Vsl raad 31 08 2021.docx
Tekst van het document
Notulen van het verhandelde in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Midden-Delfland, gehouden op dinsdag 31 augustus 2021, 19.30 uur. Voorzitter
: A.J. Rodenburg, burgemeester
Griffier
: A. de Vos
Aanwezig : de heer A. van den Berg (CDA), de heer T.A. Buitelaar (OGP Midden-Delfland), de heer J.G. Cornelissen (CDA), de heer J. van der Eijk (VVD), de heer A.J. Gebben (VVD), mevrouw M.E. Heutink (OGP Midden-Delfland), de heer J.G. Jongsma (OGP Midden-Delfland), de heer N.C. Knaap (OGP Midden-Delfland), mevrouw D. Langeveld (CDA), de heer R.H.P. Ringeling (ChristenUnie), de heer E.N.H. Roeling (Mijn Partij!), mevrouw E.C. Snethlage-Barnard (PvdA), de heer J.P. van der Spek (Mijn Partij!), de heer R.E. Vieira (D66) en de heer R.H.G. Zwaard (CDA) Afwezig
: de heer F.J. van Lier (Mijn Partij!) en de heer J.J.C. Moerman (VVD)
Tevens aanwezig: de heer F.J.M. ten Have, mevrouw W. Renzen-van Leeuwen, mevrouw S. Smit, wethouders
1.
Opening van de vergadering
De voorzitter: Hartelijk welkom allemaal bij de vergadering van de gemeente Midden-Delfland. Ik open deze vergadering met een bijzonder bericht. Het is een felicitatiebericht voor onze griffier, opa De Vos. Sinds zaterdag mogen we dat zo zeggen. We hebben allemaal in deze envelop een felicitatie toegevoegd. Als u tijdens de vergadering een momentje kunt vinden, kunt u de felicitaties namens ons allen nog eens nalezen. We hebben het geboortekaartje nog niet gezien. Dat zullen we op een passende manier verwerken. Dat is geheimtaal maar als u een ouder bent met een kind dat in de afgelopen periode is geboren, weet u waarover ik het heb. We hebben twee berichten van verhindering: de heer Moerman en de heer Van Lier. Zij zijn vanavond niet bij ons. Het is fijn dat we elkaar weer kunnen ontmoeten, weliswaar op 1,5 meter afstand, maar het is goed dat dat weer kan plaatsvinden. We hebben een korte agenda op deze ingelaste vergadering. Er is één agendapunt en dat is de Kaderbrief 2021.
2.
Spreekrecht voor belangstellenden
Hiervan wordt geen gebruik gemaakt.
3.
Vaststellen van de agenda
De voorzitter: Dan hebben we het vaststellen van de agenda. Kunnen we met deze marsroute instemmen? De agenda wordt aldus vastgesteld.
4.
Kaderbrief 2021
De voorzitter: Dit is het hoofdpunt van de agenda. Wie mag ik het woord geven? Ik geef het woord aan de heer Vieira van D66. De heer Vieira: Ik dacht dat ik een knopje moest indrukken om te kunnen spreken maar ik mag mijn hand opsteken. Het is fijn om hier te zijn. We hebben de kaderbrief doorgenomen. Het is een niet heel erg lijvig document van vijftien pagina's. Als wij het doornemen, zien we, als we puur naar termen kijken zoals begroting, investeren, kapitaalgoederen, weerstandsvermogen, budgetten, wettelijke taken, strategische waarden, rationaliseren en applicatielandschap dat er 100% intern naar de organisatie wordt gekeken en hoe we die kunnen verbeteren. Als we gewoon puur naar dat interne stuk kijken, zien we dat er zaken opgepakt zijn in procesverbeteringen die goed zijn. Wat betreft de inhoud hebben we niet heel veel kritiek op het stuk. Maar er is ook een andere manier om naar een kadernota of een begroting te kijken. Als je terugkijkt, zie je dat de meeste partijen in 2017 hun verkiezingsprogramma hebben geschreven. Kort daarna is een koers uitgezet om mee aan de slag te gaan, maar in de tussentijd
gebeuren er allerlei zaken in de samenleving waarover onze inwoners, die belasting betalen, zich zorgen maken. Het gaat bijvoorbeeld om hun inkomen, gezondheid, veiligheid, wonen en het klimaat. Wat wij zien, is dat het benoemen van al die grote problemen die zich in het afgelopen jaar of anderhalf jaar hebben voorgedaan niet in deze nota worden benoemd. Je zou het dus ook kunnen omdraaien en kijken naar wat voor onze inwoners de grootste problemen zijn en wat we daaraan kunnen doen. Dat betekent niet dat je beleid moet gaan wijzigen maar je kunt op zijn minst aangeven dat je hoort wat er speelt en dat wij als gemeente een bepaald beleid voeren. Wij zouden het wel goed vinden dat later in de begroting in ieder geval de zorgen van onze inwoners benoemd worden, met de oplossingsrichting erbij. Soms is die er echter niet. Stel dat iemand zich zorgen maakt om het klimaat, dan betekent dat niet dat je als gemeente meteen het vergroenen van alle zaken moet vergoeden. Je benoemt dan wel wat er speelt en wat de visie van de gemeente is. Dat wil ik opmerken als aanzet voor de begroting. Verder heb ik inhoudelijk in de eerste termijn geen vragen. De voorzitter: Ik ga door naar de VVD, met de heer Van der Eijk.
De heer Van der Eijk: Voor ik inga op de inhoud van de kadernota wil ik graag kort wat kwijt over het proces voorafgaand aan deze raadsvergadering, die mede op initiatief van het college is georganiseerd omdat in juni nog te weinig duidelijkheid bestond over de rijksbijdrage om een actueel en realistisch perspectief voor onze gemeente te schetsen. Er waren te veel onzekerheden. Dat betekende een uitstel van ruim twee maanden. Prima, de hele raad vond dat goed en daarom vergaderen wij dus vanavond. Het is wel een beetje zuur dat de raad pas afgelopen woensdag de stukken kreeg. Wij hadden amper een week om ons op deze vergadering voor te bereiden en dat vinden wij heel jammer. Wij vragen of dat niet een weekje eerder had gekund. Voor de voorbereiding van de commissievergadering hebben we meestal twee weken en dat was hier ook passend geweest. Dit gezegd hebbende, wil ik graag door op de inhoud van de kaderbrief. De VVD constateert dat het college een realistisch beeld schetst van onze financiële positie en zich bewust is van de stevige keuzes die in de afgelopen jaren nodig waren. Hoewel in de uitvoering nog wel een paar hobbels te nemen zijn, wordt een volgend college zoals het er nu uitziet niet opgezadeld met een vervelende bruidsschat. Terecht constateert het college dat er door de financiële situatie bijna geen ruimte is voor nieuw beleid en dat vinden wij erg jammer.
Wij verwachten komend jaar weinig discussie over de vraag waarvoor middelen wel of niet worden ingezet en dat als er middelen zijn, dat aan een nieuwe raad wordt overgelaten. Mochten er al meevallers zijn, dan vloeien die wat ons betreft gewoon terug in de algemene reserve. De grootste molensteen in onze begroting blijft het Sociaal Domein. Dit blijft een mand vol zure appels, voorzitter. Een beperkte grip op de kosten en een blijvend stijgende toestroom leiden iedere keer weer tot tegenvallers. Het college neemt zijn verlies alvast en boekt structureel € 400.000,00 negatief in in de begroting. De VVD vraagt zich af hoelang dit nog zo door kan gaan. De wal keert een keer het schip, verwachten wij. Het is niet vol te houden en uiteindelijk zal in de kosten moeten worden gesneden. Het is heel vervelend als dat ook bij delicate terreinen zoals de jeugdzorg of de ouderenhulp moet gebeuren. Als we nu proberen zaken in ons voordeel te veranderen, is al te hard ingrijpen misschien te voorkomen. Moeilijk bij dit alles is dat de raad nagenoeg geen mogelijkheden krijgt om keuzes te maken. Toch zijn die er wel. Om eens wat voorbeelden te geven. Er wordt gesproken over het niet hebben van wachtlijsten. Voorzitter, twee mensen die een week wachten, is in principe ook een wachtlijst.
