CConstaterende datMoerdijk
Koppel je AI →
Document · PDF

4i. Bijlage 06 Quickscan Natuurwetgeving

Raadsvergadering 8 december 2022, gemeente MoerdijkBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Kop Roode Vaart7.137 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Quickscan Natuurwetgeving Huizersdijk e.o. te Zevenbergen

Quickscan Natuurwetgeving Huizersdijk e.o. te Zevenbergen

Aeres Milieu Projectnummer Status rapport Datum

: AM20375 : Definitief (versie 1) : 3 november 2020

Opdrachtgever

: Accent Adviseurs Luchthavenweg 13E 5657EA Eindhoven

Opgesteld door

: ir. C. de Koning | ir. J.P.M Hovens

Gecontroleerd door Paraaf

: ing. J.M.G. Reuver :

Aeres Milieu B.V. Noordhoven 4 6042 NW ROERMOND (t) 0475 – 320 000 e-mail: info@aeres-milieu.nl www.aeres-milieu.nl

Pagina | 2 AM20375

INHOUDSOPGAVE 1.

INLEIDING ........................................................................................................................................................................ 4

2.

WET- en REGELGEVING .................................................................................................................................................... 5 2.1

Inleiding .................................................................................................................................................................... 5

2.2

Bescherming van Natura 2000-gebieden ................................................................................................................... 5

2.3

Natuurnetwerk Nederland ........................................................................................................................................ 6

2.4

Beschermde planten en dieren .................................................................................................................................. 6

3.

WERKWIJZE ...................................................................................................................................................................... 8 3.1

Beschrijving van de voorgenomen werkzaamheden .................................................................................................. 8

3.2

Werkwijze quickscan ................................................................................................................................................. 9

4.

BESCHERMDE NATUURWAARDEN ................................................................................................................................ 10 4.1

Beschrijving plangebied .......................................................................................................................................... 10

4.2

Natura 2000-gebieden ............................................................................................................................................ 13

4.3

Natuurnetwerk Nederland ...................................................................................................................................... 14

4.4

Beschermde planten en dieren ................................................................................................................................ 15

5.

MOGELIJKE EFFECTEN OP BESCHERMDE NATUURWAARDEN ..................................................................................... 19 5.1

Natura 2000 ............................................................................................................................................................ 19

5.2

Natuurnetwerk Brabant .......................................................................................................................................... 19

5.3

Beschermde planten en dieren ................................................................................................................................ 19

6. CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN .................................................................................................................................... 21 6.1

Natura 2000 ............................................................................................................................................................ 21

6.2

Natuurnetwerk Brabant .......................................................................................................................................... 21

6.3

Beschermde planten en dieren ................................................................................................................................ 21

LITERATUUR ........................................................................................................................................................................... 23

Bijlage: 1

Toelichting per beschermingsregime

Pagina | 3 AM20375

1. INLEIDING In opdracht van Accent Adviseurs heeft Aeres Milieu B.V. in samenwerking met Faunaconsult B.V. een quickscan natuurwetgeving uitgevoerd op de locatie: Adres onderzoekslocatie

: Huizersdijk e.o. te Zevenbergen

Gemeente

: Moerdijk

Kadastrale registratie

: Zevenbergen, sectie L, nummer 5791, 5790, 5789, 5530, 4263, 803, 4262, 4261, 826, 6162, 6042, 6041, 2361 en Zevenbergen, sectie K, nummer 1046, 1052 (gedeeltelijk).

Oppervlakte

: circa <oppervlakte> m2

Huidige bestemming

: grotendeels braakliggend, deels bedrijfsbestemming

Toekomstige bestemming

: Wonen

Op deze locatie worden woningen gerealiseerd. De voorgenomen ontwikkeling heeft aanleiding gegeven voor deze quickscan natuurwetgeving. Hierin is nagegaan welke effecten de ingreep heeft op lokaal voorkomende beschermde flora en fauna. Daarnaast is nagegaan welke invloed de ingreep heeft op beschermde Natura 2000-gebieden en overige beschermde natuurgebieden.

Doel en status van dit document Het risico bestaat dat het plangebied deel uitmaakt van leefgebieden van diverse beschermde soorten. Dit document geeft inzicht in de mogelijke knelpunten in het kader van natuurwetgeving en -beleid en mogelijke effecten als gevolg van het project. Het doel van dit document is om vast te stellen of de natuurwetgeving de geplande ontwikkeling in de weg staat. De ingreep kan een negatief effect hebben op beschermde natuurwaarden (plant- en diersoorten en bijbehorende leefgebieden) en beschermde gebieden. Dit document geeft aan of en welke vervolgstappen noodzakelijk zijn om te voldoen aan de minimale onderzoekinspanning vanuit de Wet natuurbescherming (Wnb) en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Daarnaast worden mitigerende (verzachtende) maatregelen aangegeven om significant negatieve effecten op voorhand te voorkomen en daarmee te voldoen aan de natuurwetgeving.

Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt een korte beschrijving gegeven van de relevante wet- en regelgeving. Hoofdstuk 3 beschrijft de geplande werkzaamheden en de werkwijze van de inventarisaties van de natuurwaarden. In hoofdstuk 4 worden de resultaten van de beleidsen veldinventarisaties weergegeven. Hoofdstuk 5 beschrijft de effecten van de voorgenomen ingreep op Natura 2000- gebieden, de in en nabij het plangebied aanwezige natuurwaarden, evenals de mogelijke overtredingen op de Wnb. Hoofdstuk 6 geeft de conclusies en aanbevelingen weer.

Pagina | 4 AM20375

2. WET- en REGELGEVING 2.1

Inleiding

In dit hoofdstuk wordt een korte toelichting gegeven op de juridische bescherming van de Nederlandse natuur. De Wet natuurbescherming (Wnb), die per 1 januari 2017 is ingegaan, vervangt drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en Faunawet en de Boswet. De Natuurbeschermingswet 1998 zorgde voor de bescherming van (natuur)gebieden en de Flora- en faunawet regelde de bescherming van alle in het wild levende planten- en diersoorten, dus ook buiten de beschermde gebieden. Bij werkzaamheden met betrekking tot ruimtelijke ingrepen, moest worden nagegaan of deze negatieve gevolgen zouden kunnen hebben voor beschermde soorten en/of beschermde gebieden. Bij kap van bomen moest worden bepaald of de Boswet van toepassing was (de Boswet regelde het behoud van bosopstanden of compensatie ervan). De basis van de nieuwe wetgeving blijft in grote lijnen gelijk, al verandert er wel een aantal zaken.

