Beantwoording Technische Vragen CDA - Kadernota
Tekst van het document
Technische vragen CDA De heer A.J.M. Haverkamp Kenmerk Vergadering
01270 TV Commissie kadernota van 10 juni 2026
Datum
15 juni 2026
Onderwerp
Kadernota 2027
Geachte heer Haverkamp, Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Moerdijk biedt u hierbij de beantwoording van de volgende technische vragen aan. De fractie van het CDA heeft de volgende technische vragen met betrekking tot de Kadernota 2027-2030: Hoofdstuk 1 – uitgangspunten meerjarenramingen 2027-2030 Onder punt 4 (prijsontwikkelingen 2027) staat dat er in de voorgaande jaren geen algemene prijsindexatie werd toegepast op alle budgetten in de begroting en dat deze werkwijze wordt voortgezet voor 2027. Wij stellen vast dat buurgemeenten zoals bijvoorbeeld Halderberge, Breda, Roosendaal en Etten-Leur wel indexering wel toepassen. 1. Kunt u aangeven waarom Moerdijk geen indexering toepast? Geeft dit niet een duidelijker beeld over de (toekomstige) financiële gevolgen van het uit te voeren beleid? Antwoord Het feit dat wij in de begroting geen generieke indexering op alle lasten toepassen, betekent niet dat geen rekening wordt gehouden met kostenstijgingen. Wij kiezen er bewust voor om budgetten niet automatisch met een vast percentage te verhogen. Een generieke indexering kan namelijk leiden tot ‘lucht in de begroting’, omdat de werkelijke kostenontwikkeling per budget sterk kan verschillen.
In plaats daarvan beoordelen wij jaarlijks per budget in welke mate kostenstijgingen te verwachten zijn, bijvoorbeeld op basis van contractuele afspraken, marktontwikkelingen of andere inzichten. Deze werkwijze geeft een realistischer en nauwkeuriger beeld van de verwachte lasten. Voor de budgetten waarvan nu al bekend is dat aanpassing noodzakelijk is, zijn de verwachte kostenontwikkelingen verwerkt in de cijfers van deze kadernota (hoofdstuk 2). Daarnaast zijn ook de verwachte ontwikkelingen van de loonkosten (uitgangspunt 5) en de indexeringen binnen de beheerplannen (uitgangspunt 6) meegenomen.
Onder punt 7 (bijdragen aan gemeenschappelijke regelingen) geeft u aan dat er wordt vastgehouden aan de bijdragen gemeenschappelijke regelingen 2027, voor de daaropvolgende jaren. 2. Kunt u aangeven waarom de begrotingen van de gemeenschappelijke regelingen niet aangehouden worden voor de jaren na 2027? Antwoord Voor zowel de gemeentelijke baten als lasten wordt in de meerjarenraming uitgegaan van het principe van ‘constante prijzen’. Dit betekent dat de bedragen vanuit het begrotingsjaar 2026 éénmalig worden geïndexeerd naar prijsniveau 2027 en vervolgens voor de daaropvolgende jaren op dat prijsniveau worden geraamd. Deze systematiek wordt door veel gemeenten toegepast, omdat zij een stabiel en onderling vergelijkbaar beeld van de financiële ontwikkeling geeft. Sommige gemeenschappelijke regelingen hanteren daarentegen een meerjarige, cumulatieve indexering van lonen en prijzen. Als deze oplopende bijdragen wel zouden worden overgenomen, terwijl de gemeentelijke inkomsten niet op dezelfde wijze worden geïndexeerd, ontstaat een vertekend beeld van de financiële positie. De lasten zouden dan jaarlijks stijgen, terwijl de baten constant blijven. Om die reden wordt ervoor gekozen om ook voor de bijdragen aan gemeenschappelijke regelingen uit te gaan van het prijsniveau 2027 en deze bedragen vervolgens constant te houden.
