Beantwoording Technische Vragen BBM-BBB - Kadernota 2027-2030
Tekst van het document
Technische vragen Burger Belangen Moerdijk/ BBB Bondgenoot De heer J.G. Schreuders Kenmerk Vergadering Datum
01284 TV Raadsvergadering van 9 juli 2026 30 juni 2026
Onderwerp
Kadernota 2027-2030
Geachte heer Schreuders, Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Moerdijk biedt u hierbij de beantwoording van de volgende technische vragen aan. De fractie van BBM/BBB heeft naar aanleiding van de Kadernota 2027-2030 de volgende technische vragen: Uitgangspunten meerjarenramingen 2027–2030 1. Hoe gaat de kadernota aangesloten worden op het bestuursakkoord? Antwoord: In het raadsvoorstel worden de financiële effecten van het bestuursakkoord samengevoegd met de uitkomsten van de kadernota 2027-2030 (dit wordt dus niet verwerkt in het document van de kadernota zelf). Hiermee ontstaat het financieel beeld voor 2027 en volgende jaren. Dit zodat, op basis van die inzichten, het vervolgtraject richting het opstellen van de begroting 2027-2030 kan worden bepaald, waarbij de begroting uiteindelijk in november door de raad wordt vastgesteld. 2. Waar vallen de apparaatskosten van het werkplein onder? Antwoord: De deelnemersbijdrage aan het Werkplein (waar de apparaatskosten onderdeel van uitmaken), worden in de gemeentelijke begroting verantwoord in programma 4. 3. Is het realistisch dat maatschappelijke regelingen niet worden geïndexeerd? Antwoord: Voor de gemeenschappelijke regelingen wordt wel degelijk rekening gehouden met een indexering. Echter passen we alleen een indexering naar het begrotingsjaar 2027 toe.
Voor zowel de gemeentelijke baten als lasten wordt in de meerjarenraming uitgegaan van het principe van ‘constante prijzen’. Dit betekent dat de bedragen vanuit het begrotingsjaar 2026 éénmalig worden geïndexeerd naar prijsniveau 2027 en vervolgens voor de daaropvolgende jaren op dat prijsniveau worden geraamd. Deze systematiek wordt door veel gemeenten toegepast, omdat zij een stabiel en onderling vergelijkbaar beeld van de financiële ontwikkeling geeft.
Sommige gemeenschappelijke regelingen hanteren daarentegen een meerjarige, cumulatieve indexering van lonen en prijzen. Als deze oplopende bijdragen wel zouden worden overgenomen, terwijl de gemeentelijke inkomsten niet op dezelfde wijze worden geïndexeerd, ontstaat een vertekend beeld van de financiële positie. De lasten zouden dan jaarlijks stijgen, terwijl de baten constant blijven. Om die reden wordt ervoor gekozen om ook voor de bijdragen aan gemeenschappelijke regelingen uit te gaan van het prijsniveau 2027 en deze bedragen vervolgens constant te houden. Hiermee wordt aangesloten bij de systematiek die voor de overige baten en lasten van de gemeentelijke begroting wordt gehanteerd. Eventuele nieuwe ontwikkelingen worden vervolgens jaarlijks betrokken bij de actualisatie van de kadernota en begroting. Nieuwe ontwikkelingen 4. In het programma Nieuwkomers worden 3 pijlers en 3 actietafels genoemd. Wat zijn de 3 pijlers? Antwoord: De actietafels zijn gekoppeld aan de 3 pijlers van het programma Nieuwkomers. Het betreft een integrale aanpak op basis van de volgende 3 pijlers: • Functionele identificatie – gericht op taal, onderwijs, zorg, participatie en passende huisvesting. • Normatieve identificatie – gericht op gedeelde waarden, rechten en plichten, en het vergroten van kennis over de lokale en nationale context.
