Bijlage 9d - Archeologisch bureauonderzoek Kasteellaan 30
Tekst van het document
Delftse Archeologische Notitie 365
Kasteelaan 30, Schipluiden Een archeologisch bureauonderzoek.
H. Lepage
Delftse Archeologische Notitie
365
Kasteelaan 30, SchipluidenKasteelaan 30, Schipluiden
Een archeologisch bureauonderzoek. H. Lepage
Objectfoto’s en afbeeldingen:
Archeologie Delft, tenzij anders vermeld
Akkoord opdrachtgever: Akkoord adviseur bevoegd gezag: Status: Autorisatie uitvoerder:
13-10-2025 06-11-2025 Definitief, versie 1.3 J.P. Bakx (senior KNA-archeoloog 58855263), 03-10-2025
e-ISSN: 1879-9604 © 2025 Archeologie Delft Postbus 78 2600 ME Delft 015-2197198 archeologie@delft.nl www.archeologie-delft.nl
Samenvatting Het plangebied aan de Kasteellaan 30 wordt herontwikkeld. De bestaande woning en schuur zullen worden gesloopt om een appartementencomplex met seniorenwoningen te realiseren. Het plangebied heeft een omvang van circa 2260 m2. Het is in dit stadium van de ontwikkeling nog niet bekend wat de exacte oppervlakte van de toekomstige bebouwing zal zijn, maar wel wat de maximale te bebouwen oppervlakte kan zijn: 850 m2 (51%). De oppervlakte van het plangebied en de werkzaamheden overschrijden de vrijstellingsgrenzen van zowel de beleidskaart van de gemeente Midden-Delfland als het tijdelijke Omgevingsplan van de gemeente MiddenDelfland. Om deze reden moet er in eerste instantie een archeologisch bureauonderzoek worden uitgevoerd. Daarnaast ligt het plangebied naast een archeologische terrein van provinciaal belang. Deze terreinen zijn beschermd op grond van de provinciale verordening ruimte. Het gaat hier om een terrein van hoge archeologische waarde met resten van het kasteel Keenenburg. Op basis van het bureauonderzoek geldt in het plangebied een hoge archeologische verwachting voor de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd en een middelhoge archeologische verwachting voor de Romeinse tijd en Vroege Middeleeuwen.
Voor de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd geldt deze verwachting vanaf het maaiveld tot circa 1,00 m -mv (1,80 m -NAP tot 3,00 m -NAP) en voor de Romeinse tijd vanaf 1,8 tot 2,55 m mv (4,75 tot 4,4 m -NAP). Het is bekend dat in het plangebied een aantal bodemverstorende activiteiten hebben plaatsgevonden die mogelijk de archeologische resten hebben aangetast, zoals de aanleg van kassen of de aanleg van het spoor in het oosten van het plangebied. De mate van verstoring van de bodem is echter niet te bepalen, waardoor de archeologische verwachting behouden blijft. We adviseren om een om archeologisch vervolgonderzoek plaats te laten vinden om de werkelijke aan- of afwezigheid van archeologische resten te bepalen. Dit kan in eerste instantie een verkennend archeologisch booronderzoek (IVO-O) zijn om te bepalen of de bodemopbouw en eventuele archeologische niveaus in het plangebied nog intact zijn.
3
Inhoudsopgave Samenvatting
3
Administratieve gegevens
5
1 Inleiding
6
1.1 1.2 1.3
6 6 7
Aanleiding Plangebied Beleid
2 Bureauonderzoek 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5
Methoden en richtlijnen Geologie Historische ontwikkeling plangebied Archeologisch onderzoek rond het plangebied Bekende bodemverstoringen
3 Archeologische verwachting en advies voor vervolgonderzoek 3.1 3.2
Archeologische verwachting Advies voor het vervolgonderzoek
9 9 9 11 16 19
21 21 22
Bibliografie
23
Overzicht van afbeeldingen, tabellen en bijlagen
25
4
Administratieve gegevens Projectnaam Onderzoekmeldingsnummer Projectcode Archeologie Delft
Kasteellaan 30, Schipluiden, 5843902001 MD131
Type onderzoek Toponiem Plaats Gemeente Provincie RD-coördinaten (centrum) Ligging onderzoeksgebied Uitvoeringsperiode Uitvoerder Opsteller Opdrachtgever Contactpersoon Bevoegde overheid Archeologisch deskundige Beheer projectdocumentatie Beheer e-documentatie
Bureauonderzoek Kasteellaan 30 Schipluiden Midden-Delfland Zuid-Holland 81.610 x 443.682 Zie afbeelding 1 Week 39-40 2025 Archeologie Delft, Gemeente Delft – afdeling Erfgoed H. Lepage Gemeente Midden-Delfland G. de Bruijn Gemeente Midden-Delfland Mevr. L Bekkers Archeologisch depot Provincie Zuid-Holland DANS Data Station Archaeology (datastations.nl)
5
1 Inleiding 1.1
Aanleiding
Het plangebied aan de Kasteellaan 30 wordt herontwikkeld. De bestaande woning en schuur zal worden gesloopt om een appartementencomplex met seniorenwoningen te realiseren. Archeologie Delft heeft van de gemeente Midden-Delfland de opdracht gekregen om een bureauonderzoek uit te voeren. Het doel van het bureauonderzoek is het opstellen van een archeologische verwachting om inzicht te krijgen in de mogelijk aanwezige archeologische waarden in het plangebied.
