CConstaterende datMoerdijk
Koppel je AI →
Document · PDF

Beantwoording technische vragen ML - Meerjarenbegroting 2026-2029

Raadsvergadering 6 november 2025, gemeente MoerdijkBij agendapunt: Meerjarenbegroting 2026-20292.555 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Technische vragen Moerdijk Lokaal De heer J. Lems Kenmerk Vergadering Datum

01245 TV 6 november 2025 28 oktober 2025

Onderwerp

Meerjarenbegroting 2026-2029

Geachte heer Lems, Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Moerdijk biedt u hierbij de beantwoording van de volgende technische vragen aan. Structureel evenwicht 1. Welke concrete maatregelen stelt het college voor om het structurele tekort vanaf 2027 op te lossen? Antwoord: In hoofdstuk 6 van de aanbiedingsnota wordt inzicht gegeven in de mogelijkheden die worden gezien ter verdere verbetering van de structurele begrotingsruimte. Hierbij is aangesloten bij de acties die in de kadernota 2026-2029 zijn geformuleerd. Bij de beantwoording van vraag 8 en 9 gaan we nader in op dit onderwerp. 2. Worden scenario’s uitgewerkt waarin Rijksmiddelen of incidentele inkomsten wegvallen? Antwoord: Op dit moment worden hier geen scenario’s voor uitgewerkt. Dat neemt niet weg dat we de (landelijke) ontwikkelingen ten aanzien van de rijksmiddelen met veel aandacht volgen. Tegelijkertijd geldt dat we als gemeente gebonden zijn aan richtlijnen vanuit de provincie voor de wijze waarop we de verwachte rijksmiddelen in onze begroting ramen. De kadernota 2027-2030 is het eerstvolgende moment waarop we de financiële positie van de gemeente actualiseren. Afhankelijk van de onzekerheden die er dan m.b.t de rijksmiddelen zijn, zal daarbij indien nodig gewerkt worden met scenario’s. Dit in lijn met de werkwijze zoals die afgelopen jaar in de kadernota 2026-2029 is gehanteerd.

Ten tijde van de kadernota 2026-2029 was nog niet bekend hoe het uiteindelijke begrotingsresultaat eruit zou komen te zien. Onder andere de uitkomsten van de Meicirculaire 2025 moesten toen nog worden afgewacht, waarbij onzeker was in hoeverre het Rijk aanvullende middelen zou toekennen. Hiervoor zijn toen diverse scenario’s geschetst.

Reserves en weerstandsvermogen 3. Waarom is ervoor gekozen om € 8,2 miljoen aan bestemmingsreserves vrij te maken en toe te voegen aan de algemene reserve? Antwoord: Dit komt voort uit de in de kadernota 2026-2029 geformuleerde actiepunten. Tijdens het opstellen van de begroting is voor diverse reserves de nut en noodzaak tegen het licht gehouden. In paragraaf 6.3.1 van de aanbiedingsnota is toegelicht waarom het voor de reserve onderwijshuisvesting en reserve nieuwkomers niet nodig wordt geacht om deze middelen in een afzonderlijke bestemmingsreserve aan te houden. Vanuit dat oogpunt wordt voorgesteld wordt om in totaal € 8,2 miljoen vanuit deze reserves over te hevelen naar de algemene reserve. Hierbij geldt dat de omvang van de totale reservepositie van de gemeente hierdoor niet wijzigt. De middelen worden alleen overgeheveld naar de algemene reserve, zodat deze middelen niet onnodig worden afgezonderd in een bestemmingsreserve. In paragraaf 6.3.2 van de aanbiedingsnota zijn 2 opties geschetst hoe deze middelen op termijn door de gemeenteraad ingezet kunnen worden ter verbetering van het structurele begrotingsresultaat. 4. Hoe wordt geborgd dat toekomstige verplichtingen, zoals onderwijshuisvesting en integratie, hierdoor niet in het gedrang komen? Antwoord: In het algemeen wordt dit geborgd doordat we jaarlijks (o.a.

