COMM Bijlage 1 Verordening Wet maatschappelijke ondersteuning gemeente Midden-Delfland 2026 definitief
Tekst van het document
Verordening Wet maatschappelijke ondersteuning gemeente Midden-Delfland 2026 Intitulé Verordening Wet maatschappelijke ondersteuning gemeente Midden-Delfland 2026 De raad van de gemeente Midden-Delfland;
gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 18 november 2025
gelet op de artikelen 2.1.3, 2.1.4, eerste tot en met vierde lid, en zesde lid, 2.1.4a eerste, tweede, vijfde en zesde lid, 2.1.4b, tweede lid, 2.1.6, 2.1.7, 2.3.6, vierde lid, en 2.6.6,
eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en artikel 3.8, tweede lid en 5.4 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015;
besluit vast te stellen de Verordening Wet maatschappelijke ondersteuning gemeente Midden-Delfland 2026.
HOOFDSTUK 1 BEGRIPSOMSCHRIJVINGEN Artikel 1. Begripsbepalingen 1. Alle begrippen en definities uit artikel 1.1.1. van Wet maatschappelijke
ondersteuning 2015 gelden in deze verordening, en worden hier niet herhaald.
2. Aanvullend wordt in deze verordening en de Nadere regels Wmo Midden-Delfland 2026 verstaan onder:
a. algemeen gebruikelijke voorziening: voorziening die niet speciaal is
bedoeld voor mensen met een beperking, die algemeen verkrijgbaar is en niet of niet veel duurder is dan vergelijkbare producten, diensten, activiteiten of andere maatregelen en die financieel gedragen kan worden met een inkomen op minimumniveau. b. andere voorziening: voorziening anders dan in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; c. budgetbeheerder: de persoon die namens de budgethouder het persoonsgebonden budget beheert en die alle aan het persoonsgebonden budget verbonden taken uitvoert. d. budgetplan: het plan waarmee de inwoner een persoonsgebonden budget aanvraagt om zelf ondersteuning in te kopen. In dit plan beschrijft de inwoner welke ondersteuning deze wil inkopen voor het beschikbare budget, het bedrag dat per zorgverlener of ondersteuner besteed gaat worden en welke resultaten de inwoner hiermee wil bereiken en hoe de ondersteuning van voldoende kwaliteit is. Uit het plan dient te blijken dat de zorg en ondersteuning die met het pgb wordt ingekocht veilig, doeltreffend, doelmatig en clientgericht wordt verstrekt;
e. college: het college van burgemeester en wethouders van de
gemeente Midden-Delfland. De uitvoering gebeurt feitelijk in mandaat door deskundige medewerkers die namens het college de toeleiding verzorgen naar Wmo voorzieningen; f. eigen bijdrage: financiële bijdrage van een inwoner voor het gebruik van een algemene voorziening, niet zijnde inwonerondersteuning, en/of voor een maatwerkvoorziening dan wel een persoonsgebonden budget, als bedoeld in de artikelen 2.1.4 en 2.1.4a van de wet; g. formele ondersteuning: ondersteuning geleverd door personen die: i. in loondienst zijn bij een instelling die ten aanzien van de uit het pgb te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007) als zijnde beroepsmatig werkzaam op het terrein van maatschappelijke ondersteuning en die voldoet aan kwaliteitseisen zoals opgenomen in artikel 15 van deze verordening en die beschikt over een Verklaring Omtrent Gedrag en de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken. ii. aangemerkt zijn als Zelfstandige zonder personeel en de beschikking hebben over een beschikking geen loonheffingen (BGL).
Daarnaast moeten ze ten aanzien van de uit het pgb te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007) als zijnde beroepsmatig werkzaam op het terrein van maatschappelijke ondersteuning, beschikken over een Verklaring Omtrent Gedrag en over relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken en voldoen aan de kwaliteitseisen opgenomen in artikel 15 van de deze verordening. h. hoofdverblijf: de woonruimte, bestemd en geschikt voor permanente bewoning, waar een inwoner de vaste woon- en verblijfplaats heeft en in de gemeentelijke basisadministratie staat ingeschreven dan wel zal staan ingeschreven, dan wel het feitelijk woonadres indien een persoon met een briefadres is ingeschreven; i. hulpvraag: behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet; j. immateriële maatwerkvoorziening: een voorziening in de vorm van ondersteuning, dienstverlening of hulpverlening die niet bestaat uit fysieke producten, maat uit activiteiten of zorg. k. ingezetene: de persoon die ingeschreven is en het adres heeft in een gemeente in Nederland en die op basis van concrete feiten en
omstandigheden in aanmerking kan komen voor een voorziening op basis van de wet; l. inwoner: ingezetene van de gemeente Midden-Delfland of ingezetene zoals bedoeld onder h. en in geval deze een gemachtigde of wettelijke vertegenwoordiger heeft, de gemachtigde of de (wettelijk) vertegenwoordiger van de inwoner; m. informele hulp: ondersteuning die: • wordt geleverd door iemand uit het sociale netwerk; en/of • niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep; • niet voldoet aan het gestelde in artikel 1 onder e. n. materiële maatwerkvoorziening: een voorziening in de vorm van een tastbaar of fysiek hulpmiddel, voorziening of aanpassing. o. melding: melding van of namens een inwoner aan het college over de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet. p. ondersteuningsplan: schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek naar de behoefte aan ondersteuning van de inwoner. Hierin beschrijft het college welke problemen de inwoner ondervindt op het gebied van zelfredzaamheid en participatie en concreet wat het te behalen resultaat is met deze ondersteuning; q. persoonlijk plan: een plan dat de inwoner opstelt of laat opstellen waarin staat welke maatschappelijke ondersteuning de inwoner nodig vindt ter verbetering van de zelfredzaamheid en/of participatie; r.
pgb: persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 1.1.1 van de wet; s. Regiotaxi: taxi- vervoersvoorziening voor lokale verplaatsingen; t. wet: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; u. zorg in natura: een maatwerkvoorziening die wordt uitgevoerd door een door de gemeente gecontracteerde aanbieder of leverancier; HOOFDSTUK 2 TOEGANGSPROCEDURE Artikel 2. Melding behoefte aan maatschappelijke ondersteuning 1. Een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning kan door of namens een inwoner bij het college worden gemeld.
2. Het college bevestigt de ontvangst van een melding schriftelijk of digitaal. Het college wijst de inwoner op de mogelijkheid van onafhankelijke cliëntondersteuning en het indienen van een persoonlijk plan.
3. Het college zorgt ervoor dat ingezetenen een beroep kunnen doen op kosteloze onafhankelijke cliëntondersteuning bij de procedure voor de aanvraag om een voorziening waarbij het belang van de inwoner het uitgangspunt is.
4. Als de inwoner voldoende bekend is bij het college, kan het college afzien van een onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2 van de wet, als de inwoner daarmee instemt.
5. Als de melding een informatieverzoek is, bevestigt het college de ontvangst van
de melding niet schriftelijk. Dat doet het college ook niet als het de gestelde vraag direct kan beantwoorden of als het college de inwoner kan doorverwijzen naar een andere organisatie of afdeling.
6. In geval van een melding betreffende Beschermd Wonen en Maatschappelijke
Opvang heeft het college de uitvoering gemandateerd aan de Centrumgemeente Delft.