1.2 Plangebied Het plangebied bevindt zich aan de Kasteellaan 30 in Schipluiden in de gemeente Midden-Delfland (afbeelding 1). In het westen en noorden wordt het plangebied begrensd door de Kasteellaan en in het zuiden door een sloot. In het oosten van het plangebied ligt een speeltuin, langs de Agnes Croesinklaan. Het plangebied omvat het kadastrale perceel SLD02-B-2395 en SLD02-B-3197. Het plangebied heeft een omvang van circa 2260 m2 en is momenteel bebouwd met een huis met garage en schuur (samen circa 400 m2, 24%) en een speeltuin (60 m2). Het overige deel van het plangebied bestaat uit een tuin met een aantal bomen en struiken, een oprit van klinkers en stuk sloot. Het is in dit stadium van de ontwikkeling nog niet bekend wat de exacte oppervlakte van de toekomstige bebouwing zal zijn, maar wel wat het maximale te bebouwen oppervlak kan zijn: 850 m2 (51%). Wel komt het nieuwe appartementencomplex min of meer op dezelfde plek als de oude woning te liggen (afbeelding 2). Het is nog niet duidelijk hoe het appartementencomplex zal worden gefundeerd en tot hoe diep de bodem zullen worden verstoord.
Afbeelding 1:
het plangebied op een luchtfoto. Bron: ESRI.
6
Afbeelding 2:
het plangebied en het voorlopige ontwerp geprojecteerd op een luchtfoto. Bron: opdrachtgever gemeente Midden-Delfland.
1.3 Beleid Op basis van de huidige wetgeving zijn de gemeenten in Nederland verantwoordelijk voor het beheer van het archeologisch bodemarchief. Omdat ruimtelijke ingrepen gevolgen kunnen hebben voor dit bodemarchief, moeten gemeenten bij de besluitvorming archeologie als volwaardige factor meenemen in de belangenafweging. Sinds de invoering van de Omgevingswet zijn de kaders van deze besluitvorming vastgelegd in een omgevingsplan op basis van de voormalige bestemmingsplannen. Het Omgevingsplan en de voormalige bestemmingsplannen zijn gebaseerd op de archeologische beleidskaart van de gemeente.1 Deze beleidskaart is in 2010 opgesteld en is gebaseerd op de beschikbare kennis van de lokale landschapsontwikkeling, cultuurhistorie en het bodemarchief. Op de beleidsadvieskaart worden de verschillende archeologische verwachtingsgebieden binnen de gemeente gekoppeld aan vrijstellingsgrenzen. Bodemverstorende werkzaamheden die deze grenzen niet overschrijden worden op voorhand vrijgesteld van de verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek. Het plangebied bevindt zich volgens de beleidskaart van de gemeente Midden-Delfland in een zone met een hoge archeologische verwachting (afbeelding 3).
De vrijstellingsgrens die gehanteerd wordt voor deze zone is maximaal 50 m2 met een ontgravingsdiepte van maximaal 40 cm onder het maaiveld.2 In het tijdelijke Omgevingsplan van de gemeente Midden-Delfland, worden alleen plannen vrijgesteld van archeologisch onderzoek wanneer de oppervlakte minder van 100 m2 bedraagt. Deze uitspraak is tegenstrijdig met de archeologische beleidskaart, maar in beide gevallen overschrijden de werkzaamheden de bovengenoemde vrijstellingsgrenzen en moet er archeologisch onderzoek worden uitgevoerd. Daarnaast ligt het plangebied naast een archeologische terrein van provinciaal belang. Deze terreinen zijn beschermd op grond van de provinciale verordening ruimte.3 Het gaat hier om een terrein van hoge archeologische waarde met resten van het kasteel Keenenburg.4
1 Kerkhof et al. 2010 2 Kerkhof et al. 2010 3 Artikel 5.8.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland op lokaleregelgeving.overheid.nl, geraadpleegd op 26-08-2025. 4 opendata.zuid-holland.nl, Cultuurhistorische Hoofdstructuur: Archeologische terreinen van provinciaal belang, geraadpleegd op 26-08-2025
7
Afbeelding 3: het plangebied geprojecteerd op de beleidsadvieskaart van de gemeente Midden-Delfland en een topografische kaart. Bron: Kerkhof et al. 2010 & ESRI.
8
2 Bureauonderzoek 2.1 Methoden en richtlijnen Het doel van dit bureauonderzoek is het verzamelen van alle bekende gegevens over bodemverstoringen, geologie, historische-geografie en archeologie in de omgeving van het plangebied. Aan de hand van deze gegevens kan een archeologische verwachting worden opgesteld. Voor het bureauonderzoek is gebruik gemaakt van de informatie uit het Archeologisch Informatie Systeem (ARCHIS) van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), de geologische kaart Westland-Delfland en overige bronnen. Het bureauonderzoek is uitgevoerd volgens de eisen zoals deze zijn opgesteld in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA), versie 4.2., van de Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer (SIKB; http://www.sikb.nl).
2.2 Geologie In het verleden bestond er vaak een nauwe relatie tussen de locatie van nederzettingen en de bodemgesteldheid. Deze relatie werd vaak sterker naarmate de natuur meer beperkingen voor het permanent vestigen van de mens oplegde. Zo was in West-Nederland de aanwezigheid van een droge ondergrond één van de belangrijkste vestigingsfactoren in een gebied dat regelmatig door binnendringend zeewater werd bedreigd. De archeologische verwachting van het plangebied wordt dan ook in hoge mate bepaald door de geologische ondergrond. Volgens de geologische kaart van het Westland en Delfland bestaat de top van de natuurlijke bodem in het plangebied uit het Laagcomplex van Westland (afbeelding 4).5 Het laagcomplex van Westland bestaat van boven naar onder uit het Laagpakket van Walcheren (Laag van Poeldijk en Gantel Laag) dat zich heeft ingesneden in het Hollandveen Laagpakket. Onder het Hollandveen bevindt zich het Laagcomplex van Delfland, waarvan de afzettingen van de Laag van Rijswijk dieper ligger van 5 m -NAP. De afzettingen van het Laagcomplex van Delfland zijn vanaf ongeveer 4000 voor Chr. afgezet in een periode waarin het plangebied onder sterke invloed van de zee was. Het landschap rondom het plangebied bestond uit een dynamisch waddengebied dat doorsneden werd door getijdengeulen. Tijdens de overstromingen werden dikke lagen zandige en kleiige sedimenten afgezet.