De vraag is natuurlijk wat wij realistisch vinden en hiervoor kan de raad wel degelijk meetbare kaders meegeven. Het huidige strakke kader 'geen wachtlijsten' is onbetaalbaar. Nu wordt alles ingezet op preventie. Ook daarbij vragen wij ons regelmatig af of zware jeugdhulp voor bijvoorbeeld dyslexie of ADHD door het maatschappelijk team echt kan worden voorkomen, terwijl in de Jeugdwet staat dat de gemeenten een taak hebben op deze gebieden. In de cijfers zien we de effecten van preventie in ieder geval niet terug want het aantal gevallen blijft nagenoeg gelijk. Zou het niet kunnen zijn dat preventie een van de redenen is dat de vraag naar hulp alleen maar toeneemt? De commissie der wijzen waarover het college spreekt, ondersteunt ons gevoel. Zij stelt namelijk heel duidelijk dat alleen geld erbij niet de oplossing is. Er zal volgens hen ook een goed debat moeten worden gevoerd over opgroei- en opvoedvraagstukken. De commissie stelt dat jeugdhulp niet is bedoeld voor alledaagse problemen die nu eenmaal horen bij opvoeden en opgroeien. De VVD is bekend met het principe not required to do or nice to have? Daar draait het hier ook om, voorzitter. Doen we wat we moeten doen of doen we meer? Wat is eigenlijk een wettelijke plicht, en wat is dat niet. Wat kan per se niet, moeten we dat eigenlijk wel aanbieden of
kan het misschien wel ietsjes minder? De VVD vraagt hier al jaren om maar op die vragen komt almaar geen helder antwoord. Zonder goed zicht hierop is het voor ons ook niet duidelijk of het raadzaam is de flexibele schil van de ambulante hulp te versterken. Wij zijn verheugd dat onze uitgangspunten van financieel beleid sterk overeenkomen met wat wij voor ons hebben staan, namelijk financiële degelijkheid. Te vaak is de algemene reserve in de ons achterliggende periode gebruikt om structureel tekorten mee op te vangen. We zien in de kaderbrief gelukkig goede uitgangspunten staan. Het verder uitputten van de algemene reserve is niet wenselijk en het is goed dat de algemene reserve weer gebruikt gaat worden waarvoor hij bedoeld is, namelijk voor incidentele uitgaven. Vorig jaar is een begin gemaakt met zeven verbetersporen. We zien dat op de meeste terreinen vooruitgang wordt geboekt. Wel constateren we dat er flink wat werk aan de winkel is. Doelstellingen zoals duurzaam grip hebben op gemeentelijke financiën, het op orde hebben van de personele bezetting en het op adequate wijze invulling geven aan gedecentraliseerde taken ondersteunen wij nog steeds. Over het Sociaal Domein heb ik al wat gezegd. Op het gebied van de bedrijfsvoering lijkt het college flinke slagen gemaakt te hebben.
Het op orde hebben van de digitale basis lijkt ons een belangrijke basisvoorwaarde voor elk bedrijf en dus ook voor de gemeente. Wel missen wij in het geschetste beeld een duidelijk perspectief in de tijd. Wanneer kunnen wij logischerwijze de vruchten plukken van de nu gedane investeringen? Ook op het personeelsbeleid is voortgang geboekt. Het verlagen van de omvang van de inhuur lijkt te lukken en dat is een lijn waarvan de VVD graag ziet dat die wordt vastgehouden. Een robuuste organisatie moet het streven zijn want dat is mede belangrijk voor het behoud van onze gemeente. Belangrijk is ook dat hierbij de werkdruk wordt meegenomen. Verder bezuinigen is volgens het college onverantwoord. De VVD vindt het belangrijk een goed werkgever te zijn, maar begrijpt desondanks niet veel van het collegevoorstel om de opdracht van de taakstelling in te trekken. De taakstelling, voorzitter, was een collegevoorstel. Misschien was dit wel erin geschreven om tot een sluitende begroting te komen maar hij hangt al meerdere jaren boven de markt, en zo komt van uitstel afstel. Voorzitter, wij hopen samen met het college dat de voorgerekende extra middelen ook werkelijk onze kant op komen. Wij zien graag op dit gebied enige voorzichtigheid: eerst zien, dan geloven. Wat ons betreft, hoeven extra bijdragen voor bijvoorbeeld jeugdhulp niet direct te worden opgemaakt.
Onderbestedingen kunnen wat de VVD betreft prima terugvloeien in de algemene reserve. Daaruit zijn immers eerdere tekorten gedekt. De ozb-systematiek hebben wij in een eerdere raad besproken. Ten slotte, voorzitter, zijn wij het met het college eens dat waakzaamheid geboden is. We moeten erop blijven letten de logische dingen te blijven doen. Investeren in de openbare ruimte is een goed voorbeeld. Al jaren vraagt de VVD hierin te investeren. Penny wise, pound foolish is hierbij een credo. Gelukkig wordt hier eindelijk op geacteerd. Ook het plan voor een bestemmingsreserve onderhoud kapitaalgoederen valt goed onder dit credo. Het is aan ons als raad de taak om met soms beperkte budgetten wijs en verstandig te investeren. Wij zijn er een groot voorstander van om nu kosten te maken om zo in de toekomst besparingen te kunnen realiseren. De voorzitter: Dan is nu het woord aan de ChristenUnie, de heer Ringeling. De heer Ringeling: Ik zal een stuk het korter houden dan de vorige spreker. Allereerst dank voor de kadernota. Ik moet eerlijk zeggen dat het niet zal meevallen om in deze periode, met allerlei onzekerheden, zo'n nota op te stellen. Het verdient een compliment dat dit is gelukt. Op hoofdlijnen kunnen wij ons vinden in de gemaakte keuzes. Ik ga niet heel inhoudelijk het verhaal langs maar twee punten springen eruit. We zijn duidelijk voor de lijn die het college voorstelt.
De extra aandacht voor onderhoud van wegen en openbaar groen kan op onze instemming rekenen. Het college stelt met betrekking tot de taakstelling van het ambtelijk apparaat de vraag of die kan worden ingetrokken of om daar niet langer aan vast te houden. Wij zijn daar ook wel voor en wij kunnen het college daarin volgen omdat ook wij zien dat je een degelijk ambtelijk apparaat moet hebben en dat de werkdruk alsmaar toeneemt. Wij gaan niet het onmogelijke van mensen vragen. Daar kunnen we het college dus ook in volgen. Mijn laatste aandachtspunt sluit een beetje aan bij de voorgaande sprekers, hoewel op twee verschillende manieren. De heer Vieira haakte in op de actualiteit van de kadernota, maar dat zijn mijn woorden en ik hoor straks wel of ik hem goed heb geïnterpreteerd of geciteerd. In die zin miste ik inderdaad ook een actueel punt, namelijk de gevolgen van de coronacrisis. Nu we met zijn allen hopen en denken aan het einde van de crisis denken te zijn, wordt het tijd om bepaalde gevolgen onder ogen te zien. De gevolgen kunnen voor individuele mensen heel verschillend zijn maar voor groepen mensen, en met name voor mensen die al kwetsbaar waren,
kunnen de gevolgen zo meteen nog erger zijn. Dan kom ik op het punt van de vorige spreker, de heer Van der Eijk die over het Sociaal Domein zegt dat we meer moeten bezuinigen. Dat zijn weer mijn woorden. Ik interpreteer wat hij zegt op mijn manier. Maar ik ben bang dat als zo meteen de gevolgen van de coronacrisis voor bepaalde groepen mensen duidelijker worden de zak met zure appels nog wel meer zure appels zal bevatten dan we nu voor mogelijk houden. Daar vraag ik aandacht voor in de komende begroting want het probleem kan groter zijn dan we nu voorzien. Ik zou heel voorzichtig zijn om al te zeer te bezuinigen op het Sociaal Domein. De voorzitter: Dan is de volgende spreker de heer Cornelissen van het CDA. De heer Cornelissen: Ik dank allereerst het college voor de kadernota en voor de uitgebreide beantwoording van de vragen die de CDA-fractie daarover heeft gesteld. De beantwoording kwam vrij laat binnen, om 17.30 uur ongeveer. Als CDA-fractie hebben we niet zo heel veel tijd gehad om ons adequaat een mening te vormen over de antwoorden van het college. Wij houden ons daarom het recht voor om alsnog in de komende periode richting de conceptbegroting aanvullende vragen te stellen, voor zover de antwoorden ons niet welgevallig zijn. Een paar dingen kan ik er wel vast uit destilleren.