Hiermee wordt aangesloten bij de systematiek die voor de overige baten en lasten van de gemeentelijke begroting wordt gehanteerd. Eventuele nieuwe ontwikkelingen worden vervolgens jaarlijks betrokken bij de actualisatie van de kadernota en begroting. Onder de punten 8 (indexering gemeentelijke tarieven algemeen) en 9 (indexering ozb en toeristenbelasting) geeft u aan uit te gaan van een toe te passen indexcijfer van 1,6%. Wij stellen vast dat het actuele CPB-indexcijfer voor 2027 2,1% bedraagt. 3. Wat is het financiële effect op het meerjarenperspectief als voor 2027 wordt uitgegaan van het actuele CPB-percentage in plaats van de toegepaste 1,6%? Antwoord Als het indexcijfer op 2,1 % wordt vastgesteld leidt dit naar schatting tot de volgende extra belastingopbrengsten: Belasting OZB – niet woningen Ozb - woningen Toeristenbelasting Totaal
2027 114.000 24.000 1.500 139.500
2028 118.000 25.000 1.500 144.500
2029 122.000 26.000 1.500 149.500
2030 124.000 26.000 1.500 151.500
Hierbij merken we op dat u refereert naar ‘het actuele CPB-percentage’ van 2,1%. In de praktijk kan er echter niet gesproken worden over één specifiek CPB-percentage. Er worden door het CPB namelijk diverse indexcijfers gepubliceerd die iets zeggen over de inflatieverwachtingen en prijsontwikkelingen.
In het verleden heeft de gemeenteraad als beleidslijn vastgesteld dat de gemeentelijke heffingen jaarlijks in ieder geval worden verhoogd met de (verwachte) inflatie, omdat de inkomsten van de gemeente anders achter gaan lopen op de uitgaven. Wij baseren ons als gemeente al geruime tijd op de ‘’Geharmoniseerde consumentenprijsindex (hicp)’’. In maart 2026 is het Centraal Economisch Plan (CEP) 2026 gepubliceerd. Daarin is de betreffende index voor 2027 ingeschat op 1,9%. Daarnaast heeft het Centraal Planbureau het betreffende indexcijfer voor 2026 met 0,3% neerwaarts bijgesteld. Die nieuwe inzichten nemen we mee in het toe te passen indexcijfer voor 2027. Anders zou de burger in dit geval betalen voor het feit dat het CPB vorig jaar een indexcijfer van 2,4% verwachtte over 2026, terwijl dit nu is bijgesteld naar 2,1%. In hoofdstuk 1 van de kadernota is stap voor stap in beeld gebracht hoe we dit mee hebben genomen in de berekening van het berekende indexcijfer voor 2027: Consumentenprijsindex (hicp) CEP 2025 (maart 2025) CEP 2026 (maart 2026) Verschil
2025 3,0 % 3,0 % 0%
2026 2,4 % 2,1 % -0,3 %
2027 1,9 % 1,9 %
Totaal
1,6 % (indexcijfer 2027)
Voor meer informatie over deze werkwijze wordt ook verwezen naar de presentatie zoals die is gegeven tijdens de raadsinformatiebijeenkomst d.d. 7 maart 2024. Het voordeel van deze werkwijze is dat deze al jarenlang consequent wordt toegepast. Hierdoor is sprake van een bestendige gedragslijn, waarbij inwoners en bedrijven weten waar zij aan toe zijn en de berekening indien gewenst op basis van openbare gegevens van het CPB kunnen narekenen. Het hanteren van een ander indexcijfer is uiteraard mogelijk, maar betekent wel een afwijking van de vaste werkwijze die de gemeente de afgelopen jaren heeft gevolgd. Dat laat onverlet dat de gemeenteraad kan besluiten om bovenop de reguliere indexeringsmethodiek een aanvullende tariefsverhoging toe te passen. Hoofdstuk 2 – Bijstelling bestaande budgetten en huidige stelpost nieuw beleid Wij delen uw mening ten aanzien van de kostenontwikkeling in het sociaal domein. 4. Op basis van welke aannames wordt verondersteld dat de stijging van het aantal inwoners niet leidt tot een hogere groei van de jeugdzorg- en Wmo-uitgaven dan nu in de meerjarenraming is verwerkt? Antwoord Deze aanname is niet gemaakt in de kadernota. Bij het opstellen van de begroting brengen we per budget in beeld in welke mate rekening moet worden gehouden met kostenontwikkelingen (zie ook beantwoording vraag 2).