Als de zee zich (tijdelijk) weer terugtrok en daarmee ook de afwatering stagneerde, trad vernatting en veengroei op in het waddengebied. In deze periode waren de hoger gelegen geulafzettingen, getijvlakten en duinen aan de kust geschikt voor bewoning. Het huidige plangebied bevindt zich op de lagergelegen delen van het waddengebied in deze periode. Deze natte omstandigheden waren minder geschikt voor permanente bewoning. Vanaf 4000 voor Chr. bouwde de kustlijn zich geleidelijk uit in westelijke richting, waardoor reeksen strandwallen ontstonden onder invloed van de zee (Laag van Rijswijk). Wanneer het strandwal droogviel, ging het zand stuiven en ontstonden duinen (Laag van Voorburg). Rond 3200 voor Chr. hadden zich permanente strandwallen aan de kust gevormd. De invloed van de zee nam af en ook de afwatering. Als gevolg daarvan trad in het achterland vernatting op en begon in het plangebied het Hollandveen tot ongeveer 500 voor Chr. te groeien . Vanaf deze periode vonden er wederom zee-inbraken plaats. Vanaf de 3e eeuw voor Chr. heeft het geulsysteem van de Gantel via Naaldwijk, Rijswijk en Delft het Hollandveen doorsneden. Vanuit de hoofdgeul liepen kleinere geulen de omgeving van het plangebied in. De geulen zorgden voor een afwatering van het veen, waardoor bewoning op het Hollandveen mogelijk werd. Rond 100 voor Chr. raakten de geulen van de Gantel Laag verland.
Buiten de geulen lagen zwaardere kleiige dekafzettingen op het veen. Door het inklinken van het veen onder de druk van de kleiige dekafzettingen, kwamen de meer zandige geulafzettingen hoger in het landschap te liggen. Volgens de geologische kaart van Westland en Delfland heeft net ten zuiden van het plangebied een zijgeul van de Gantel Laag gelopen. De hoger gelegen geulafzettingen van de Gantel Laag waren geschikt voor bewoning vanaf de Romeinse periode. Vanaf de Laat Romeinse periode en Vroege Middeleeuwen nam de vernatting en veengroei in de omgeving van het plangebied wederom toe en daarmee werd het minder gunstig om op deze locatie te wonen. Deze vernatting heeft onder andere te maken met een verslechtering van de ontwatering door verlaten van cultuurland in de Laat Romeinse tijd. 6 In Delfland ligt vaak op de top van de Gantel Laag een 5 Vos et al. 2017 6 Vos et al. 2017, 39
9
blauwgrijze, humeuze kleilaag. Dat is het restant van het veenpakket dat zich na de Romeinse periode heeft gevormd en dat door oxidatie volledig is verdwenen. Deze laag wordt aangeduid als de Woudlaag.7 Op zichzelf genomen is de Woudlaag geen archeologisch niveau, maar de laag wordt vaak gebruikt als gidslaag bij archeologisch onderzoek. Aanwezigheid van de laag geeft aan dat de top van de Gantel Laag intact is en dat daarmee het loopvlak uit de Romeinse tijd nog aanwezig is. Vanaf de 11e eeuw vonden er grootschalige ontginningen plaats van het veen- en kleigebied in Delfland. In deze periode werd ook de natuurlijke rivier de Schie en de Gaag gekanaliseerd, waardoor bewoning in de omgeving van het plangebied mogelijk werd. Dwars op deze rivieren worden sloten gegraven om de akkers te ontwateren en het land in percelen te verdelen. De oude Lotswatering en Groeneveldse watering zijn hier goede voorbeelden van. Onder andere door deze ingrepen in het landschap werd men steeds minder afhankelijk van de lokale geologische omstandigheden. 8 Dit proces werd wel tijdelijk onderbroken in de 12e eeuw, toen overstromingen van de getijdenrivier de Lee dekafzettingen hebben afgezet in de omgeving van het plangebied.
Deze afzettingen behoren tot de Laag van Poeldijk (Laagpakket van Walcheren) en zijn in de omgeving van het plangebied veelal opgenomen in de bouwvoor of wordt herkend in de nazak van grotere Romeinse en vroege laatmiddeleeuwse sloten.9 In de bebouwde kom van Schipluiden werd vanaf de tweede helft van de 12 e eeuw het maaiveld in de nabijheid van bewoning opgehoogd. Dergelijke ophogingslagen (met een dikte van 40 tot 80 cm) werden aangebracht om wateroverlast op de erven te beperken. Het gevolg hiervan was dat het maaiveld ‘groeide’ in de loop der eeuwen. In de oudste delen van het dorp ligt het huidige maaiveld hierdoor nu tot 1 m boven het natuurlijke maaiveld van ná de laatste overstromingen uit de 12e eeuw. De ophogingslagen vormen soms de scheiding tussen verschillende bebouwingsfasen. Als het terrein opgehoogd moest worden, werd de oude bebouwing tot op het maaiveld afgebroken, waarna een ophogingslaag werd opgebracht en nieuwe bebouwing kon worden neergezet. Als de eigenaren besloten om geen nieuwbouw neer te zetten, moesten ze vaak de vloeren in hun huis ophogen om droge voeten te behouden. Kelders konden door een hogere grondwaterstand onbruikbaar worden en werden daarom gedempt.10
2.2.1 Bodemopbouw Op basis van geologische boringen in het DINOloket kan een directere invulling gegeven worden van de bodemopbouw in het plangebied (afbeelding 4).11 Op basis van boring B37E2009, gezet 100 m ten noordoosten van het plangebied, bestaat de bodem in de omgeving van het plangebied uit klei van de Formatie van Naaldwijk, Laagpakket van Walcheren. Deze klei is aanwezig tot een diepte van 3,50 m -mv (5,60 m -NAP) en behoort tot de afzettingen van de Gantel Laag. Hieronder is een veenpakket aanwezig tot een diepte van 3,80 m -mv (5,90 m -NAP). Deze afzettingen worden gerekend tot de Formatie van Nieuwkoop, Hollandveen Laagpakket. Vanaf deze diepte komt klei voor van de Formatie van Naaldwijk, Laagpakket van Wormer (Laagcomplex van Delfland), afgewisseld met veen van het Hollandveen pakket tot een diepte van 4,70 m -mv (6,80 m -NAP). Boring B37E0205, gezet 120 m ten zuidwesten van het plangebied, laat ongeveer dezelfde bodemopbouw zien, maar geeft aan dat het laagpakket van Wormer is afgezet vanaf 2,1 m -mv (3,60 m -NAP) op het Hollandveen, onder het laagpakket van Walcheren. Volgens de bodemkaart bestaat de bodem bij het plangebied uit tochteerdgronden (pMo80). 12 Deze gronden zijn ontstaan uit zeekleigronden, afkomstig van de afzettingen van het Laagpakket van Walcheren.