• Emotionele identificatie – gericht op verbondenheid, sociale cohesie en het gevoel welkom te zijn in Moerdijk. 5. Waarom komt 3 × € 50k per tafel niet overeen met de genoemde € 94k? Antwoord: De genoemde € 94.000 heeft geen betrekking op de actietafels maar op de structureel benodigde middelen. Zoals op pagina 19 van de kadernota is toegelicht: ''Voor de structurele werkzaamheden die ook na afronding van de programmatische inzet doorgaan, dient de personele inzet structureel te worden geborgd zodat de werkzaamheden na 2027 in de lijnorganisatie kunnen worden opgenomen. Daarnaast is voor de uitvoering van activiteiten, het versterken van samenwerking en het borgen van de aanpak (incidenteel) uitvoeringsbudget nodig in 2027. Binnen het programma wordt gewerkt met drie actietafels (één per pijler), waar gemeente en partners samenwerken aan concrete acties en structurele inbedding. Per actietafel is jaarlijks € 50.000 nodig voor activiteiten, netwerkversterking en borging van de aanpak.'' In de tabel met benodigde middelen wordt dan ook onderscheid gemaakt tussen de structureel benodigde middelen (€ 94.000) en incidenteel benodigde middelen van € 150.000 t.b.v. de actietafels.
2
6. Wordt ten aanzien van de inzet van een recruiter ook samenwerking tussen gemeenten in de regio opgezet, bijvoorbeeld voor succession planning? Antwoord: Moerdijk sluit aan bij het Recruitmentnetwerk via het Mobiliteitscentrum West-Brabant. Dit is een regionaal netwerk voor recruiters en collega’s die zich bezighouden met recruitment binnen gemeenten of gemeenschappelijke regelingen. Een paar keer per jaar komen zij samen om ervaringen te delen, best practices uit te wisselen en actuele arbeidsmarktthema’s te bespreken. Iedere bijeenkomst wordt op roulatie georganiseerd bij een co‑hostende gemeente in de regio. Ontwikkelingen die van invloed kunnen zijn op het financieel meerjarenperspectief 7. In hoeverre is het een zorgpunt dat de cofinanciering voor Stationshart en Markzoom (nog) niet is gehonoreerd? Antwoord: Het uitblijven van cofinanciering voor de Stationsomgeving is een erkend risico. De raad heeft bij besluit van 26 juni 2025 bepaald dat verdere investeringsbesluiten voor de stationsomgeving en het busstation pas worden genomen nadat cofinanciering van Rijk en provincie definitief is. Voor de Langzaamverkeersverbinding is de financiering wel rond: de BO-MIRT-subsidie van €10,5 miljoen is beschikt en het uitvoeringskrediet van €29,9 miljoen is gevoteerd.
Voor de verdere toelichting op risico's en beheersmaatregelen verwijzen wij naar de kanttekeningen in het raadsvoorstel Voorbereidingskrediet Stationshart Zevenbergen (raadsvergadering 2 juli 2026). Voor de deelontwikkeling Markzoom zal de cofinanciering de komende periode worden geconcretiseerd en wordt naar verwachting begin 2027 een apart raadsvoorstel met fasering en daarbij benodigde investeringskrediet(en) aan de raad voorgelegd. Daarin zal toegezegde cofinanciering uiteraard worden meegenomen. 8. Wat betekent het dat er nog geen concrete inschatting is met betrekking tot woonwagenstandplaatsen? Antwoord: Zoals in hoofdstuk 5 van de kadernota is toegelicht is op dit moment nog geen concrete inschatting te maken van de verwachte financiële impact voor de gemeente. Alvorens in deze behoefte te kunnen voorzien, moet eerst een inschrijvings- en wachtlijstsystematiek voor woonwagenstandplaatsen en woonwagenbeleid worden vastgesteld. Dit wordt momenteel in regionaal verband voorbereid. De kosten voor de extra woonwagenstandplaatsen kunnen aanzienlijk zijn en hangen af van verschillende factoren, zoals locatie, grondprijs, aanleg en eventuele verplaatsing van woonwagens. In een onderzoek dat Companen in 2022 in opdracht van het Ministerie van BZK heeft uitgevoerd, de gemiddelde kosten voor de aanleg en het beheer van woonwagenstandplaatsen in beeld gebracht.