7. Het college kan nadere regels stellen over de melding. Artikel 3. Onderzoek 1. Het college onderzoekt samen met de eventuele melder en de inwoner binnen zes weken na ontvangst van de melding:
a. identiteit van de inwoner via het raadplegen van een identiteitsbewijs;
b. de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de inwoner; c. het gewenste resultaat van het verzoek om ondersteuning;
d. alle gegevens en bescheiden die volgens het college voor het vaststellen van de ondersteuningsbehoefte nodig zijn;
e. de mogelijkheid van de inwoner om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp de zelfredzaamheid of de participatie te
handhaven of te verbeteren, of te voorzien in de behoefte aan
beschermd wonen of opvang met inachtneming van artikel 2 lid 5 f.
van deze verordening;
de mogelijkheid om met mantelzorg of hulp van andere personen uit het sociale netwerk te komen tot verbetering van de
zelfredzaamheid of de participatie, of te voorzien in de behoefte aan beschermd wonen of opvang zoals bedoeld onder e. van dit artikel;
g. de behoefte aan maatregelen voor de ondersteuning van de mantelzorger van de inwoner;
h. de mogelijkheid om door gebruik te maken van een algemene
voorziening of door het verrichten van maatschappelijk nuttige
activiteiten de zelfredzaamheid of participatie te verbeteren, of de
mogelijkheid of mogelijkheden om via een algemene voorziening te i.
komen tot beschermd wonen of opvang;
de mogelijkheden om door middel van samenwerking met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de
Zorgverzekeringswet en partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde
dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering van
zijn zelfredzaamheid of zijn participatie of aan beschermd wonen j.
of opvang;
de noodzaak van het college om een maatwerkvoorziening te verstrekken;
k. welke eigen bijdragen in de kosten de inwoner moet betalen; en l.
de mogelijkheid voor de inwoner om een voorziening te ontvangen in de vorm van een pgb. Het college legt de inwoner hierbij uit wat de voorwaarden en de gevolgen van die keuze zijn.
2. Als de inwoner een persoonlijk plan als bedoeld in artikel 2, tweede lid van deze
verordening heeft ingeleverd, dan betrekt het college dit plan bij het onderzoek.
3. Het onderzoek bestaat uit de volgende stappen:
a. het vaststellen wat de hulpvraag van de inwoner is;
b. het onderzoeken welke problemen de inwoner ondervindt bij de
zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie, dan wel het zich kunnen handhaven in de samenleving;
c. het vaststellen welke ondersteuning de inwoner naar aard en
omvang nodig heeft om een passende bijdrage te leveren aan de
zelfredzaamheid of participatie of het zich kunnen handhaven in de samenleving;
d. het vaststellen in hoeverre de eigen mogelijkheden van de inwoner, gebruikelijke hulp, mantelzorg, ondersteuning door andere personen uit het sociale netwerk en algemene of andere
voorzieningen de nodige hulp en ondersteuning kunnen bieden.
e. het bepalen van de benodigde ondersteuning voor het bereiken van de verbetering van zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie.
4. Als de inwoner de voorziening als dienst in de vorm van een pgb wil ontvangen,
dan is het nodig dat de inwoner hiervoor een budgetplan inlevert. Dit plan maakt onderdeel uit van de aanvraag. Het college stelt hiervoor een format verplicht.
5. Het college informeert de inwoner over de gang van zaken bij het onderzoek, de rechten en plichten en de vervolgprocedure.
6. Het college kan een door hem daartoe aangewezen adviesinstantie om advies
vragen met toepassing van artikel 8 lid 2 van deze verordening als het dit van
belang acht voor de beoordeling van de aanvraag om een maatwerkvoorziening;
7. Als de inwoner en zijn hulpvraag voldoendebekend is, kan het college in
overeenstemming met de inwoner met toepassing van artikel 6 van deze verordening afzien van een onderzoek als bedoeld in het eerste lid;
8. Het college kan nadere regels stellen over het onderzoek. Artikel 4. Ondersteuningsplan
1. Het college geeft de inwoner binnen zes weken nadat de melding is geregistreerd het ondersteuningsplan. In het ondersteuningsplan beschrijft het college de
uitkomsten van het onderzoek. Als het college het voornemen heeft om een maatwerkvoorziening toe te kennen, staat dit beschreven in het ondersteuningsplan.
2. Met instemming van de inwoner kan het college de termijn van zes weken met een redelijke termijn verlengen.
3. De inwoner kan binnen twee weken na ontvangst schriftelijk of digitaal het
ondersteuningsplan aanvullen of er op reageren. Het college betrekt dit bij de besluitvorming.
4. Als een inwoner niet schriftelijk of digitaal kan reageren, kan het college met
instemming van de inwoner een mondelinge reactie op het ondersteuningsplan als bedoeld in lid 3, schriftelijk vastleggen.
5. Het college kan nadere regels stellen over het ondersteuningsplan. Artikel 5. Aanvraag 1. Een inwoner kan een aanvraag om een maatwerkvoorziening schriftelijk indienen bij de gemeente. Een aanvraag wordt ingediend door middel van: a. Een vastgesteld aanvraagformulier of,
b. Een door de inwoner ondertekend ondersteuningsplan als bedoeld in artikel 4 van deze verordening of,
c. Een digitaal ondertekend zorgplan.
2. De inwoner tekent het ondersteuningsplan en het zorgplan voor akkoord, niet akkoord of voor gezien.
3. Als de inwoner de voorziening als dienst in de vorm van een pgb wil ontvangen, dan is de aanvraag pas compleet met een door de inwoner volledig ingevuld
budgetplan erbij. Het college verstrekt hiervoor een format. Een ondertekende
verklaring over de kwaliteit en effectiviteit van de gekwalificeerde hulpverlener is onderdeel van het budgetplan. Hierin verklaart de hulpverlener dat en hoe deze aan de kwaliteitseisen voldoet
4. Het college geeft de beschikking binnen twee weken na ontvangst van de aanvraag.
Artikel 6. Verkorte procedure 1. In spoedeisende gevallen als bedoeld in artikel 2.3.3 van de wet kan het college na de melding direct een tijdelijke maatwerkvoorziening treffen, in afwachting van de uitkomst van het onderzoek. Onder spoedeisende gevallen wordt in ieder geval gezien:
▪
De inwoner is langdurig mantelzorger (dit houdt in langer dan drie maanden en meer dan 8 uur per week) en dreigt overbelast te raken.
▪
De inwoner heeft onverwachts problemen met het uitvoeren van huishoudelijke taken wegens een tijdelijke beperking.
2. Het college kan na een melding een verkorte procedure toepassen. Het college legt deze toestemming schriftelijk vast in de beschikking.
3. Bij de verkorte procedure acht het college een uitgebreid onderzoek naar de ondersteuningsbehoefte niet nodig. Wel kan minimaal een vastgesteld aanvraagformulier nodig zijn om de aanvraag in te dienen.
4. Bij de te verlenen dan wel te wijzigen voorziening motiveert het college de toepassing van de verkorte procedure.
5. Het college kan Nadere regels stellen ten aanzien van de verkorte procedure. HOOFDSTUK 3 DE TE BEREIKEN RESULTATEN Artikel 7. Criteria voor een maatwerkvoorziening 1. Een inwoner komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening
ter compensatie van de beperkingen, chronische psychische of psychosociale problemen, als gevolg waarvan de inwoner niet voldoende in staat is tot
zelfredzaamheid of participatie en voor zover de inwoner deze beperkingen naar het oordeel van het college niet kan verminderen of wegnemen: a. op eigen kracht, en/of
b. met gebruikelijke hulp, en/of c. met mantelzorg, en/of
d. met hulp van andere personen uit het sociale netwerk, en/of
e. met gebruikmaking van algemeen gebruikelijke voorzieningen of algemene voorzieningen.
2. Een inwoner met psychische of psychosociale problemen en een inwoner die de
thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor de veiligheid
vanwege huiselijk geweld, komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in de samenleving, voor zover de inwoner deze problemen naar het oordeel van het college niet kan verminderen of wegnemen:
a. op eigen kracht en/of,
b. met gebruikelijke hulp en/of c. met mantelzorg en/of
d. met hulp van andere personen uit het sociale netwerk en/of
e. met gebruikmaking van algemeen gebruikelijke voorzieningen of algemene voorzieningen.
