Beantwoording Technische Vragen Moerdijk Lokaal - Begroting 2024 - Algemeen - OZB
Tekst van het document
Formulier indienen technische vragen gemeenteraad Begroting 2024 Ingediend door:
Moerdijk Lokaal
Datum:
Betreft:
☐ ☐ ☐ ☐ V
Blz. nr. Blz. nr. Blz. nr. Blz. nr. Blz. nr.
Beleidsbegroting Aanbiedingsnota Raadsvoorstel Productenraming Algemeen
23-102023
Vraag: In de kadernota eerder dit jaar zijn we als gemeenteraad al akkoord gegaan met de indexatie van 9,6% op de OZB. Dat is ons toen niet opgevallen. In de voorliggende begroting valt het ons wel op. We hanteren als gemeenteraad al jaren slechts de indexatie van de OZB. Zo ook dit jaar. Toch hebben wij hier een technische vraag over. •
Uitgelegd wordt in de kadernota hoe er gekomen is tot een percentage van 9,6%. Voor ons een onduidelijk verhaal. Kunt u dit nogmaals uitleggen in duidelijke taal en met duidelijke referenties. o Waarom moet er nog een bijtelling gebeuren van het jaar 2021? o Waarom moet er nog een bijtelling gebeuren van het jaar 2022? o Mogen we dan nog steeds spreken van indexatie van de tarieven? Of is dit een belastingverhoging? o De huizenprijzen zijn in 2023 volgens het CPB gedaald. Toch stijgen de kosten aan de OZB door o.a. inflatie. Kunt u uitleggen welk deel van de 9,6% niet te wijden is aan de inflatie van 2023? o Hoe legt u dit uit aan de inwoner?
Antwoord: In de kadernota die jaarlijks wordt opgesteld en door de gemeenteraad vastgesteld wordt als één van de uitgangspunten altijd opgenomen de aan te houden tariefontwikkeling van de gemeentelijke heffingen waaronder de OZB. De tariefontwikkeling wordt hierbij gebaseerd op de verwachte inflatie voor het komende begrotingsjaar. Inflatiecijfers kunnen alleen achteraf worden bepaald. Daarom wordt de tariefontwikkeling voor het komende jaar gebaseerd op een prognose van het Centraal Plan Bureau (CPB). Het CPB publiceert deze prognose in maart van het lopende jaar in het Centraal Economisch Plan (CEP) Tegelijkertijd geeft men dan een bijstelling van de prognoses die een jaar eerder zijn gedaan. Zo ontstaat een meerjarig beeld van het inflatiecijfer (= het prijsindexcijfer van de gezinsconsumptie). In de kadernota 2024 is op blz. 42 een tabel opgenomen met dit meerjarige beeld over de laatste drie jaren. Omdat het steeds om een prognose gaat is het logisch dat een jaar later op basis van dan actuele informatie een bijstelling van de cijfers nodig is. Tot en met begrotingsjaar 2021 werd in de kadernota steeds 1 jaar teruggekeken om de prognose van een jaar geleden bij te stellen. Vanaf de kadernota 2022 is dit uitgebreid met een bijstelling van nog een eerder jaar, omdat bleek dat in dat jaar ook nog een wezenlijke bijstelling had plaatsgevonden.
Omdat dit een neerwaartse bijstelling was is toen hiervoor gekozen.
Dus in de kadernota 2022 werd niet alleen teruggekeken naar begrotingsjaar 2021 maar ook naar 2020. In de kadernota's van 2023 en 2024 is deze werkwijze voortgezet. Nog verder terugkijken heeft geen toegevoegde waarde omdat dan sprake is van een definitief inflatiecijfer dat niet meer zal wijzigen. In de kadernota 2024 is dit jaar ter informatie wel opgenomen in de tabel (het jaar 2021), maar hieruit blijkt ook dat er voor dat jaar geen bijstelling meer nodig is. In het CEP 2022 en het CEP 2023 is de uitkomst gelijk, namelijk 2,8. Hieronder een overzicht van de berekening van het gecombineerde inflatiecijfer in de laatste drie kadernota's: Kadernota 2022: Publicatie 2020 CEP 2020 CEP 2021
1,6 1,1 -0,5
Kadernota 2023: Publicatie 2020 CEP 2020 CEP 2021 CEP 2022
1,6 1,1 1,1 0,0
Kadernota 2024: Publicatie 2021 CEP 2021 CEP 2022 CEP 2023
1,9 2,8 2,8 0,0
2021 1,6 1,9 0,3
2021 1,6 1,9 2,8 0,9
2022 1,4 5,9 11,6 5,7
2022 0 1,4 1,4
2022 0,0 1,4 5,9 4,5
2023 0,0 2,2 2,9 0,7
totaal
1,2
2023 0,0 2,2 2,2
2024 0,0 3,2 3,2
totaal
7,6
totaal
9,6
De huidige werkwijze is dus dat er in de kadernota 2 jaar wordt teruggekeken en 1 jaar vooruit gekeken. Zoals hiervoor al aangegeven is in de tabel van 2023 en 2024 nog een eerder jaar ter informatie ook opgenomen, maar dit heeft geen bijsteleffect meer. In de kadernota 2023 is dit het jaar 2020, het definitieve inflatiecijfer was toen 1,1. In de kadernota 2024 komt dit voor 2021 uit op 2,8. Voor 2022 is dit uitgekomen op totaal 11,6, en zal er in de kadernota 2025 voor dat jaar geen bijstelling meer nodig zijn. Waarom we steeds 2 jaar terugkijken heeft de volgende reden. De kadernota 2024 is in concept opgesteld in april 2023; het jaar 2023 is dan nog niet voorbij. Dit betekent dat op dat moment het inflatiecijfer uit het CEP 2023 voor 2023 nog steeds een prognose is, zoals dat voor 2024 uiteraard. Als in het voorjaar van 2024 de kadernota 2025 opgesteld gaat worden, zullen de prognoses voor 2023 en 2024 van een jaar geleden nog bijgesteld worden en zal een prognose voor 2025 worden toegevoegd. Het effect van deze werkwijze is in de kadernota’s van 2023 en 2024 opvallend hoog, omdat de inflatie in het kalenderjaar 2022 extreem hoog was, o.a. vanwege de sterk gestegen energieprijzen. De verwachting is dat dit effect volgend jaar aanzienlijk lager zal uitkomen.
