zal worden opgenomen dat de financiële risico’s voor de ontwikkeling bij de ontwikkelaar zullen komen te liggen. Om deze reden wordt het plan als financieel uitvoerbaar geacht.

7.2

Conclusie

Gezien het voorgaande wordt het plan financieel uitvoerbaar geacht.

59

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Moerdijk&id=f04f8412-46f7-4a8d-b5d1-08dd763b05f1