Artikel 7a. Gebruikelijke hulp 1. Gebruikelijke hulp is de mate waarin de inwoner met behulp van gebruikelijke hulp het aanvaardbare niveau van zelfredzaamheid en participatie of het zich
handhaven in de samenleving kan bereiken of behouden. Bij gebruikelijke hulp worden de volgende uitgangspunten gehanteerd:
a. Personen binnen de huiselijke kring van een bewoner zijn altijd zelf primair verantwoordelijk voor het functioneren van het huishouden, de
zelfredzaamheid en de participatie of het zich kunnen handhaven in de samenleving van de leden van die huiselijke kring.
b. Gebruikelijke hulp heeft een verplichtend karakter. Het hoeft niet te
betekenen dat de huiselijke kring deze hulp zelf uitvoert. De gebruikelijke
hulp kan door de bewoner ook aan derden uitbesteed worden of met eigen financiële middelen ingekocht worden.
c. Voor gebruikelijke hulp wordt geen (aanvullende) ondersteuning geboden vanuit de Wmo.
d. Bij uitval van een persoon wordt door andere personen binnen de huiselijke kring, al dan niet naast fulltime (vrijwilligers)werk of opleiding,
zorggedragen voor een herverdeling en overname van de (huishoudelijke) taken, zorg- en begeleidingsactiviteiten.
e. De bijdrage die van kinderen wordt gevraagd is afhankelijk van de leeftijd. Van iedere volwassene van 23 jaar of ouder wordt in ieder geval verwacht naast een volledige baan of opleiding een meerpersoonshuishouden te
kunnen voeren. Het hebben van een fulltimebaan of het volgen van een voltijdsopleiding staat het leveren van gebruikelijke hulp dus niet in de
weg. Het bieden van gebruikelijke hulp gaat verder ook voor op andere activiteiten van leden van de huiselijke kring in het kader van hun f.
maatschappelijke participatie.
Fysieke afwezigheid van de huisgenoot belemmert het bieden van
gebruikelijke hulp in principe niet. Van ieder (volwassen) mens wordt verwacht een volledige school- of werkweek (inclusief overwerk en
reistijden) te kunnen combineren met huishoudelijke taken. Afwezigheid
vanwege school- of arbeidsgerelateerde activiteiten kan er wel toe leiden
dat de gebruikelijke hulpverlener de uitvoering van de taken moet plannen op momenten waarop hij/zij wel thuis is.
g. Bij de beoordeling of en in welke mate er sprake is van gebruikelijke hulp worden in ieder geval de volgende aspecten gewogen: i.
ii. iii. iv.
De aard van de benodigde ondersteuning.
De mate van planbaarheid en uitstelbaarheid van de benodigde ondersteuning.
De frequentie en omvang van de benodigde ondersteuning.
De duur van de benodigde ondersteuning. Is er sprake
van een kortdurende situatie met uitzicht op herstel of een langdurende (chronische) situatie waarin extra
v.
ondersteuning nodig is.
Gebruikelijke hulp is niet of in mindere mate van toepassing als uit objectief onderzoek blijkt dat
personen binnen de huiselijke kring niet in staat zijn om (een aantal) taken over te nemen vanwege: ▪ ▪ ▪
(langdurige) fysieke afwezigheid
een beperking of een beperkte leerbaarheid
(dreigende) overbelasting, waarbij het evenwicht
tussen draagkracht en draaglast onder spanning
staat. Wanneer de dreigende overbelasting wordt veroorzaakt door een combinatie van werk en gebruikelijke hulp en andere activiteiten dan
werk en huishouden, gaan werk en gebruikelijke
hulp voor. Het beoefenen van vrijetijdsbesteding
kan het bieden van gebruikelijke hulp in principe niet in de weg staan. Bij (dreigende)
overbelasting kan die indicatie van korte duur zijn om de huiselijke kring de gelegenheid te geven de onderlinge taakverdeling aan de ontstane situatie aan te passen. Artikel 7b. Primaat van verhuizen 1. De gemeente kan ervoor zorgen dat de inwoner een maatwerkvoorziening krijgt als het normale gebruik van zijn woning als gevolg van een beperking niet mogelijk is.
2. De gemeente beoordeelt of een woningaanpassing of een verhuizing de
goedkoopste adequate oplossing is. Hierbij spelen de volgende factoren een rol: a. zijn er aangepaste of eenvoudig aan te passen woningen?
b. de woning moet binnen een medisch aanvaardbare termijn beschikbaar zijn;
c. de kostenvergelijking tussen aanpassen en verhuizen. Als de
woningaanpassing meer gaat kosten dan € 15.000,00 wordt verhuizen als de goedkoopste adequate oplossing gezien;
d. volkshuisvestelijke afwegingen en noodzakelijke vergunningen; e. sociale omstandigheden; f.
afstemming met andere voorzieningen;
g. werksituatie;
h. verandering in woonlasten; i.
j.
wooncomfort;
is de inwoner huurder of eigenaar van de woning;
k. de wil van de inwoner om te verhuizen; l.
overige specifieke omstandigheden.
Artikel 7c. Vervoersvoorzieningen 1. Bij de te verstrekken collectieve vervoersvoorziening wordt alleen rekening
gehouden met de verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving met een maximum van 1.500 kilometer op jaarbasis.
2. De gemeente kan aan de inwoner een elektrisch aangedreven individuele vervoersvoorziening verstrekken. Hierbij geldt het volgende:
a. de voorziening is ter vervanging van de loop- en/of de fietsfunctie;
b. de inwoner is in staat om zelfstandig op en van de voorziening te stappen;
c. de inwoner heeft een vervoersbehoefte in de directe woonomgeving van de woning binnen de gemeente of woonkern;
d. er moet een goed toegankelijke stallingsruimte, voorzien van een geaard
stopcontact van 220 volt, aanwezig zijn of gecreëerd kunnen worden. De
voorziening dient gestald te worden in een daarvoor geschikte, overdekte, geventileerde ruimte;
e. de inwoner is in staat om – na instructie - op veilige wijze gebruik te
maken van een elektrisch aangedreven individuele vervoersvoorziening.
3. Als de inwoner naast collectie vervoer ook gebruik kan maken van een hulpmiddel om korte tot middellange afstanden te overbruggen ten behoeve van de
verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving, wordt de inwoner in staat gesteld om maximaal 750 km te reizen met collectief vervoer.
4. Indien de inwoner gemotiveerd aangeeft dat het aantal kilometers zoals bedoeld in lid 1 en 3 van dit artikel, niet volstaat om op een aanvaardbaar niveau te kunnen participeren, dan kan de inwoner in staat worden gesteld om meer kilometers met het collectief vervoer te reizen. Artikel 7d. Voorwaarden en weigeringsgronden 1. Indien meerdere voorzieningen als passend aan te merken zijn, kent het college de goedkoopst adequate (tijdig beschikbare) voorziening toe;
2. De maatwerkvoorziening wordt slechts verstrekt indien deze gezien de
beperkingen van de inwoner, veilig voor hemzelf en zijn omgeving is, geen gezondheidsrisico’s met zich meebrengt en niet anti-revaliderend werkt.
3. Een maatwerkvoorziening wordt toegekend als de inzet van de voorziening
doeltreffend geacht kan worden. De doeltreffendheid beoordeelt het college door vast te stellen of de maatwerkvoorziening wezenlijk bijdraagt aan het oplossen
van de hulpvraag en [waar beschikbaar] wordt gewerkt met een bewezen methode en nooit met een bewezen niet effectieve methode.