Het college biedt aan om een presentatie te organiseren over de financiële scan van de provincie waar wij naar hebben gevraagd. Van dat aanbod maken wij graag gebruik en een voorstel zien we graag tegemoet. Dan het benchmarkonderzoek door Adviesbureau Berenschot. Jammer dat dat niet helemaal op tijd kan gaan plaatsvinden. Het is positief dat het in ieder geval komt voordat we de begroting gaan behandelen. Daar wil ik het even bij laten voor wat betreft de beantwoording van de vragen, waarvoor nogmaals dank. Buiten de vragen die we hebben gesteld, zijn er nog wel een aantal zaken die we willen duiden. Een aantal zijn daarnet al benoemd. De herbestemming van € 1,7 miljoen uit de dekkingsreserve voor het gemeentehuis waarover het college het heeft. Met name het inlopen van de achterstanden in het beheer en onderhoud van wegen en openbaar groen heeft wat ons betreft, gezien het teruglopende kwaliteitsniveau, prioriteit. Verder vinden wij het positief dat de aangegeven verlagingen van de rioolheffing en de afvalstoffenheffing nog steeds mogelijk blijven. Wij staan achter de invoering van een meer conventionele methodiek voor het heffen van ozb om de belastingdruk voor onze burgers aanvaardbaar te houden. Dit is wat ons betreft noodzakelijk. Als dat niet zou gebeuren, zouden bij ongewijzigd beleid de ozb-lasten met ongeveer 10% per jaar kunnen stijgen.
Wij vinden dat ter bestrijding en voorkoming van eenzaamheid onder ouderen meer aandacht en middelen beschikbaar mogen komen om maatschappelijke initiatieven, zoals kleinschalige fiets- en wandelclubs en activiteiten door ouderenbonden en andere maatschappelijke organisaties, van harte te ondersteunen. Dat zien wij dadelijk graag terug in de conceptbegroting. Wij konden ons verder goed vinden in het idee om incidentele middelen in te zetten als impuls ter verbetering van de bedrijfsvoering in structurele zin. Ook pleiten wij vooral voor het onderzoeken van extra inkomsten in plaats van extra bezuinigingen. Die inkomsten komen uit bijvoorbeeld erfpacht, verhuur van het gemeentehuis en het bouwen van extra woningen boven op de huidige raming. Als voor de planuitvoering en voorbereiding daarvoor extra incidentele middelen nodig zijn, ondersteunen wij dat. Kortom, de lijn om niet nog verder te bezuinigen maar terughoudend te zijn met vooral extra structurele uitgaven en om vooral te zoeken naar extra inkomsten, alsmede het beperken van de lastendruk voor onze inwoners, onderschrijven wij op hoofdlijnen van harte. Voor de toekomst mogen wij hopen op verdere tegemoetkomingen in de kosten voor de zorg, hetzij in de vorm van extra middelen, hetzij als kostenbeperkingen door het rijk en wellicht nog wat voordeel uit de herverdeling van het Gemeentefonds.
In afwachting daarvan moeten we zeer kritisch zijn op extra structurele uitgaven. Wij pleiten er ook voor onze eigen broek te blijven ophouden in plaats van aan te sturen op provinciaal toezicht en ingrijpen van hogerhand. De voorzitter: Het woord is aan de OGP, de heer Knaap. De heer Knaap: Dank voor deze kaderbrief, die in vele Midden-Delflandse werkkantoortjes tot stand is gekomen. Dat is een compliment an sich. Wij van de OGP Midden-Delfland zien een begroting die eigenlijk heel mooi realistisch is. Enigszins conservatief, misschien. Meevallers die er zouden kunnen zijn en die ook wel een beetje lonken, zijn daar nog niet in meegenomen. Ik denk dat dat heel realistisch is. Wij vinden ook het strategisch slim om de provincie te laten meekijken op de kostenniveaus. De provincie is ook onze toezichthouder. Ik denk dat dat dus een goede stap
is en de uitkomst daarvan is heel vreugdevol: we doen het als gemeente goed. Ook dat is een compliment aan het college waard. Dat de benchmark voor de personele kosten nog wordt uitgevoerd, laat zien dat Midden-Delfland een lerende gemeente is, met een college dat ook gewoon in staat is om te blijven leren. Ook dat is een compliment waard. Het doet ons ook deugd dat gekozen wordt voor investeren in bijvoorbeeld wegen of openbaar groen als er middelen vrijvallen, om zo incidenteel een stukje in te halen op wat de afgelopen jaren is achtergebleven. Natuurlijk vinden wij daarbij groen in onze kernen essentieel, want daar is inderdaad het nodige te doen. Het is prima dat deze begroting rentmeesterschap laat zien. Het is de laatste begroting voordat we naar een nieuwe raad gaan. Geen gekke dingen, geen laatste grote uitgaven maar een nette portefeuille die straks netjes kan worden overgedragen. Ook dat doet ons deugd. Ik hoor bij de voorgaande sprekers ook een soort losse initiatieven om iets meer te gaan verdienen of om toch iets meer te gaan bezuinigen. Nu is deze kadernota redelijk kort voor de begroting opgesteld en daarom is dit volgens mij hét moment om daarvoor met een voorstel te komen. Ik kan me zo voorstellen dat onze ambtenaren anders niets meer in een begroting kunnen gaan doen.
Bij deze een oproep: als u een concreet voorstel heeft, hoor ik het graag en dan kunnen we het daarover hebben. De voorzitter: De volgende spreker is van de PvdA, mevrouw Snethlage. Mevrouw Snethlage: Dit jaar hebben we voor het eerst een kaderbrief ontvangen. Een mooi instituut waarmee de raad haar sturende functie op het gebied van de begroting op tijd in gang kan zetten. Het is goed dat we in juni al over het sporenbeleid hebben gesproken, zodat we hierin terugzien wat we toen hebben besproken. We zijn het wel met de VVD eens dat we dit stuk graag een week eerder hadden ontvangen. De voorzitter: Een interruptie van de heer Van der Eijk. De heer Van der Eijk: Ik hoorde mevrouw Snethlage zeggen dat dit de eerste keer is dat wij een kadernota bespreken maar dan vraag ik me toch af wat we vorig jaar hebben zitten doen. Vlak voor het zomerreces hebben we volgens mij de eerste kadernota besproken. Toen is ook het verhaal van de zeven sporen besproken. Ik denk dat mevrouw Snethlage iets door elkaar haalt. Dit is de tweede keer dat we een kadernota bespreken. En om er dan even een vraag van te maken: realiseert mevrouw Snethlage zich dit voldoende? De voorzitter: Gaat u verder, mevrouw Snethlage. Mevrouw Snethlage: Jazeker, mijnheer Van der Eijk, maar we hebben hem nu in twee fasen besproken.
Voor de zomervakantie hebben we eerst een aantal sporen besproken omdat we toen nog niet alle cijfers hadden die we wilden zien. Met de cijfers krijg je natuurlijk toch een uitgebreidere invulling, al is die niet anders dan we hadden verwacht. Steeds grotere delen van onze begroting worden ingenomen door posten die door het rijk over de schutting en op het bordje van de gemeenten zijn gegooid. Nu we al vele jaren met de Wmo en het Sociaal Domein bezig zijn, is het ons, en met ons vele andere gemeenten, nog steeds niet gelukt om de bezuinigingen waaraan het rijk dacht, waar te maken. Erger nog, de zorg drukt zwaar op onze begroting en beperkt daarmee onze mogelijkheden op andere terreinen. Hierdoor zijn in de loop van de afgelopen jaren al veel besluiten genomen die ten nadele zijn van onze inwoners. Ook is hierdoor in de afgelopen jaren onze algemene reserve steeds kleiner geworden. In vier jaar tijd is deze bijna gehalveerd. Gelukkig hebben we veel gelden vastzitten in pachtconstructies, waardoor ons weerstandsvermogen nog goed is. Maar doordat de gelden vast staan, betekent dat dat onze flexibiliteit om tegenslagen op te vangen, dan wel nieuw beleid te voeren, of bestaand beleid aan te passen, vrijwel is verdwenen. Helder is dan ook, en dat we zien we heel duidelijk in de kadernota, dat we weinig beleidsveranderingen kunnen en willen uitvoeren.