in de kadernota en begroting) voor alle budgetten een zo realistisch mogelijke inschatting maken van de toekomstige verplichtingen en opbrengsten die we de komende jaren verwachten. Vanuit daar werken we jaarlijks samen met de gemeenteraad toe naar een structureel sluitende begroting, waarin we voldoende middelen hebben om aan onze verplichtingen te kunnen voldoen en waarbij de gemeenteraad in staat wordt gesteld tot een integrale afweging te komen. In paragraaf 6.3 van de aanbiedingsnota is meer specifiek toegelicht hoe dit zich verhoudt tot het voorstel om middelen vanuit de reserve nieuwkomers en onderwijshuisvesting over te hevelen naar de algemene reserve. - In de begroting 2026-2029 wordt uitgegaan van voortzetting van de Oekraïne-opvang, gefinancierd door het Rijk. Het Rijk heeft toegezegd dat gemeenten de werkelijke opvangkosten vergoed krijgen. Mocht deze financiering stoppen, dan worden de blijvende gemeentelijke kosten (zoals huur en personeel) in kaart gebracht. Binnen het weerstandsvermogen is hier ook een bedrag voor opgenomen van € 600.000 (zie paragraaf weerstandsvermogen en risicobeheersing). - Voor onderwijshuisvesting geldt dat kapitaallasten van toekomstige investeringen in onderwijshuisvesting worden meegenomen bij het bepalen van de begrotingsruimte. Nieuwe investeringen worden via de kadernota zichtbaar gemaakt en opgenomen in de stelpost nieuw beleid.

Deze uniforme aanpak wordt ook toegepast bij andere investeringen en bij het opstellen van het integraal huisvestingsplan (zie ook de toelichting hierover in hoofdstuk 2 van de aanbiedingsnota).

5. Wat is de verwachte ontwikkeling van het weerstandsvermogen in 2028–2029, wanneer deze middelen zijn opgebruikt? Antwoord: De ontwikkeling van het weerstandsvermogen over 3 á 4 jaar is lastig te voorspellen, doordat diverse factoren hier nog invloed op kunnen gaan hebben. Hierbij moet onderscheid worden gemaakt tussen het beschikbare weerstandsvermogen en het benodigde weerstandsvermogen. - Het beschikbare weerstandsvermogen komt overeen met de verwachte stand van de algemene reserve per 1-1-2026 van € 35,6 miljoen. Doordat wordt voorgesteld om in totaal € 8,2 miljoen over te hevelen naar de algemene reserve, neemt het beschikbare weerstandsvermogen (algemene reserve) met hetzelfde bedrag toe. Als deze middelen worden opgebruikt, komt het beschikbare weerstandsvermogen weer uit op het niveau van vóór de overheveling. De toekomstige ontwikkeling van het beschikbare weerstandsvermogen is afhankelijk van de keuzes die de gemeenteraad maakt over de inzet van de algemene reserve. De inzet van de gemeentelijke reserves is immers een raadsbevoegdheid. Daarnaast geldt dat jaarlijks bij de bestemming van het jaarrekeningresultaat aan de gemeenteraad wordt voorgesteld om eventuele overschotten/tekorten toe te voegen/te dekken uit de algemene reserve.