De gronden komen veel vooral in droogmakerijen en de bovengrond bestaat uit kalkloze, gerijpte klei. De locatie van het plangebied maakt geen deel uit de bodemkaart van Van Liere, waardoor niet gezegd kan worden of er sprake is van opgevaren gronden. De diepte van degrondwaterstand maakt het mogelijk om de mate van conservering te kunnen inschatten van eventueel aanwezige organische archeologische resten. Bij het plangebied wordt het waterpeil op ongeveer 100 cm -mv (3,00 m -NAP). Archeologisch betekent dit dat binnen het plangebied organische archeologische resten slecht of niet bewaard zijn gebleven binnen 100 cm -mv. Vanaf deze diepte kunnen organische archeologische resten, indien aanwezig, onaangetast zijn. De conservering van anorganische archeologische resten is niet van de grondwaterstand afhankelijk.
7 Vos et al. 2017 8 Vos et al. 2017, 39-40. 9 Kerkhof et al. 2010 10 Bult 2010, 13 11 www.dinoloket.nl geraadpleegd op 22-08-2025. 12 www.wur.nl geraadpleegd op 22-08-2025.
10
Afbeelding 4: het plangebied geprojecteerd op de geologische kaart van het Westland en Delfland en de locatie van relevante DINOboringen. Bron: Vos et al, 2017, dinoloket.nl & ESRI.
2.3 Historische ontwikkeling plangebied13 Het bestuderen van het historisch grondgebruik van het plangebied kan informatie verschaffen over eventuele archeologische vindplaatsen. Uit de bestudering van oud kaartmateriaal (tabel 1) kan blijken of het plangebied in het verleden bebouwd is en of er bijvoorbeeld (water)wegen in het plangebied aanwezig zijn geweest. Ook kunnen ontgravingen en ophogingen door middel van oude kaarten soms in beeld worden gebracht.
13 Hoofdstuk op basis van het bureauonderzoek van Bult, 2010.
11
2.3.1 Historisch grondgebruik en kaarten Schipluiden is ontstaan op twee oeverwallen die langs een restgeul van de Gantel Laag liggen. Deze oeverwallen werden in de Romeinse tijd al bewoond, zoals is aangetoond bij opgravingen in de Kerkpolder 14 en in de Klaas Engelbrechtspolder15. Ook zijn er vondsten gedaan die dateren uit de Late IJzertijd. Deze zijn aangetroffen op geoxideerd veen in het zuiden van de Kerkpolder.16 De directe omgeving van Schipluiden lijkt in de Middeleeuwen niet voor het midden van de 10e eeuw of het begin van de 11e eeuw te zijn bewoond.17 De overheersende landindeling was een oost-west georiënteerde strokenverkaveling waarbij elke boerderij op de bijbehorende strook grond werd gebouwd. De strokenverkaveling stond haaks op de Delftse Schie. Boerderijen werden op de bijbehorende kavel gebouwd. Dit leidde tot een lintvormige bebouwing die haaks op de verkavelingsrichting stond. De keuze waar de boerderijen werden gebouwd, werd in die periode overwegend bepaald door de terreinsituatie binnen de bijbehorende kavel. Daar waar de geulafzettingen van het Laagpakket van Walcheren als stevige en hogere ruggen in het landschap aan of nabij het oppervlak lagen, waren dit de plekken om bij voorkeur de boerderij te bouwen. Elders bouwde men op het veen, dat toen veel hoger lag.
Zodra als gevolg van klink en oxidatie een inversie in het landschap op trad, moest het erf in het veengebied tot lage huisterpen worden opgehoogd om droge voeten te houden.18 Dit betekent dat ook in de Late Middeleeuwen op het grondgebied van het latere dorp Schipluiden er veelal voor werd gekozen om de bebouwing te lokaliseren op de oeverwal langs de stroomdraad van de Gantel. Het gebied van Schipluiden was oorspronkelijk ontgonnen als hofland dat behoorde bij een grafelijke hof. Het hoofdgebied werd geschonken aan geestelijke instellingen, mogelijk al in de 10e of begin 11e eeuw. De oudste vermelde schenking is die aan het Domkapittel in Utrecht en het geschonken land werd St. Maartensrecht genoemd. Het land was 146 morgen groot (De Delflandse morgen is 8515,19 m² groot19). Het St. Maartensrecht was in latere tijd een zelfstandig ambacht en strekte zich uit vanaf de Gaag en de Zouteveenseweg ter hoogte van Schipluiden tot aan de Delftse Schie.20 Het ambacht werd voor 1294 verpacht aan de heer Arnout van Dorp. Het erfpacht bleef in van de familie Van Dorp tot aan 1411 toen Philips van Dorp kinderloos overleed. Voor zover bekend hebben de heren Van Dorp altijd op hun stamhuis gewoond (Huis ten Dorp), er zijn geen aanwijzingen dat zij bij St. Maartensrecht verbleven.21 Hierna wordt het grondbezit verkocht aan Philips de Blote.