4. Een inwoner komt enkel in aanmerking voor een eenmalig PGB voor zover: a. hiermee naar oordeel van het college een passende bijdrage wordt
geleverd aan het realiseren van een situatie waarin de inwoner in staat
wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven, en
b. het betreft een van de volgende voorzieningen:
i. De aard van de benodigde ondersteuning.
ii. De mate van planbaarheid en uitstelbaarheid van de benodigde ondersteuning.
iii. Vervoer.
5. Geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt:
a. voor zover met betrekking tot de problematiek die in het gegeven geval
aanleiding geeft voor de noodzaak tot ondersteuning, een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling of een regeling bestaat en dit
leidt tot voldoende compensatie om het gewenste resultaat te bereiken;
b. indien het een maatwerkvoorziening betreft die de inwoner voor de melding heeft gerealiseerd, ingeschakeld of geaccepteerd;
c. indien het een maatwerkvoorziening betreft die de inwoner tussen de
melding en de aanvraag heeft gerealiseerd, ingeschakeld of geaccepteerd tenzij het college daarvoor schriftelijk toestemming heeft verleend of de
noodzaak, adequaatheid en passendheid van de voorziening en de gemaakte kosten achteraf nog kunnen worden vastgesteld;
d. indien de maatwerkvoorziening niet langer dan zes maanden noodzakelijk is, tenzij er zwaarwegende redenen zijn om dit toch te doen;
e. indien uit wetenschappelijk onderzoek onvoldoende de toegevoegde waarde blijkt van de maatwerkvoorziening in het wegnemen van
beperkingen in de zelfredzaamheid en participatie. Het college kan deze hulp wel toekennen wanneer deze in de persoonlijke situatie als meest f.
passend worden gevonden.
ten behoeve van huishoudelijke ondersteuning van woonruimten die niet geschikt zijn of gebruikt worden voor permanente bewoning zoals
hotels/pensions, (trekkers)woonwagens, tweede woningen, vakantie- en recreatiewoningen en gehuurde kamers, ADLclusterwoning of een woonruimte waarvoor de inwoner geen huurtoeslag kan krijgen;
g. als de inwoner of betrokken anderen niet of onvoldoende meewerken aan het onderzoek, omdat het college de ondersteuningsbehoefte dan niet voldoende kan vaststellen.
6. Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is ter vervanging van een eerder door het college verstrekte voorziening, wordt deze slechts verstrekt als de eerder verstrekte voorziening technisch is afgeschreven,
a. tenzij de eerder verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de inwoner zijn toe te rekenen;
b. tenzij de inwoner geheel of gedeeltelijk tegemoet komt in de veroorzaakte kosten, of
c. als de eerder verstrekte voorziening niet langer een oplossing biedt voor de behoefte van de inwoner aan maatschappelijke ondersteuning.
7. Geen woonvoorziening wordt verstrekt:
a. als de noodzaak tot het treffen van een voorziening het gevolg is van achterstallig onderhoud aan de woning of wanneer de ondervonden aantoonbare beperkingen bij het normale gebruik van de woning
voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte materialen.
b. voor zover het voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten betreft. In deze situatie is de eigenaar, verhuurder of Vereniging Voor Eigenaren verantwoordelijk voor de voorzieningen.
c. als de inwoner zijn hoofdverblijf niet heeft of niet zal hebben in de woning waaraan de voorziening wordt getroffen;
d. ten behoeve van woonruimten die niet geschikt zijn voor permanente
bewoning zoals hotels/pensions, (trekkers)woonwagens, tweede woningen, vakantie- en recreatiewoningen en gehuurde kamers, ADLclusterwoning of een woonruimte waarvoor de inwoner geen huurtoeslag kan krijgen;
e. indien de noodzaak tot het treffen van een woonvoorziening het gevolg is van een verhuizing, die niet noodzakelijk was vanwege belemmeringen in
het normale gebruik van de woning als gevolg van beperkingen, en er geen andere belangrijke reden aanwezig was.
f.
als de behoefte het gevolg is van een verhuizing waarvoor geen aanleiding bestaat op grond van beperkingen bij de zelfredzaamheid of participatie en er verder geen belangrijke reden voor verhuizing aanwezig is;
g. indien de inwoner niet is verhuisd naar de voor de beperkingen op dat moment meest geschikte woning, tenzij daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is verleend door het college.
h. voor zover het voorzieningen in woongebouwen betreft die specifiek
gericht zijn op ouderen of mensen met beperkingen en die bij nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten meegenomen kunnen
i. j.
worden;
als de beperkingen van de inwoner het gevolg zijn van in de woning gebruikte materialen;
als de inwoner een Wlz-indicatie heeft en op de wachtlijst staat voor verhuizing naar een zorginstelling op grond van de Wlz;
8. Het college verstrekt de voorzieningen opvang en beschermd wonen conform het daartoe vastgesteld beleid van de centrumgemeente Delft, de geldende
verordening maatschappelijke ondersteuning en de daarop gebaseerde nadere regels maatschappelijke ondersteuning van deze centrumgemeente.
9. Het college kan Nadere regels stellen over de criteria voor het in aanmerking komen van een maatwerkvoorziening.
Artikel 8. Advisering 1. Het college heeft de bevoegdheid tot het uitvoeren van het onderzoek van artikel 3 gemandateerd aan deskundige medewerkers.
2. Het college wint met toestemming van de inwoner verder specifiek deskundig oordeel en advies in, als het van oordeel is dat het onderzoek dit vereist. De adviseur beschikt, afhankelijk van het gevraagde advies, aantoonbaar over: a. sociaal-medische kennis op het niveau van een arts; b. ergonomische kennis;
c. bouwkundige/technische kennis;
d. gedragswetenschappelijke kennis. Artikel 9. Maatwerkvoorzieningen 1. Het college draagt zorg voor het beschikbaar maken van maatwerkvoorzieningen in het kader van de Wmo 2015;
a. ten behoeve van zelfredzaamheid, daaronder begrepen kortdurend verblijf in een instelling ter ontlasting van de mantelzorger, het daarvoor
noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen,
b. ten behoeve van participatie, daaronder begrepen het daarvoor
noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen en andere maatregelen,
c. ten behoeve van beschermd wonen, beschermd thuis en maatschappelijke opvang, met inachtneming van artikel 2 lid 5 van deze verordening.
2. Als het college een maatwerkvoorziening in de vorm van een dienst toekent, wordt het arrangement op één of meer van de volgende resultaatgebieden toegekend:
Resultaatgebied 1: Sociaal en persoonlijk functioneren: draagt ertoe bij dat de inwoner zelfredzaam kan participeren in een sociale leefomgeving.
Resultaatgebied 2: Financiën: richt zich op het creëren en behouden van overzicht en controle op een gezonde financiële huishouding.
Resultaatgebied 3: Huisvesting: draagt ertoe bij dat inwoners een betaalbare en
geschikte huisvesting hebben en kunnen houden. Hulp is onder meer gericht op
een veilige, toereikende en (waar mogelijk) autonome huisvesting, die past bij de beperking die iemand mogelijk heeft.
Resultaatgebied 4: Dagbesteding: draagt ertoe bij dat de inwoner op zinvolle wijze de dagen kan invullen onder toezicht of met ondersteuning.
Resultaatgebied 5: Ondersteuning en regie bij het huishouden (een schoon en
leefbaar huis): draagt ertoe bij dat de inwoner verantwoord zelfstandig kan blijven wonen.
Resultaatgebied 6: Gezondheid: draagt ertoe bij dat de inwoner aandacht heeft voor de gezondheid en het onderhouden en/of verbeteren daarvan.
3. Het college bepaalt de omvang van de voorziening c.q. het arrangement door het
bepalen van de trede, die staat voor een bepaalde intensiteit van de ondersteuning of zorgvoorziening. Deze is afhankelijk van de mate van zelfredzaamheid, het vermogen om te participeren en de zwaarte van de ondersteuningsvraag. De
resultaatgebieden en intensiteiten vormen samen een matrix van waaruit het college arrangementen kan samenstellen.