2.2

Bescherming van Natura 2000-gebieden

Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief. Wat betreft gebiedsbescherming, vervalt de bescherming van de Beschermde natuurmonumenten. Deze vallen echter vrijwel altijd (op enkele kleine gebieden na) binnen Natura 2000 of het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen EHS) en houden dus indirect wel bescherming, zij het niet in dezelfde mate. De provincies hebben daarnaast de bevoegdheid om bijzondere provinciale landschappen of bijzondere provinciale natuurgebieden aan te wijzen. Zij kunnen in een later stadium door de Minister worden toegevoegd aan Natura 2000-gebieden. Verder verandert er voor Natura 2000-gebieden weinig. De bescherming van deze gebieden is namelijk gebaseerd op internationale verplichtingen en die zijn niet veranderd. Per Natura 2000-gebied zijn (instandhoudings)doelen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Het bevoegd gezag kan schadelijke activiteiten beperken en eisen dat een vergunning op de Wnb wordt aangevraagd. Regulier beheer en bestaand gebruik zijn opgenomen in Natura 2000beheerplannen.

Na vaststelling van de beheerplannen hoeft daarvoor geen vergunning aangevraagd te worden. Wetlands worden beschermd door het internationale Ramsar-verdrag. Het zijn ook Natura 2000-gebieden en daardoor beschermd door de Wnb. Toetsing van de voorgenomen werkzaamheden in het plangebied aan de Wnb wat betreft Natura 2000-gebieden is opgenomen in hoofdstuk 5.

Pagina | 5 AM20375

2.3

Natuurnetwerk Nederland

Het Natuurnetwerk Nederland (NNN), vroeger de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) genoemd, is het Nederlandse netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het NNN is gebaseerd op provinciale regelgeving, die met ingang van de Wnb niet is veranderd. In het Natuurnetwerk Nederland liggen: •

bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken;

•

gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt;

•

landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer;

•

ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de kustzone van de Noordzee en de Waddenzee;

•

alle Natura 2000-gebieden.

Vanaf 2014 zijn de provincies verantwoordelijk voor de begrenzing en ontwikkeling van dit natuurnetwerk. Tot die tijd was de Rijksoverheid hiervoor verantwoordelijk. In het Natuurpact hebben de provincies met het rijk afgesproken om tot 2027 80.000 hectare natuur in te richten. Het NNN moet uiteindelijk samen met de natuurgebieden in andere Europese landen het aaneengesloten pan-Europees Ecologisch Netwerk (PEEN) vormen. De provincies hebben – zoals ook al in paragraaf 2.2 aangegeven - de bevoegdheid om bijzondere provinciale landschappen of bijzondere provinciale natuurgebieden aan te wijzen. Veel provincies hebben de Nationale Landschappen (sinds 2011 geen onderdeel meer van nationaal beleid) in hun provinciale beleid opgenomen. De toetsing van de voorgenomen werkzaamheden in het plangebied aan het provinciale beleid is opgenomen in hoofdstuk 5.

2.4

Beschermde planten en dieren

De lijsten met beschermde soorten zijn veranderd. Er zijn soorten die voorheen beschermd waren en onder de Wnb niet meer en andersom. Zo zijn een aantal soorten orchideeën, de kleine modderkruiper en rode bosmieren sinds 1 januari 2017 niet meer beschermd. De Wnb kent drie algemene beschermingsregimes waarin de voorschriften van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en twee verdragen (Bern en Bonn) zijn geïmplementeerd en waarin aanvullende voorschriften zijn gesteld voor de dier- en plantensoorten die niet onder die specifieke voorschriften vallen, maar wel bescherming behoeven (zie bijlage 1 voor een toelichting op verboden handelingen, afwijkingsmogelijkheden en criteria voor ontheffing/vrijstelling per beschermingsregime):

-

Vogels

alle vogels in de zin van de Vogelrichtlijn (paragraaf 3.1 van de Wnb). Verder nemen de meeste provincies de onder de Flora- en faunawet benoemde vogelsoorten waarvan het nest jaarrond werd beschermd over. Voor een aantal vogelsoorten geldt dat hun nesten jaarrond beschermd zijn, ook als de soort op het moment van de handeling geen gebruik maakt van het nest. Dit is het geval wanneer een vogelsoort jaarlijks terugkeert naar zijn nest en niet of nauwelijks in staat is om elders in zijn leefgebied een vervangend nest te vinden of te maken;

Pagina | 6 AM20375

-

Internationaal beschermde soorten

alle dieren en planten, genoemd in de bijlagen bij de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (paragraaf 3.2 van de Wnb);

-

Overige beschermde soorten

soorten genoemd in de bijlage bij de Wnb, die niet onder de reikwijdte van paragraaf 3.2 vallen (paragraaf 3.3 van de Wnb). Hieronder vallen onder meer de ‘algemene’ soorten die onder de Flora- en faunawet bij ruimtelijke ingrepen waren vrijgesteld. Vrijwel al deze soorten zijn door alle provincies eveneens voor ruimtelijke ingrepen vrijgesteld (een uitzondering geldt bijvoorbeeld voor de mol, die onder de Wnb niet meer is beschermd).

De beschermde status van soorten kan echter per provincie verschillen. Provincies hebben de bevoegdheid om bij provinciale verordening vrijstelling te verlenen voor nationaal beschermde soorten (Provinciale staten van Noord-Brabant, 2016). Er is dan geen ontheffing nodig voor werkzaamheden.

Voor soorten die ook niet in de bijlagen van de Wnb worden genoemd, fungeert de zorgplichtbepaling (artikel 1.11 Wnb) als vangnet. Op grond van deze bepaling moeten schadelijke handelingen voor alle in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving in beginsel achterwege worden gelaten, dan wel moeten maatregelen worden genomen om schadelijke gevolgen (zoveel mogelijk) te voorkomen.

De toetsing van de voorgenomen werkzaamheden in het plangebied aan de Wnb wat betreft flora en fauna is opgenomen in hoofdstuk 5.

Pagina | 7 AM20375

3. WERKWIJZE 3.1

Beschrijving van de voorgenomen werkzaamheden

De bestaande bebouwing (Huizersdijk 3 en Generaal Allenweg 2a) in het plangebied wordt gesloopt en de vegetatie wordt verwijderd. Vervolgens worden er woningen gebouwd. Ook worden er tuinen, parkeerplaatsen en openbaar groen aangelegd (zie figuur 3.1). Tijdens het veldbezoek waren enkele werkzaamheden al begonnen.