Huizenprijzen in relatie tot de OZB-heffing: In de kadernota 2024 (blz.42) is opgenomen dat de tariefontwikkeling voor de OZB voor 2024 is bepaald op 9,6%. Dit is volledig gebaseerd op de (verwachte) inflatie in de jaren 2022, 2023 en 2024, zoals hiervoor uitgebreid is toegelicht.
De grondslag voor de heffing van de OZB is de waarde van woningen en niet-woningen. Deze waarden wijzigingen op basis van marktontwikkelingen e.d. Daarom wordt de heffing steeds gebaseerd op de waarden per 1 januari van een bepaald jaar, dus elk jaar worden de waarden herzien of opnieuw vastgesteld. Voor de OZB-aanslagen over het jaar 2024 is de waardepeildatum 1 januari 2023, voor de aanslagen 2023 was dit 1 januari 2022 enz. De aanslagen 2024 baseren op een actuelere peildatum (bijv.1 januari 2024) is qua planning niet haalbaar, omdat de waarden van alle woningen en niet-woningen opnieuw moeten worden vastgesteld en dat lukt niet in een paar maanden. Dit betekent dat de waarde-ontwikkeling die zich in 2022 heeft voorgedaan van invloed zal zijn op de aanslag OZB voor 2024. Uitgangspunt is echter dat het gemiddelde totaalbedrag van alle aanslagen niet meer mag stijgen dan de in de kadernota afgesproken 9,6 procent. De gemiddelde waardestijging in 2022 voor woningen en niet-woningen is op dit moment nog niet bekend. Dit zal straks in het raadsvoorstel Belastingverordeningen 2024, dat in de vergadering van 14 december 2023 zal worden behandeld, zijn opgenomen en toegelicht. Als bijvoorbeeld blijkt dat de gemiddelde waarde van een woning in 2022 met 5% is gestegen, dan zal dit gecorrigeerd worden op het percentage van 9,6 dat in de kadernota is afgesproken.
Het tarief voor woningen zal dan niet met 9,6% maar met 4,6% worden verhoogd (hierbij wordt wel rekening gehouden met waardevermindering als gevolg van bezwaarschriften en met de post oninbaar). Is er juist sprake van een gemiddelde daling van bijvoorbeeld 5% dan zal het tarief met 9,6 + 5 = 14,6% worden verhoogd. Overigens kan dit wel betekenen dat een individuele aanslag met een ander percentage kan wijzigen, afhankelijk van de waarde-ontwikkeling van de specifieke woning waar deze aanslag betrekking op heeft. Voor niet-woningen wordt dezelfde werkwijze gehanteerd. Uitleg aan inwoners Rond de tijd dat jaarlijks de aanslagen gemeentelijke heffingen worden verstuurd wordt dit door de BWB (deze GR voert de belastingheffingen uit voor de gemeente) bekendgemaakt in de regionale gratis nieuwsbladen. Daarnaast is op de website van de BWB diverse informatie opgenomen en is een telefoonnummer vermeld waar de inwoners terecht kunnen met specifieke vragen. Over de hoogte van de tarieven geeft men echter geen inlichtingen omdat dit een aangelegenheid van de gemeenten is. Tot en met 2022 was de jaarlijkse inflatiecorrectie op de tarieven beperkt, maar vanaf 2023 is dit fors toegenomen en kan dit daardoor meer vragen oproepen bij de inwoners. Het gaat ook niet om de tariefsverhoging op zich maar ook om de waardeontwikkeling van de woningen en niet-woningen.
Ons lijkt het daarom zinvol om hierover in 2024 extra informatie op te nemen op de gemeentelijke voorlichtingspagina in de Moerdijkse bode. Het is wel algemeen bekend dat de inflatie in de afgelopen twee jaar fors is toegenomen, maar het effect hiervan op de gemeentelijke heffingen verdient wel nadere toelichting. Deze informatie zal eind februaribegin maart 2024 worden geplaatst. Met vriendelijke groet, de gemeentesecretaris,
ir. J.C. Slagboom