Daarbij wordt uiteraard ook betrokken in welke mate de stijging van het aantal inwoners daar mogelijk invloed op gaat hebben. Voor de budgetten waarvan nu al duidelijk is dat aanpassing nodig is, zijn de kostenontwikkelingen verwerkt in de cijfers van deze kadernota (zie hoofdstuk 2). Juist ten aanzien van Jeugdzorg zijn dan ook bijstellingen verwerkt in de cijfers van deze kadernota. Hierbij dient wel te worden opgemerkt dat naarmate we verder in de toekomst kijken, het logischerwijs steeds lastiger wordt om een exacte inschatting te maken. Deze inzichten worden daarom continu gemonitord en indien nodig (via de kadernota, begroting en bestuursrapportages) bijgesteld en voorgelegd aan de gemeenteraad.
Daarnaast geldt dat de algemene uitkering uit het gemeentefonds landelijk over gemeenten wordt verdeeld op basis van diverse maatstaven. Naast het aantal inwoners wordt daarbij ook gekeken naar bijvoorbeeld het aantal jongeren, ouderen en huishoudens met een laag inkomen. Dit vanuit de gedachte dat deze maatstaven iets zeggen over de kosten die gemeenten naar verwachting zullen gaan maken voor bijvoorbeeld de jeugdzorg en Wmo. Ook aan de inkomstenkant maken we daarom zo realistisch mogelijke inschattingen van de verwachte ontwikkeling in de betreffende maatstaven. Dit zodat niet alleen de lasten, maar ook de baten vanuit het gemeentefonds zo realistisch mogelijk in de begroting worden geraamd. 5. Kan het college ook aangeven welke maatregelen worden voorbereid om de groei van de jeugdzorguitgaven structureel af te vlakken en wanneer wordt de raad hierover geïnformeerd? Antwoord Dit is geen technische vraag, maar eerder een beleidsmatige of politieke vraag. Voor het voorgestelde vervolgtraject wordt verwezen naar paragraaf 6.3 van de kadernota. Hoofdstuk 3 – Nieuwe ontwikkelingen Programma 1 – Samen aan de slag voor het klimaat in Moerdijk Aangegeven wordt dat geen nieuwe ontwikkelingen worden voorzien. 6.
Welke financiële consequenties verwacht het college van de klimaatambities uit het bestuursakkoord en op welk moment worden deze inzichtelijk gemaakt? Antwoord Voor de doorrekening van de financiële consequenties van het bestuursakkoord wordt verwezen naar bijlage 2 ‘Financiële doorrekening bestuursakkoord’. Daar zitten geen aanvullende middelen in t.b.v. klimaatambities. Zoals in hoofdstuk 5 van de kadernota is toegelicht ontvangen gemeenten vanuit het Rijk middelen voor klimaat- en energietaken. Voor 2027 gaat het landelijk om € 671 miljoen, waarvan naar verwachting circa € 1,4 miljoen voor onze gemeente beschikbaar komt. Een deel hiervan (€ 0,8 miljoen) is reeds opgenomen in de begroting, omdat deze middelen eerder zijn toegezegd. Deze financiering hangt samen met de landelijke ambitie uit het Klimaatakkoord om in 2050 een CO₂-neutrale samenleving te realiseren, waarvoor een ingrijpende energietransitie nodig is, waaronder het aardgasvrij maken van woningen en bedrijven en de omschakeling van fossiele naar duurzame energiebronnen en meer lokaal georganiseerde energiesystemen.