Figuur 3.1. Schets van de voorgestane situatie. Bron: Aeres Milieu.

Pagina | 8 AM20375

3.2

Werkwijze quickscan

Deze quickscan natuurwetgeving is uitgevoerd door middel van een veldbezoek en een literatuurstudie. Op 13 oktober 2020 heeft Faunaconsult B.V. het plangebied en de omgeving ervan bezocht voor een habitatgeschiktheidsonderzoek. Hierbij werd beoordeeld voor welke plant- en diersoorten het plangebied een geschikte habitat biedt. De onderste rij dakpannen van de voormalige suikerfabriek is geïnspecteerd met behulp van een ladder, zaklamp en boomcamera. De bebouwing aan de Huizersdijk 5 was tijdens het veldbezoek reeds gesloopt. Dit terrein is nu in gebruik door een autohandelaar en was niet toegankelijk voor dit onderzoek (geen toestemming eigenaar voor betreding). Het is daarom vanaf de straatzijde en vanaf de overzijde van het kanaal beoordeeld. De woning aan de Generaal Allenweg 2a is reeds op beschermde flora en fauna onderzocht d.m.v. een ecologische quickscan (Maas, 2020) en aanvullend vleermuizenonderzoek is reeds uitgevoerd (conform het Vleermuizenprotocol (Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus en Zoogdiervereniging, 2017; Maas en Kamp, 2020). Derhalve heeft Faunaconsult dit gebouw niet geïnspecteerd. Het terrein van de gemeente Moerdijk (in het noorden van het plangebied) was tijdens het veldbezoek al een bouwterrein en daarom niet toegankelijk voor onderzoek. Waarnemingen van soorten in het plangebied zijn genoteerd.

Met betrekking tot zoogdieren werd speciaal gelet op pootafdrukken, krabsporen, wissels, uitwerpselen, haren, graafsporen, holen en potentieel geschikte verblijfplaatsen. Het bureauonderzoek is gebaseerd op vrij verkrijgbare verspreidingsbronnen en waarnemingen van soorten: - Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (www.natura2000.nl/gebieden); - RAVON (www.ravon.nl); - FLORON (www.floron.nl); - SOVON (www.sovon.nl); - Zoogdiervereniging (www.zoogdiervereniging.nl); - NDFF Verspreidingsatlas (www.verspreidingsatlas.nl).

Pagina | 9 AM20375

4. BESCHERMDE NATUURWAARDEN 4.1

Beschrijving plangebied

Het plangebied (zie figuur 4.1.1 en de foto’s op de voorzijde van het rapport) ligt centraal in Zevenbergen, binnen de bebouwde kom. Ten westen bevindt zich een bedrijventerrein en de overige zijdes grenzen aan woningen met tuinen. Het plangebied bestaat uit meerdere delen die verschillend zijn ingericht (zie figuur 4.1.1). Deel 1 is een braakliggend terrein met een wat verruigde vegetatie met soorten als braam, smalle weegbree, bezemkruiskruid, Canadese guldenroede, braam, yucca, rode klaver, akkerdistel, Teunisbloem, zilverschoon, koninginnenkruid en rode kornoelje (figuur 4.1.2). Gedeeltelijk is er opslag van es, smalbladige wilg, zwarte els, breedbladige wilg, esdoorn en ratelpopulier aanwezig. Aan de overzijde van de weg, aan de westzijde van het plangebied, is gazon aanwezig en laanbomen (vleugelnoot). Deel 2 is een autobedrijf waar auto’s zijn gestald (figuur 4.1.3). Bebouwing was hier tijdens het veldbezoek niet meer aanwezig. Dit deel is geheel verhard en vegetatie is vrijwel geheel afwezig, ook op de oever. Deel 3 is een voormalige suikerfabriek waarin enkele bedrijven zijn gehuisvest (figuur 4.1.4). Aan de achterzijde bevindt zich een tuin met soorten als grote brandnetel, paardenbloem, kaal knopkruid, melganzenvoet, berberis, smalbladige wilg, Canadese fijnstraal, bezemkruiskruid, aucuba, haagwinde, smalle weegbree, boerenwormkruid, biggenkruid en laurierkers.

Deel 4 was tijdens het veldbezoek ingericht als bouwplaats (figuur 4.1.5). Het is bij Faunaconsult niet bekend wat de inrichting hiervoor was. Deel 5 is het gebied met kade aan de Gen. Allenweg (figuur 4.1.6). Hierin komen soorten voor als smalle weegbree, paardenbloem, vijfvingerkruid, bezemkruiskruid, teunisbloem, braam, Japanse duizendknoop, ridderzuring, haagwinde, berenklauw, muurpeper, smeerwortel, biggenkruid, riet, melganzenvoet en Jacobskruiskruid. Deel 6 is een kanaal (‘Mark’ en ‘Roode Vaart’; figuur 4.1.7). Hierin groeit gele plomp en aan de oevers groeien soorten als es (opslag), smalbladige wilg en riet. De woning aan de Gen. Allenweg 2a is reeds onderzocht op beschermde flora en fauna (Maas, 2020; Maas en Kamp, 2020; zie paragraaf 3.2). Derhalve valt dit gebouw buiten het feitelijke plangebied. De bebouwing aan de Huizersdijk 5 was tijdens het veldbezoek al gesloopt (zie figuur 4.1.1). Het is bij Faunaconsult onbekend of hieraan vooraf onderzoek naar beschermde flora en fauna heeft plaatsgevonden. Op het terrein van de gemeente Moerdijk waren de werkzaamheden al begonnen. Dit terrein was al een bouwplaats en daarom niet door Faunaconsult onderzocht. Dit terrein valt daarom buiten het feitelijke plangebied.

Pagina | 10 AM20375

4 3 2 5 1 6

Figuur 4.1.1. Het plangebied: 1) braakliggend terrein; 2) autobedrijf; 3) voormalige suikerfabriek; 4) bouwplaats; 5) kade Gen. Allenweg en 6) kanaal. De bebouwing aan Huizersdijk 5 (gele ster) is reeds gesloopt. De woning aan de Generaal Allenweg 2a (blauwe ster) is reeds onderzocht en valt daarom buiten het feitelijke plangebied. Bron: Google Maps.

