Beantwoording technische vragen D66
Tekst van het document
AANBIEDINGSBRIEF TECHNISCHE VRAGEN Agendapunt 7.1: Beleidsplan Inburgering
Zaaknummer BI-nummer
: 272042 : 00993 TV
Aan de leden van de gemeenteraad, Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Moerdijk biedt u hierbij de beantwoording van de volgende technische vragen aan. Vergadering Vraagsteller Datum vergadering
: Commissie Sociale Infrastructuur : G. Wiers, D66 : 30 juni 2021
Vraag 1: Het rijk heeft bepaald dat het B1 niveau de doelstelling moet zijn en dit is door de gemeenten overgenomen. Echter de voortgangscijfers inburgering zoals de DUO die voor Moerdijk gerapporteerd heeft (peildatum 1 mei 2021) leert dat geen van inburgeringsplichtigen in de periode 2013 – 2017 (101 gerapporteerd) het B1 niveau heeft gehaald. Antwoord: Onder de huidige wet inburgering is het vereiste taalniveau het A2 niveau. Inburgeringsexamens vinden daarom ook plaats op dit niveau. Dit verklaart waarom het B1 niveau niet is behaald. Dat wil niet zeggen dat iemand in de praktijk niet op B1 niveau de taal beheerst; het vormt onder de huidige wet echter geen onderdeel uit van de vereisten. Vraag 2: Diezelfde “voortgangscijfers inburgering” roept een paar vragen op”: a. van ca 30% van de betrokkenen wordt aangegeven dat deze “ontheven” zijn. Dus deze 30% is nog steeds de Nederlandse taal niet machtig; hoe denkt de gemeente en/of het werkplein hier mee om te gaan mede gezien de doelstelling betrokkenen aan werk te helpen. Antwoord 2a: De achterblijvende resultaten van inburgeringsplichtigen is de voornaamste reden om over te gaan op de nieuwe wet inburgering. Voor de huidige groep inburgeraars is extra budget beschikbaar gesteld door het Rijk.
De inspanningen van het Werkplein en de gemeente zijn er op gericht deze huidige groep inburgeraars waar mogelijk toe te leiden naar werk. b. Van de in 2017 inburgeringsplichtig geworden personen wordt van 10 aangegeven dat die nog steeds inburgeringsplichtig zijn. Zijn dit allemaal analfabeten en dus met de maximale doorlooptijd van 5 jaar? Antwoord 2b: Dit is niet op individueel niveau te zeggen. In beginsel dienen inburgeringsplichtigen binnen 3 jaar in te burgeren. Vanwege de corona-pandemie is echter uitstel verleend. Het is daarom mogelijk dat er nog inburgeraars uit 2017 zijn die vertraging hebben opgelopen tijdens het inburgeren. Vraag 3: Op basis waarvan is de € 9.000,= kosten voor de opleiding van inburgeraars gebaseerd? En waar zit het verschil met de huidige situatie aangezien DUO € 10.000,= ter beschikking stelt?
1
Antwoord: AEF (een bureau voor maatschappelijke vraagstukken) heeft op verzoek van het ministerie veldonderzoek gedaan naar de opbouw van de structurele inburgeringskosten voor gemeenten. Dit rapport vormt de grond onder de financiering, waarbij het ministerie op 3 punten afwijkt. Dit gaat over het tolkentarief, het gebruik wat gezinsmigranten zullen maken van een tolk en het aantal voortgangsgesprekken voor gezinsmigranten. Voor de inburgeringsvoorzieningen is een raming gemaakt; die er voor asielmigranten als volgt uitziet: Leerroutes MAP Maatschappelijke begeleiding: Tolkvoorziening: Totaal:
€10.000 €136 €1.944 €417 €12.712
Van belang om op te merken is dat de bedragen zoals die geraamd zijn niet normstellend zijn; gemeenten zijn vrij de middelen binnen de gestelde bestedingseisen uit te geven. Zoals in het beleidsplan aangegeven gaan we uit van maximaal €9.000 voor de inburgeringslessen. Dit is ook zo opgenomen in het programma van eisen voor de inkoop van de leerroutes (B1 en Z-route). De aanbieders hebben aangegeven voor dit bedrag de lessen te kunnen verzorgen. De invulling van de leerroutes bestaat overigens naast de inburgeringslessen door participatieonderdelen, die eveneens uit bovenstaand budget moeten worden gefinancierd. Denkt u hierbij aan het opdoen van werkervaring en werknemersvaardigheden, in combinatie met oefening van taal. Over de invulling van deze onderdelen zijn de gemeenten en het Werkplein nog in gesprek met verschillende potentiële aanbieders. Vraag 4: Het totale door het Rijk vergoede budget is per inburgeraar gesteld op € 12.712,=. Welke functies bij gemeente en Werkplein alsmede de daarmee samenhangende taken moeten uit de overblijvende € 3.712,= betaald worden? Antwoord: Zie het antwoord bij de vorige vraag; dit betreft de vergoeding per inburgeringsplichtige statushouder voor de inburgeringsvoorzieningen. De inzet van de gemeente en het Werkplein worden overigens niet uit dit budget (inburgeringsvoorzieningen) betaald.