Deze bouwt op de plek vlak bij de Gaag kasteel de Keenenburg. Het is niet bekend of hiervoor, toen het grond in bezit was van de familie van Dorp, al een kasteel aanwezig was, maar er bestaan wel aanwijzingen dat al een stenen gebouw stond of in aanbouw was.22 In 1573 werd het kasteel ontmanteld om de oprukkende Spanjaarden de gelegenheid te ontnemen om zich in de Keenenburg te vestigen en van daaruit de omgeving onveilig te maken. Na die tijd werd het kasteel opnieuw opgebouwd of hersteld. Op de kaart van Kruikius uit 1712 is te zien dat het plangebied net valt in de tuin van het kasteel aan de andere kant van de kasteelgracht (afbeelding 5). Er is te zien dat in het noorden van het plangebied een sloot ligt. De Keenenburg bleef nog lang in adellijke handen, maar werd uiteindelijk in de Franse tijd afgebroken, in 1798. De boerderij geleden op het voormalige kasteelterrein is gedeeltelijk opgebouwd met stenen van de gesloopte voorburcht. Op het gevectoriseerd minuutplan uit 1832 (afbeelding 6) zijn de kasteel grachten en het kasteentuin nog te zien maar is het kasteel niet meer getekend. Vanaf ongeveer het einde van de 19e eeuw zijn overblijfselen van het kasteelterrein steeds minder te zien op topografische kaarten totdat in ongeveer 1911 de kasteelgracht gedempt wordt en er een spoor word aangelegd ten zuidoosten van het plangebied (afbeelding 7).
In 1974 wordt het spoor weer verwijderd en staan op het terrein waar het plangebied ligt kassen. In de plaats van het spoor wordt een weg aangelegd waarvan een klein deel in het oosten van het plangebied ligt. In 198123 wordt het stratenpatroon aangepast en wordt de huidige woning gebouwd (afbeelding 8). Het is niet bekend wanneer het speeltuintje is aangelegd
14 Van Londen 1997; Van Londen 2006, 61-71 15 Sarfatij 1979, 316 16 Van Londen 2006, 59 17 Bult & Penning 2010, 46 18 Bult 1986, 127-131. 19 hhdelfland.nl/doet-delfland/historie, geraadpleegd op 22-08-2025 20 Hoek 1979, 45 21 R.A. Utrecht Archief Domkapittel inv.nr. 605. 22 R.A. Utrecht, Archief Domkapittel, inv.nr. 626 23 Bagviewer.kadaster.nl, geraadpleegd op 22-08-2025
12
Afbeelding 5:
het plangebied afgebeeld op de kaart van Kruikius uit 1712 Bron: www.tudelft.nl.
13
Afbeelding 6: het plangebied afgebeeld op een gevectoriseerde versie van de Minuutplan uit 1832. Bron: beeldbank.cultureelerfgoed.nl & gemeente Delft.
14
Afbeelding 7:
het plangebied afgebeeld op een topografische kaart uit 1912. Bron: topotijdreis.nl.
Afbeelding 8:
het plangebied afgebeeld op een topografische kaart uit 1986. Bron: topotijdreis.nl.
15
2.3.2 Militair erfgoed Volgens de Indicatieve Kaart Militair Erfgoed (IKME) worden in het plangebied geen resten van militair erfgoed verwacht. Het plangebied is gedurende de Tweede Wereldoorlog ook gefotografeerd door de RAF. Op de foto zijn geen bijzonderheden zichtbaar die wijzen op de aanwezigheid van militair erfgoed. 24 Voor zover bekend heeft er in het plangebied tot op heden nog geen explosievenonderzoek plaatsgevonden. 25 Ook uit de voorgaande tijdsperioden (tot en met de Late Middeleeuwen) worden in het plangebied geen resten van militair erfgoed verwacht.26
Soort bron
Jaartal
Relevante informatie
Bron
Historische kaart: Hoogheemraadschap Delfland door Kruikius
1712
Plangebied in gebruik als weiland
www.tudelft.nl
Historische kaart: Kadastrale Minuut
1811-1832
Niet gewijzigd t.o.v. 1712
beeldbank.cultureelerfgoed.nl
Topografische kaarten
1900-2024
1912: kasteelgracht wordt gedempt en spooraanleg ten zuidoosten 1974: spoor wordt verwijderd waar daarna een weg wordt aangelegd en aanleg kassen op het plangebied
www.topotijdreis.nl
Indicatieve Kaart Militair Erfgoed
1940-1945
Geen militair erfgoed verwacht
www.ikme.nl
Militaire luchtfoto’s
1940-1945
Geen militair erfgoed zichtbaar
Library.wur.nl
BAG gegevens kadaster
2024
Huis en garage gebouwd in 1981
Bagviewer.kadaster.nl
Militaire landschapskaart
2024
Geen militaire resten verwacht
www.cultureelerfgoed.nl
Explosievenonderzoek VEO bommenkaart
2024
N.v.t.
www.explosievenopsporing.nl
Tabel 1:
overzicht van de gebruikte bronnen voor het vaststellen van het historische grondgebruik van het plangebied
2.4 Archeologisch onderzoek rond het plangebied In de omgeving van het plangebied zijn een aantal archeologische onderzoeken uitgevoerd. Alleen de onderzoeken die van belang zijn bij het opstellen van een archeologische verwachting worden besproken, (afbeelding 7). Onderzoeken die verder weg gelegen zijn geven een minder concreet beeld van de te verwachten archeologische resten binnen het plangebied, zeker in vergelijking met de onderzoeken uitgevoerd naast het plangebied. Deze selectie wordt gedaan om een beeld te vormen van de mogelijke archeologische resten die in het plangebied aanwezig kunnen zijn. Op afbeelding 9 zijn vindplaatsen weergegeven, gebaseerd op het verwachtingskaart van de gemeente Midden-Delfland.27 Hiervan is af te leiden dat op het oeverwal die behoort bij de geulafzettingen van de Gantel Laag een aantal Romeinse vindplaatsen bekend zijn (59, 58 en 57). Dit oeverwal is gelegen direct ten noorden van het plangebied. De kans op het aantreffen van sporen uit deze periode in het plangebied is daarmee middelhoog.