Voor de aanleg van nieuwe woonwagenstandplaatsen gaat Companen uit van de volgende kostenposten: • Verwerving van de grond • Verplaatsing van de woonwagens • Civieltechnische werkzaamheden 3
Inrichting van de woonwagenstandplaats Plaatsing van de woonwagens Voor de aanleg van nieuwe woonwagenstandplaatsen zijn verschillende scenario's denkbaar, namelijk uitbreiding van een bestaande locatie, herstructurering van een bestaande locatie en aanleg van een nieuwe locatie. De kostenposten zijn ook afhankelijk van het gekozen scenario (zie tabel). Omdat uit een eerste inventarisatie is gebleken dat op de bestaande locaties onvoldoende ruimte is tot uitbreiding gaan wij in de kostenberekening uit van de aanleg van woonwangestandplaatsen op nieuwe locaties. • •
Uit de inventarisatie van Companen is geen inzicht verkregen in de feitelijk gemaakte aanschafkosten van de grond door de verkopende partij (vaak de gemeente). Deze feitelijke kosten zijn sterk afhankelijk van de ligging, het moment van aankoop, de rentekosten, boekwaarde, maar ook de bestemmingsplanfunctie op het moment van aankoop. Er is dus geen inzicht in de kostprijs van gronden aan de hand van kosten die in het verleden zijn gemaakt voor het leveren van bouwrijpe grond. Voor de eerste inschatting gaat Companen daarom uit van de grondprijs die doorberekend wordt aan bv de corporatie. Companen geeft aan dat deze kosten variëren van € 17.500 tot € 36.000 per kavel (incl. BTW). Omdat de rapportage uit 2022 dateert en de prijzen in de afgelopen jaren zijn gestegen, gaan we voor de berekening uit van € 36.000. De civieltechnische werkzaamheden zijn doorgaans maatwerk en de kosten hiervan zijn (situationeel) afhankelijk van verschillende factoren. Hiervan heeft Companen dan ook geen indicatie kunnen geven. Ook de kosten voor het verplaatsen van woonwagens zijn door Companen niet in beeld gebracht. De kosten voor de inrichting zijn minder locatie-afhankelijk en daarom beter vergelijkbaar. Uit de inventarisatie van Companen blijkt dat de kosten voor de inrichting van een standplaats variëren van € 36.000 tot € 98.000 (incl. BTW) per standplaats.
Voor de berekening zijn we uitgegaan van een kostprijs van € 98.000 (incl. BTW) per standplaats. Voor de kosten van een woonwagen wordt een bedrag van € 171.000 aangehouden. Per woonwagenstandplaats komt dit uit op € 305.000 (exclusief civieltechnische werkzaamheden en eventuele verplaatsing van de woonwagen). Voor 13 standplaatsen komt dit neer op een bedrag van € 3.965.000. De kosten zullen naar verwachting in werkelijkheid hoger liggen, omdat de rapportage van Companen inmiddels een aantal jaar oud is. In de berekening zijn de kosten voor beheer en onderhoud niet meegenomen. Het is de bedoeling om de woonwagenstandplaatsen na realisatie over te dragen aan de corporaties danwel de Stichting Woonwagenbeheer Zuidwest Nederland. De beheeren onderhoudskosten zijn dan voor rekening van de corporaties/ de Stichting Woonwagenbeheer Zuidwest Nederland. 4
De gesprekken hierover moeten nog plaatsvinden. In de berekening zijn de kosten voor een extern aan te trekken projectleider nog niet meegenomen. De kosten hiervoor zijn op dit moment nog niet bekend. Hiervoor zal op een later moment een marktconsultatie worden gehouden. 9. Wat betekent het dat er nog geen financiële reservering is voor SBD? Antwoord: Dit betekent dat er op dit moment nog onvoldoende duidelijkheid is over de mogelijke middelen die hiervoor benodigd zijn. Zoals in hoofdstuk 5 van de kadernota is toegelicht: ‘’Momenteel vinden gesprekken plaats over de toekomstige financiering. Voor het borgen van deze aanpak zijn in de toekomst wellicht (meer) gemeentelijke middelen nodig.’’ 10. Waarom is er geen post opgenomen voor Versterken van Veiligheid? Antwoord: Op basis van de kadernota 2025-2028 (raadsvergadering 27 juni 2025) zijn vanaf 2025 aanvullende middelen t.b.v. het Programma Veiligheid door de raad beschikbaar gesteld. Onder andere in het jaarverslag 2025 (raadsvergadering 9 juli 2026) geven we inzicht in de resultaten die in 2025 hiermee zijn bereikt. Zo is in 2025 met de ondertekening van het programma Port of Moerdijk Veiliger een belangrijke stap gezet in het verder versterken van de veiligheid in en rond het haven- en industriegebied. Samen met regionale partners zijn diverse projecten gestart die bijdragen aan een integrale aanpak.