Figuur 4.1.2. Deelgebied 1; braakliggend terrein.

Pagina | 11 AM20375

Figuur 4.1.3. Deelgebied 2; autobedrijf.

Figuur 4.1.4. Deelgebied 3; voormalige suikerfabriek aan Huizersdijk 3.

Figuur 4.1.5. Deelgebied 4; bouwplaats. Pagina | 12 AM20375

Figuur 4.1.6. Deelgebied 5; kade Generaal Allenweg.

Figuur 4.1.7. Deelgebied 6; kanaal. Rechts de bouwplaats en voormalige suikerfabriek, links Gen. Allenweg 2a.

4.2

Natura 2000-gebieden

Natura 2000-gebied ‘Hollands Diep’ is het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, op een afstand van circa 6,1 kilometer ten noorden van het plangebied. Natura 2000-gebied ‘Biesbosch’ bevindt zich op 9,4 kilometer van het plangebied. Overige Natura 2000-gebieden liggen op meer dan 10 kilometer afstand van het plangebied (zie figuur 4.2).

Pagina | 13 AM20375

Figuur 4.2. Ligging van het plangebied (rode stip) ten opzichte van Natura-2000 gebieden (groen weergegeven). Bron: www.natura2000.nl/gebieden.

4.3

Natuurnetwerk Nederland

Op circa 940 meter ten noordoosten van het plangebied ligt het dichtstbijzijnde onderdeel van het Natuurnetwerk Brabant (NNB), het Brabantse deel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Dit bestaat uit het beheertype ‘Beek en Bron’ (zie figuur 4.3).

Pagina | 14 AM20375

Figuur 4.3. Ligging van het plangebied (rood omcirkeld) ten opzichte van het NNB (gekleurde). Bron: website Provincie Noord-Brabant (www.kaartbank.brabant.nl/viewer/app/natuurbeheerplan).

4.4

Beschermde planten en dieren

De voormalige suikerfabriek aan de Huizersdijk 3 is de enige bebouwing in het plangebied. Dit gebouw heeft een pannen dak en steense muren. De onderste rij dakpannen sluit vrijwel geheel aan de dakgoot aan en is daardoor te nauw voor huismussen of andere vogels (zie figuur 4.4.1). Spouw is afwezig en de betimmering van de dakgoot (zie figuur 4.4.2) en -overstek zijn vrij van kieren. De raamkozijnen sluiten nauw op de gevels aan. Er zijn geen openingen van de buitenaf naar de zolder en op de zolder zijn vleermuisuitwerpselen etc. afwezig. Overige openingen of kieren in de gevels waar vleermuizen kunnen invliegen of gierzwaluwen kunnen nestelen, zijn overal afwezig. Huismusnesten, gierzwaluwnesten en vleermuisverblijven zijn in de voormalige suikerfabriek afwezig.

Pagina | 15 AM20375

Figuur 4.4.1. Onder de onderste rij dakpannen is geen ruimte voor huismusnesten.

Figuur 4.4.2. De gootbetimmering sluit overal nauw aan; er is hierdoor geen ruimte waar vleermuizen in kunnen vliegen.

In het gehele plangebied zijn holle bomen afwezig. Het is daarom uitgesloten dat er echte vleermuisverblijven, uilenverblijven etc. in het plangebied aanwezig zijn. Op enkele plaatsen in het plangebied is opgaande, lijnvormige beplanting aanwezig; de laanbomen aan de Huizersdijk dienen mogelijk als vliegroute of foerageergebied van verschillende soorten vleermuizen, net als het kanaal (zie figuur 4.4.3). Naast de Generaal Allenweg, net buiten het plangebied, bevindt zich een parkachtige structuur. Ook deze dient mogelijk als vliegroute of foerageergebied van verschillende soorten vleermuizen. Uit het vleermuizenonderzoek van Maas en Kamp (2020) blijkt dat de woning met tuin aan de Generaal Allenweg 2a geen functie heeft voor vleermuizen. Wel werden er tijdens elke onderzoeksronde vleermuizen (voornamelijk gewone dwergvleermuis) waargenomen, direct buiten het plangebied. De plek met de meeste foeragerende vleermuizen was het kanaal Zwanengat, direct ten noorden van het plangebied; hier werden gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger waargenomen. Boven de bosschages langs het kanaal De Mark werd zowel gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis als watervleermuis waargenomen. Ter hoogte van de bomen in het parkachtige gebied naast de Gen. Allenweg (net buiten het plangebied) waren ook gewone dwergvleermuizen aanwezig. Pagina | 16 AM20375

Met deze gegevens is het aannemelijk dat zowel kanaal De Mark als het parkachtige gebied aan de Gen. Allenweg (buiten het plangebied) dienen als vliegroute en foerageergebied van verschillende soorten vleermuizen (de laanbomen aan de Huizersdijk zijn niet onderzocht, maar vanwege de structuur wel geschikt als vliegroute en/of foerageergebied voor vleermuizen). Omdat vaste vliegroutes en foerageergebieden van vleermuizen onder de Wet natuurbescherming als een vaste voortplantings- of rustplaats worden gezien, is een aantal vleermuissoorten in tabel 4.4 opgenomen.

Figuur 4.4.3. Het kanaal dient mogelijk als vliegroute of foerageergebied van vleermuizen, net als de parkachtige structuur aan de Generaal Allenweg (hier zichtbaar aan de linkerzijden van de foto).

Dassenburchten, latrines of sporen van dassen zijn afwezig, net als eekhoornnesten. Voor kleine marters, zoals de wezel, biedt het plangebied voldoende beschutting en is het daarnaast voldoende groot (circa 2,5 hectare). Met name het struweel, de groene oevers, hoge graslandvegetatie, rietlanden en rommelhoekjes in het plangebied zijn voor kleine marterachtigen geschikt. Daarnaast is ook de aanwezigheid van water gunstig voor hermelijn en bunzing (Bouwens, 2017). Mogelijk maakt het parkachtige gebied aan de overzijde van de Generaal Allenweg (net buiten het plangebied) ook deel uit van leefgebied van kleine marters. Ook overige algemene zoogdieren zoals de veldmuis kunnen in het plangebied voorkomen (zie tabel 4.4). In en rond het plangebied werden de volgende soorten waargenomen: roodborst, waterhoen, meerkoet, kleine lijster, barmsijs, kramsvogel, houtduif, kokmeeuw, witte kwikstaart, kneu en krakeend. Tijdens het veldbezoek werden geen jaarrond beschermde vogelnesten of overige strenger beschermde vogelnesten waargenomen. Het is aannemelijk dat er in het broedseizoen algemeen voorkomende vogels in het plangebied broeden. In het plangebied zijn alleen algemene, niet beschermde planten waargenomen (zie paragraaf 4.1). Wateren die als voortplantingswater voor bijzondere amfibieën kunnen dienen, zijn afwezig.