24 Library.wur.nl. geraadpleegd op 22-08-2025. Vlucht 031, foto 4089, gefotografeerd op 28-08-1945. 25 www.explosievenopsporing.nl geraadpleegd op 22-08-2025. 26 www.cultureelerfgoed.nl. geraadpleegd op 22-08-2025. 27 Kerkhof et al. 2010
16
Direct ten noorden en ten noordwesten van het plangebied is het kasteelterrein Keenenburg bij een aantal onderzoek campagnes opgegraven tussen 1966 en 1989. Het onderzoek is nooit gerapporteerd. In archis4 is de vondslocatie (132) opgenomen onder vindplaatsnummer 1056950.28 Uit het archief van Erfgoed Delft is bekend dat het binnenterrein van de hoofdburcht vlakdekkend is onderzocht, met uitzondering van het interieur van de woontoren. Op afbeelding 9 zijn de contouren van de opgraving en de contouren van het kasteel globaal aangegeven. De zuidwestelijke toren is naderhand gereconstrueerd. Rond de hoofdburcht zijn op de voormalige slotgracht enkel parkeerplaatsen en ontsluitingswegen aangelegd, waardoor de verstoring op nog aanwezige resten beperkt zal zijn. In 2010 is voor het Centrumplan van Schipluiden een bureauonderzoek uitgevoerd.29 Hoewel dit onderzoek geen fysieke resultaten produceerde waarmee de archeologische verwachting aangescherpt kan worden, is het noemenswaardig omdat het een zeer uitgebreide bureauonderzoek betreft van het kasteel en omliggend terrein.30 In dit rapport worden bijvoorbeeld een aantal resultaten uit het zojuist opgenoemde opgraving wel gerapporteerd. Tijdens de opgraving van het kasteelterrein zijn archeologische sporen aangetroffen van de Romeinse tijd, Vroege middeleeuwen (vanaf de 10e eeuw), Late middeleeuwen tot de Nieuwe tijd.
De bodemopbouw ter hoogte van het kasteelterrein bestaat uit een pakket van ongeveer 80 cm dikke ophoogpakketten met daartussenin verschillende loopniveaus. De archeologische resten waren aanwezig vanaf een diepte van 0,60 m -mv (1,80 m -NAP). In een ander deel van het bureauonderzoek worden archeologische resten vanaf 0,60 m -NAP verwacht, dit lijkt een typefout te zijn geweest, aangezien het maaiveld binnen het onderzocht gebied tussen 0,90 en 2,0 m -NAP ligt. In 2013, 100 m ten zuidoosten van het plangebied, is een bureau- en booronderzoek uitgevoerd.31 Uit het booronderzoek blijkt dat de bodem bestaat uit 50-70 cm opgebrachte en geroerde kleilaag. Hieronder komen onverstoorde kleilagen voor (Laag van Poeldijk). Vanaf 180 cm -mv (4,10 m -NAP) is Hollandveen aangeboord. In boring 4 is een dikke veenlaag aangetroffen, mogelijk doordat het veen hier niet is gerodeerd, de top ervan is namelijk veraard (45 cm -mv, 3,05 m -NAP). Enkel boring 5 bleek tot aan 240 cm -mv verstoord (4,80 m NAP) te zijn.32
28 Onderzoeksmeldingnummer 2016976100 29 Onderzoeksmeldingnummer: 2016976100 30 Bult, 2010 31 Onderzoeksmeldingnummer 2409218100 32 Koekkelkoren en Wilbers, 2013
17
Afbeelding 9:
de archeologische onderzoeken in de omgeving van het plangebied. Bron: Archis4 & ESRI.
18
2.5 Bekende bodemverstoringen De maaiveldhoogte in het plangebied ligt rond 2,0 m -NAP. Een klein deel van het plangebied is rondom het huis opgehoogd tot 1,7 m -NAP. In het zuiden van het plangebied daalt het maaiveld richting een sloot. In het oosten van het plangebied, ter hoogte van het speeltuin, ligt de maaiveldhoogte op 2,20 m -NAP. Op bodemloket.nl is aangegeven dat in en rondom het plangebied bodemonderzoeken hebben plaatsgevonden. De resultaten van de evaluatie van de sanering geven aan dat de vastgestelde verontreiniging in ‘gebied keenenburg II’ (waarvan het plangebied deel uitmaakt), voldoende is gesaneerd in het kader van de Wet bodembescherming.33 In juni 2025 is door BMA Milieu een milieukundig bodemonderzoek uitgevoerd.34 Uit het onderzoek blijkt dat in het plangebied een watergang heeft gelopen die in de jaren 50 is gedempt. Dit is mogelijk een restant van een sloot die is weergegeven op historische kaarten. Ook loopt een ondergrondse olieleiding naar een bovengronds olietank. In boring 15 was op een diepte van 1,5 m -mv de grond ‘sterk baksteenhoudend’. Op een dergelijke diepte kan dit mogelijk wijzen op archeologische resten, of juist diepe verstoringen. In het plangebied is geen sprake van noemenswaardige verontreinigingen.
Bij het archief van Midden-Delfland zijn geen bouwtekeningen beschikbaar van het huidige woonhuis of de kassen waarmee de diepte van de funderingen en daarmee de verstoring van de bodem afgeleid kan worden. Ook van de aanleg van het spoor zijn geen verslagen of bouwtekeningen beschikbaar. Soort bron
Relevante informatie
Bron
Maaiveldhoogte
Maaiveldhoogte: 2,0 m -NAP.