Hoewel op dit moment geen aanvullende middelen noodzakelijk zijn, laten deze ontwikkelingen zien dat de gekozen koers resultaten oplevert, maar ook blijvende gezamenlijke inzet vraagt. Vanuit dat oogpunt is dit onderwerp in deze kadernota tekstueel benoemd. 11. Wat betekent het dat de verwachte opbrengsten in de vorm van eigen bijdragen voor WMO wegvallen? Antwoord: Dit verloopt voor de gemeente budgettair neutraal. Zoals in hoofdstuk 5 van de kadernota is toegelicht: ‘’De plannen om de eigen bijdrage voor Wmo-voorzieningen afhankelijk te maken van inkomen en vermogen worden uitgesteld tot 1 januari 2028. Dit verloopt voor de gemeenten budgettair neutraal. Vanuit de gedachte dat gemeenten opbrengsten vanuit de eigen bijdragen zouden gaan ontvangen, zouden zij minder ontvangen vanuit het gemeentefonds. Nu wordt dit voor 2027 dus teruggedraaid. Hoewel het gemeentefonds hierdoor in 2027 hoger uitvalt, betekent dit dat de verwachte opbrengsten (in de vorm van eigen bijdragen) juist wegvallen.’’ 12. Wat betekent het dat de middelen voor Geld voor klimaat en energie nog niet zijn bepaald? Antwoord: Dit betekent dat er op dit moment nog onvoldoende duidelijkheid is over de mogelijke middelen die hiervoor benodigd zijn. Hierover is in hoofdstuk 5 van de kadernota het volgende aangegeven: ''Gemeenten ontvangen vanuit het Rijk middelen voor klimaat- en energietaken.
Voor 2027 gaat het landelijk om € 671 miljoen, waarvan naar verwachting circa € 1,4 miljoen 5
voor onze gemeente beschikbaar komt. Een deel hiervan (€ 0,8 miljoen) is reeds opgenomen in de begroting, omdat deze middelen eerder zijn toegezegd. Deze financiering hangt samen met de landelijke ambitie uit het Klimaatakkoord om in 2050 een CO₂-neutrale samenleving te realiseren, waarvoor een ingrijpende energietransitie nodig is, waaronder het aardgasvrij maken van woningen en bedrijven en de omschakeling van fossiele naar duurzame energiebronnen en meer lokaal georganiseerde energiesystemen. De huidige middelen die we in de begroting hebben begroot worden met name ingezet voor personele capaciteit en kleinschalige onderzoeken Zodra we echter tot uitvoering van mogelijke collectieve warmte- en/of elektriciteits systemen gaan komen, inclusief bijbehorende (collectieve) organisaties, zullen deze middelen hoogstwaarschijnlijk ontoereikend zijn. Op dit moment zijn de extra benodigde middelen nog niet te bepalen.'' Vervolgaanpak richting begroting 2027–2030 13. Met welk percentage worden de OZB-tarieven verhoogd? Antwoord: In hoofdstuk 1 van de kadernota zijn de toe te passen uitgangspunten voor de begroting 2027-2030 toegelicht. Daarbij is o.a. inzichtelijk gemaakt hoe het toe te passen indexcijfer voor 2027 is berekend. Dit komt uit op 1,6%. Hierbij dient te worden opgemerkt dat de uiteindelijke gemeentelijke tarieven in december door de gemeenteraad worden vastgesteld. 14.
Hoe groot is de taakstelling op het budget Sociaal Domein? Antwoord: In de kadernota zijn de budgetten alleen met 5% bijgesteld voor verwachte prijsontwikkelingen (zie ook de beantwoording van vraag 24). Zoals in de kadernota is toegelicht wordt richting de begroting 2027–2030 toegewerkt naar een taakstellend budget voor het sociaal domein. De omvang van de opgave en de maatregelen waarmee hieraan invulling kan worden gegeven, worden de komende periode nader uitgewerkt. Programma 1 – Samen aan de slag voor het klimaat in Moerdijk 15. De kadernota bevat geen nieuwe ontwikkelingen, maar welke klimaat- en duurzaamheidsopgaven worden de komende jaren binnen bestaand beleid en bestaande middelen uitgevoerd? Antwoord: We geven verdere uitvoering aan de uitvoeringsagenda 2025-2029 zoals beschreven in het in 2025 vastgestelde Energieprogramma Moerdijk 2025 (raadsvergadering 16 april 2025). 16. En welke financiële risico’s of aanvullende investeringen zijn op termijn nog te verwachten? Antwoord: Zie de beantwoording van vraag 12 en 15.