4. Het college kan de volgende producten aanvullend indiceren binnen een hierboven benoemd resultaatgebied:
a. Maaltijdvoorziening: Het bereiden en klaarzetten van een maaltijd. Toezicht op het gebruik van de maaltijd. Deze voorziening is niet gekoppeld aan een trede.
b. Vervoer: het vervoeren van een persoon met of zonder rolstoel. Ten
behoeve van de resultaatgebieden 1, 2, 3, 4, 6 en ontmoetingscentra zoals bedoeld in lid 5 van dit artikel en met uitzondering van Kortdurend Verblijf.
c. Niet acute zorg buiten kantoortijden: ten behoeve van de
resultaatgebieden 1, 3, 6 en het maatwerkproduct Kortdurend Verblijf zoals opgenomen in lid 5 van dit artikel.
a. Het bereikbaar zijn voor inwoners 24 uur per dag.
b. Onplanbare zorg is acute zorg die niet vast staat aan kantoortijden.
d. Waakvlam: ten behoeve van de resultaatgebieden 1, 2, 3, 4 en 6. Periodiek contact ten behoeve van nazorg door bij voorkeur bekende begeleider ter voorkoming en het vroeg signaleren van terugval.
e. Toeleiding naar passende dagbesteding: inwoner toe leiden naar een passende vorm van dagbesteding
f.
Kindzorg: het tijdelijk overnemen van de reguliere verzorging van een
gezond kind tot 12 jaar bij uitval van de ouder(s) en de afwezigheid van informele zorg en algemeen gebruikelijke of andere voorzieningen.
g. Was en strijkverzorging : ten behoeve van resultaatgebied 5.
h. Wendagen ten behoeve van ontmoetingscentra. Dit geldt niet voor aanbieders die leveren vanuit de algemene voorziening.
5. Voor onderstaande resultaten kent het college de volgende losse ondersteuningsvormen:
a. Kortdurend verblijf dat ertoe bijdraagt dat de inwoner in een veilige
omgeving kan verblijven zodat de huiselijke kring / de mantelzorger tijdelijk wordt ontlast.
b. Ontmoetingscentra ter ondersteuning van mantelzorgers en mensen met psychosociale problematiek om overbelasting van mantelzorgers te voorkomen en inwoners langer thuis te laten wonen.
6. Naast maatwerkvoorziening in diensten, kan het college een maatwerkvoorziening als middel verstrekken zoals: a. rolstoelvoorziening;
b. sportvoorziening in de vorm van een hulpmiddel ten behoeve van een aanvaardbare mate van participatie;
c. vervoersvoorziening, waaronder de Regiotaxi waarmee een inwoner
maximaal 1500 kilometer per jaar kan reizen tegen een gereduceerd tarief voor maximaal 25 km per enkele rit;
d. woningaanpassing of woonvoorziening.
7. Het college kan nadere regels stellen inzake de aard van de te verstrekken
maatwerkvoorziening, de toegang daartoe, en de maximale hoogte van de kosten van een voorziening als bedoeld in dit hoofdstuk.
Artikel 10. Algemene voorzieningen 1. Om in aanmerking te komen voor de algemene voorziening was- en strijkservice dient de aanvrager een inwoner van de gemeente te zijn.
2. Om in aanmerking te komen voor de algemene voorziening ‘Ontmoetingscentrum’ dient de aanvrager te voldoen aan de volgende criteria: a. aanvrager is inwoner van de gemeente en;
b. de aanvraag is gericht op ondersteuning van de mantelzorger of op
klachten van inwoners met psychosociale problematiek. Deze voorziening wordt toegekend indien daarmee overbelasting wordt voorkomen en
inwoners langer thuis kunnen wonen of wanneer men niet op een andere wijze contacten kan onderhouden of anderen kan ontmoeten;
c. deze voorziening is voorliggend tot maximaal 6 dagdelen per week;
d. de zorgaanbieder beoordeelt of aanvrager voldoet aan de genoemde criteria.
3. Een inwoner kan niet gelijktijdig gebruik maken van een voorziening ten behoeve van Kortdurend Verblijf en Ontmoetingscentrum.
4. Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van de voorwaarden voor het kunnen gebruiken van algemene voorzieningen die door het college zijn ingekocht.
HOOFDSTUK 4 BESLUITVORMING Artikel 11. Inhoud beschikking 1. Het ondersteuningsplan (en een eventueel budgetplan), maakt onderdeel uit van een besluit voor een maatwerkvoorziening. In het geval van begeleiding en
huishoudelijke ondersteuning maakt ook het zorgplan onderdeel uit van de beschikking.
2. Het college motiveert in de beschikking of de maatwerkvoorziening als voorziening in natura of als pgb wordt verstrekt.
3. Het college neemt in de beschikking op hoe daartegen bezwaar kan worden gemaakt.
4. Het college vermeldt in de beschikking over een maatwerkvoorziening in natura: ▪
wat de te verstrekken voorziening is, de trede en het beoogde resultaat daarvan is;
▪ ▪ ▪
wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is; hoe de voorziening wordt verstrekt, en
indien van toepassing, welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn.
5. Het college vermeldt in de beschikking over een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb:
a. voor welk resultaat het pgb moet worden aangewend;
b. welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb; c. wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe is gekomen; d. welke voorwaarden aan het pgb verbonden zijn;
e. wat de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is f.
bedoeld; en
de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb.
6. Als sprake is van een door de inwoner te betalen eigen bijdrage vermeldt het college dit in de beschikking.
Artikel 12. Zorgplan 1. Het college vraagt van gecontracteerde aanbieders die een maatwerkvoorziening in de vorm van een dienst aan de inwoner leveren, om met de inwoner een
zorgplan op te stellen, waaruit blijkt op welke wijze de resultaten waarvoor de voorziening wordt verleend, worden bereikt.
2. De inwoner tekent het zorgplan voor akkoord, niet akkoord of voor gezien. Een reactie van de inwoner via digitale weg volstaat als ondertekening van het
zorgplan. Een mondelinge reactie van de inwoner op het zorgplan die door de zorgaanbieder schriftelijk is geregistreerd, geldt als ondertekening van het zorgplan.
3. De zorgaanbieder tekent het zorgplan. Een digitaal akkoord van de zorgaanbieder kan volstaan als ondertekening van het zorgplan.
Artikel 13. Regels voor het persoonsgebonden budget (pgb) 1. Het college verstrekt een pgb in overeenstemming met artikel 2.3.6 van de Wmo 2015 en artikel 8.1.1 van de Jeugdwet.
2. De termijn waarvoor de kosten voorafgaand aan de aanvraag met terugwerkende kracht kunnen worden vergoed is afhankelijk van de periode waarin de
noodzakelijkheid van de ondersteuning vastgesteld kan worden. De inwoner die een pgb wenst, motiveert schriftelijk in een plan:
a. hoe de inwoner zelf of met hulp van iemand uit het sociale netwerk of zijn
vertegenwoordiger de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze gaat uitvoeren;
b. wat de motivatie is om de maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb te ontvangen;
c. welke voorziening de inwoner met het pgb zou willen inkopen en bij welke uitvoerder;
d. op welke wijze de kwaliteit van de voorziening is gewaarborgd en duidelijk is dat de voorziening geschikt is voor het doel waarvoor het pgb wordt verstrekt; en
e. de kosten van de voorziening, uitgedrukt in aantal eenheden en tarief.
3. Het pgb mag niet worden besteed aan:
a. kosten voor bemiddeling, tussenpersonen of belangenbehartigers; b. kosten voor het voeren van een pgb-administratie;
c. kosten voor ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een pgb; d. kosten voor een feestdagenuitkering en een eenmalige uitkering; e. reiskosten, in welke vorm dan ook.