De huidige middelen die we in de begroting hebben begroot worden met name ingezet voor personele capaciteit en kleinschalige onderzoeken Zodra we echter tot uitvoering van mogelijke collectieve warmte- en/of elektriciteitssystemen gaan komen, inclusief bijbehorende (collectieve) organisaties, zullen deze middelen hoogstwaarschijnlijk ontoereikend zijn. Op dit moment zijn de extra benodigde middelen nog niet te bepalen.
Programma 2 – Prettig en veilig wonen en leven in Moerdijk Aangegeven wordt dat capaciteitsuitbreiding binnen het cluster Vastgoed als gevolg van de uit te voeren projecten gewenst is. Daarnaast zien wij dat voor de uitvoering van de huisvestingsverordening overwogen wordt de werkzaamheden te beleggen bij een externe partij. In het afgelopen jaar stemde de raad in met uitbreiding van het aantal Fte’s. Op basis van de nu voorliggende (concept)kadernota concluderen wij dat opnieuw gedacht wordt aan uitbreiding van het ambtelijk apparaat met meerdere medewerkers over de diverse diensten (Inzet vastgoed, inzet Woning Net, BOPA, coördinator buitengebied). 7. Kan het college aangeven welke concrete projecten niet kunnen worden uitgevoerd binnen de huidige formatie en waarom kan deze capaciteit niet tijdelijk projectmatig worden ingevuld? Antwoord Het cluster Vastgoed is verantwoordelijk voor: -
-
het reguliere beheer, onderhoud en exploitatie van het reeds bestaande gemeentelijk vastgoed. De gemeente Moerdijk beschikt, mede door het grote aantal kernen, de samenvoeging van vijf voormalige gemeenten en de aanwezigheid van diverse vestingwerken, over een omvangrijke portefeuille maatschappelijk vastgoed. het leveren van de vastgoedkundige expertise binnen projecten voor de ontwikkeling en realisatie van nieuw maatschappelijk vastgoed.
Op basis van raadsbesluiten de afgelopen jaren is en wordt de komende jaren veel nieuw maatschappelijk vastgoed gerealiseerd. Enkele voorbeelden hiervan zijn: een nieuwe Niervaert Klundert, verduurzaming zwembaden/aanpak zwembad Bosselaar, nieuwbouw diverse gymzalen, sportaccommodaties (zoals de nieuwbouw VV Kogelvangers), nieuwbouw van de nodige multifunctionele centra (bijvoorbeeld Zevenbergschen Hoek en Willemstad) en nieuwbouw van diverse scholen (o.a. Klundert en Fijnaart). Na de realisatiefase van het nieuwe vastgoed moet het cluster Vastgoed ervoor zorgen dat de gebouwen in exploitatie worden genomen/ er een exploitant is om de gebouwen open te houden en dienstbaar te maken aan de maatschappelijke doelstellingen. Het cluster Vastgoed is het aanspreekpunt voor de verschillende exploitanten bij bijvoorbeeld klachten, schade, subsidie, jaarlijkse verantwoording, jaargesprekken over handelen exploitant/resultaten in relatie tot de gestelde maatschappelijk doelen etc. Naast de regulier benodigde capaciteit is en zal er de komende jaren een extra capaciteitsvraag zijn voor het realiseren van al het nieuwe vastgoed. Meer gebouwen en dus meer exploitanten vraagt vanuit het cluster Vastgoed meer capaciteit. Daarnaast is het tijdelijk inhuren van capaciteit aanzienlijk duurder dan het hebben van capaciteit in de vaste formatie.
Het is voor de organisatie dus ook veel voordeliger om dit, gezien de langdurige extra capaciteitsclaim, in de vaste formatie op te lossen.