6
Programma 2 – Prettig en veilig wonen en leven 17. Hoe wordt geborgd dat uitbreiding van capaciteit daadwerkelijk leidt tot betere sturing en tijdige uitvoering van vastgoedprojecten? Antwoord: De sturing op vastgoedprojecten ligt vrijwel altijd bij de projectmanager. In projecten werken we met multidisciplinaire projectgroepen, waarbij de planning van een project mede wordt bepaald door de beschikbare capaciteit/ de snelheid waarmee benodigde ‘producten’ vanuit de verschillende vakdisciplines geleverd kunnen woorden. De gevraagde capaciteit zorgt voor voldoende capaciteit vanuit het cluster vastgoed voor haar inbreng in deze vastgoedprojecten. Om daarmee ook vanuit het cluster vastgoed tijdig te kunnen voldoen aan het op basis van de gewenste planning gevraagde. 18. Zijn de middelen die het Rijk beschikbaar stelt voor de Wet versterking regie op de volkshuisvesting voldoende om deze taken structureel uit te voeren en welke risico’s ontstaan als die middelen achterblijven? Antwoord: De uitvoering van de Wet versterking regie op de volkshuisvesting leidt tot nieuwe wettelijke taken. Het Rijk heeft hiervoor nog geen structurele middelen beschikbaar gesteld. Wel heeft de gemeente Moerdijk via de decembercirculaire 2025 incidenteel € 170.000 ontvangen voor de uitvoering van de wet.
Deze middelen zijn incidenteel van aard en zijn verwerkt in het jaarrekeningresultaat 2025, waardoor ze niet beschikbaar zijn voor de implementatie van de wet en niet voor de structurele uitvoeringskosten vanaf 2026. Als structurele rijksmiddelen uitblijven of onvoldoende zijn, moeten de implementatie- en uitvoeringskosten uit de gemeentelijke begroting worden gedekt. 19. Voor Powerport wordt € 500.000 gevraagd terwijl afspraken met Rijk en provincie nog moeten worden gemaakt. Welke financiële risico’s loopt de gemeente bij voorfinanciering en welke garanties zijn er dat deze kosten worden vergoed? Antwoord: Op dit moment is er een toezegging dat de personele kosten tot en met het eerste half jaar 2026 vergoed zullen worden. Ook lopen de gesprekken voor de vergoedingen na 29 juni 2026. We hopen hier zo snel mogelijk duidelijkheid over te krijgen. Het financiële risico is op dit moment niet goed in te schatten omdat nog niet duidelijk is wat de personele inzet zal gaan worden na 29 juni 2026.
7
20. Hoe wordt de effectiviteit van de functie coördinator buitengebied gemeten en welke concrete resultaten zijn uit de pilot gekomen? Antwoord: Op basis van gesprekken met direct betrokkenen is de pilot Coördinator Buitengebied geëvalueerd en is geconcludeerd dat deze functie voorziet in een behoefte/ een meerwaarde heeft. Die liggen bijvoorbeeld op het gebied van accountmanagement voor de agrariërs op ons grondgebied, de behartiging van de belangen van de agrarische sector bij de afwegingen in het grootschalige gebiedsontwikkelingsproject Powerport, de verbetering/versterking van de samenwerking van de ZLTO en ook in het steviger positioneren van de agrarische belangen binnen de gemeentelijke organisatie. Dit vormt de basis voor het voorstel tot continueren van deze functie. Programma 3 – Economie 21. Kan het college de financiële onderbouwing geven van de eenmalige afkoopsom voor de zuidrandtunnel ten opzichte van jaarlijkse onderhoudslasten? Antwoord: De gemeente heeft een objectovereenkomst getekend met ProRail voor de realisatie van de Zuidrandtunnel. Daarbij hoort ook de verplichting tot het betalen van onderhoudskosten aan ProRail voor deze tunnel. De opgegeven onderhoudskosten bedragen: € 31.214 voor de eerste 3 jaar na opleveringen en € 17.461 per jaar voor de jaren daarna. Deze bedragen worden geïndexeerd.