Er zijn veel negatieve mutaties die blijven doorwerken in de meerjarenbegroting. Uit de door de provincie uitgevoerde financiële scan blijkt dat wij veel geld uitgeven aan zaken die verband houden met recreatie. Op zich is dat inderdaad niet vreemd, gezien onze missie en visie, maar de vraag is natuurlijk wel of er, door hier in verhouding veel geld aan uit te geven, op andere gebieden die belangrijk voor onze inwoners zijn niet een onderbesteding optreedt. Wij zijn dan ook blij dat het CDA om een presentatie van de financiële scan heeft gevraagd want anders hadden wij dat nu gedaan.
Door middel van verschillende organisatorische en ICT-aanpassingen proberen we grip op de uitgaven in de zorg te krijgen. Toch lijkt dit een soort vechten tegen de zee te zijn. Er komen steeds weer nieuwe golven van tegenslagen aan. We vragen ons dan ook af of we feitelijk wel genoeg kennis hebben opgedaan en ook aan de juiste knoppen draaien om de kosten zichtbaar en beheersbaar te krijgen. We zijn het met de VVD eens dat er toch nog steeds veel vragen liggen die moeten worden beantwoord. Wij zien wel baat bij preventie maar we kunnen ons voorstellen dat de VVD daar geen bewijs van ziet. Sinds de invoering van alles in de zorg zijn er elk jaar negatieve mutaties geweest. Tot onze verbazing lazen wij dat virtualisatie van de werkomgeving in de cloud tot concrete besparingen zou leiden. In de kaderbrief wordt dit min of meer als een gegeven gepresenteerd. Het is echter maar zeer de vraag, volgens ons, in hoeverre deze aanname juist is. Mocht dit uitgevoerd gaan worden, dan willen we van het college hiervan een gedegen onderbouwing zien want van onze ervaringsdeskundigen hebben we begrepen dat dit waarschijnlijk niet tot een besparing zal leiden. Wij zijn erg blij dat het college gelden die vrij gaan komen, wil gaan gebruiken om de openbare ruimte weer meer op orde te krijgen.
Door jarenlange onderbesteding op het gebied van wegen en het onderhoud ervan zien wij daar een grote achteruitgang. Dat gaat langzaam maar zeker te ver. Het zou mooi zijn als het lukt om dat beter uit te voeren. Samenvattend en alle punten bekijkend, kunnen we constateren dat deze kaderbrief niet tot verrassend nieuwe inzichten leidt en dat deze niet tot veel voorstellen zal gaan leiden om de begroting aan te passen. Voor de PvdA is het intussen wel tijd dat we de kwaliteit van leven in zijn breedste facetten voor de inwoners echt moeten gaan garanderen. Dat betekent ook kijken naar de actualiteit. De gevolgen van corona voor mensen die misschien LongCOVID krijgen, blijken veel erger te zijn en veel meer te gaan kosten dan oorspronkelijk is gedacht. Het wordt al gelijkgesteld met een heel aantal ziekten waar mensen heel erg lang mee bezig zijn, soms wel jaren. Dat gaat invloed hebben op werk, leefomgeving, en alles. Voor de PvdA is het dus van belang dat de kwaliteit van de zorg voorop moet blijven staan. De voorzitter: De laatste in de rij is de heer Roeling van Mijn Partij!. De heer Roeling: Ik denk dat het college in het begeleidende schrijven de terechte vraag stelt of dit proces handig is. Ze zeggen dan dat ze graag in overleg treden over een structurele oplossing. Ik kan dat wel delen.
Ik heb al eerder gezegd dat we op het laatste moment de meicirculaire krijgen en die moet dan nog worden vertaald. Dat heeft tot gevolg dat we het er vanavond over hebben en niet voor het zomerreces. En dat heeft gewoon gevolgen. Dan is de vraag of we de kaders die we stellen, of zouden willen stellen, nog op een verantwoorde manier kunnen doorvoeren. Financieel zijn we enigszins beperkt. Op zich is dat wel gunstig, denk ik, omdat we niet op te grote voet moeten leven. Het college geeft ook aan dat dat een slecht signaal is op het moment dat je maar blijft interen op het eigen vermogen. Is dit een handig proces? Om die vraag te beantwoorden: dat ligt er maar net aan. Wat kunnen we nu nog veranderen, los van de financiële vragen of kwesties die worden opgeworpen? Ik ben het met de OGP Midden-Delfland eens de negatieve signalen wel duidelijk worden verwoord maar de positieve niet. Dan hebben we het bijvoorbeeld over de herijking van het Gemeentefonds. Nu blijken we een voordeelgemeente te zijn, ofwel, we zullen meer ontvangen dan we op dit moment vermoeden. Maar dan wordt er gezegd dat dat nog niet zeker is. Dat soort kwesties. In 2022 zouden we een deel van het gemeentehuis gaan verhuren. Dat wordt ook weer een jaartje vooruitgeschoven, met de mededeling dat er begin 2022 meer over zal worden verteld. Dus die inkomsten worden alvast vooruitgeschoven.
Het is maar de vraag of dat daadwerkelijk het geval is. En last but not least: het aantal woningen dat we hebben. We hebben een heel enthousiast coalitieakkoord mogen lezen met wel 700 woningen, waarvan er op dit moment nog niet een van is gerealiseerd. Ook nu lezen we weer dat eventuele meevallers in financiële zin worden doorgeschoven naar in dit geval 2025. Dus dat wat betreft het proces. We denken op zich dat het wel goed is maar dan moet het wel haalbaar zijn voor het zomerreces. Zodra de jaarrekening is gerealiseerd, wordt er, voor zover wij weten alweer gewerkt aan de begroting voor de komende jaren. Graag een reactie vanuit het college. Over het onderhoud van de wegen hebben wij al jaren geleden gezegd dat daarop niet moet worden bezuinigd. Onze inwoners worden dagelijks met wegen en fietspaden geconfronteerd. Riolering, prima, dat zit onder de grond en dat zien we niet maar dat is ook een wezenlijk dingetje. Op het moment dat je gaat bezuinigen op wegen en fietspaden ervaren onze inwoners dat iedere
dag. Nu zien we waarvoor we toen ook al hebben gewaarschuwd: op het moment dat je daarop gaat bezuinigen, krijg je die kosten dubbel en dwars voor je kiezen. Dat staat nu feitelijk ook in de kadernota. Een soort van I told you! Een ander punt is het verschil tussen de opvatting van het college en die van het rijk over de loonkosten en de prijsvorming. Het rijk verwacht dat de kosten niet daverend zullen stijgen maar het college zegt dat de loonkosten waarschijnlijk wel een verhoging zullen laten zien. Als het gaat om de prijzen en de lonen zijn we het eens met het college want wie een paar dagen meeloopt in de bouw ziet welke gigantische prijsstijgingen daar aan de orde zijn. Dat zien wij niet snel veranderen. Er wordt wel min of meer ingegaan op de dienstverlening. We kijken wel naar wat we moeten doen maar van de inhoudelijke discussie over de dienstverlening zien we nog steeds niets terug. Wat doen we wel en wat doen we niet? Wat zijn we wettelijk verplicht en wat niet? Even los van de kwaliteit van de dienstverlening, zijn we hier al een paar jaar mee bezig. Ik zal dat vanavond niet behandelen want dat is meer in de handen van de heer Van Lier en daar wil ik het graag bij laten. Dat doet hij heel goed en u kunt dus nog post van hem verwachten.