Programma 4 – Ondersteuning voor mensen die het nodig hebben Voor de opvolging van de aanbevelingen van de rekenkamer wordt aangegeven dat de aanstelling van een procesregisseur nodig is om regie te voeren op complexe en dure casuïstiek. Hiervoor wordt een uitgave voorzien van in totaal € 382.000. 8. Kan aangegeven worden waarop deze kosten zijn gebaseerd? Antwoord De kosten van € 191.000 in 2026 en 2027 zijn gebaseerd op 1 procesregisseur (1 fte in schaal 10) en 1 procesondersteuner (1 fte in schaal 8). 9. Voor de "uitvoering accommodatiebeleid" wordt uitgegaan van een structurele uitgave van € 110.000. Wij vragen ons af of er bij de samenstelling van deze kadernota rekening gehouden is met het gestelde in de "Routekaart Gemeentelijk Vastgoed" van 26 januari 2022 en het hierin vastgestelde budget van € 3.400.000? Kan aangegeven worden wat er van dat beschikbaar gestelde budget inmiddels is benut en waarom in deze kadernota een structurele uitgave van € 110.000 wordt voorzien voor de uitvoering van het accommodatiebeleid. Dit, terwijl in bedoelde routekaart wordt aangegeven dat jaarlijks € 340.000 zal worden toegevoegd aan de onderhoudsvoorziening gebouwen. Kan deze structurele uitgave niet bekostigd kan worden uit genoemde onderhoudsvoorziening? Antwoord De middelen (€ 110.000) die in deze kadernota worden gevraagd t.b.v.
de uitvoering van accommodatiebeleid kunnen niet gedekt worden uit de onderhoudsvoorziening. Dit budget is destijds namelijk door de gemeenteraad beschikbaar gesteld voor verduurzamingsmaatregelen aan gemeentelijke gebouwen. Die middelen hebben daarmee een ander doel en een andere reikwijdte dan de middelen die nu in de kadernota worden gevraagd. Het eerder beschikbaar gestelde budget is tot en met 2025 nog niet aangewend. In deze periode hebben voornamelijk voorbereidende werkzaamheden plaatsgevonden, gericht op het mogelijk maken van de verduurzamingsopgave. Voor het jaar 2026 wordt een totale besteding van circa € 1 miljoen voorzien. De verwachting is dat in 2026 gestart wordt met de eerste verduurzamingsmaatregelen voor de volgende panden: • • • • •
Milieustraat en Gemeentewerf Klundert Brandweerkazerne Fijnaart Brandweerkazerne Moerdijk Haven Havenkantoor Ponton jachthaven Willemstad Sportzaal Bloemendaal Zevenbergschen-Hoek
10. Voor de uitvoering van het programma nieuwkomers wordt een structurele uitgave voorzien van € 93.000 per jaar en eenmalig € 150.000. Bij de besluitvorming over de begroting 2026 is besloten de reserve nieuwkomers over te hevelen naar de algemene reserve. Kunnen de hiervoor begrote kosten vooralsnog niet ten laste worden gebracht van de algemene reserve c.q. of de opgeheven reserve nieuwkomers niet opnieuw gevormd worden via overheveling vanuit de algemene reserve? Antwoord De structureel benodigde middelen van € 93.000 per jaar kunnen niet worden gedekt uit de algemene reserve. Het (wettelijke) uitgangspunt is dat gemeentelijke reserves uitsluitend mogen worden ingezet voor incidentele lasten. Op dit uitgangspunt bestaan twee uitzonderingen, zoals toegelicht in paragraaf 6.2 van de kadernota, maar deze zijn op deze uitgave niet van toepassing. Voor de structurele lasten zal daarom een structurele dekking binnen de begroting moeten worden gevonden. Voor de incidentele uitgave van € 150.000 ligt dit anders. Deze kan in beginsel wel worden gedekt uit de algemene reserve. Daarbij is vooral de vraag op welk moment de algemene reserve wordt aangesproken.