- Het benodigde weerstandsvermogen wordt berekend op basis van de geïnventariseerde risico’s met daarbij het ingeschatte maximum schadebedrag en de inschatting van de kans dat het risico zich zal voordoen. Samen bepalen deze factoren de benodigde omvang van het weerstandsvermogen. De risico’s worden periodiek (in de begroting en jaarrekening) geïnventariseerd. De meest recente inventarisatie vond plaats bij de jaarrekening 2024. Voor de begroting 2026 zijn de belangrijkste risico’s opnieuw beoordeeld en toegelicht. De meerjarige ontwikkeling hiervan hangt af van wereldwijde, landelijke en gemeentelijke ontwikkelingen, wat het lastig maakt om de meerjarige ontwikkeling te voorspellen. Afhankelijkheid van Rijksmiddelen 6. Welke programma’s (sociaal domein, energie, klimaat) zijn in 2028–2029 nog afhankelijk van tijdelijke rijksbijdragen? Antwoord: In het algemeen geldt dat de middelen die gemeenten ontvangen vanuit het gemeentefonds structureel zijn, waarbij gemeenten deze naar eigen inzicht kunnen inzetten. Hierbij speelt momenteel wel het landelijke vraagstuk in hoeverre gemeenten structureel voldoende gecompenseerd worden voor de taken die zij uitvoeren. Een specifiek voorbeeld hiervan is het sociaal domein.

Zoals in paragraaf 2.3.2 van de aanbiedingsnota nader is toegelicht lopen landelijke onderzoeken naar de houdbaarheid van de Wmo en is (vooral na 2027) de vraag in hoeverre gemeenten voldoende middelen ontvangen voor de Jeugdzorg. Dit in combinatie met de vraag hoe landelijk tot een houdbaar stelsel gekomen kan worden. Verder geldt dat gemeenten diverse middelen vanuit het Rijk ontvangen via zogenaamde specifieke uitkeringen (SPUKS). Doordat specifieke uitkeringen een vast omschreven doel hebben is er voor gemeenten weinig beleidsvrijheid om deze middelen naar eigen inzicht in te zetten. Ook hebben specifieke uitkeringen doorgaans een tijdelijk karakter of worden jaarlijks aangepast. Dit bemoeilijkt langetermijnplanningen en investeringen. Gemeenten moeten gedetailleerd rapporteren aan het Rijk over de besteding ervan.

Jaarlijks geven we in de jaarrekening inzicht in de besteding van de diverse specifieke uitkeringen. Zo is in de jaarrekening 2024 (raadsvergadering 3 juli 2025) inzicht gegeven in de specifieke regelingen die in 2024 voor de gemeente Moerdijk van toepassing waren. Doordat niet bekend is in hoeverre specifieke uitkering in de toekomst mogelijk door het Rijk toegevoegd, gewijzigd of geschrapt worden, is het niet mogelijk om een totaaloverzicht op te stellen van de specifieke uitkeringen in 2028-2029. Ten aanzien van enkele omvangrijke specifieke uitkeringen m.b.t. het sociaal domein, energie en klimaat kan wel het volgende worden aangegeven: - Binnen het sociaal domein zijn met de specifieke uitkering t.b.v. de opvang van Oekraïense ontheemden veel middelen gemoeid. Zoals ook bij de beantwoording van vraag 4 is aangegeven, wordt uitgegaan van voortzetting van de Oekraïne-opvang, waarbij het rijk de kosten die gemeenten maken vergoedt. - Een andere grote specifieke uitkering heeft betrekking op energie en klimaat. De specifieke uitkering CDOKE ondersteunt gemeenten en provincies bij het uitvoeren van klimaat- en energiebeleid. In de Septembercirculaire gemeentefonds 2025 is bekend geworden dat deze specifieke uitkering vanaf 2026 vervangen wordt door een zogenaamde decentralisatie-uitkering.