De gemeente heeft ook de mogelijkheid gekregen om het onderhoud van ProRail eenmalig af te kopen voor een bedrag van € 430.000. Wanneer men het betalen van de jaarlijkse onderhoudskosten doorrekend over de gehele looptijd (80 jaar) en netto contant maakt naar het prijspeil van nu, dan resulteert dat in een bedrag van € 1.194.000 aan onderhoudskosten. Dit bedrag moet men vergelijken met het aanbod van eenmalige afkoop van € 430.000. Het blijkt dus dat naast andere praktische voordelen het éénmalig afkopen financieel gunstig is voor de gemeente. 22. Welke afspraken worden gemaakt met de huidige eigenaren op bedrijventerrein De Koekoeken en welke risico’s neemt de gemeente over bij het in beheer nemen van de buitenruimte? Antwoord: De beoogde afspraken betreffen de overname van de buitenruimte in de huidige staat. Komende periode worden nog een paar proefsleuven gegraven op het terrein, om goed zicht te hebben op de puinlaag die als fundatie van de weg is gebruikt en de mate waarin daar wel/niet voor het beheer kostenverhogende elementen in aanwezig zijn (bv. asbesthoudend materiaal, staalslakken). Dit wordt verwerkt in het risicoprofiel en de kostenraming die u middels een separaat raadsvoorstel zal worden voorgelegd.
De opgenomen kosten in de kadernota waren indicatief en dienen als ‘reminder’ dat uw raad daar op een later moment nog een afweging met financiële consequenties over te maken krijgt.
8
Programma 4 – Ondersteuning voor mensen die het nodig hebben 23. Welke volumegroei verwacht het college voor Jeugd en Wmo in 2027–2030 en is dit verwerkt in de kadernota? Antwoord: Voor de jeugdzorg zijn de gerealiseerde uitgaven over 2025 als basis gebruikt voor de meerjarenraming. Daarbij is rekening gehouden met een jaarlijkse indexering van 5% voor de verwachte prijsontwikkeling (zie ook de beantwoording van vraag 24). Voor de Wmo is in de kadernota geen aanvullende volumegroei opgenomen. In de huidige begroting (raadsvergadering 6 november 2025) is reeds een volumegroei opgenomen van jaarlijks €100.000 tot en met 2029 voor de Wmo-onderdelen begeleiding en huishoudelijke hulp. Aanvullende volumegroei opnemen wordt op dit moment niet noodzakelijk geacht. De ontwikkeling van de zorgvraag, het aantal inwoners dat ondersteuning ontvangt en de duur en intensiteit van de ondersteuning blijven we monitoren. Deze inzichten worden indien nodig via de reguliere P&C cyclus bijgesteld en voorgelegd aan de gemeenteraad. Daarnaast dient te worden opgemerkt dat de algemene uitkering uit het gemeentefonds landelijk over gemeenten wordt verdeeld op basis van diverse maatstaven. Naast het aantal inwoners wordt daarbij ook gekeken naar bijvoorbeeld het aantal jongeren, ouderen en huishoudens met een laag inkomen.
Dit vanuit de gedachte dat deze maatstaven iets zeggen over de kosten die gemeenten naar verwachting zullen gaan maken voor bijvoorbeeld de jeugdzorg en Wmo. Ook aan de inkomstenkant maken we daarom zo realistisch mogelijke inschattingen van de verwachte ontwikkeling in de betreffende maatstaven. Dit zodat niet alleen de lasten, maar ook de baten vanuit het gemeentefonds zo realistisch mogelijk in de begroting worden geraamd. 24. Welke maatregelen worden voorbereid om te zorgen dat zorgkosten buiten prijsindexatie niet groeien, en wat is de basis voor de gekozen 5%? Antwoord: In de kadernota is aangegeven dat de gemeente maatregelen wil uitwerken om de kostenontwikkeling binnen het sociaal domein af te vlakken en beter beheersbaar te maken. Daarbij wordt onder andere ingezet op het verbeteren van processen, het versterken van informatie gestuurd werken en het verkrijgen van beter zicht op de zorgstromen. Het gaat daarbij om meer grip op de instroom, beter inzicht in de inzet en duur van ondersteuning, het bewaken van de doorstroom en het waar mogelijk en passend toewerken naar afschaling of uitstroom. Voor het voorgestelde vervolgtraject wordt verder verwezen naar paragraaf 6.3 van de kadernota en de toelichting die de portefeuillehouder hierover heeft gegeven tijdens de commissievergadering van de kadernota.
