Beantwoording technische vragen BBM BBB Statutenwijziging Stichting Openbaar Basisonderwijs West-Brabant
Tekst van het document
Technische vragen Fractie BBM-BBB Mevrouw C.A.M. Damen Kenmerk Vergadering Datum
01179 TV Commissie Sociaal en Bestuur 9 januari 2025
Onderwerp
8.3 Statutenwijziging Stichting Openbaar Basisonderwijs West Brabant
Geachte mevrouw Damen, Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Moerdijk biedt u hierbij de beantwoording van de volgende technische vragen aan. Vraag Wat zijn de criteria voor de hoofdelijke aansprakelijkheid bij faillissement door onbehoorlijk bestuur of toezicht? Antwoord: De Wet bestuur en toezicht rechtspersonen regelt dat bestuurders en commissarissen van informele en niet-commerciële verenigingen en niet-commerciële stichtingen ook aansprakelijk kunnen zijn in geval van faillissement van de rechtspersoon, wanneer zij hun taken onbehoorlijk hebben vervuld. Dat kon voor deze wet in werking trad ook al bij bestuurders en commissarissen van formele en commerciële verenigingen en commerciële stichtingen. Bij een faillissement kan een curator nagaan of sprake is geweest van onbehoorlijk bestuur dat tot het faillissement heeft geleid. Het tekortschieten van het bestuur moet dan dus een belangrijke rol hebben gespeeld in het faillissement. Een kleine fout van een bestuurder zonder ingrijpende gevolgen kan niet leiden tot bestuurdersaansprakelijkheid bij faillissement. In de jurisprudentie is invulling gegeven aan het begrip onbehoorlijk bestuur bij geschillen over de aansprakelijkheid van een bestuurder bij het faillissement van de vennootschap. Dit zal waarschijnlijk ook van toepassing zijn bij niet-commerciële stichtingen, verenigingen, e.d.
Uit deze jurisprudentie blijkt dat pas sprake is van onbehoorlijk bestuur als “geen redelijk denkend bestuurder, onder dezelfde omstandigheden, aldus zou hebben gehandeld”. Ook is van belang of het voor het bestuur voorzienbaar was dat de schuldeisers schade zouden lijden door het onbehoorlijke bestuur.
Er kan zodoende niet snel aangenomen worden dat sprake is van onbehoorlijk bestuur. De wetgever is de curator daarom tegemoet gekomen en heeft bepaald dat er in ieder geval sprake is van onbehoorlijk bestuur wanneer: 1. het bestuur van een vennootschap de jaarrekening niet binnen 13 maanden na afloop van het boekjaar bij de Kamer van Koophandel publiceert; 2. het bestuur van een vennootschap heeft nagelaten een behoorlijke boekhouding te voeren, waaruit de rechten en plichten van de vennootschap blijken. Wanneer wordt vermoed dat er sprake is van onbehoorlijk bestuur (omdat is voldaan aan (één van) voormelde punten), is het aan de bestuurders om dit vermoeden te weerleggen en te bewijzen dat het niet (goed) bijhouden van de administratie of het niet publiceren van de jaarrekening niet de belangrijkste oorzaak van het faillissement zijn. Dit zijn in het kort de regels met betrekking tot aansprakelijkheid van bestuurders bij faillissement die door de Wet bestuur en toezicht rechtspersonen, dus ook zijn gaan gelden voor de informele en niet-commerciële stichtingen, zoals Stichting Openbaar Basisonderwijs West-Brabant, en verenigingen. Met vriendelijke groet,
S. Elseman gemeentesecretaris