Iets wat mij opviel en waarover ik toch een vraag heb, gaat over de Visie Gebiedstafel Bijzonder Provinciaal Landschap Midden-Delfland. Dat gaat over ons en die is vastgesteld door de bestuurlijke elite van niet alleen onze gemeente maar ook van de omliggende gemeenten. Daarin wordt gesproken over het Bijzonder Provinciaal Landschap Midden-Delfland. Het verbaast ons zeer dat zo'n visie wordt vastgesteld zonder democratisch gehalte. Waarom is dat zo gelopen? Waarom is de raad van Midden-Delfland, nota bene de volksvertegenwoordiging, niet betrokken geweest bij het vaststellen van deze visie? De volgende vraag is wanneer we deze visie op de agenda kunnen verwachten, omdat daar wel een paar wezenlijke vragen worden gesteld, bijvoorbeeld: is er nog wel een toekomst voor de boer in het Bijzonder Provinciaal Landschap? Ik denk dat alle partijen daar wel iets van vinden en dat dat nu bestuurlijk even wordt afgetikt, buiten ons om, stellen wij niet op prijs en dan druk ik me nog zeer voorzichtig uit. Wij hadden een net voorstel verwacht over ons gebied, over het Bijzonder Provinciaal Landschap waarbij wij, als volksvertegenwoordiging, onze inwoners hadden kunnen betrekken. Waarom? Omdat we daarvoor zijn aangesteld. En vervolgens mag het college het uitvoeren. Dat is de volgorde zoals wij die altijd hebben begrepen en daar hechten wij nog steeds aan. Graag een reactie.
De voorzitter: De eerste ronde van de gemeenteraad is daarmee achter de rug. Ik kijk naar het college. Ik neem aan dat wethouder Ten Have de aftrap doet. Wethouder Ten Have: De rentmeester neemt graag even eerst het woord en daarna zijn een aantal dossiers voor collega Smit. Eerst even het proces van deze kaderbrief waarover een aantal sprekers opmerkingen heeft gemaakt. Ik maak daar twee kanttekeningen bij. We hebben in juni aan u een procesbrief gestuurd waarin wij hebben aangegeven dat we de inhoudelijke discussie over de kaderbrief eind augustus zouden kunnen voeren. In die procesbrief stond ook dat u de stukken dan pas enkele dagen daarvoor toegestuurd zou krijgen, namelijk na het college van 24 augustus dat weer de eerste collegevergadering na het reces was. Dat stond ook letterlijk in de procesbrief aangegeven dus dat kan geen verrassing voor u zijn. Dat neemt niet weg dat vijf dagen misschien kort is, maar het was aangekondigd. Het tweede is dat we een deel van de kaders bewust naar voren hebben gehaald en dat we u voor de zomer een schets hebben gegeven over hoe wij met de lasten voor onze burgers willen omgaan.
We hebben geschetst dat we de afvalstoffenheffing voornemens zijn in de begroting op te nemen met het voorstel om die 4% te verlagen, dat we voornemens zijn u voor te stellen de rioolrechten met 8% te verlagen en dat we de ozb-heffing willen wijzigen naar een andere systematiek waardoor mensen niet komend jaar ongeveer 10% extra zouden moeten betalen op grond van de waardestijging maar dat we de opbrengst beperken tot 3%. Het was dus bekend dat de brief een aantal dagen van tevoren zou komen en een aantal kaders, zeker als het gaat om de lasten, hebben we van tevoren met u besproken, naast een insteek over de zeven sporen. Dat neemt niet weg dat er best een discussie is te voeren over de vraag wat u met deze kaderbrief kan en wat een handig tijdstip is. Ik moet u eerlijk zeggen dat wij daar ook wel mee worstelen. We zien dat het lastig is om in juni een inhoudelijke kaderbrief aan u voor te leggen omdat we dan, zeker in dit jaar, nog te weinig zicht hebben op onze inkomsten en op de contouren van de begroting. Als we dat dan verschuiven naar eind augustus is het een terecht punt, wat kunt u dan nog want eigenlijk zitten we dan al tegen de afronding van de begroting. Ik denk dat dat een discussie is die
u zelf als raad moet voeren. Wij hebben toegezegd met een kaderbrief te komen, we hebben aangegeven dat die nu zou komen en wij hebben zo goed mogelijk de contouren daarin proberen te schetsen. Dat is even het proces. Als ik naar de inhoud kijk, denk ik dat u de hoofdlijnen heel terecht eruit heeft gehaald. Ik noem die toch even staccato in een paar viertal punten. Allereerst het meerjarenbeeld. Ja, dat is somber. We hebben bij de begroting van vorig jaar al aangegeven dat we in 2022 tot een niet-sluitende begroting zouden komen met hopelijk, op basis van de uitgangspunten van toen, een klein plusje in de jaren erna. Dat was onze basis. Wat we natuurlijk zien in het afgelopen jaar, in dat meerjarenbeeld, is dat we opnieuw een forse overschrijding op jeugdkosten hebben gehad. Daarvan hebben we toen ook al aangeven dat we de doorwerking ervan nog moesten gaan verteren. Die heeft u gezien bij het tweede PBW van dit jaar en die werkt natuurlijk ook door in de komende jaren. Wat daarbij ook nog van belang is dat wij, in onze meerjarenbegroting, een afname hadden geprognotiseerd van die kosten voor bijvoorbeeld jeugdzorg, maar ook voor de bijstand. Nu zien we in onze begrotingsopstelling dat het maar zeer de vraag is of het reëel is om die afname zo in de meerjarenbegroting op te nemen.
Ten opzichte van het meerjarenbeeld van vorig jaar zijn dat aspecten die negatief uitwerken op dat beeld. Daarnaast hebben we ook exogene factoren geschetst, zoals de cao. De heer Roeling noemde het al. We mogen ervan uitgaan dat er een verhoging van de ambtenarensalarissen aankomt. Die hebben we een beetje ingeschat en dat zal misschien te veel of te weinig zijn, maar we zullen van iets uit moeten gaan. En we moeten constateren dat, ook wel mede door corona, onze ICT echt een versterking nodig heeft en daar hangen kosten aan. Er zijn dus een aantal exogene factoren die ertoe leiden dat dat meerjarenbeeld helaas een stuk somberder is geworden dan we vorig jaar dachten. Daar worstelen we ook nog steeds mee. Dat neemt niet weg dat we ook het uitgangspunt hebben geformuleerd dat de lasten voor de burger, in ieder geval wat betreft de heffingen, omlaag kunnen. Dat is een gesloten systeem dat de algemene dienst niet beïnvloedt. We vinden het onverantwoord om het ozb-systeem te handhaven omdat dat opnieuw tot een lastenverhoging van de facto 10% zou leiden. We hebben al eerder geschetst dat we uitgaan van een verhoging van 3%. Dat betekent dat we weinig tot geen ruimte hebben voor nieuw beleid en zeer kritisch moeten kijken naar onze uitgaven.
Dat betekent ook dat we druk ervaren op onze formatie omdat een aantal van die exogene ontwikkelingen ertoe leiden dat we ambtelijke capaciteit nodig hebben. Ik denk dat collega Smit daar zo meteen nog wel op zal ingaan. Daarom vinden we het ook reëel om aan u voor te stellen de taakstelling in te trekken. Wat de achtergrond of de aanleiding daarvoor is geweest, weet ik niet. Ik kijk slechts naar de vraag of het reëel is om structureel € 200.000,00 op de ambtelijke organisatie te bezuinigen terwijl we op allerlei fronten zien dat er druk ligt op de formatie en dat we krap zitten in de formatie. Dat betekent dat we gaan proberen de taakstelling op te lossen in de algemene dienst. Dat zijn dus een beetje de hoofdlijnen. Als laatste, en ik ben blij met de brede steun daarvoor en het is ook niet nieuw, hebben we echt gemeend een impuls te moeten geven aan een verbetering van het onderhoud van onze kapitaalgoederen, met name wegen. U heeft het al gezegd: langzamerhand zijn we op een niveau gekomen waarvan wij vinden dat dat niet acceptabel meer is. Je kunt heel veel jaren achter elkaar impliciet bezuinigen op het wegenonderhoud zonder dat je daar iets van merkt. Alleen, als je dat doorzet, raak je een keer de bodem en dan moet je enorme inhaalslagen maken waardoor je per saldo veel meer geld kwijt bent, dat je op dat moment ook niet hebt, om op een acceptabel niveau te komen.