Voor bijzondere amfibieën is het kanaal ongeschikt als voortplantingswater, vanwege de sterk beschoeide oevers (zie figuur 4.4.3) en de aanwezigheid van vis. Op enkele plekken is de kade bekleed met rechtop staande damwandplaten, waardoor amfibieën het water niet uit kunnen. Bijzondere amfibieën zijn daarom niet in het plangebied te verwachten. Het is wel mogelijk dat algemene amfibieënsoorten (delen van) het plangebied als voortplantings- en landhabitat gebruiken. Reptielen zijn afwezig en andere soorten, die beschermd zijn onder de Wnb, zijn niet te verwachten in het plangebied. Tabel 4.4 geeft de beschermde soorten weer die (mogelijk) een vaste voortplantings- of rustplaats in het plangebied hebben.

Pagina | 17 AM20375

Nederlandse en wetenschappelijke naam

Vogels met jaarrond

Internationaal

Overige beschermde

beschermd nest

beschermde soorten

soorten

Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus)

X

Ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii)

X

Laatvlieger (Eptesicus serotinus)

X

Gewone grootoorvleermuis (Plecotus auritus)

X

Wezel (Mustela nivalis)

X

Hermelijn (Mustela erminea)

X

Bunzing (Mustela putorius)

X

Bosmuis (Apodemus sylvaticus)

X

Huisspitsmuis (Crocidura russula)

X

Veldmuis (Microtus arvalis)

X

Bruine kikker (Rana temporaria)

X

Gewone pad (Bufo bufo)

X

Tabel 4.4. (potentieel) in het plangebied voorkomende beschermde soorten. Het beschermingsregime van de soorten in de Wnb is eveneens weergegeven.

Pagina | 18 AM20375

5. MOGELIJKE EFFECTEN OP BESCHERMDE NATUURWAARDEN 5.1

Natura 2000

Door de voorgenomen werkzaamheden kan verstoring door geluid en beweging optreden. Deze effecten zijn zeer lokaal; bovendien liggen de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden ‘Hollands Diep’ en ‘Biesbosch’ op een afstand van resp. 6,1 en 9,4 kilometer van het plangebied. Tussen het gebied ‘Hollands Diep’ en het plangebied in ligt de snelweg A17, de provinciale weg N285, enkele agrarische bedrijven en een industriegebied. Tussen het plangebied en Natura 2000-gebied ‘Biesbosch’ in liggen de snelwegen A17 en A16, ligt de provinciale weg N285, een gedeelte van een industrieterrein, de bebouwde komt van Moerdijk en enkele agrarische bedrijven. Ook vanwege de afstand verwachten wij van de voorgenomen werkzaamheden geen effect op bovengenoemde Natura 2000-gebieden. Het hierboven genoemde Natura 2000-gebied ‘Biesbosch’ bevat tenminste één stikstofgevoelig habitattype, dat te maken heeft met overbelasting door stikstof. De bouw en het gebruik van de woningen zal leiden tot wat stikstofuitstoot. Vanwege de afstand tussen de Natura 2000-gebieden en het plangebied verwachten wij echter geen significant effect op bovengenoemde (en verder van het plangebied gelegen) Natura 2000-gebieden.

5.2

Natuurnetwerk Brabant

Het plangebied ligt op circa 940 meter afstand van het dichtstbijzijnde onderdeel van het Natuurnetwerk Brabant (NNB), bestaande uit het beheertype ‘Beek en Bron’. Vanwege de afstand tussen het NNB en het plangebied verwachten wij dat de plannen geen effect op het NNB zullen hebben.

5.3

Beschermde planten en dieren

Als gevolg van de werkzaamheden kunnen onderstaande effecten op beschermde flora en fauna optreden: •

Bij de werkzaamheden kunnen vaste voortplantings- of rustplaatsen van algemene beschermde zoogdieren (waaronder kleine marters) en amfibieën worden aangetast. Individuen kunnen hierbij worden verwond of gedood.

•

De laanbomen (vleugelnoten) aan de Huizersdijk, het kanaal De Mark en de parkachtige structuur aan de Generaal Allenweg net buiten het plangebied dienen zeer waarschijnlijk als vliegroute en/of foerageergebied van verschillende soorten vleermuizen. Omdat er geen bomen worden gekapt en het kanaal behouden blijft, is er geen aantasting van een eventuele vliegroute of foerageergebied te verwachten. Het plaatsen van vleermuisonvriendelijke buitenverlichting nabij deze bomen kan wel een belangrijke verstoring voor vleermuizen opleveren.

•

In de opgaande vegetatie in het plangebied bevinden zich in het broedseizoen mogelijk (beschermde) vogelnesten. Als de opgaande vegetatie tijdens het broedseizoen wordt verwijderd, kunnen broedende vogels worden verstoord (hun jongen kunnen hierdoor te lang zijn achtergelaten en eieren kunnen te lang niet zijn bebroed) of vernietigd. Ook kan het leiden tot sterfte van eieren en jonge vogels.

Pagina | 19 AM20375

In tabel 5.3 zijn de mogelijke overtredingen van de verbodsbepalingen van de Wnb weergegeven. In hoofdstuk 6 wordt uitgelegd hoe deze overtredingen kunnen worden voorkomen.

Soort

Vleermuizen

Beschermingsregime Wnb

Art. 3.1

Art. 3.1

Art. 3.5

Art. 3.5

Art. 3.5

Art. 3.5

Art. 3.10

lid 1

lid 2

lid 1

lid 2

lid 3

lid 4

lid 1

Internationaal beschermde

X

soorten Kleine marterachtigen

Overige soorten*

Algemeen voorkomende

Overige soorten

X X

grondgebonden zoogdieren en

X

amfibieën Algemene in opgaande vegetaties

Vogels

broedende vogels

X

X

Tabel 5.3. Mogelijke overtredingen van algemene verbodsbepalingen van de Wnb. Zie bijlage 1 voor een verklaring van de beschermingscategorieën en een overzicht van alle verbodsbepalingen. *

Deze soorten zijn in dit geval niet vrijgesteld voor ruimtelijke ontwikkelingen.