Daarbij is ook door het Rijk toegezegd dat de middelen ook beschikbaar zijn voor de periode 2027 t/m 2030. 7. Is er een plan om deze structureel te dekken na afloop van de subsidies? Antwoord: Nee. Het uitgangspunt is dat het Rijk gemeenten voldoende compenseert voor de taken die zij bij gemeenten beleggen (zie ook antwoord 6). Als rijksmiddelen wegvallen, zullen de effecten hiervan in beeld gebracht worden. Vervolgens dient uiteindelijk de gemeenteraad een besluit te nemen of - en in hoeverre- we als gemeente met een taak doorgaan in de situatie dat de financiering vanuit het Rijk wegvalt. Toezicht en financiële toekomst 8. Wat is de verwachting van het college over de kans op preventief toezicht door de provincie na 2027? Antwoord: Hoe het er nu naar uitziet voorzien we structurele tekorten van € 1,3 miljoen in 2028 en € 0,8 miljoen in 2029. Afgezet tegen de begrotingsomvang (totale jaarlijkse baten en lasten) van de gemeente komt dit neer op tekorten van minder dan 1%. Vanuit dat oogpunt is het tekort relatief beperkt. Tegelijkertijd dient te worden opgemerkt dat bij het interpreteren van de cijfers van de meerjarenbegroting bedacht moet worden dat deze naarmate het jaar verder af komt te liggen van het begrotingsjaar steeds ‘zachter’ worden. Het is daarom niet goed om aan deze cijfers absolute waarde toe te kennen. Het betreft niet meer dan een indicatie voor de toekomst.

Bij de beoordeling door de provincie wordt dan ook primair gekeken naar de vraag in hoeverre het eerstvolgende begrotingsjaar structureel en reëel sluitend is. Verder spelen er vooral na 2027 nog landelijke onzekerheden over de omvang van de grootste inkomstenbron van de gemeente (het gemeentefonds). Zoals in de aanbiedingsnota nader is toegelicht zijn de voorziene tekorten in 2028 en 2029 deels het

gevolg van een lagere bijdrage uit het gemeentefonds. Hoewel de landelijke oproep is dat gemeenten structureel voldoende middelen vanuit het Rijk moeten ontvangen voor de taken die zij uitvoeren, is het op dit moment onduidelijk in hoeverre het Rijk gemeenten ook vanaf 2028 voldoende gaat compenseren voor o.a. de kostenontwikkelingen binnen de Jeugdzorg. Ondanks de onzekerheden staat de gemeente Moerdijk er financieel gezond voor: de kengetallen zijn positief, het weerstandsvermogen is toereikend en de schuldenlast laag. De algemene reserve is goed gevuld en het college stelt voor deze verder aan te vullen. Ook de middelen die in de stelpost nieuw beleid zijn gereserveerd bieden ruimte voor toekomstige keuzes van de raad. Het financiële meerjarenperspectief biedt samen met deze ruimte de nieuwe gemeenteraad en het nieuwe college voldoende mogelijkheden om een verantwoorde en toekomstbestendige koers te bepalen. Zoals gebruikelijk zullen we bij de Kadernota 2027-2030 de financiële positie van de gemeente opnieuw actualiseren op basis van de actuele inzichten van dat moment. Vanuit dat financieel perspectief werken we vervolgens samen met de gemeenteraad toe naar een structureel sluitende begroting 2027 (zie ook de beantwoording bij vraag 9). 8.

Welke maatregelen worden genomen om dit te voorkomen? Antwoord: In hoofdstuk 6 van de aanbiedingsnota zijn diverse opties toegelicht die in de toekomst ingezet kunnen gaan worden om de structurele begrotingsruimte verder te verbeteren. Het college stelt op dit moment bewust niet voor om aanvullende maatregelen te nemen. Het doorvoeren van aanvullende maatregelen vraagt immers om een gestructureerde en projectmatige aanpak en kan niet op korte termijn worden gerealiseerd. Ook gezien de financiële uitkomsten van deze begroting is dit momenteel niet noodzakelijk. Bovendien wordt het, met het oog op de aanstaande gemeenteraadsverkiezingen, niet als verstandig beschouwd om nu aanvullende maatregelen te nemen. Vanuit dit oogpunt doet het college ook bewust nog geen concrete voorstellen voor de inzet van de extra ruimte die wordt gecreëerd in de algemene reserve. Op deze manier wordt flexibiliteit en keuzemogelijkheden behouden. Dit biedt de nieuwe gemeenteraad de mogelijkheid om de inzet van deze ruimte te gaan betrekken richting het opstellen van de begroting 2027-2030. Op dat moment kan op basis van het actuele financieel meerjarenperspectief een weloverwogen besluit genomen worden over de inzet van deze middelen, waarbij de raad daar ook voortijdig in betrokken kan worden. Vragen over de beslispunten in het raadsvoorstel 10.

