CConstaterende datMidden-Delfland
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 9b - MDKA20250877 Ecologische Quickscan

Gemeenteraad 16 december 2025, gemeente Midden-DelflandBij agendapunt: De Kroon: Ontwikkelvisie, strategisch plan van aanpak en ruimtelijk kader.9.565 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Ecologische Quickscan KASTEELLAAN 30 TE SCHIPLUIDEN MDKA20250877 17-10-2025

Ecologische Quickscan KASTEELLAAN 30 TE SCHIPLUIDEN

Colofon Opdrachtgever:

Gemeente Midden-Delfland Anna van Raesfelstraat 37 2636HX Schipluiden

Adviesbureau:

VanderHelm Milieubeheer B.V. Nobelsingel 2 2652XA Berkel en Rodenrijs 010 – 2492460 info@vdhelm.nl www.vdhelm.nl

Projectfoto’s Wijze van citeren:

VanderHelm Milieubeheer B.V. (2025). MDKA20250877. Ecologische quickscan Kasteellaan 30 te Schipluiden, d.d. 17-102025

Geldigheid van resultaten

De resultaten van de quickscan zijn 3 jaar geldig, ingaande vanaf de datum van het eerste uitgevoerde veldbezoek.

Verantwoording Auteur

Status / versie Datum Dhr. ing. S.V. van Bekkum

Kwaliteitscontrole

Dhr. ing. A. Kolders

Vrijgave

Mevr. ing. K.E. Orie-Vreugdenhil (bij afwezigheid getekend door dhr. ing. A.A. Heijboer)

Definitief, versie 1 17 oktober 2025

Ecologische quickscan Kasteellaan 30 te Schipluiden Kenmerk: MDKA20250877

1

Inhoudsopgave 1

2

3

4

Aanleiding ....................................................................................................................................3 1.1

Aanleiding .................................................................................................................................. 3

1.2

Doelstelling................................................................................................................................. 3

Situatie invloedssfeer werkzaamheden ...........................................................................................4 2.1

Projectgebied ............................................................................................................................. 4

2.2

Voorgenomen werkzaamheden .................................................................................................. 5

2.3

Toekomstige situatie ................................................................................................................... 5

Toetsing werkzaamheden aan de Omgevingswet ............................................................................6 3.1

Beschermde soorten .................................................................................................................. 6

3.2

Beschermde gebieden ............................................................................................................. 16

3.3

Beschermde houtopstanden .................................................................................................... 17

Conclusies en vervolgstappen .....................................................................................................19 4.1

Vervolgstap 1: Uitvoeren van vervolgonderzoek ....................................................................... 19

4.2 Vervolgstap 2: Voorkomen overtreding van verbodsbepalingen uit de Omgevingswet, tijdens de werkzaamheden .................................................................................................................................. 20 4.3

Biodiversiteit ............................................................................................................................. 21

Bijlage Bijlage 1 – Kwaliteitsborging en verantwoording Bijlage 2 – Regionale situatiekaart projectgebied

Ecologische quickscan Kasteellaan 30 te Schipluiden Kenmerk: MDKA20250877

2

1 Aanleiding VanderHelm Milieubeheer B.V. te Berkel en Rodenrijs heeft van gemeente Midden-Delfland opdracht gekregen om een ecologische quickscan uit te voeren ter plaatse van Kasteellaan 30 te Schipluiden.

1.1

Aanleiding

De voorgenomen werkzaamheden in het projectgebied vormen de aanleiding tot het uitvoeren van deze ecologische quickscan. De werkzaamheden bestaan uit slopen van de huidige bebouwing en nieuwbouw. Tijdens de planvorming dient inzichtelijk te worden gemaakt of door de werkzaamheden een negatief effect kan ontstaan op beschermde en bedreigde flora en fauna, beschermde natuurgebieden en houtopstanden. Indien hier sprake van is dient te worden bepaald of deze negatieve effecten kunnen worden voorkomen en of er sprake is van een vergunnings- of meldingsplicht in het kader van de Omgevingswet.