Artikel 3.1 (m.b.t. Vogels) - lid 1: het opzettelijk doden en vangen van vogels - lid 2: het opzettelijk vernielen en beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren en het wegnemen van nesten Artikel 3.5 (m.b.t. Internationaal beschermde soorten): - lid 1: het opzettelijk doden of vangen van habitatsoorten - lid 2: het opzettelijk verstoren van habitatsoorten - lid 3: het opzettelijk vernielen en rapen van eieren van habitatsoorten - lid 4: het beschadigen en vernielen van de voortplantingsplaatsen en rustplaatsen van habitatsoorten Artikel 3.10 lid 1 (m.b.t. A-soorten): het is verboden (a) in het wild levende A-soorten opzettelijk te doden of te vangen; (b) de vaste voortplantingsplaatsen of rustpl aatsen van de A-soorten opzettelijk te beschadigen of te vernielen; en De onder (a) en (b) genoemde verboden zijn niet van toepassing op de bos -, huisspits- en veldmuis voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende ervan of roerende za ken bevinden (artikel 3.10 lid 3 Wnb).

Pagina | 20 AM20375

6. CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN 6.1

Natura 2000

De plannen zullen naar onze mening waarschijnlijk geen effect op de natuurwaarden in Natura 2000-gebieden hebben. Om elk risico uit te sluiten, is het echter te overwegen de te verwachten stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden te laten bepalen. Indien daaruit blijkt dat er een significante toename is te verwachten, is er een vergunning nodig op grond van de Wnb.

6.2

Natuurnetwerk Brabant

De bouw en het gebruik van de woningen en de toenemende verkeersbewegingen hebben waarschijnlijk geen negatieve effecten op het NNB. Omdat er geen negatieve effecten op het NNB zijn te verwachten, zijn er op dit punt geen bezwaren vanuit het provinciale natuurbeleid.

6.3

Beschermde planten en dieren

Huizersdijk 5 en terrein Gemeente Moerdijk: mogelijke overtredingen De bebouwing aan de Huizersdijk 5 was tijdens het veldbezoek van Faunaconsult al gesloopt. Dit terrein, waar momenteel een autohandelaar actief is, was niet toegankelijk voor onderzoek. Op het terrein van de Gemeente Moerdijk (noordelijk in het plangebied gelegen) waren al werkzaamheden begonnen. Ten tijde van het veldbezoek was dit een bouwplaats (niet toegankelijk). Het is niet onbekend of voorgenoemde terreinen voorafgaand aan de werkzaamheden zijn onderzocht op de aanwezigheid van beschermde flora en fauna. Mogelijk zijn er daardoor (onbedoeld) overtredingen op de Wet natuurbescherming begaan.

Algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren en amfibieën In het plangebied komen mogelijk zoogdieren en amfibieën voor, die onder de Wnb zijn beschermd. Het gaat om algemeen voorkomende soorten (zogenaamde A-soorten), waarvoor in de provincie Noord-Brabant een algemene vrijstelling geldt in geval van ruimtelijke ontwikkeling en beheer en onderhoud. Dit houdt in dat deze soorten verstoord mogen worden, zonder dat daar vooraf een ontheffing voor is verkregen. Wel geldt altijd de Zorgplicht (artikel 1.11 Wnb); deze houdt in dat nadelige gevolgen voor dieren en planten altijd zoveel mogelijk moeten worden voorkomen. Om aan de algemene zorgplicht te voldoen, moeten dieren die tijdens de werkzaamheden worden aangetroffen, zo snel mogelijk naar een aangrenzende locatie buiten het plangebied worden verplaatst.

Vleermuizen De woning aan de Generaal Allenweg 2a heeft geen functie voor vleermuizen (Maas en Kamp, 2020). De laanbomen aan de Huizersdijk, het kanaal De Mark en het parkachtige gebied aan de Generaal Allenweg (net buiten het plangebied) fungeren zeer waarschijnlijk wel als vaste vliegroute en/of foerageergebied van vleermuizen.

Pagina | 21 AM20375

Langs De Mark en de parkachtige structuur aan de Gen. Allenweg zijn diverse soorten vleermuizen waargenomen (Maas en Kamp, 2020). Omdat er geen bomen worden gekapt en het kanaal wordt behouden, is er geen sprake van aantasting van een vaste vliegroute of foerageergebied. Om verstoring van vleermuizen te voorkomen, mag er tot op een afstand van 10 meter van de bomen aan de Huizersdijk en Generaal Allenweg en het kanaal De Mark alleen vleermuisvriendelijke buitenverlichting worden geplaatst; van de bomen en het water af omlaag gerichte straatverlichting, met een scherpe bundel, zoals ledlampen. Hierbij kan worden gekozen voor amberkleurige UV-vrije led armaturen (Zoogdiervereniging, 2011) of rood licht (Spoelstra et al, 2017). Daarnaast is het voor vleermuizen aan te bevelen inlandse loofboomsoorten waar mogelijk te behouden en aan te planten (zij vormen een geschikte voedselbron voor insecten, die op hun beurt weer als voedsel voor vleermuizen kunnen dienen).

Kleine marterachtigen In het plangebied komen mogelijk zoogdieren voor die in de provincie Noord-Brabant niet zijn vrijgesteld voor ruimtelijke ontwikkeling. Het gaat om wezel, hermelijn en bunzing (allemaal A-soorten die in Noord-Brabant niet zijn vrijgesteld). Conform de Provincie Noord-Brabant hoeven plangebieden kleiner dan één hectare niet nader te worden onderzocht op het voorkomen van kleine marterachtigen als de bunzing en de wezel (Bouwens, 2017). Omdat het plangebied zelf 4 ha is (waarvan bijna 2,5 ha potentieel leefgebied voor kleine marters), dient er echter nader onderzoek naar de aanwezigheid van kleine marters plaats te vinden. Onderzoek naar de wezel en hermelijn kan worden uitgevoerd gedurende 6 weken in de periode maart t/m augustus (wanneer de dieren het meest actief zijn) of 3 maanden in de periode september t/m februari. Hierbij worden marterboxen (Mostela’s; niet geschikt voor onderzoek naar bunzing) geplaatst. Vanwege de oppervlakte van het plangebied (2-3 hectare) dienen er minimaal 2 marterboxen te worden geplaatst in de actieve periode, en 4 marterboxen buiten de actieve periode (Bouwens, 2017). Onderzoek naar de bunzing kan gedurende 6 weken in de periode maart t/m augustus (wanneer de dieren het meest actief zijn) of 3 maanden in de periode september t/m februari.