AHN-versie 4
Bodemvervuiling en sanering
Plangebied en omgeving is in de jaren 80 gesaneerd
www.bodemloket.nl Rapport Heidemij 960-89/3
Topografische kaarten
1912: spooraanleg ten zuidoosten van plangebied Jaren 50: sloot in plangebied wordt gedempt en aanleg kassen 1974: spoor wordt verwijderd en aanleg nieuwe kassen
www.topotijdreis.nl Rapport MBO.2025.0121
Bouwarchief
Geen bouwtekeningen beschikbaar
www.middendelfland.nl/gemeentearchief
Tabel 2:
Overzicht van de gebruikte bronnen voor het vaststellen van bodemverstoringen in het plangebied
33 Bodemloket, geraadpleegd op 25-08-2025. Heidemij rapport 960-89/3 34 Rapport MBO.2025.0121
19
Afbeelding 10:
Bekende verstoringen in het plangebied. Bron: kadaster.nl & BMA Millieu
20
3 Archeologische verwachting en advies voor vervolgonderzoek 3.1 Archeologische verwachting Op basis van de geologische opbouw, het archeologisch onderzoek dat in en rondom het plangebied heeft plaatsgevonden, de historische kaarten en de bekende bodemingrepen kunnen verwachtingen voor het voorkomen van archeologische resten in het plangebied geformuleerd worden. Bij het opstellen van de archeologische verwachting wordt aandacht besteed aan de volgende eigenschappen van de eventuele vindplaatsen: datering (minimaal in hoofdperioden, bijvoorbeeld Romeinse tijd en Late Middeleeuwen), complextype, bijvoorbeeld nederzetting, grafveld, erf), diepteligging, locatie, uiterlijke kenmerken, omvang, gaafheid en verstoringen. Gebaseerd op deze factoren geldt in het plangebied een hoge archeologische verwachting voor resten voor de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd en een middelhoge verwachting voor de Romeinse tijd. Vanaf 4000 voor Chr. werden strandwallen gevormd langs de kust van Nederland. Theoretisch kan ter hoogte van het plangebied duin- of stuifzand zijn afgezet (Laag van Rijswijk/Laag van Voorburg), waarop door de relatief hogere ligging in het landschap bewoning in het Neolithicum mogelijk was.
Op basis van geologische informatie zijn in het plangebied geen aanwijzingen voor dergelijke ophogingen en geldt in het plangebied een lage archeologische verwachting voor resten uit het Neolithicum. Verder geldt in het plangebied een lage archeologische verwachting voor de periode Bronstijd tot en met de Late IJzertijd. Gedurende deze tijd was het in de omgeving van het plangebied ook te nat voor bewoning. Vanaf de Romeinse tijd kan er bewoning op de oever- en geulafzettingen van de Gantel Laag voorkomen. Deze afzettingen worden op basis van de bekende geologische en archeologische gegevens in het plangebied verwacht en in de omgeving van het plangebied zijn meerdere vindplaatsen uit de Romeinse tijd bekend langs het geulsysteem waar het plangebied op is gelegen. De kans is groot dat de sporen uit deze periode door jongere sporen zijn verstoord. Om deze reden geldt voor de Romeinse tijd een middelhoge archeologische verwachting. Archeologische resten uit deze periode worden verwacht in de top van de afzettingen van de Gantel Laag. Op basis van naastgelegen onderzoeken wordt deze top vanaf 1,8 tot 2,55 m -mv (4,75 tot 4,4 m -NAP) verwacht. Eventueel aanwezige archeologische resten kunnen zowel bestaan uit nederzettingsresten (kuilen, waterputten, huisplattegronden), als sporen van landschapsgebruik (verkavelingsgreppels, dierbegravingen).
Voor de Vroege Middeleeuwen geldt een middelhoge verwachting. Er zijn aanwijzingen dat de omgeving van het plangebied reeds in gebruik is genomen in de 10e of 11e eeuw, in een pre-kasteelfase. Het gebied waar het plangebied ligt werd St. Maartensrecht genoemd en maakt deel uit van een ambacht. Eventueel aanwezige archeologische resten kunnen zowel bestaan uit nederzettingsresten (kuilen, waterputten, huisplattegronden), als sporen van landschapsgebruik (greppels, dierbegravingen). Door het aanbrengen van ophogingslagen zijn deze resten mogelijk bewaard gebleven. Dit archeologisch niveau wordt, op basis van naastgelegen onderzoeken, verwacht vanaf 20 cm -mv (1,80 m -NAP) en kan reiken tot 140 cm -mv (3,0 m NAP). Vanaf het begin van de 15e eeuw komt het terrein in bezit van Philips de Blote en laat hij het kasteel Keenenburg bouwen. Dit kasteel wordt tijdens de Tachtigjarige Oorlog in 1573 ontmanteld en later weer opgebouwd, totdat het in de Franse tijd, in 1798 definitief afgebroken wordt. Het plangebied ligt in deze periode ter hoogte van dekasteeltuin, direct ten zuidoosten van de kasteelgracht. Het is ook mogelijk dat een sloot van de tuin in het plangebied ligt. Er geldt op basis daarvan een hoge archeologische verwachting voor resten uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe Tijd.
De verwachte sporen hierbij zijn sporen van beplanting, sloten en waterpartijen, afrasteringen, maar mogelijk ook knechtenwoningen of resten van bijgebouwen. Daarnaast is het ook mogelijk dat afval van het kasteel in de gracht en sloot terecht is gekomen. Dit archeologisch niveau wordt, op basis van het naastgelegen onderzoek, verwacht vanaf 20 cm -mv (1,80 m NAP) en kan reiken tot 140 cm -mv (3,0 m -NAP).