Ten aanzien van de 5% prijsindexatie geldt, dat de stijgingen die we voorzien in deze kadernota voortkomen uit de kostenontwikkelingen die zich in 2025 hebben voorgedaan. Voor nader inzicht in de oorzaken van deze overschrijding wordt verwezen naar de informatiebrief d.d. 5 maart 2026. De gehanteerde 5% is gebaseerd op actuele ervaring cijfers ten aanzien van de prijsontwikkeling binnen de jeugdzorg.
9
25. Wat gebeurt er als de feitelijke zorgvraag hoger uitvalt dan geraamd? Antwoord: De begroting wordt opgesteld op basis van de best beschikbare inzichten op het moment van ramen. Wanneer de feitelijke zorgvraag hoger uitvalt dan geraamd, kan dit logischerwijs leiden tot hogere uitgaven dan begroot. De ontwikkeling van de zorgvraag en de uitgaven wordt gedurende het jaar gemonitord via de reguliere P&C cyclus. Indien noodzakelijk worden relevante afwijkingen via de bestuursrapportages aan de raad gemeld en wordt bezien welke inhoudelijke, organisatorische of financiële maatregelen nodig en mogelijk zijn. 26. Wanneer verwacht het college dat de effecten van de aanbevelingen uit het rekenkameronderzoek zichtbaar worden en hoe worden die gemonitord? Antwoord: De aanbevelingen uit het rekenkameronderzoek worden momenteel verder uitgewerkt en vertaald naar concrete verbetermaatregelen. In de kadernota is hiervoor een incidentele investering voor een periode van twee jaar opgenomen. Het doel hiervan is onder andere het versterken van monitoring, de sturing op complexe casuïstiek, de verbetering van werkprocessen en het beter inzichtelijk maken van zorgstromen, trajectduren en kostenontwikkelingen. De eerste effecten zullen naar verwachting vooral zichtbaar worden in verbeterde werkprocessen, monitoring en sturingsinformatie.
Financiële effecten en effecten op het zorggebruik zullen over een langere periode moeten worden gevolgd. Voor het voorgestelde vervolgtraject wordt ook verwezen naar paragraaf 6.3 van de kadernota en de toelichting die de portefeuillehouder hierover heeft gegeven tijdens de commissievergadering van de kadernota. 27. Welke prioriteiten stelt het college binnen het accommodatiebeleid en welke financiële consequenties kunnen daaruit voortvloeien? Antwoord: De vraag welke prioriteiten het college stelt is geen technische vraag, maar eerder een beleidsmatige of politieke vraag. In het algemeen geldt dat voor de verdere uitvoering van het maatschappelijk accommodatiebeleid momenteel een startnotitie wordt opgesteld. Hierin wordt een overzicht opgenomen van de verschillende onderwerpen, thema’s en mogelijke prioriteiten binnen het accommodatiebeleid. Bij het opstellen van deze startnotitie wordt onder andere gebruikgemaakt van de jaarlijkse gesprekken die de gemeente in juni en juli 2026 voert met verenigingen en stichtingen. Op basis van de startnotitie kunnen vervolgens bestuurlijke prioriteiten worden bepaald.
Onderwerpen die daarbij aan de orde kunnen komen zijn onder andere beheer en exploitatie van maatschappelijke accommodaties, sportvoorzieningen, zwembaden, multifunctionele accommodaties en cultuurvoorzieningen, contractbeheer, kostprijsdekkende huur, investerings- en verduurzamingsvraagstukken en de gemeentelijke rol en verantwoordelijkheidsverdeling. 10
Een onderwerp dat al expliciet is benoemd in het bestuursakkoord, is de businesscase voor een mogelijk sport- of accommodatiebedrijf, waar € 100.000 incidenteel budget voor is opgenomen. Daarnaast is in de kadernota een structureel bedrag van € 110.000 per jaar opgenomen voor de benodigde capaciteit om uitvoering te geven aan het maatschappelijk accommodatiebeleid. Dit bedrag is geen investeringsbudget voor de accommodaties zelf. Eventuele aanvullende financiële consequenties zijn afhankelijk van de prioriteiten en bestuurlijke keuzes die op basis van de startnotitie en businesscase worden gemaakt. Voor maatregelen met aanvullende financiële gevolgen worden, indien aan de orde, afzonderlijke voorstellen aan de raad voorgelegd. 28. Welke onderdelen van het programma Nieuwkomers worden na 2027 structureel ingebed en welke resultaten worden nagestreefd? Antwoord: De structurele inbedding vanuit het programma Nieuwkomers in de lijnorganisatie wordt vanaf de tweede helft van 2026 en in 2027 vormgegeven. De wettelijke taken van de gemeente zullen hier in elk geval onderdeel van uitmaken. Denkt u hierbij bijvoorbeeld aan de huisvesting van statushouders, de uitvoering van de Wet Inburgering 2021 en de opvangtaken rondom Oekraïense ontheemden en asielopvang. In de loop van 2026 en 2027 zullen de voorstellen omtrent de structurele inbedding en de beoogde doelen worden voorgelegd.