1.2

Doelstelling

Het doel van een ecologische quickscan is te bepalen of er sprake is van een (mogelijke) overtreding op een verbodsbepaling van de Omgevingswet, wat betreft flora en fauna, beschermde natuurgebieden en houtopstanden. Hiertoe worden de volgende subdoelen gehanteerd: -

-

-

Het verkrijgen van inzicht in de (mogelijke) aanwezigheid van beschermde en bedreigde flora- en fauna binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden en het verkrijgen van inzicht in de (mogelijke) effecten van de voorgenomen werkzaamheden op de eventueel aanwezige beschermde en bedreigde soorten. Het verkrijgen van inzicht in de aanwezigheid van beschermde natuurgebieden binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden en het al dan niet uitsluiten van effecten van de werkzaamheden op de betreffende beschermde natuurgebieden. Het verkrijgen van inzicht in de aanwezigheid van beschermde houtopstanden.

Ecologische quickscan Kasteellaan 30 te Schipluiden Kenmerk: MDKA20250877

3

2 Situatie invloedssfeer werkzaamheden 2.1

Projectgebied

Het projectgebied bestaat uit een woning met bijgebouw en een tuin die rondom loopt. De woning heeft een pannendak, is tweelaags en bestaat uit drie delen, waarbij het middenstuk de tuin in verspringt. Het zuidelijk deel van de woning betreft een inpandige garage. Tevens ligt een betegeld terras aan de zuidwestkant van de woning. Het bijgebouw heeft ook een pannendak en is tevens tweelaags. Ook dit gebouw heeft een overheaddeur. Het oosten van het projectgebied ligt buiten het terrein van de woning. Op deze locatie bevindt zich een speelplaats. De tuin bestaat uit een gazon met struiken en bomen. Er staan soorten als hazelaar, dwergmispel, vuurdoorn, zoete kers, schietwilg, treurwilg en blauwspar. Tevens is er een conifeerhaag aan de noordzijde met woekerende klimop. In het noordoosten van de tuin staat een tuinkas. Aan de zuidzijde van de tuin ligt een vijver met oeverbeschoeiing. In de afbeelding hieronder zijn enkele van de beschreven elementen weergegeven.

Afbeelding 1: Foto’s van het projectgebied, met linksboven de conifeerhaag, rechtsboven het bijgebouw, linksonder de woning en rechtsonder de vijver en bomen in de tuin.

De begrenzing van het projectgebied wordt weergegeven in afbeelding 2. Voor de regionale ligging van het projectgebied wordt verwezen naar bijlage 2.

Ecologische quickscan Kasteellaan 30 te Schipluiden Kenmerk: MDKA20250877

4

Afbeelding 2: Begrenzing projectgebied met een rode lijn (bron: ArcGIS).

De omgeving van het projectgebied bestaat uit de woonwijken van Schipluiden. Ten oosten van de woonwijken ligt een golfbaan, ten noordoosten liggen een aantal sportvelden. Daarnaast is Schipluiden omringt door weilanden en in het westen glastuinbouw.

Afbeelding 3: Woonwijken direct naast projectgebied.

2.2 Voorgenomen werkzaamheden Op het moment van schrijven is het project in visiefase. In 2026 wordt het terrein beheerd. Er vindt snoeiwerk en onderhoud plaats. Tevens worden 20 bomen op het terrein gerooid en mogelijk twee bomen verplant. Na 2026 start de sloop en het bouwrijp maken voor nieuwbouw. De verdere planning van de werkzaamheden is tijdens de uitvoering van de ecologische quickscan nog niet bekend.