De inzet van gemeente en Werkplein wordt gefinancierd vanuit het beschikbare budget voor uitvoeringskosten. Denkt u bij de inzet aan: • brede intake en PIP • voortgangsgesprekken (casemanagement) • handhaving • ontzorgen, incl. begeleiding naar financiële zelfredzaamheid • inkoop • beleid en ondersteunende processen Zowel de uitvoeringskosten als de kosten voor inburgeringsvoorzieningen betreffen structurele kosten met een structurele financiering. Daarnaast ontvangt de gemeente tevens incidentele middelen ter financiering van de kosten die worden gemaakt bij de voorbereiding op de nieuwe wet. Denkt u hierbij aan kosten voor het inrichten van beleid en het werven en opleiden van medewerkers. De verdeling van deze incidentele invoeringskosten is gebaseerd op het aantal inwoners per gemeente. Vraag 5: Een van de redenen voor de nu door te voeren overgang van het rijk als verantwoordelijke naar de gemeente als verantwoordelijke, is het niet functioneren van fraudebeheersing door het rijk. Welke maatregelen neemt de gemeente c.q. het werkplein om de rechtmatigheid en doelmatigheid van de ingekochte inburgeringsvoorzieningen zeker te stellen?
2
Antwoord: De gemeente wordt met de invoering van de nieuwe wet verantwoordelijk voor de inkoop van de inburgeringsvoorzieningen. Dit wordt in De6 verband zoals u weet uitgevoerd door het Werkplein. In de aanbesteding zijn voorwaarden geformuleerd over de kwaliteit van de voorzieningen die we inkopen, over communicatie daarover, over verantwoording – etcetera. De nadere werkafspraken worden de komende periode gemaakt. Anders dan in het huidige stelsel maken we dus zelf de afspraken met de aanbieders en kunnen we controleren of aan de vereisten wordt voldaan. Vraag 6: Wat is de basis waarop de kosten van de inburgering over de deelnemende gemeenten wordt verdeeld? Antwoord: De middelen voor invoeringskosten worden onder gemeenten verdeeld op basis van het inwoneraantal. De middelen voor uitvoeringskosten worden verdeeld op basis van het inwoneraantal (78%) en het aandeel niet-westerse migranten (22%). De verdeling van de middelen voor inburgeringsvoorzieningen worden via een specifieke uitkering verstrekt; daarbij wordt rekening gehouden met de aantallen asielstatushouders, de aantallen gezins-en overige migranten en – vanaf 2026 – ook met de resultaten per gemeente.
Vraag 7 In de tabel op pagina 20 staat voor 2022 een post “Overig en Onvoorzien” die bijna € 26.000,= op gaat leveren; kunt u dit toelichten? Antwoord: Het bedrag wat u noemt is het saldo tussen de rijksvergoeding die gemeenten ontvangen en de geraamde uitgaven. De bedragen die in de begroting staan betreffen voor een groot gedeelte nog ingeschatte kosten. Uitgangspunt daarbij is dat de rijksvergoeding voor uitvoeringskosten taakstellend is. Dus meerjarig worden sommige kosten geïndexeerd, daardoor zal het saldo/onvoorzien wijzigen. Vraag 8 In het beleidsplan wordt de afkorting PVT gebruikt; waar staat deze afkorting voor en wat houdt de voorziening in? Antwoord: PVT staat voor participatieverklaringstraject. Doel hiervan is om inburgeringsplichtigen te laten kennismaken met de kernwaarden van de Nederlandse samenleving. Het PVT is een bestaand onderdeel van de inburgering, maar is op een aantal punten gewijzigd. Onveranderd is dat gemeenten er inhoud en invulling aan moeten geven. Gemeenten zijn verplicht om alle inburgeringsplichtigen een passend PVT-aanbod te doen en zijn verantwoordelijk voor de bekostiging ervan voor álle inburgeringsplichtigen
Met vriendelijke groet, namens burgemeester en wethouders van Moerdijk d.d. 28 juni 2021 de gemeentesecretaris
ir. J.C. Slagboom
3