4. Een pgb bevat geen vrij besteedbaar deel.
5. Een pgb is alleen mogelijk als naar het oordeel van het college: a. er geen wettelijke weigeringsgrond van toepassing is;
b. de ondersteuning die de inwoner met het pgb wenst in te kopen naar het
oordeel van het college van voldoende kwaliteit is en in voldoende mate zal bijdragen aan het bereiken van het in het verslag opgenomen beoogde resultaat;
c. de kwaliteit van de met het pgb ingekochte ondersteuning minimaal voldoet aan de eisen die de gemeente stelt aan de gecontracteerde zorgaanbieders die vergelijkbare ondersteuning leveren. Deze
kwaliteitseisen staan beschreven in het aanbestedingsdocument zoals
gepubliceerd op de gemeentelijke website. Een zorgaanbieder die hier niet
aal voldoet wordt gezien als informele zorgaanbieder waarbij het informele tarief wordt toegepast;
d. als er geen sprake is van ondersteuning in een spoedeisende situatie;
6. Het college acht in de volgende gevallen dat bij de budgetbeheerder sprake is van een onvermogen tot goed beheer van een pgb: a. problematische schuldenproblematiek;
b. ernstige verslavingsproblematiek;
c. aangetoonde fraude begaan in de vier jaar voorafgaand aan de aanvraag; d. een aanmerkelijke verstandelijke beperking; e. een ernstig psychiatrisch ziektebeeld; f.
een vastgestelde, blijvende cognitieve stoornis;
g. het onvoldoende machtig zijn van de Nederlandse taal in woord en geschrift;
h. twijfels op overige gronden over de pgb-vaardigheid; i.
gebleken overbelasting.
7. Tevens wordt de vertegenwoordiger alleen in staat geacht de aan het pgb verbonden op verantwoorde wijze te kunnen uitvoeren indien:
a. Hij niet tevens uitvoerder is van de ondersteuning die met het pgb wordt ingekocht of geen financiële relatie heeft met de uitvoerder van de
ondersteuning, tenzij dit gezien de situatie van de inwoner of jeugdige, de aard van de ingekochte ondersteuning en de waarborgen waarmee een
verantwoorde besteding en verantwoording van het pgb is omgeven, naar het oordeel van het college passend wordt bevonden;
b. Er sprake is van voldoende nabijheid in de vorm van fysieke aanwezigheid en tijd.
8. Het college verlangt van de inwoner en/of zijn vertegenwoordiger een schriftelijke machtiging teneinde het beheer van het pgb op verantwoorde wijze uit te voeren.
9. De inwoner die in aanmerking komt voor een pgb, kan alleen diensten en andere maatregelen betrekken van een persoon die behoort tot zijn sociale netwerk indien dat aantoonbaar tot betere en efficiënte ondersteuning leidt en aantoonbaar doelmatiger is.
10. Bij de beoordeling of sprake is van hulp die het sociale netwerk zonder betaling
kan bieden en of bij wijze van uitzondering de inzet van het sociale netwerk met een pgb betaald kan worden, spelen in elk geval de volgende aspecten een rol: a. het type hulp dat wordt geleverd; b. de frequentie van de hulp;
c. een tijdelijke hulpvraag of hulp over een lange periode;
d. de mate van verplichting (kan degene die de hulp levert een keer overslaan als hij/zij ziek is of op vakantie wil, of is dit niet mogelijk?);
e. kwaliteit van de ondersteuning zit in de nabijheid van ondersteuner; f.
pgb leidt tot een betere en effectievere ondersteuning die aantoonbaar doelmatig is;
g. als volgens landelijk geldende kwaliteitscriteria een minimale opleiding vereist is, moet de persoon uit het netwerk die kwalificatie minimaal hebben;
h. de persoon uit het netwerk moet aangeven dat de zorg voor hem niet tot overbelasting leidt.
11. De inwoner die in aanmerking komt voor een pgb, kan alleen diensten en andere maatregelen betrekken van een persoon die behoort tot zijn sociale netwerk indien dat aantoonbaar tot betere en efficiënte ondersteuning leidt en aantoonbaar doelmatiger is.
Artikel 14. De hoogte van een persoonsgebonden budget 1. De hoogte van het pgb voor een materiele voorziening wordt maximaal vastgesteld op:
a. Het bedrag van de goedkoopst compenserende voorziening in natura bij de leverancier waarmee de gemeente een overeenkomst heeft gesloten,
rekening houdende met een reële termijn voor de technische afschrijving en de onderhouds- en verzekeringskosten of;
b. Het bedrag van de goedkoopst compenserende voorziening volgens een door het college geaccepteerde offerte indien de gemeente voor de
betreffendemaatwerkvoorziening geen overeenkomst heeft gesloten. Het college kan tegenoffertes opvragen.
2. Bij een pgb voor een dienst immateriële voorziening hanteert het college
verschillende tarieven voor formele ondersteuning en voor informele hulp.
3. Het persoonsgebonden budget voor een dienst immateriële voorziening bedraagt: a. bij de inzet van formele ondersteuning door een niet door de gemeente
gecontracteerde hulpverlener 100% van het bedrag dat hoort bij de trede
van de geïndiceerde voorziening c.q. het arrangement, die staat voor een bepaalde intensiteit van de zorgvoorziening, afhankelijk van de mate van zelfredzaamheid, het vermogen om te participeren en de zwaarte van de
ondersteuningsvraag. De resultaatgebieden en intensiteiten vormen samen
een matrix van waaruit het college arrangementen kan samenstellen, tenzij op basis van het budgetplan van de inwoner passende en toereikende ondersteuning voor een lager tarief kan worden ingekocht.
b. De hoogte van het pgb voor formele ondersteuning geboden door een zzp’er is maximaal 80% van het tarief genoemd onder a.
c. bij de inzet van informele hulp, minimaal 100% van het wettelijke
minimumloon of zoveel meer, tot ten hoogste 80% van het bedrag dat
hoort bij de trede van de geïndiceerde voorziening c.q. het arrangement,
die staat voor een bepaalde intensiteit van de zorgvoorziening, afhankelijk van de mate van zelfredzaamheid, het vermogen om te participeren en de
zwaarte van de ondersteuningsvraag. De resultaatgebieden en intensiteiten vormen samen een matrix van waaruit het college arrangementen kan
samenstellen, tenzij op basis van het budgetplan van de inwoner passende en toereikende ondersteuning voor een lager tarief kan worden ingekocht.
d. Indien werkgeverlasten moeten worden afgedragen, wordt het bedrag daarmee verhoogd.
4. Een pgb voor:
a. een vervoersvoorziening naar dagbesteding; b. een vervoersvoorziening via de Regiotaxi; c. kortdurend verblijf;
bepaalt het college op basis van het door het college gecontracteerde bedrag in natura en zoals aangegeven in de nadere regels.
5. Een pgb voor verhuiskosten betreft een in de nadere regels vermeld bedrag.
6. Een pgb voor een voorziening op het gebied van beschermd wonen bepaalt het college op basis van de kostprijs van de gemeente die deze functie uitvoert.
7. Als op basis van het budgetplan van de inwoner blijkt dat passende en
toereikende ondersteuning voor een lager tarief kan worden ingekocht dan wordt dat tarief toegekend.
8. Het maximale jaarlijkse bedrag voor onderhoud voor niet elektrische voorzieningen komt overeen met de contractafspraken 2022 met
hulpmiddelenleverancier Meyra, zie daarvoor het contract met Meyra 2022. En
voor de trapliften Otolift, zie contract Otoliftbedraagt niet meer dan 5% van de aanschafwaarde en voor elektrische voorzieningen niet meer dan 7% van de aanschafwaarde.