2.3 Toekomstige situatie In de toekomstige situatie zal er op deze locatie nieuwbouw worden gerealiseerd.

Ecologische quickscan Kasteellaan 30 te Schipluiden Kenmerk: MDKA20250877

5

3 Toetsing werkzaamheden aan de Omgevingswet Sinds 1 januari 2024 is de Wet natuurbescherming opgegaan in de Omgevingswet (Ow), en is de bescherming van de natuur in Nederland dus geregeld middels de Omgevingswet. Onder de Omgevingswet valt onder andere de bescherming van in het wild levende dieren (fauna) en planten (flora), gebiedsbescherming en de bescherming van houtopstanden. De volledige wettekst is te vinden op https://wetten.overheid.nl/BWBR0037885/2024-01-01/. In onderhavig hoofdstuk worden de werkzaamheden getoetst aan de Omgevingswet, per type bescherming.

3.1

Beschermde soorten

De Omgevingswet beschermt flora en fauna. De wet geldt daar waar beschermde soorten voorkomen en daar waar de voorgenomen werkzaamheden mogelijk van invloed zijn op (leefgebied van) beschermde en kwetsbare soorten. De vergunningsplichtige soorten (zoals bedoeld in het Bal : artikel 11.37, lid 1; artikel 11.46, lid 1 en artikel 11.54, lid 1) kunnen worden onderverdeeld in vogels, Europees- en nationaal beschermde dier- en plantensoorten. In de Omgevingswet is opgenomen dat bij de aantasting van leefgebied, exemplaren of nesten, voortplantings- of rustplaatsen van (één van) de vogels, Europees beschermde soorten of dier- en plantensoorten van nationaal belang, een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit dient te worden aangevraagd. Provincie Zuid-Holland heeft, voor projecten in het kader van ruimtelijke ontwikkeling, van een aantal soorten van nationaal belang (soorten van bijlage III (behorend bij artikel 3.189, eerste lid, van de omgevingsverordening), onder C.1.) aangegeven dat de vergunningsplicht voor een flora- en fauna-activiteit vervalt.

Onder de Omgevingswet staat bovendien beschreven dat voorafgaand aan het uitvoeren van een activiteit die mogelijk van invloed is op flora en fauna, moet worden nagegaan of die activiteiten kunnen leiden tot een negatieve invloed op de (belangrijke leefgebieden en natuurlijke habitats van die) betreffende flora en fauna (specifieke zorgplicht flora- en fauna-activiteiten; artikel 11.27, lid 2, van het Bal). Indien een negatieve invloed niet kan worden uitgesloten dienen passende maatregelen genomen te worden om deze negatieve invloed te voorkomen, te monitoren of de maatregelen inderdaad werken. Indien dat laatste niet het geval is dienen passende herstelmaatregelen te worden getroffen. Derhalve wordt in onderhavige ecologische quickscan niet alleen gekeken naar beschermde dieren- en plantensoorten, binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden, maar wordt ook gelet op niet-zwaarderbeschermde dier- en plantensoorten. Hierbij wordt aangenomen dat het niet redelijk (of passend) is om te verwachten van een initiatiefnemer dat die alle (mogelijke) negatieve invloeden voorkomt op flora en fauna die niet kwetsbaar of bedreigd is. Bij het raadplegen van de rode lijsten is derhalve enkel uitgegaan van soorten die als “ernstig bedreigd”, “bedreigd” of “kwetsbaar” zijn beoordeeld.

Om te bepalen welke beschermde en bedreigde soorten mogelijk aanwezig zijn binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden is in eerste instantie een bureaustudie uitgevoerd. Hierbij zijn verscheidene verspreidingsatlassen, verspreidingskaarten, de NDFF en jaarverslagen geraadpleegd. De informatie uit deze atlassen is niet altijd actueel en veelal op uurhok weergegeven (5 x 5 km). Hierdoor kunnen deze gegevens voor onderhavig projectgebied enkel als richtlijn worden toegepast en tijdens het veldbezoek worden getoetst. In de NDFF is binnen een straal van 5 kilometer gekeken naar de aanwezigheid van beschermde soorten. Gezien de vele barrières in stedelijk gebied is een grotere afstand niet overbrugbaar voor een groot aantal beschermde soorten. Bij het selecteren van soorten die mogelijk voorkomen in het projectgebied is tevens rekening gehouden met het aanwezige biotoop op basis van Google Maps. Op 2 oktober 2025 is door deskundig (zie bijlage 1 voor definitie) ecoloog dhr. S.V. van Bekkum een veldbezoek overdag uitgevoerd, waarbij de projectlocatie nauwkeurig, en de omgeving van het projectgebied globaal, is onderzocht. Hierbij wordt het aanwezige biotoop specifiek in kaart gebracht. In tabel 1 zijn beschermde en bedreigde soorten weergegeven die op basis van het bureauonderzoek in het projectgebied kunnen worden verwacht.