Wij hebben gemeend dat we die bodem nog niet hebben geraakt maar wel gaan raken als we zo doorgaan. Onze referentie is dat 95% van onze wegen op het kwaliteitsniveau A of B moeten zijn. De feitelijkheid is dat we qua niveau op of onder 82% zitten. Dat moeten we omkeren. Alleen, de realiteit is ook dat wij niet structureel een paar ton extra per jaar hebben om in de begroting op te nemen om extra in de wegen te gaan investeren. Daarom hebben we gemeend € 1,7 miljoen vrij te spelen uit de dekkingsreserve van het gemeentehuis die daar onterecht in zat omdat we voor de afschrijving de grondwaarde apart moeten zetten. We hebben een dekkingsreserve voor het gemeentehuis waaruit we de kaptaallasten dekken maar per abuis zitten daar ook de grondkosten in opgenomen en daarop schrijf je niet af. Die hoeft dus ook niet in de reserve te zitten. We halen die € 1,7 miljoen eruit en nemen in de komende tien jaar degressief elk jaar een bedrag op in de begroting om vanaf volgend jaar een impuls te geven. Progressief proberen we in de begroting in de komende tien jaar elk jaar een structureel bedrag toe te voegen. Dat verzwaart onze financiële problematiek maar we zullen dat langzaam moeten opbouwen, zodat we na tien jaar structureel in onze begroting weer op het vereiste niveau zitten om kwalitatief goed wegenonderhoud te plegen. Gelukkig kunnen we daarvoor incidentele middelen inzetten.
We hebben overigens wat dat betreft
nog steeds een uitstekende financiële vermogenspositie. Ik wil de zorgen daaromtrent toch iets nuanceren. Ja, als je kijkt naar de algemene reserve is die minder geworden, maar we hebben ook een weerstandsreserve van € 4 miljoen met een weerstandsvermogen dat meer dan uitstekend is. Er is zeker ruimte, als we dat zouden willen, om dat iets te verlagen. We hebben nog een aantal andere reserves die ooit gevormd zijn om de rente-inkomsten uit reserves toe te voegen aan de algemene dienst. Die rente-inkomsten zijn inmiddels nul en er staan dus een aantal potten waar we eigenlijk niets mee doen. Als je kijkt naar onze solvabiliteit vind ik het toch belangrijk om te constateren dat we van al onze omringende gemeenten de hoogste solvabiliteit hebben. We hebben relatief bezien het meeste eigen vermogen en dat is dan nog exclusief onze erfpachtleningen. We zitten op een solvabiliteit van een kleine 40% en dat is hoger dan in alle gemeenten om ons heen. Daarin is ongeveer € 60 miljoen aan erfpachtleningen verdisconteerd terwijl die leningen een-op-een in een erfpachtcontract zijn gezet. Op het moment dat de erfpachtlening afloopt, moet de erfpachter aflossen en valt de lening dus weg uit onze leningenportefeuille. Als je daarvoor schoont, zit de verhouding tussen vreemd vermogen en eigen vermogen op ruim 60%.
Wij zijn een zeer gezond, solvabel financieel bedrijf waarbij we prima in staat zijn om, indien nodig, incidenteel middelen uit de reserves te halen om onze structurele positie te versterken. Dat is wat u ook leest in deze kaderbrief: we hebben de ruimte om, daar waar het nodig is, de formatie te versterken of te investeren in de bedrijfsvoering met incidentele middelen die structureel uiteindelijk een efficiencyslag op gaan leveren. We zijn ook bereid dat te doen. Dat zijn de hoofdlijnen die in deze kaderbrief staan en waarvan ik constateer dat die breed worden gedragen. Ik kom nog op een ander punt, de jeugdhulp. Dat is financieel gesproken een frustratie die wordt gedeeld, denk ik, hoewel we dan vergeten dat het primair om de zorg gaat en niet om het geld. Alleen het geld is een frustratie. We hebben een taak gekregen die we proberen uit te voeren maar we hebben daar onvoldoende middelen voor en we hebben er onvoldoende grip op. Dat is niet alleen hier maar dat is in het hele land. Gelukkig hebben we van het rijk wat extra geld gekregen maar uit vragen van het CDA blijkt heel duidelijk dat het idee dat we nu heel veel extra geld hebben gekregen waarmee we extra dingen kunnen doen, een misvatting is. We hebben per saldo minder structureel geld gekregen dan alleen al nodig is voor de overschrijding op de jeugdhulp in 2019. We boeren nog steeds achteruit.
Dan komt de vraag: kan het dan wat minder? Dat is de vraag van de heer Van der Eijk. Dan verwijs ik nog maar eens naar de vragen van het CDA waarin staat dat we, nu we een enorme druk op het Maatschappelijk Team ervaren, genoodzaakt zijn hulpvragen door te verwijzen naar specialistische hulp die veel duurder is, niet alleen in uurkosten maar ook in het hele traject. De vraag is terecht, en ik denk dat dat een politieke vraag is die bij de begroting hoort, hoe we daarnaar kijken. Investeren in preventie klinkt een beetje vaag want er is geen garantie dat extra investeren aan de voorkant iets oplevert. U heeft in de beantwoording van de vraag kunnen lezen dat we inderdaad op dit moment al hebben moeten constateren dat een aantal vragen bij het Maatschappelijk Team niet opgepakt konden worden terwijl kinderen wel hulp nodig hebben en daardoor doorverwezen zijn naar externe organisaties. Dat is de facto duurder, indien en voor zover wij die vraag zelf hadden kunnen behandelen. Dat kan natuurlijk niet in alle gevallen. Ik kan me prima voorstellen dat dat een discussie is die bij de begroting terugkomt en die u met zijn allen moet voeren. Wij proberen terughoudend te zijn met extra structurele uitbreiding van de formatie of met ondersteuning voor de jeugdhulp.
U heeft afgelopen jaar al een plan langs zien komen voor bedrijfsvoeringverbetering om zo incidenteel geld in te zetten om te zorgen dat we in ieder geval administratief, procesmatig en qua ondersteuning de zaken nog beter op orde krijgen. We hebben dan betere cijfers en kunnen volgen wat er gebeurt. Hopelijk kunnen we dan ook hulpvragen efficiënter, sneller, makkelijker en goedkoper beantwoorden dan we tot nog toe doen of deden. De heer Vieira begon met het punt dat deze kaderbrief wel heel intern is gericht. De kern van een kaderbrief is dat het de hoofdlijnen schetst zoals wij die in de begroting aan u gaan voorleggen. Natuurlijk komen in de begroting heel veel zaken waarop u wijst terug, want in de begroting gaan we in op wat de huidige situatie van corona nu betekent voor de uitvoering van hulpregelingen, voor de ontwikkeling van de bijstand en voor het gezondheidsbeleid. Ook de GGD ziet een aantal dingen gebeuren waar we op moeten gaan acteren. Eenzaamheid is terecht genoemd en dat komt in het kader van de begroting terug. We hebben dat in de kaderbrief niet in de hoofdlijnen voor het opstellen van de begroting meegenomen maar het komt in de begroting natuurlijk wel aan de orde. U kunt daar zeker iets over terugvinden. Tot slot nog een paar dingen. De financiële scan zal u worden gepresenteerd maar ik wil één
misvatting rechtzetten. Dat wij meer uitgeven aan recreatie zal zo zijn, dat is overigens ten opzichte van de referentiegemeente, maar het is financieel gesproken natuurlijk zo dat dat ook voor een groot deel weer wordt gedekt uit IODS. Het gaat niet een-op-een ten laste van andere zaken. Terecht is vanuit het CDA gezegd dat we de oplossing heel erg in inkomsten zoeken. We zijn in deze gemeente al een aantal keren, zoals in elke gemeente, met een stofkam door de begroting heen geweest en we hebben al een aantal bezuinigingsoperaties gehad. Ik denk dat het heel goed is om ook te kijken waar je inkomsten kunt creëren, door bijvoorbeeld het erfpachtinstrument in te zetten en door verhuur van het gemeentehuis. Dat is allemaal in gang gezet en het was misschien allemaal wat te enthousiast gepland maar dat gaat gebeuren, ook voor wat betreft het vergroten van het aantal woningen. Dat was een terechte opmerking want bijbouwen levert per woning € 1.000,00 extra structureel uit het Gemeentefonds op. De woningen die wij gaan ontwikkelen als uit de verkenning Hoornbloem blijkt dat we daar een plan kunnen gaan maken met een aantal woningen, leveren extra geld op. Dat stond in de meerjarenbegroting van vorig jaar voor 2024 maar we hebben dat veiligheidshalve één jaar naar achteren gezet omdat het Gemeentefonds zo werkt dat de woningen pas extra geld opleveren bij oplevering.