- Een eerste mogelijkheid is om vooraf expliciet te besluiten deze incidentele uitgave rechtstreeks ten laste van de algemene reserve te brengen; - Een tweede mogelijkheid is om de uitgave eerst volledig in de begroting en het begrotingssaldo te verwerken en pas bij de resultaatbestemming te beoordelen in hoeverre de algemene reserve moet worden ingezet. Onze voorkeur gaat uit naar de tweede benadering. Daarmee ontstaat een vollediger en transparanter beeld van de werkelijke financiële positie en de omvang van de structurele en incidentele tekorten. Op basis van de huidige inzichten wordt in 2027 een tekort verwacht van circa € 4,8 miljoen, waarvan € 3,4 miljoen structureel en € 1,4 miljoen incidenteel. In dit incidentele deel zijn de genoemde eenmalige lasten van € 150.000 inbegrepen. Deze eenmalige middelen drukken dan ook niet op het verwachte structurele begrotingstekort van € 3,4 miljoen wat in 2027 wordt verwacht. Daarbij geldt dat het financiële effect uiteindelijk in belangrijke mate hetzelfde is. Of de gemeenteraad vooraf besluit € 150.000 vanuit de algemene reserve beschikbaar te stellen, of dat gedurende of na afloop van het jaar een eventueel negatief resultaat wordt gedekt uit de algemene reserve: in beide gevallen komen de middelen uiteindelijk ten laste van de algemene reserve.
Het verschil zit daarmee vooral in het moment van besluitvorming en de wijze van administratieve verwerking, niet in het uiteindelijke effect op het gemeentelijk vermogen. Programma 5 – Partnerschap in en veranderende samenleving Wij stellen vast binnen dit programma ook hier wordt voorgesteld om het personeelsbestand uit te breiden. Naar verwachting leidt dit tot een structurele kostenpost van € 76.000 per jaar. 11. Is het, gelet op de ontwikkeling van de totale personele kosten, mogelijk om door herschikking van taken voordeel te behalen?
Daarnaast geven wij u in overweging om de efficiency binnen de ambtelijke organisatie nader te (laten) onderzoeken om meer zicht te krijgen op de efficiency en arbeidsbeleving binnen de gemeentelijke organisatie. Antwoord Ten aanzien van een mogelijke herschikking van taken geldt dat dit geen technische vraag is, maar eerder een beleidsmatige of politieke vraag. Ten aanzien van de gevraagde middelen t.b.v. capaciteit voor recruitment (€ 76.000) geldt dat de organisatie afgelopen jaren dermate is gegroeid dat we, ondanks een zo effectief mogelijke inrichting van de werkzaamheden binnen het team, niet in staat zijn de extra activiteiten op het gebied van werving & selectie en inhuur op te vangen binnen de bestaande capaciteit. Juist door het concentreren van specifieke taken op het gebied van werving en selectie vergroten we de effectiviteit. De krappe arbeidsmarkt en de forse hoeveelheid vacatures vragen specialistische kennis op het gebied van werving en selectie alsook efficiënte strakke procedures. Hierop wordt volop ingezet om daarmee te kunnen voldoen aan de benodigde capaciteit voor de organisatie om de ambities en daarbij behorende opgaven waar te kunnen maken. 12. De ventilatie in de vergaderruimtes blijkt onvoldoende te functioneren. Aangegeven wordt dat aanpassing van het systeem dringend gewenst is en een bedrag van € 250.000 vrijgemaakt moet worden.