Ook is aangegeven of serieus rekening gehouden dient te worden

Ecologische quickscan Kasteellaan 30 te Schipluiden Kenmerk: MDKA20250877

6

met de aanwezigheid van invasieve exoten. Op basis van het veldonderzoek zijn vervolgens de twee grijs inkleurde, rechter kolommen ingevuld. Tabel 1: Verwachte beschermde, bedreigde en/of invasieve flora – en faunasoorten in het projectgebied op basis van het bureau- en veldonderzoek.

Wetenschappelijke naam

Beschermde status

Bron*

Aangetroffen, Verwachte Verwacht, gebiedsUitgesloten functie#

Inheemse vogels

Aves

Vogelrichtlijn

1 en 2

V

Gierzwaluw

Apus apus

Vogelrichtlijn, cat. 2

1 en 2

V

V, F

Huismus

Passer domesticus

Vogelrichtlijn, cat. 2

1 en 2

V

Ransuil Sperwer Boomkruiper Ekster Grote bonte specht Koolmees Pimpelmees Spreeuw Zwarte kraai Bosuil Huiszwaluw

Asio otus Accipiter nisus Certhia brachydactyla Pica pica Dendrocopus major Parus major Cyanistes caeruleus Sturnus vulgaris Corvus corone Strix aluco Delichon urbicum

Vogelrichtlijn, cat. 4 Vogelrichtlijn, cat. 4 Vogelrichtlijn, cat. 5 Vogelrichtlijn, cat. 5 Vogelrichtlijn, cat. 5 Vogelrichtlijn, cat. 5 Vogelrichtlijn, cat. 5 Vogelrichtlijn, cat. 5 Vogelrichtlijn, cat. 5 Vogelrichtlijn, cat. 5 Vogelrichtlijn, cat. 5

1 en 2 1 en 2 1 en 2 1 en 2 1 en 2 1 en 2 1 en 2 1 en 2 1 en 2 1 en 2 1 en 2

V V V A V V V V V U U

V, F V, F V, F V, F V, F V, F V, F V, F V, F V, F F n.v.t.

Pipistrellus pipistrellus Pipistrellus pygmaeus Eptesicus serotinus Myotis dasycneme Nyctalus noctula Myotis daubentonii Pipistrellus nathusii

Europees beschermd Europees beschermd Europees beschermd Europees beschermd Europees beschermd Europees beschermd Europees beschermd

1 en 2 1 en 2 1 en 2 1 en 2 1 en 2 1 en 2 1 en 2

V V V V V V V

V, F, VL V, F, VL V, F, VL V, F, VL V, F, V, F, VL V, F, VL

Steenmarter Bosmuis Bunzing Egel Gewone bosspitsmuis Hermelijn Huisspitsmuis Rosse woelmuis Wezel

Martes foina Apodemus sylvaticus Mustela nutorius Erinaceus europaeus Sorex araneus Mustela erminea Crocidura russula Clethrionomys glareolus Mustela nivalis

Nationaal beschermd Vergunningsvrij Vergunningsvrij Vergunningsvrij Vergunningsvrij Vergunningsvrij Vergunningsvrij Vergunningsvrij Vergunningsvrij

1 en 2 1 en 2 1 en 2 1 en 2 1 en 2 1 en 2 1 en 2 1 en 2 1 en 2

V V V V V V V V V

V, F V, F V, F V, F V, F V, F V, F V, F V, F

Woelrat

Arvicola amphibius

Vergunningsvrij

1 en 2

V

V, F

Bruine kikker Gewone pad

Rana temporaria Bufo bufo

Vergunningsvrij Vergunningsvrij

1 en 2 1 en 2

V V

V, F V, F

Kleine watersalamander

Lissotriton vulgaris

Vergunningsvrij

1 en 2

V

V, F

Anisus vorticulus

Europees beschermd

1 en 2

V

V, F

Krabbenscheer

Stratiotes aloides

Rode Lijst

1 en 2

U

n.v.t.

