CConstaterende datMidden-Delfland
Koppel je AI →
Document · PDF

Wettelijk kader.pdf

Gemeenteraad 6 juli 2022, gemeente Midden-DelflandBij agendapunt: Voorstel tot het benoemen van wethouders1.175 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

GEMEENTEWET

Artikel 10 

1 Voor het lidmaatschap van de raad is vereist dat men ingezetene van de gemeente is, de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt en niet is uitgesloten van het kiesrecht.

2 Zij die geen onderdaan van een lidstaat van de Europese Unie zijn, dienen tevens te voldoen aan de vereisten dat: o a. zij rechtmatig in Nederland verblijven op grond van artikel 8, onder a, b, c, d, e of l, van de Vreemdelingenwet 2000 of op grond van een verdrag tussen een internationale organisatie en de Staat der Nederlanden inzake de zetel van deze organisatie in Nederland, en o b. zij onmiddellijk voorafgaand aan de dag waarop de gemeenteraad beslist over de toelating als lid tot de gemeenteraad gedurende een onafgebroken periode van ten minste vijf jaren ingezetene van Nederland waren en beschikten over een verblijfsrecht als bedoeld onder a, dan wel rechtmatig in Nederland verbleven op grond van artikel 3 of artikel 6 van de Wet toelating en uitzetting BES.

3 Geen lid van de raad kunnen zijn zij die geen Nederlander zijn, en als door andere staten uitgezonden leden van diplomatieke of consulaire vertegenwoordigingen, in Nederland werkzaam zijn, alsmede hun niet-Nederlandse echtgenoten, geregistreerde partners of levensgezellen en kinderen, voor zover dezen met hen een gemeenschappelijke huishouding voeren.

Artikel 35 

1 De raad benoemt de wethouders. Artikel 31 is van toepassing op de stemming inzake de benoeming.

2 De burgemeester wordt geïnformeerd over de uitkomsten van de collegeonderhandelingen. Hij wordt alsdan in de gelegenheid gesteld zijn opvattingen over voorstellen ten behoeve van het collegeprogramma kenbaar te maken.

Artikel 36a 

1 Voor het wethouderschap gelden de vereisten voor het lidmaatschap van de raad, bedoeld in artikel 10, met dien verstande dat in artikel 10, tweede lid, onder b, voor «de dag waarop de gemeenteraad beslist over de toelating als lid tot de gemeenteraad» gelezen wordt: de dag waarop zij tot wethouder worden benoemd.

2 De raad kan voor de duur van een jaar ontheffing verlenen van het vereiste van ingezetenschap. De ontheffing kan in bijzondere gevallen, telkens met een periode van maximaal een jaar, worden verlengd.

3 Dezelfde persoon kan niet in meer dan één gemeente wethouder zijn.

Artikel 36b 

1 Een wethouder is niet tevens: o a. minister; o b. staatssecretaris; o c. lid van de Raad van State; o d. lid van de Algemene Rekenkamer; o e. Nationale ombudsman; o f. substituut-ombudsman als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Wet Nationale ombudsman; o g. commissaris van de Koning; o h. gedeputeerde; o i. secretaris van de provincie; o j. griffier van de provincie; o k. lid van de rekenkamer van de provincie waarin de gemeente waar hij wethouder is, is gelegen; o l. lid van de raad van een gemeente; o m. burgemeester; o n. lid van de rekenkamer; o o. ombudsman of lid van de ombudscommissie als bedoeld in artikel 81p, eerste lid; o p. ambtenaar, in dienst van die gemeente of uit anderen hoofde aan het gemeentebestuur ondergeschikt; o q. ambtenaar, in dienst van de Staat of de provincie, tot wiens taak behoort het verrichten van werkzaamheden in het kader van het toezicht op de gemeente; o r. functionaris die krachtens de wet of een algemene maatregel van bestuur het gemeentebestuur van advies dient.