Hierbij worden cameravallen (ongeschikt voor onderzoek naar wezel en hermelijn) geplaatst. 1 cameraval is voldoende in de actieve periode voor een plangebied tot 3 hectare (2 cameravallen voldoen buiten de actieve periode; Bouwens, 2017).

Vogels In de opgaande vegetatie in het plangebied komen mogelijk beschermde vogelnesten voor tijdens het broedseizoen. Het gaat om vogels waarvan het nest niet jaarrond wordt beschermd of als strenger beschermd wordt beschouwd. Hiervoor zijn maatregelen die negatieve effecten voorkomen wel verplicht. Verstoring van broedvogels en vernietiging van vogelnesten kan worden voorkomen door de vegetatie buiten de periode 15 maart – 15 juli (het broedseizoen van de meeste vogels) te verwijderen. Door naleving van deze maatregel worden ten aanzien van vogels geen overtredingen op de Wet natuurbescherming begaan.

Pagina | 22 AM20375

LITERATUUR •

Bouwens, S. 2017. Handreiking Kleine Marters in relatie tot soortbescherming. Versie 11 oktober 2017.

•

Maas, D. 2020. Ecologische quickscan Generaal Allenweg 2a Zevenbergen. In opdracht van: B.V. Schapers & Zn. Maasarend, Raamsdonksveer.

•

Maas, D. en M. Kamp. 2020. Eindrapportage vleermuisinventarisaties Generaal Allenweg 2a Zevenbergen. In opdracht van: ZeemanVastgoed. Maasarend, Raamsdonksveer.

•

Ministerie van Economische Zaken, 2016. Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen. Ministerie van Economische Zaken, Den Haag.

•

Provincie Noord-Brabant, 2016. Nieuwsbrief Wet natuurbescherming, december 2016.

•

Provinciale staten van Noord-Brabant. 2016. Verordening van Provinciale Staten van de provincie Noord-Brabant houdende regels ter bescherming van de natuur (Verordening natuurbescherming Noord-Brabant). Link: http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/XHTMLoutput/Historie/Noord-Brabant/600901/CVDR600901_1.html.

•

Spoelstra, K, R.H.A. van Grunsven, J.J.C. Ramakers, K.B. Ferguson, T. Raap, M. Donners, E.M. Veenendaal en M. E. Visser. 2017. Response of bats to light with different spectra: light-shy and agile bat-presence is affected by white and green, but not by red light. The Royal Society Publishing. www.rspb.royalsocietypublishing.org.

•

Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus en Zoogdiervereniging. 2017. Vleermuisprotocol 2017, maart 2017. www.netwerkgroenebureaus.nl en www.zoogdiervereniging.nl.

•

Zoogdiervereniging, 2011. Een vleermuisvriendelijke kleur voor verlichting. www.zoogdiervereniging.nl/eenvleermuisvriendelijke-kleur-voor-verlichting.

Pagina | 23 AM20375

BIJLAGE 1. TOELICHTING PER BESCHERMINGSREGIME Vogels Verbodsbepalingen en afwijkingsmogelijkheden Het beschermingsregime voor vogels is neergelegd in de artikelen 3.1 tot en met 3.4 van de Wnb. Deze bepalingen gelden voor alle van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Op grond van de artikelen 3.1 en 3.2 gelden voor deze vogels de volgende verboden:

•

het opzettelijk doden en vangen van vogels (artikel 3.1 lid 1 Wnb)

•

het opzettelijk vernielen en beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren en het wegnemen van nesten (artikel 3.1 lid 2 Wnb)

•

het rapen en houden van eieren (artikel 3.1 lid 3 Wnb)

•

het opzettelijk storen van vogels indien dit van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende soort (artikel 3.1 lid 4 en 5 Wnb)

•

het verkopen, vervoeren voor verkoop, onder zich hebben voor verkoop of ten verkoop aanbieden van (gemakkelijk herkenbare delen of producten van) dode of levende vogels (artikel 3.2 lid 1 Wnb)

•

het, anders dan voor verkoop, houden en vervoeren van (gemakkelijk herkenbare delen of producten van) dode of levende vogels (artikel 3.2 lid 6 Wnb)

•

het, voor zover bij of krachtens de Wnb toegestaan, vangen of doden van vogels met – kort gezegd – verboden middelen en het achtervolgen met behulp van in de Vogelrichtlijn genoemde vervoermiddelen overeenkomstig de in de Vogelrichtlijn omschreven wijze (artikel 3.4 lid 1 Wnb).

Het beschermingsregime gaat uit van het ‘nee, tenzij-principe’. Dit betekent dat de genoemde schadelijke handelingen verboden zijn, tenzij het bevoegd gezag een afwijking van het verbod toestaat. Die toestemming kan worden verleend door middel van een ontheffing of vrijstelling.

Criteria voor ontheffing of vrijstelling Gedeputeerde staten (‘GS’) kunnen van vrijwel alle hierboven omschreven verboden ontheffing verlenen. Provinciale staten (‘PS’) kunnen daarnaast bij verordening vrijstelling verlenen van deze verboden. Voor een paar specifieke verboden is de minister van Economische Zaken (de ‘minister’) het bevoegd gezag, namelijk de verboden die zien op de verkoop en het vervoer van vogels. Indien een afwijking van een verbodsbepaling wordt toegestaan, moet daarbij in ieder geval worden bepaald op welke soort de afwijking betrekking heeft, welke middelen, installaties of methoden voor het vangen of doden zijn toegestaan en welke voorwaarden gelden ter beperking van de risico’s en met betrekking tot het tijdstip en de plaats van de handeling. Daarnaast moet voor de verlening van een ontheffing of vrijstelling aan een aantal cumulatieve criteria zijn voldaan. Dit betekent dat er:

•

geen andere bevredigende oplossing mag bestaan;

•

de maatregelen niet mogen leiden tot verslechtering van de staat van instandhouding van de desbetreffende soort en;

•

de ontheffing nodig is in verband met één van de volgende zes gronden: -

het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid;

-

het belang van de veiligheid van het luchtverkeer;

-

ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren; Pagina | 24

AM20375

-

ter bescherming van flora of fauna;

-

voor onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten of voor de daarmee samenhangende teelt; of

-

om het vangen, het onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan.