Gezien de planvorming denken we dat het niet heel realistisch is dat we daar al in 2024 vanuit kunnen gaan. Dat neemt niet weg dat we daar best naar kunnen streven. We blijven er goed naar kijken waar we door het versnellen van woningbouwplannen, dus ook in de begroting, voordeel kunnen behalen. Tot slot zei mevrouw Snethlage dat deze kaderbrief niet verrassend is. Dat vind ik een compliment. Ik denk dat het er in het bestuur om gaat dat je elkaar niet verrast maar dat je een stabiel, betrouwbaar en continu beleid voert. Dat voeren we ook en ik weet niet wie het woord rentmeesterschap daarbij gebruikte maar dat spreekt mij natuurlijk zeer aan en dat proberen we ook vanuit het college goed invulling te geven. Collega Smit zal ingaan op een aantal punten rondom de formatie en de Gebiedstafel. De voorzitter: Dat lijkt me een goed idee. Wethouder Smit: Ik begin met de visie op het Bijzonder Provinciaal Landschap die is vastgesteld in de Gebiedstafel, die nu overigens Landschapstafel heet. De heer Roeling haalt een heel interessant en terecht punt aan, namelijk de governance. De gemeenteraad gaat toch over dit soort dingen? Dat klopt en dat hebben wij in de Gebiedstafel ook met elkaar afgesproken. De oorsprong ligt hem in het feit dat wij signaleerden, als bestuurders in de Landschapstafel, dat in de verschillende gemeenten werd gewerkt aan een omgevingsvisie. Dat weet u.
Alle gemeenten gaan hun eigen omgevingsvisie maken maar de gemeenten die hier aan tafel zitten, hebben een aandeel in het Bijzonder Provinciaal Landschap. Die hebben allemaal een stukje van dat Landschap. Dat verbindt ons en daarom zitten wij hier. Ook terreinbeheerders hebben eigendommen in dat Bijzonder Provinciaal Landschap. Het zou wel heel raar zijn als al die verschillende gemeenten over het stukje Bijzonder Provinciaal Landschap van henzelf iets totaal anders zouden opschrijven over de richting waarin het gebied zich gaat ontwikkelen. Daarom hebben wij gemeend daar met elkaar uitvoerig over te spreken, voorafgaand aan het tot stand komen van de verschillende omgevingsvisies. Dat is wat we hebben afgesproken. We hebben als uitgangspunt genomen, en dat weet u ook, het bidbook voor het Bijzonder Provinciaal Landschap waarbij u betrokken bent geweest, en de gebiedsvisie 2020-2025 die u ook kent. We hebben daaraan toegevoegd gesprekken over bijvoorbeeld energietransitie omdat dat nog niet in het bidbook en in de gebiedsvisie was opgenomen. Dat zijn nieuwe opgaven waarover we in een ander gremium uitvoerig hebben gesproken, namelijk in de groep van de Regionale Energiestrategie. Ook dat document kent u.
Daar is een document uit gekomen waarvan de bestuurders die daar aan tafel zitten en de MiddenDelflandvereniging, Natuurmonumenten en Staatsbosbeheer hebben gezegd dat zij zich daarin konden vinden. Dit stuk gaat naar de afzonderlijke gemeenteraden als input voor de omgevingsvisie die zij gaan vaststellen in hun eigen raad. Datzelfde proces wordt in deze gemeenteraad gevolgd. De vaststelling van de omgevingsvisie staat op de rol. U weet dat het waarschijnlijk in de oktobercyclus aan u wordt voorgelegd. Als bijlage daarbij ontvangt u de gebiedsvisie op het Bijzonder Provinciaal Landschap die vanuit de Landschapstafel door alle bestuurders wordt onderschreven. De governance zit dus goed in elkaar. U heeft daarover het laatste woord. Dan een stukje personeel en organisatie. Ik sloeg natuurlijk aan op de uitspraak van de heer Van der Eijk, namelijk dat de taakstelling op personeel een voorstel vanuit het college was. Dat heeft de gemeenteraad niet bedacht. De heer Van der Eijk heeft op dat punt helemaal gelijk. Daarom
vinden wij het ook zo ontzettend vervelend dat we daarop moeten terugkomen. Dat is precies wat hier gebeurt. Dat klopt. Met de kennis van nu zou dit college dit voorstel nooit hebben gedaan. We hebben bij de beantwoording van de vragen van het CDA een overzicht gegeven van wat we de afgelopen 2,5 jaar hebben gedaan om de kosten van personeel en organisatie beheersbaar te krijgen en om daar inzicht in te krijgen. We moesten invulling geven aan de opdracht van organisatieontwikkeling, de wendbaardere organisatie, leiderschap dichter in de organisatie, werkprocessen doorlichten en efficiënter werken. We moesten grip krijgen op de uitgaven en dan ook nog de inhuurkosten terugbrengen voor het reguliere werk terwijl we aan de andere kant ook allerlei vacatures hadden die ingevuld moesten worden. Dat was een enorme opgave waarin we eigenlijk heel goed zijn geslaagd. Eerlijk gezegd ben ik best wel trots op de organisatie. Alle processen afzonderlijk van elkaar hebben geleid tot waar we nu staan. Er zijn vijf vacatures met zicht op invulling, en we blijven binnen het inhuurbudget van slechts € 100.000,00. Dat is echt heel weinig. We doen het wel gewoon met zijn allen.
Als je dan tegelijkertijd in de afgelopen jaren al die taken overgeheveld krijgt en er meer van ons wordt verwacht, is het dan nog reëel om in zo'n situatie nog harder te gaan knijpen in dat ambtelijk apparaat? Wij denken van niet. Maar om het helemaal zeker te weten willen we er toch nog een keer naar laten kijken door een externe die er misschien op een andere manier naar kijkt en die resultaten willen we echt met u delen. We hebben die ook toegezegd voordat u over de begroting gaat spreken. Als u mij op de man afvraagt of het kan, denk ik niet dat het kan. In het licht van hoe je als college de boel wilt achterlaten voor een volgende vier jaar, dan moet je je best doen om dat weg te werken, zowel voor de organisatie als voor een nieuw college en een nieuwe raad. Dat is de achtergrond. De voorzitter: Ik kijk even naar de gemeenteraad. Is er nog de behoefte om in tweede termijn het woord te voeren? Ik zie twee vingers omhoog gaan. De heer Cornelissen is als eerste aan het woord. De heer Cornelissen: Dank u voor het beantwoorden van de vragen. Wat mij triggerde, was de opmerking over de corona en de effecten ervan op de begroting maar ook op andere zaken. Ik herinner me nog dat we spraken over het niet kunnen uitvoeren van projecten, zoals onderhoud aan wegen, omdat er wel genoeg geld was maar te weinig mensen om inzet te leveren.