2 In afwijking van het eerste lid, aanhef en onder l, kan een wethouder tevens lid zijn van de raad van de gemeente waar hij wethouder is gedurende het tijdvak dat: o a. aanvangt op de dag van de stemming voor de verkiezing van de leden van de raad en eindigt op het tijdstip waarop de wethouders ingevolge artikel 42, eerste lid, aftreden, of o b. aanvangt op het tijdstip van zijn benoeming tot wethouder en eindigt op het tijdstip waarop de goedkeuring van de geloofsbrief van zijn opvolger als lid van de raad onherroepelijk is geworden of waarop het centraal stembureau heeft beslist dat geen opvolger kan worden benoemd. Hij wordt geacht ontslag te nemen als lid van de raad met ingang van het tijdstip waarop hij zijn benoeming tot wethouder aanvaardt. Artikel X 6 van de Kieswet is van overeenkomstige toepassing.

3 In afwijking van het eerste lid, aanhef en onder p, kan een wethouder tevens zijn: o a. ambtenaar van de burgerlijke stand; o b. vrijwilliger of ander persoon die uit hoofde van een wettelijke verplichting niet bij wijze van beroep hulpdiensten verricht.

Artikel 41b 

1 Een wethouder vervult geen nevenfuncties waarvan de uitoefening ongewenst is met het oog op een goede vervulling van zijn wethouderschap.

2 Een wethouder meldt zijn voornemen tot aanvaarding van een nevenfunctie aan de raad.

3 Een wethouder maakt zijn nevenfuncties openbaar. Openbaarmaking geschiedt door terinzagelegging op het gemeentehuis.

4 Een wethouder die zijn ambt niet in deeltijd vervult, maakt tevens de inkomsten uit nevenfuncties openbaar. Openbaarmaking geschiedt door terinzagelegging op het gemeentehuis uiterlijk op 1 april na het kalenderjaar waarin de inkomsten zijn genoten.

5 Onder inkomsten wordt verstaan: loon in de zin van artikel 9 van de Wet op de loonbelasting 1964, verminderd met de eindheffingsbestanddelen bedoeld in artikel 31 van die wet.

REGLEMENT VAN ORDE Artikel 5 Benoeming kandidaat-wethouders 1. De voorzitter van de raad stelt een commissie onderzoek geloofsbrieven in, die onderzoek verricht naar de benoembaarheid van een of meerdere wethouders en de raad hierover schriftelijk adviseert. 2. De commissie bestaat uit drie leden van de raad. Bij tussentijdse benoeming van (een) wethouder(s) zal in deze commissie geen raadslid zitting hebben, behorende tot de fractie van waaruit de kandidaat wordt voorgedragen. Bij een compleet nieuwe collegevorming wordt deze voorwaarde losgelaten. 3. De kandidaat-wethouder legt de documenten en informatie over die nodig zijn voor de in het hiernavolgend lid door de commissie te verrichten toetsing. De kandidaat-wethouder maakt bovendien alle overige door hem in dat verband relevant geachte informatie aan de commissie kenbaar. 4. De commissie toetst de van de kandidaat-wethouder ontvangen documenten en informatie aan de hand van de volgende voorschriften: a. De verklaring omtrent het gedrag; b. De artikelen 36a en 41a Gemeentewet (benoembaarheidvereisten); c. Artikel 41b, eerste, derde en vierde lid Gemeentewet (nevenfuncties); d. Artikel 36b Gemeentewet (onverenigbare functies); e. De artikelen 41c, eerste lid en 46 Gemeentewet (onverenigbare of verboden handelingen); f. Verslag risicoanalyse integriteit (zie artikel 6 Reglement van Orde) 5.

De commissie verricht haar werkzaamheden in een niet-openbare vergadering waarvan geen verslag wordt gemaakt. 6. De kandidaat-wethouder kan in de gelegenheid worden gesteld de documenten en aangedragen informatie mondeling toe te lichten. 7. Op basis van de beoordeelde informatie formuleert de commissie een advies aan de raad ten aanzien van de benoembaarheid van de voorgedragen wethouder(s). Indien de commissie niet unaniem is in haar oordeel wordt hiervan melding gemaakt in het advies.

Artikel 6 Risicoanalyse integriteit In opdracht van de burgemeester wordt voor aanvang van iedere ambtstermijn ten behoeve van de wethouder(s) een risicoanalyse integriteit uitgevoerd door een onafhankelijk en erkend bureau. De burgemeester brengt over het eindresultaat van deze risicoanalyse verslag uit aan de in artikel 5 genoemde commissie “Benoembaarheid wethouder(s)”.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=middendelfland&id=9a5412a4-ea0f-4264-bc1d-936da3ab4ad0