9. Het maximale bedrag voor verzekering komt overeen met de contractafspraken 2022 met hulpmiddelenleverancier Meyra, zie daarvoor het contract met Meyra
2022. En voor de trapliften Otolift, zie contract Otoliftbedraagt niet meer dan de
goedkoopste passende WA-verzekering. Het college kan voor de beoordeling een tegenofferte opvragen.
10. Het pgb dient op basis van gewerkte uren aan de ondersteuning te worden uitbetaald. Het hanteren van een maandloon is niet toegestaan.
11. Het college kan Nadere regels stellen over het bepalen van de hoogte van de tarieven van het pgb.
Artikel 15. Kwaliteitseisen pgb 1. Het college verstrekt een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb als voldaan is aan de hierna beschreven kwaliteitseisen van de zorgaanbieder.
2. Elke hulpverlener of ondersteuner beschikt over de kwalificaties om veilige,
doeltreffende en efficiënte hulp te bieden waarbij geen sprake is van (dreigende) overbelasting en beschikt over een stabiele persoonlijke situatie.
3. Een Zelfstandig Zonder Personeel werkende aanbieder, is een beroepskracht niet in loondienst bij een gekwalificeerde zorgorganisatie en beschikt over de juiste
kwalificaties voor zover dit voor het verlenen van de betreffende ondersteuning relevant is. Het college verstaat onder juiste kwalificaties voor een zelfstandige zonder personeel:
a. in het bezit zijn van een diploma dat relevant is voor het uitvoeren van de functie;
b. in het bezit zijn van een relevante Verklaring Omtrent Gedrag van maximaal 3 maanden oud bij aanvang van de ondersteuning;
c. het aangesloten zijn bij een beroepsvereniging;
d. het hebben van een systeem voor het bewaken, beheersen en verbeteren van de kwaliteit.
4. Een gekwalificeerde zorgorganisatie is ingeschreven in het handelsregister als verlener van maatschappelijke ondersteuning, met personeel in dienst dat
beschikt over de juiste kwalificaties voor zover dit voor het verlenen van de betreffende ondersteuning relevant is. Het college verstaat uit de juiste kwalificaties:
a. alle medewerkers zijn in het bezit van relevante diploma’s en overleggen
een VOG die voor indiensttreding niet ouder is dan drie maanden en elke opvolgende vijf jaar;
b. de organisatie beschikt over een adequaat opleidingsplan; c. de organisatie is aangesloten bij een beroepsvereniging;
d. de organisatie en de medewerkers maken gebruik van een actueel hulpverleningsplan;
e. de organisatie werkt met een adequaat systeem voor het bewaken, f.
beheersen en verbeteren van de kwaliteit;
de organisatie en de medewerkers houden zich aan de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling en hebben een meldplicht calamiteiten en geweld;
g. de organisatie beschikt over een vertrouwenspersoon en stelt deze in de gelegenheid diens taak uit te oefenen;
h. de organisatie beschikt over een openbare klachtenregeling.
5. Dagbesteding in de vorm van groepsgerichte activiteiten mag enkel plaatsvinden op een locatie waar bedrijfsmatige activiteiten zijn toegestaan en waar
voorzieningen zijn of worden getroffen om de veiligheid van de inwoner te waarborgen.
6. Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van de kwaliteitseisen van een pgb.
Artikel 16. Eigen bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen 1. Een inwoner is een eigen bijdrage in de kosten verschuldigd voor een
maatwerkvoorziening in natura zolang de inwoner van de maatwerkvoorziening gebruik maakt of tot maximaal de kostprijs van de voorziening. Voor een
maatwerkvoorziening die wordt ingekocht met een pgb geldt dat de eigen
bijdrage is verschuldigd totdat de kostprijs van het pgb is bereikt. De hoogte van de bijdrage is in overeenstemming met hoofdstuk 3 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. De hoogte van de eigen bijdrage kan jaarlijks veranderen door
indexatie of landelijke afspraken, de gemeente volgt hierin het CAK. Voor het bepalen van de kostprijs wordt rekening gehouden met de gangbare
afschrijvingstermijn zoals die geldt voor het betreffende product en is opgenomen in de nadere regels.
2. Het college kan in de nadere regels bepalen: a. Dat de bijdrage voor voorzieningen overeenkomstig wordt verlaagd.
b. Voor welke groep inwoners een korting op de bijdrage van toepassing is, en
c.
Welke factoren een rol spelen bij het bepalen van de hoogte van de eigen bijdrage.
3. In afwijking van het eerste lid kan de verschuldigde bijdrage kwijt gescholden worden voor de inwoner die een inkomen heeft van minder dan 120% van de bijstandsnorm.
4. In afwijking van het eerste lid is geen bijdrage verschuldigd voor de volgende maatwerkvoorzieningen:
a. Respijtzorg kortdurend verblijf. b. (Sport) rolstoelen. c.
De realisatie van een maatwerkvoorziening in een woongebouw waar van de woning van een inwoner onderdeel uitmaakt, en voor zover de
voorziening betrekking heeft op het toe- en/of doorgankelijk maken van het woongebouw.
5. Ook is geen bijdrage verschuldigd voor de volgende bij verordening aangewezen algemene voorzieningen:
a. Inloopvoorziening GGZ b. Maatschappelijk werk c.
Ontmoetingscentra bij 6 dagdelen of minder
6. Indien een Wmo-vervoerspas voor de Regiotaxi wordt toegekend, kan de inwoner maximaal 1500 kilometers per jaar reizen tegen een gereduceerd tarief. Indien
andere vervoersvoorzieningen zijn toegekend, zoals een scootmobiel, aangepaste fiets en elektrische buitenrolstoel, wordt maximaal 750 kilometer toegekend. Geïndiceerde mag met een gereduceerd tarief reizen. Voor gebruik van de Regiotaxi is de inwoner per kilometer een ritbijdrage verschuldigd. 7. De kostprijs van een: a. maatwerkvoorziening of bij verordening aangewezen algemene
voorziening wordt bepaald door een aanbesteding, na consultatie in de markt of na overleg met de aanbieder;
b. een maatwerkvoorziening in bruikleen (natura verstrekking) betreft de prijs die de gemeente heeft betaald bij aanschaf van de voorziening, en/of de
prijs die de gemeente betaalt per maand indien de voorziening in bruikleen is betrokken dan wel als er bijkomende maandelijkse servicekosten zijn; c.
PGB is gelijk aan de hoogte van het PGB;
d. de hoogte van de bijdrage voor een hulpmiddel, woningaanpassing, de in lid 7 genoemde maatwerkvoorziening voor vervoer of deze verordening
genoemde algemene voorzieningen, overstijgt niet de kostprijs van de voorziening;
e. maatwerkvoorziening in natura is gelijk aan de kosten die het college voor de desbetreffende maatwerkvoorziening zelf maakt;
f.
algemene voorziening is gelijk aan de kosten die het college voor de
betreffende voorziening per inwoner maakt.
8. Voor maatwerkvoorzieningen in het kader van de Jeugdwet wordt geen eigen
bijdrage opgelegd tenzij een maatwerkvoorziening of PGB wordt verstrekt vanuit de Wmo ten behoeve van een woningaanpassing of auto aanpassing voor een minderjarige inwoner. Dan is de bijdrage in de kosten verschuldigd door: a. de onderhoudsplichtige ouders en;
b. degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag uitoefent over een inwoner.
9. De bijdrage voor de (maatschappelijke) opvang wordt door de betreffende zorgaanbieder van maatschappelijke opvang vastgesteld en geïnd.
10. Een inwoner is voor de algemene voorziening was- en strijkservice een bijdrage
verschuldigd van € 5,00 per wasbeurt en € 1,00 per kledingstuk voor het strijken.