Is er, gezien de recente oplevering van het gemeentehuis, sprake van een ontwerpfout of een uitvoeringsfout en is er verhaal mogelijk is bij de opdrachtnemer? Antwoord De huidige situatie is niet het gevolg van een uitvoeringsfout. Tijdens de voorbereiding van de verbouwing is de klimaatinstallatie voor de vergaderruimten ontworpen op basis van een bezettingsgraad van 75%. Daarnaast is destijds, mede vanuit kostenoverwegingen, besloten het aantal reguleringskleppen in het klimaatsysteem te beperken. In de praktijk blijkt dat de vergaderruimten vaker worden gebruikt door het aantal personen waarvoor zij zijn ingericht. Hierdoor voldoet de ventilatiecapaciteit niet altijd aan de huidige gebruikssituatie en kunnen de CO₂-concentraties boven de geldende norm uitkomen. Op basis van de huidige inzichten is daarom geen sprake van een uitvoeringsfout waarvoor de opdrachtnemer aansprakelijk kan worden gesteld. De oorzaak ligt in de destijds gemaakte ontwerp- en optimalisatiekeuzes in combinatie met een hoger feitelijk gebruik van de vergaderruimten dan waarvan bij het ontwerp is uitgegaan. Wel wordt onderzocht op welke wijze de benodigde aanpassingen het meest doelmatig kunnen worden uitgevoerd, zodat de vergaderruimten weer voldoen aan de wettelijke eisen voor luchtkwaliteit en een gezonde werkomgeving. Hoofdstuk 5 – Ontwikkelingen financieel meerjarenperspectief 13.
In het kostenoverzicht op pagina 20 worden onder het kopje Integraal Huisvestingsplan (IHP) scholen enkele bedragen genoemd die mogelijk verduidelijkt kunnen worden. Bij De Fijne Aarde wordt in het jaar 2029 een bedrag van € 50.000 opgenomen voor onderzoek. In 2032 wordt een bedrag van € 637.000 voor sloopkosten geprognosticeerd.
14. Vervolgens worden vanaf 2033 kapitaalslasten opgenomen voor de nieuwe school. Dit impliceert dat de ‘nieuwe’ basisschool De Fijne Aarde in 2033 in gebruik genomen kan worden, terwijl de oude school al in 2032 gesloopt zal worden. Naar onze mening sluit deze planning niet aan. Kunt u daarom op deze stelpost een nadere toelichting geven? Antwoord Conform ons afschrijvingsbeleid starten we met het afschrijven van de investeringen in het jaar ná gereedkomen van de investering. In dit geval is het uitgangspunt dus dat de school in 2032 in gebruik wordt genomen, waarna vanaf 2033 wordt gestart met afschrijven. 15. Is er rekening gehouden met de op pagina 14 van het raadsvoorstel IHP genoemde zin “Voor de totale kosten is uitgegaan van prijspeil 2025, indexering van de bedragen zoals nu opgenomen in het IHP zal jaarlijks plaats vinden bij de kadernota door aanpassing van de geraamde investeringsbedragen en hieruit voortvloeiende kapitaallasten.”? Antwoord Ja daar is rekening mee gehouden. Ten opzichte van de ramingen in het IHP zijn de prijzen geactualiseerd naar het prijspeil 2027. Concreet betekent dit dat de verwachte investeringsbedragen ten opzichte van het IHP zijn geïndexeerd met 6,52%.
Dit percentage is berekend op basis van de indexeringssystematiek voor normbedragen voor nieuwbouw zoals opgenomen in de Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Moerdijk (artikel 31 en Bijlage IV – Normbedrag voor vergoeding en indexering). 16. Is er, om kostenbeperking te realiseren, enig voordeel te behalen indien gebruik gemaakt kan worden van het scholenonderzoek dat voor de scholen in Klundert in 2028 wordt geprognosticeerd? Dit omdat in onze optiek de situaties in Klundert en Fijnaart grotendeels vergelijkbaar zijn. Antwoord Locatie gebonden kosten kunnen verschillend zijn voor Klundert en Fijnaart. Voor Klundert heeft de raad al besloten tot 1 nieuwbouwlocatie voor 3 basisscholen (en op termijn ook voor sbo Het Palet). Voor Fijnaart hebben beide schoolbesturen met het IHP aangegeven te opteren voor een eigen locatie voor hun basisschool. De Springplank opteert een nieuwe locatie en De Fijne Aarde opteert voor de huidige locatie. Locatieonderzoek voor een nieuwe locatie vindt nog plaats voor De Springplank. Kosten hiervan zijn (nog) niet in beeld en de raad moet hier nog een besluit over nemen.