Internationaal beschermde soorten Deze soorten worden in de praktijk vaak aangeduid als de ‘strikt beschermde soorten’, omdat voor deze soorten alleen onder strikte voorwaarden ontheffing van een verbodsbepaling kan worden verkregen. Bekende voorbeelden van habitatsoorten zijn de drijvende waterweegbree, de rugstreeppad en de zandhagedis.

Verbodsbepalingen De belangrijkste verboden uit de Wnb zijn:

•

het opzettelijk doden of vangen van habitatsoorten (artikel 3.5 lid 1 Wnb)

•

het opzettelijk verstoren van habitatsoorten (artikel 3.5 lid 2 Wnb)

•

het opzettelijk vernielen en rapen van eieren van habitatsoorten (artikel 3.5 lid 3 Wnb)

•

het beschadigen en vernielen van de voortplantingsplaatsen en rustplaatsen van habitatsoorten (artikel 3.5 lid 4 Wnb)

•

het opzettelijk plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen en vernielen van habitatsoorten (artikel 3.5 lid 5 Wnb)

•

het, anders dan voor verkoop, onder zich hebben of vervoeren van habitatsoorten (artikel 3.6 lid 2 Wnb).

Criteria voor ontheffing of vrijstelling Gedeputeerde Staten kunnen van deze verboden ontheffing verlenen en Provinciale Staten kunnen bij verordening vrijstelling verlenen van deze verboden (artikel 3.8 lid 2 en 3.9 lid 2 Wnb). Er is een aantal (cumulatieve) criteria (opgesomd in artikel 3.8 lid 5 Wnb) om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen; deze worden slechts verleend indien:

•

er geen andere bevredigende oplossing bestaat (alternatieventoets)

•

er geen afbreuk wordt gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijk verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan

•

de ontheffing of vrijstelling nodig is: -

in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats;

-

ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom;

-

in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten;

-

voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten; of

-

om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben. Pagina | 25

AM20375

Overige beschermde soorten Dit aanvullende beschermingsregime vloeit niet voort uit Europese wet- of regelgeving en beschermt alleen de in het wild levende diersoorten die worden genoemd in onderdeel A van de bijlage bij de Wnb. Voorbeelden zijn de hermelijn en de wezel (‘A-soorten’). Daarnaast worden vaatplanten beschermd van de soorten die worden genoemd in onderdeel B in de bijlage bij de Wnb, zoals de akkerboterbloem en de muurbloem (‘B-soorten’). Uit de wetsgeschiedenis is gebleken dat het nodig is om deze soorten bij wet aan te wijzen, omdat zij niet voldoende worden beschermd door enkel de zorgplicht. Het gaat daarbij in het bijzonder om soorten die in Nederland in hun voortbestaan worden bedreigd. Op de bijlagen zijn dan ook bijvoorbeeld de Rode Lijst-soorten aangewezen.

Verboden handelingen Het is verboden op grond van artikel 3.10 lid 1 Wnb: (a) in het wild levende A-soorten opzettelijk te doden of te vangen; (b) de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de A-soorten opzettelijk te beschadigen of te vernielen en (c) B-soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. De onder (a) en (b) genoemde verboden zijn niet van toepassing op de bos-, huisspits- en veldmuis voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende ervan of roerende zaken bevinden (artikel 3.10 lid 3 Wnb). Voor deze overige soorten gelden dus minder verboden dan voor de strikt beschermde soorten. Zo is bijvoorbeeld het (opzettelijk) verstoren van soorten niet verboden.

Ruimere afwijkingsmogelijkheden Voor de overige soorten gelden bovendien ruimere afwijkingsmogelijkheden dan voor de strikt beschermde soorten. Artikel 3.8 Wnb (dat de afwijkingsmogelijkheden voor Habitatsoorten bepaalt) is grotendeels van overeenkomstige toepassing op de overige soorten. Dit betekent dat een ontheffing of vrijstelling slechts wordt verleend indien:

•

er geen andere bevredigende oplossing bestaat (alternatieventoets)

•

er geen afbreuk wordt gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijk verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan

•

de ontheffing of vrijstelling nodig is: -

in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats;

-

ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom;

-

in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten;

-

voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten; of

-

om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben.

Pagina | 26 AM20375

Anders dan voor Habitatsoorten, kan voor de overige soorten ook ontheffing of vrijstelling worden verleend als dit noodzakelijk is (artikel 3.8 lid 2): -

in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied;

-

ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes, of begraafplaatsen;

-

ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden;

-

ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren;

-

in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw;

-

in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer;

-

in het kader van bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied, of;

-

ten behoeve van het algemeen belang.

Overzicht verbodsbepalingen Wet natuurbescherming (Ministerie van Economische Zaken, 2016) Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn § 3.1 Wn Art 3.1 lid 1

Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn § 3.2 Wn Art. 3.5 lid 1

Beschermingsregime andere soorten § 3.3 Wn Art. 3.10 lid 1a

Het is verboden in het wild levende vogels

Het is verboden soorten in hun natuurlijke

Het is verboden soorten opzettelijk te doden

opzettelijk te doden of te vangen

verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te

of te vangen

vangen Art 3.1 lid 2

Art.3.5 lid 4

Art. 3.10 lid 1b

Het is verboden opzettelijk nesten,

Het is verboden de voortplantingsplaatsen of

Het is verboden de vaste

rustplaatsen en eieren van vogels te

rustplaatsen van dieren te beschadigen of te

voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van

vernielen of te beschadigen, of nesten van

vernielen

dieren opzettelijk te beschadigen of te

vogels weg te nemen

vernielen.

Art. 3.1 lid 3

Art. 3.5 lid 3

Het is verboden eieren te rapen en deze

Het is verboden eieren van dieren in de natuur

onder zich te hebben

opzettelijk te vernielen of te rapen

Art. 3.1 lid 4 en lid 5

Art 3.5 lid 2

Het is verboden vogels opzettelijk te storen,

Het is verboden dieren opzettelijk te

tenzij de storing niet van wezenlijke invloed

verstoren

Niet van toepassing

Niet van toepassing

is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort

Pagina | 27 AM20375

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Moerdijk&id=af678ef3-78f0-4d9a-ae10-f43bb2f9253a