11. Een inwoner is voor de algemene voorziening nachtopvang een bijdrage verschuldigd van € 6,00 per nacht.
12. Voor een algemene voorziening waarbij geen sprake is van een duurzame
hulpverleningsrelatie, mag het college de hoogte van de eigen bijdrage zelf bepalen tot maximaal de kostprijs.
13. De bijdragen als bedoeld in lid 11 tot en met 13 worden geïnd door de organisatie die de algemene voorziening levert.
14. Voor bepaalde doelgroepen kan het college nadere regels stellen voor de bijdrage voor een algemene voorziening.
HOOFDSTUK 5 KWALITEIT VAN DE ZORGVERLENERS IN NATURA Artikel 17. Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning in natura 1. Aanbieders van natura zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten zijn daaronder begrepen, door:
a. het afstemmen van voorzieningen op de persoonlijke situatie van de inwoner;
b. het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van zorg en ondersteuning;
c.
erop toe te zien dat beroepskrachten tijdens hun werkzaamheden in het kader van het leveren van voorzieningen handelen in overeenstemming met de professionele standaard;
d. voor zover van toepassing, erop toe te zien dat de kwaliteit van de
voorzieningen en de deskundigheid van beroepskrachten tenminste
voldoen aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de in de toepasselijke sector erkende keurmerken;
e. het opstellen en uitvoeren van een integraal zorgplan per inwoner; f.
rapportages over resultaten;
g. het meten van de ervaring van inwoners als regulier onderdeel van de afgesproken ondersteuning;
h. zicht op de prestaties en stimulans tot verbetering van de dienstverlening; i.
het handelen conform relevante wetgeving of beleidsregels, niet misleiden of frauderen en geen ondeskundige ondersteuning bieden;
j.
voor resultaatgebied 5 ‘Ondersteuning en regie in het huishouden’, te voldoen aan het door het college bij Nadere regels vastgestelde
normenkader: met uitzondering van de tijd die bij de wasverzorging wordt benoemd voor overname van strijken, omdat het college uitgaat van strijkvrije kleding.
2. Formele aanbieders moeten minimaal adequaat opgeleid personeel in dienst hebben. Voor de resultaatgebieden Sociaal en persoonlijk functioneren,
Gezondheid, Financiën en Huisvesting is minimaal een zorg gerelateerd relevant MBO niveau 4 diploma vereist.
3. Het college kan nadere eisen stellen aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van aanbieders daaronder begrepen door dit in afspraken op te nemen in de betreffende plannen zoals budgetplan en/of zorgplan en/of ondersteuning met de zorgaanbieder.
4. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders, een jaarlijks
cliëntervaringsonderzoek en het zo nodig in overleg met de inwoner uitvoeren van aanvullende onderzoeken en/of ter plaatse controleren van de geleverde voorzieningen.
5. Voor de kwaliteitseisen op begeleiding, dagbesteding en hulp bij het huishouden, hanteert het college de kwaliteitseisen van GGD Haaglanden, zoals vastgelegd in Kwaliteitsstandaard Wmo 2024. GGD Haaglanden voert het toezicht op de kwaliteitseisen van deze voorzieningen uit.
6. Voor zover er sprake is van een keurmerk voor de branche waarbinnen de
aanbieder in het kader van een overeenkomst met de gemeente opereert, draagt
het college er zorg voor dat het alleen aanbieders contracteert die beschikken over dit keurmerk of vergelijkbare kwaliteitseisen.
7. Het college draagt er zorg voor dat indien een aanbieder gebruik maakt van een onderaannemer, deze er als hoofdaanbieder verantwoordelijk voor is dat de onderaannemer voldoet aan de kwaliteitseisen die het college aan de ondersteuning stelt.
8. Het college kan nadere regels stellen over de kwaliteitseisen van voorzieningen in natura.
Artikel 18. Meldingsregeling calamiteiten en geweld 1. Het college treft een regeling voor het melden van calamiteiten en geweld bij de
verstrekking van een voorziening door een aanbieder en wijst een toezichthouder aan.
2. Aanbieders melden iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat zich heeft voorgedaan bij de verstrekking van een voorziening onverwijld aan de aangewezen toezichthouder bij GGD Haaglanden.
3. De toezichthouder, bedoeld in artikel 6.1 van de wet, doet onderzoek naar de
calamiteiten en geweldsincidenten en adviseert het college over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld.
HOOFDSTUK 6 HERZIENING VAN DE BESLUITVORMING Artikel 19. Wijzigingen, voorkoming en bestrijding ten onrechte ontvangen
maatwerkvoorzieningen en pgb’s en misbruik of oneigenlijk gebruik van de Wmo 2015 1. Het college informeert de inwoner in begrijpelijke bewoordingen over de rechten
en plichten die aan het ontvangen van een maatwerkvoorziening in zorg in natura of pgb zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet.
2. Onverminderd de informatie- en medewerkingsplicht van artikel 2.3.8 van de wet doet een inwoner aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging
mededeling van alle feiten en omstandigheden, waarvan redelijkerwijs duidelijk
moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de wet.
3. Onverminderd artikel 2.3.10 van de wet kan het college een beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de wet herzien dan wel intrekken als het college vaststelt dat:
c. de inwoner onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de
verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid;
d. de inwoner niet langer op de maatwerkvoorziening in zorg in natura of pgb is aangewezen;
e. de maatwerkvoorziening in zorg in natura of pgb niet meer toereikend is te f.
achten;
de inwoner langer dan acht weken verblijft in een instelling als bedoeld in de Wet langdurige zorg of de Zorgverzekeringswet;
g. de inwoner niet of niet meer voldoet aan de aan de maatwerkvoorziening in zorg in natura of pgb verbonden voorwaarden;
h. de inwoner de maatwerkvoorziening in zorg in natura of pgb niet of voor i.
een ander doel gebruikt;
in het belang van de inwoner een wijziging van de voorziening nodig is.
4. Een beslissing tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken als blijkt dat het pgb binnen zes maanden na toekenning niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden. Het PGB voor
woningaanpassingen moet binnen 15 maanden na toekenning zijn aangewend
voor de bekostiging van het doel waarvoor het PGB is verleend en voldoen aan het programma van eisen van de woningaanpassing.
5. Een maatwerkvoorziening kan worden ingetrokken indien de inwoner een half jaar geen gebruik van de maatwerkvoorziening heeft gemaakt.
6. Als het college een beslissing op grond van het derde lid, onder a, heeft
ingetrokken of herzien en de verstrekking van de onjuiste of onvolledige gegevens door de inwoner opzettelijk heeft plaatsgevonden, kan het college van de inwoner en degene die daaraan opzettelijk medewerking heeft verleend, geheel of gedeeltelijk de geldswaarde vorderen van onterecht gebruikte maatwerkvoorziening of pgb.
7. Als het recht op een in bruikleen verstrekte voorziening is ingetrokken, kan deze voorziening zonder formele opzegging van de bruikleenovereenkomst worden teruggehaald.
8. Het college kan nadere eisen stellen aan het in dit artikel bepaalde. Artikel 20. Opschorting betaling uit het pgb 1. Het college kan gemotiveerd beslissen, of de Sociale Verzekeringsbank
gemotiveerd vragen te beslissen, tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van
betalingen uit het pgb als er ten aanzien van een inwoner een ernstig vermoeden is gerezen dat sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 2.3.10,
eerste lid, onder a, d of e, van de wet. De opschorting kan maximaal 13 weken duren.
2. Het college kan gemotiveerd beslissen, of de Sociale Verzekeringsbank
gemotiveerd vragen te beslissen, tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor de duur van de opname als sprake is van een
omstandigheid als bedoeld in artikel 20 van deze verordening, derde lid, onder d.
3. Het college stelt de persoon aan wie het pgb is verstrekt schriftelijk op de hoogte van een beslissing als bedoeld in het eerste of tweede lid.