21
3.2 Advies voor het vervolgonderzoek Op basis van dit onderzoek geldt in het plangebied een hoge archeologische verwachting voor de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd en een middelhoge archeologische verwachting voor de Romeinse tijd en Vroege Middeleeuwen. Voor de Nieuwe tijd, Vroege en Late Middeleeuwen geldt deze verwachting vanaf het 0,20 cm tot circa 140 cm -mv (1,80 m -NAP tot een diepte van 3,00 m -NAP). Voor de Romeinse tijd worden archeologische resten verwacht vanaf 1,8 tot 2,55 m -mv (4,75 tot 4,4 m -NAP). Het is bekend dat in het plangebied een aantal bodemverstorende activiteiten hebben plaatsgevonden die mogelijk de archeologische resten hebben aangetast, zoals de aanleg van kassen of de aanleg van het spoor in het oosten van het plangebied, zie afbeelding 10. De mate van verstoring van de bodem is echter niet te bepalen waardoor de archeologische verwachting behouden blijft. We adviseren om een archeologisch vervolgonderzoek plaats te laten vinden om de werkelijke aan- of afwezigheid van archeologische resten te bepalen. Dit kan in eerste instantie een verkennend archeologisch booronderzoek (IVO-O) zijn om te bepalen of de bodemopbouw en eventuele archeologische niveaus in het plangebied nog intact zijn.
Dit type onderzoek levert geen uitsluitsel over de werkelijke aanwezigheid van archeologische resten, maar de resultaten kunnen wel reden zijn om van vervolgonderzoek af te zien. Als de bodemopbouw in het plangebied intact blijkt te zijn, zal op basis van het booronderzoek, en de definitieve bouwplannen, een advies worden gegeven over het meest geschikte vervolgonderzoek. De beslissing over bovenstaand advies ligt bij het bevoegd gezag, in deze de gemeente Midden-Delfland.
22
Bibliografie Gebruikte afkortingen DAN Delftse Archeologische Notitie DAR Delftse Archeologische Rapporten
Literatuur Bult, E.J. & B. Penning 2010: Keenenburg III. Een Inventariserend Veldonderzoek middels proefsleuven in Schipluiden (gemeente MiddenDelfland), DAR 98. Bult, E.J. 2010: Centrumplan Schipluiden Een archeologisch bureauonderzoek. DAN 88. Bult, E.J., 1986: Ontginning en bewoning ten noorden van de Maasmond en de landschappelijke veranderingen die daarbij optraden, in: Rotterdam Papers V. Landschap en bewoning rond de mondingen van Rijn, Maas en Schelde. A contribution to prehistoric, roman and medieval archaeology, 115- 136. Hoek, C., 1979: Het Sint Maartensrecht bij Delft, in: Holland 11, p. 40-45. Kerkhof, M., B. Penning & E.J. Bult, 2010: Midden-Delfland. Een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart, DAR 100. Koekkelkoren, A.M.H.C. en A.W.E. Wilbers, 2013: Agnes Croesinklaan, Schipluiden Gemeente MiddenDelfland, Archeologisch bureauonderzoek & Inventariserend Veldonderzoek, bureauonderzoek. IDDS Archeologie rapport 1548. Londen, H. van, 1997: Archeologisch onderzoek van vindplaats 3.01 in de Kerkpolder, gem. Schipluiden, Intern rapport Instituut voor Prae-en Protohistorie. Londen, H. van, 2006: Midden-Delfland. The Roman Native Landscape Past and Present, Amsterdam. Sarfatij, H., 1979: Archeologische kroniek van Zuid-Holland over 1978, Holland jrg.11, 313-339. Vos, P.C., M. IJsselstein, S. Jongma & S.
de Vries, 2017: Het ontstaan van Westland-Delfland, gebaseerd op paleolandschappelijke onderzoek en getijsysteemkennis. Toelichting op de regionale paleolandschappelijke kartering, uitgevoerd in het kader van het uitbrengen van de Atlas van het Westland, DAR 130. Auteur onbekend, 2025: Milieukundig onderzoek Kasteellaan 30, Schipluiden, Gemeente Delfland. BMA Milieu Rapport MBO.2025.0121.
Overige bronnen Archeologie Delft Depot Archis.cultureelerfgoed.nl www.beeldbank.cultureelerfgoed.nl www.dinoloket.nl www.ahn.nl www.ikme.nl www.cultureelerfgoed.nl www.library.wur.nl www.bodemloket.nl www.stadsarchief.nl www.arcgisonline.nl www.topotijdreiss.nl
23
www.bagviewer.kadaster.nl www.ruimtelijkeplannen.nl www.hhdelfland.nl www.omgevingswet.overheid.nl
24
Overzicht van afbeeldingen en tabellen Afbeeldingen Afbeelding 1: Afbeelding 2: Afbeelding 3: Afbeelding 4:
Afbeelding 5: Afbeelding 6: Afbeelding 7: Afbeelding 8: Afbeelding 9: Afbeelding 10:
het plangebied op een luchtfoto. Bron: ESRI. het plangebied en het voorlopige ontwerp geprojecteerd op een luchtfoto. Bron: opdrachtgever gemeente Midden-Delfland. het plangebied geprojecteerd op de beleidsadvieskaart van de gemeente MiddenDelfland en een topografische kaart. Bron: Kerkhof et al. 2010 & ESRI. het plangebied geprojecteerd op de geologische kaart van het Westland en Delfland en de locatie van relevante DINOboringen. Bron: Vos et al, 2017, dinoloket.nl & ESRI. het plangebied afgebeeld op de kaart van Kruikius uit 1712 Bron: www.tudelft.nl. het plangebied afgebeeld op een gevectoriseerde versie van de Minuutplan uit 1832. Bron: beeldbank.cultureelerfgoed.nl & gemeente Delft. het plangebied afgebeeld op een topografische kaart uit 1912. Bron: topotijdreis.nl. het plangebied afgebeeld op een topografische kaart uit 1986. Bron: topotijdreis.nl. de archeologische onderzoeken in de omgeving van het plangebied. Bron: Archis4 & ESRI. Bekende verstoringen in het plangebied. Bron: kadaster.nl & BMA Millieu
6 7 8
11 13 14 15 15 18 20
Tabellen Tabel 1: Tabel 2:
overzicht van de gebruikte bronnen voor het vaststellen van het historische grondgebruik van het plangebied Overzicht van de gebruikte bronnen voor het vaststellen van bodemverstoringen in het plangebied
16 19
25