Op grond van artikel 91 ‘Voorziening in huisvesting door gemeente’ van de Wet op het Primair Onderwijs, draagt de gemeente zorg voor de huisvesting van scholen en behandelt daarbij de door de gemeente in stand gehouden scholen en de niet door de gemeente in stand gehouden scholen op gelijke voet. De raad is op grond van artikel 102 ‘Gemeentelijke regeling’ van de Wet op het Primair Onderwijs verplicht om een verordening vast te stellen voor de huisvesting van scholen met o.a. de normen aan de hand waarvan de bedragen worden vastgesteld voor de toegekende voorzieningen in de huisvesting. De raad heeft daartoe de verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Moerdijk vastgesteld. Voor wat betreft de kosten voor nieuwbouw van de schoolgebouwen wordt voor de 3 basisscholen in Klundert en de 2 basisscholen in Fijnaart uitgegaan van de in de verordening
opgenomen systematiek van normbedragen (o.a. vast bedrag per school en bedrag per m2). Het benodigd aantal m2 wordt bepaald op grond van het aantal leerlingen van de leerlingenprognose. Hiermee heeft iedere school recht op nieuwbouw op grond van dezelfde criteria en recht op het nieuwbouwbudget op grond van dezelfde criteria. Het is primair aan het schoolbestuur en de school om de architect het nieuwe gebouw te laten ontwerpen dat past bij het onderwijsconcept van de school. De onderwijsconcepten (b.v. klassikaal onderwijs of met leer-werkpleinen) van de scholen in Klundert en de scholen in Fijnaart zullen niet voor alle scholen hetzelfde zijn en zullen vragen om andere ruimten in de nieuwe schoolgebouwen. De situaties in Klundert en Fijnaart zullen dus waarschijnlijk ook niet vergelijkbaar zijn. Hoofdstuk 6 – Vervolgaanpak richting opstellen van de begroting 2027-2030 Het verwachte begrotingstekort zal in de loop van de komende jaren stijgen, hetgeen voornamelijk het gevolg is van de groei in de structurele uitgaven. 17.
Ook wij hechten veel waarde aan een gezonde financiële positie, maar is het niet mogelijk de structurele kosten te beperken door meer gebruik te maken van de ruimte binnen de algemene reserve bij grote investeringen? Immers door de financieringsbehoefte bij grootschalige projecten te verlagen door inbreng van middelen uit de algemene reserve, dalen de kapitaallasten en zal het begrotingstekort positief worden beïnvloed. Antwoord Dat klopt. De gemeenteraad kan besluiten om de algemene reserve in te zetten der dekking van afschrijvingslasten van investeringen. Om die reden is deze mogelijkheid in paragraaf 6.2 van de kadernota expliciet benoemd als één van de twee manieren waarop de algemene reserve kan worden ingezet om het structurele begrotingstekort te verminderen. In dezelfde paragraaf is tevens een indicatie opgenomen van de mogelijke financiële effecten die hiermee kunnen worden bereikt. Daarbij geldt wel dat de inzet van de algemene reserve een afweging vraagt tussen het verbeteren van de structurele begrotingsruimte enerzijds en het behoud van voldoende financiële weerbaarheid anderzijds. Middelen die worden ingezet voor investeringen zijn immers niet langer beschikbaar als buffer voor toekomstige financiële risico's en tegenvallers.
Met vriendelijke groet,
S. Elseman gemeentesecretaris