Beslispunt 3a: Kunt u toelichten wat wordt bedoeld met tractie? Antwoord: Onder tractie wordt verstaan het voertuigenpark wat door de buitendienst gebruikt wordt. In dit geval gaat het om de vervanging van sneeuwschuivers en de aanschaf van een service bus voor de buitendienstmedewerkers.

11. Beslispunt 9a: In de begroting lezen we dat u € 500.000 begroot voor organisatieontwikkeling (waarvan € 400.000 structureel en € 100.000 incidenteel voor de jaren 2026 en 2027), specifiek voortkomend uit de personele groei in relatie tot de bijzondere opgaven van Moerdijk. Tegelijkertijd is het goed te lezen dat u een koppeling maakt met het hoge ziekteverzuim en het gesprek dat hierover is gevoerd in de gemeenteraad. Kunt u nadere duiding geven aan de plannen voor organisatieontwikkeling in 2026? Welke concrete effecten hoopt u te bereiken? Heeft dit budget integraal betrekking op het thema Toekomstbestendige organisatie, zoals vermeld in de begroting, of beoogt u met dit budget ook andere concrete effecten te realiseren? Antwoord: In de aanbiedingsnota kunt u teruglezen welke zes leidende principes we hanteren voor de toekomstige ontwikkeling van de organisatie. Daar is ook omschreven welke doelen we beogen: Het organisatie ontwikkeltraject heeft als doel de gemeentelijke organisatie zo in te richten dat er effectief gestuurd kan worden op maatschappelijke opgaven, terwijl medewerkers de ruimte krijgen om zich te ontwikkelen. Dit draagt bij aan een wendbare, slagvaardige en toekomstbestendige organisatie. Het budget heeft integraal betrekking op het thema Toekomstbestendige organisatie. 12.

Beslispunten 10 en 11c: Is het formeel niet juister om het volgende te formuleren: “Bij de jaarrekening 2025 voor te stellen het eventuele ontstane surplus over 2025 aanvullend over te hevelen naar de algemene reserve”, zodat we nu geen besluit nemen waar de raad later niet meer ‘nee’ tegen kan zeggen — ook al is de intentie tot opheffing van deze reserves duidelijk? Antwoord: Als de gemeenteraad instemt met de overheveling van in totaal € 8,2 miljoen naar de algemene reserve, wordt het logisch geacht om eventuele restanten die eind 2025 ontstaan ook gelijk over te hevelen naar de algemene reserve. Het liefst willen we dit dan gelijk nog in het boekjaar 2025 verwerken. Als dit pas bij de jaarrekening voorgesteld wordt kan dat pas in boekjaar 2026 verwerkt worden aangezien de raad daarover dan pas in juli 2026 besluit.

13. Beslispunt 13: Is het college voornemens om in de toekomst een subsidieregeling op te stellen voor de stads- en dorpstafels, in plaats van bij elke begrotingsbehandeling afzonderlijk deze subsidies op te nemen onder de paragraaf subsidies? Dit zou als bijkomend voordeel hebben dat er duidelijk beleid wordt gevoerd om te voorkomen dat deze subsidies worden ‘opgepot’, maar daadwerkelijk worden besteed. (Ter toelichting: we weten niet of dit op dit moment daadwerkelijk gebeurt, maar dat zou een onwenselijk effect zijn.) Antwoord: De planning is nog dit jaar een (nieuwe) subsidieregeling uit te werken. Het college wil deze aan de voorzitters van de gebiedstafels voorleggen bij het eerste gezamenlijke overleg in februari 2026. Met vriendelijke groet,

S. Elseman gemeentesecretaris

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Moerdijk&id=8062dba8-ac82-46ed-9fd0-dab85f08c2dc