Programma 5 – Organisatie 29. Is de uitbreiding van recruitmentcapaciteit bedoeld voor vervanging van personeel of voor uitbreiding van de organisatie, en hoe wordt het effect gemeten? Antwoord: Zoals in de kadernota is toegelicht staat de gemeente door een combinatie van factoren voor een groeiende personeelsopgave. Door groei van de gemeente, toenemende maatschappelijke opgaven en uitstroom van medewerkers is er structureel instroom van nieuwe medewerkers nodig. Tegelijkertijd is de arbeidsmarkt krap en vraagt het aantrekken van geschikte kandidaten om een gerichte en professionele aanpak. Om recruitment verder te professionaliseren is eerder besloten recruitment als een apart aandachtsgebied binnen P&O te positioneren en hiervoor een corporate recruiter aan te stellen. Deze rol richt zich op de inhoudelijke begeleiding van werving en selectie en op het versterken van de positie van de gemeente op de arbeidsmarkt. De processen rondom recruitment en inhuur vragen daarnaast om structurele procesmatige en administratieve ondersteuning. Door deze werkzaamheden structureel te beleggen ontstaat continuïteit in de uitvoering en blijft het proces beheersbaar bij een groeiende vraag naar nieuwe medewerkers en tijdelijke inzet. De effecten van deze inspanningen worden regelmatig gemonitord via kwartaalrapportages recruitment.
11
30. In hoeverre had de investering in het klimaat van de vergaderruimten voorzien kunnen worden bij de recente renovatie van het gemeentehuis, zodat nu geen aanvullende middelen nodig zouden zijn en zijn deze kosten verhaalbaar op ontwerpers, adviseurs of uitvoerende partijen? Antwoord: Tijdens de voorbereiding van de verbouwing is de klimaatinstallatie voor de vergaderruimten ontworpen op basis van een bezettingsgraad van 75%. In de praktijk ligt de bezetting hoger, waardoor de luchtkwaliteit niet voldoet. Dit leidt tot klachten zoals slaperigheid, verminderde concentratie en hoofdpijn. Op basis van de huidige inzichten is geen sprake van een uitvoeringsfout waarvoor de opdrachtnemer aansprakelijk kan worden gesteld. De oorzaak ligt in de destijds gemaakte ontwerp- en optimalisatiekeuzes in combinatie met een hoger feitelijk gebruik van de vergaderruimten dan waarvan bij het ontwerp is uitgegaan. Wel wordt onderzocht op welke wijze de benodigde aanpassingen het meest doelmatig kunnen worden uitgevoerd, zodat de vergaderruimten weer voldoen aan de wettelijke eisen voor luchtkwaliteit en een gezonde werkomgeving. 31.
In hoeverre levert de investering in klimaatvergaderruimten energiebesparing en lagere exploitatielasten op? Antwoord: De investering is primair gericht op het verbeteren van de luchtkwaliteit in de vergaderruimten en het voldoen aan de wettelijke normen voor CO₂-concentraties. Het doel van de maatregel is het creëren van een gezonde en veilige werkomgeving en het voorkomen van klachten zoals slaperigheid, concentratieverlies en hoofdpijn. De voorgestelde aanpassing is daarom niet ingegeven vanuit een energiebesparingsopgave. Op voorhand worden geen substantiële energiebesparingen of lagere exploitatielasten verwacht. Integendeel, doordat meer ventilatiecapaciteit beschikbaar komt, kan het energieverbruik beperkt toenemen. De investering moet dan ook vooral worden gezien als een noodzakelijke kwaliteits- en arboverbetering, waarmee de klimaatinstallatie wordt aangepast aan het feitelijke gebruik van de vergaderruimten en wordt voldaan aan de geldende wettelijke eisen.
Met vriendelijke groet,
S. Elseman gemeentesecretaris
12