Ik vraag me af of het college inzicht heeft in de huidige stand van zaken en of dat dit jaar en volgend jaar ook nog het geval zal zijn. Komen we dan weer met allerlei achterstanden te zitten door gebrek aan mensen? Terugkomend op de organisatie: de effectiviteit van de middelen die je inzet en welke verbeteringen je daarmee kunt bereiken, blijft altijd een lastig punt. Dat geldt niet alleen voor processen en procedures maar ook voor de automatisering die je gaat inzetten. Meestal kost automatisering geld maar het is natuurlijk ook de bedoeling dat het wat oplevert. Het blijft altijd een dilemma of het werkelijk gaat gebeuren of niet. Dat geldt eveneens voor de incidentele middelen waarover we het net hadden, namelijk incidentele middelen die structurele opbrengsten moeten gaan genereren. Dat is wat mij betreft ontzettende lastig want dat is van tevoren niet of nauwelijks te garanderen. De middelen ben je dan kwijt en de opbrengsten blijven achter omdat het automatiseringssysteem niet het gewenste en verwachte resultaat oplevert. Al met al, voorzitter, zijn er genoeg vragen die misschien nog wat helderheid gaan geven voordat we de conceptbegroting onder ogenkrijgen. Wat het CDA betreft, moet die dadelijk duidelijkheid gaan geven over alle zaken die aangedragen zijn en vragen die zijn gesteld. Dan denk ik dat we daar, op dat moment, de discussie verder gaan voeren.
De voorzitter: Dan ga ik door naar de heer Van der Eijk. De heer Van der Eijk: Ik zal beginnen met het college gelijk te geven. We waren inderdaad correct geïnformeerd over het proces en de gang van zaken omtrent deze brief. Ik zou eigenlijk graag de toezegging willen doen dat ik hier volgende keer beter op zal letten maar omdat er een verkiezing tussen zit, kan ik u niet beloven dat ik hier volgend jaar zit. Ik houd wel een slag om de arm. Ook ben ik blij dat ik van het college heb gehoord dat de taakstelling op het personeel wel degelijk een collegevoorstel was. Zoals ik het in de kadernota las, was het echt wel dat de raad dit wilde. We geven als raad uiteindelijk wel de opdracht maar we hebben nooit, en ik heb dit eerder gezegd,
een amendement of een motie ingediend met een taakstelling. Deze kwam niet bij de raad vandaan. Er is een en ander gezegd over de preventie op het gebied van de zorg. De VVD zou graag meer knoppen zien om aan te draaien. Er wordt vaak gezegd dat dat heel moeilijk is. We hebben wel eens een voorbeeld gekregen van een jongere die hulp had gekregen en die was prima geholpen, maar daarna ging de hulpverlener aan zijn moeder vragen of zij hulp nodig had. Dat is volgens mij werk maken. Er was geen zorgvraag en de zorg werd hier opgedrongen. Dit is wel een casus waarvan wij ons afvragen of dat zo moet en of dat niet minder kan. Misschien dat u ons een paar voorbeelden kunt geven van casussen zijn die niet zijn aangenomen omdat sprake was van een opvoedingsprobleem. Ouderen moeten het steeds meer zelf doen, bejaardenhuizen bestaan niet meer en er wordt tegen ouderen gezegd dat zij hun eigen netwerk moeten aanspreken. Het lijkt wel alsof we dat bij jeugd niet kennen en alsof daar iedere hulpvraag direct bij de gemeente wordt neergelegd. We vinden dat scheef. Het is voor ons niet goed helder waar wij bij jongeren op kunnen sturen. Dat is het probleem waar wij als VVD tegenaan kijken. Het is heel erg vaag. Het is preventie en het is nodig maar wanneer wel en wanneer niet? Het is niet heel concreet en daarom blijft het moeilijk te verteren dat er ieder jaar heel veel geld bij moet.
Een van de sprekers in de eerste termijn, de heer Ringeling, had het over de corona. Ik wil wel herinneren aan de vele initiatieven en dat er veel geld gaat naar scholen en dergelijke om achterstanden in te halen. Het lijkt ons dat hulp bij dyslexie een taak voor de scholen is en niet een taak voor de gemeente. Ik snap een leraar heel goed die gebruikmaakt van een bedrijfje in zijn school dat kinderen met dyslexie goed kan helpen en hij heeft dertig leerlingen in een klas. Dat is heel verleidelijk maar volgens mij is dat een primaire taak van de school en niet van de gemeente. Dit doen wij allemaal om ruimte beschikbaar te houden voor kinderen die echt zorg nodig hebben. Dat is het probleem: als kinderen die echt zorg nodig hebben die niet kunnen krijgen. Daarom moet je wel kijken wat je wel doet en waar het wat minder kan. Daarom maken wij daar een punt van. De voorzitter: Is er behoefte aan een reactie vanuit het college? Heel kort en afrondend? Wethouder Ten Have: Er was een concrete vraag van de heer Cornelissen. Bij de afdeling Beheer is, voor zover ik weet, de formatie nu op orde. Vorig jaar waren daar nog een aantal vacatures waardoor investeringsprojecten uitgesteld moesten worden, maar voor zover ik weet is dat nu niet het geval. We hebben u wel toegezegd, en dat doen we al, om heel kritisch naar alle geraamde investeringen te kijken die gepland staan.
Zijn ze nodig en kunnen we ze daadwerkelijk uitvoeren? Het laatste is betreft de formatieve component. Daar vroeg de heer Cornelissen impliciet naar. Als wij een investeringsimpuls gaan doen en extra geld beschikbaar stellen om achterstanden op kapitaalgoederen in te lopen, moeten we ook duidelijk zijn dat daar een formatieve component bij hoort. Dan zullen we ook extra capaciteit nodig hebben om de werken voor te bereiden en uit te voeren. Dat zal dan ook onderdeel zijn van het bedrag dat wij beschikbaar gaan stellen in de meerjarenbegroting. Uw concrete vraag is of we nu weer achterlopen vanwege gebrek aan capaciteit. In de reguliere formatie is mij dat nu niet bekend en zijn we volgens mij op orde. De heer Van der Eijk weet niet of hij hier volgend jaar nog zit. Let's shake hands. Uw punt van de jeugdzorg in relatie tot scholen is een punt waarover we eerder hebben gesproken, ook tijdens raadswerkgroepen. U heeft volstrekt gelijk, er gaat nu heel veel extra geld naar scholen. Dat roept een vraag op waarover we het al eens hebben gehad: waar ligt de scheiding precies tussen de verantwoordelijkheid van scholen op het brede terrein van jeugdzorg en die van de gemeenten? Daarover hebben we ook iets afgesproken.
Ik kan me voorstellen dat wij daar in een raadswerkgroep over het Sociaal Domein nog een keer op terugkomen, ook naar aanleiding van de door de heer Van der Eijk geschetste casuïstiek. Casuïstiek is wel altijd een beetje gevaarlijk. Is het de uitzondering of is het de regel? Is het beïnvloedbaar? Doet het zich werkelijk bij ons voor? Is het het hele verhaal? Ik denk dat we in een raadswerkgroep Sociaal Domein iets dieper kunnen ingaan op het punt van hoe kunnen we nu aan knoppen draaien en wat voor voorbeelden zijn er. Die raadswerkgroepen hebben we het afgelopen jaar gehouden en wat mij betreft houden we ze ook het komende jaar, tot aan de verkiezingen. Daar kunnen we erop terugkomen en daar heeft u de gelegenheid om die discussie met elkaar te voeren. De voorzitter: Ik kijk even rond en stel vast dat we deze behandeling in twee termijnen hebben afgerond.
De raad stemt unaniem in met het voorstel.
5.
Mogelijkheid tot het stellen van vragen
De voorzitter: Voor dit agendapunt is niets aangereikt.
6.
Sluiting
De voorzitter: Ik sluit de vergadering onder dankzegging aan u allen voor uw inbreng. Dank aan het publiek dat via de webcast met ons heeft meegekeken, en natuurlijk ook dank aan de vertegenwoordigers van de pers die ongetwijfeld verslag zullen doen aan onze inwoners via het medium hier aanwezig.
Aldus vastgesteld in de vergadering van de raad van de gemeente Midden-Delfland op 28 september 2021. de griffier, A. de Vos
de voorzitter, A.J. Rodenburg