Moeraskartelblad Legenda:

Pedicularis palustris

Rode Lijst

1 en 2

U

n.v.t.

Nederlandse naam Vogels

Vleermuizen Gewone dwergvleermuis Kleine dwergvleermuis Laatvlieger Meervleermuis Rosse vleermuis Watervleermuis Ruige dwergvleermuis Zoogdieren

Amfibieën

Ongewervelden Platte schijfhoren Vaatplanten

-

Vogelrichtlijn: is van toepassing op alle inheemse vogels; deze zijn beschermd onder artikel 11.37, lid 1 en lid 3, van het Bal.

Ecologische quickscan Kasteellaan 30 te Schipluiden Kenmerk: MDKA20250877

7

-

-

-

Europees beschermd: deze soorten zijn opgenomen in de Habitatrichtlijn bijlage IV onderdeel a, het Verdrag van Bern bijlage II en het Verdrag van Bonn bijlage I, en beschermd onder artikel 11.46, lid 1 van het Bal. Nationaal beschermd: deze soorten van ‘nationaal belang’ staan vermeld in bijlage IX en zijn beschermd onder artikel 11.54, lid 1 van het Bal. Deze soorten zijn niet vrijgesteld door provincie Zuid-Holland. Vergunningsvrij: deze soorten zijn opgenomen in bijlage C.1 van de omgevingsverordening van provincie Zuid-Holland. Vogels, categorie 2: nesten van koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar (voorbeeld: roek, gierzwaluw en huismus); Vogels, categorie 4: nesten van vogels die jaar in jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen (voorbeeld: boomvalk, buizerd en ransuil); Vogels, categorie 5: nesten van vogels die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan, maar die over voldoende flexibiliteit beschikken om zich, als de broedplaats verloren is gegaan, elders te vestigen; * Bron: 1 = NDFF; 2 = inschatting op basis van biotoop (m.b.v.

Google Maps); # = Gebiedsfunctie: V: voortplantingsplaats, rustplaats of nest; F: foerageergebied; VL: vliegroute. De gebiedsfunctie is alleen weergegeven voor streng beschermde soorten

Als aanvulling op de tabel is per soortgroep uitgewerkt welke (zwaar)beschermde en bedreigde soorten op basis van de bureaustudie binnen het projectgebied worden verwacht, dan wel kunnen worden uitgesloten. Voor alle verwachte soorten zijn de gebiedsfuncties en de beschermde elementen volgens de Omgevingswet beschreven. Vogels Alle nesten (en de functionele leefomgeving van die nesten) van inheemse vogels zijn beschermd, zolang het nest in gebruik is om te broeden, middels artikel 11.37, lid 1 en lid 3 van het Bal (box 1), onder de Omgevingswet. Tevens zijn er soorten met jaarrond beschermde nesten, deze nesten zijn ook buiten het broedseizoen beschermd. Box 1: artikel 11.37, lid 1 en 3 bal: verbodsbepalingen vogelrichtlijnsoorten. Artikel 11.37, lid 1 en lid 3 van het Bal Het verbod (Ow, artikel 5.1, lid 2, aanhef en onder g) om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten geldt voor: a. het opzettelijk doden of opzettelijk vangen van van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn; b. het opzettelijk vernielen of opzettelijk beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld onder a, of het opzettelijk wegnemen van nesten van die vogels; c. het rapen en onder zich hebben van eieren van vogels als bedoeld onder a; of d.

het opzettelijk storen van vogels als bedoeld onder a, tenzij het storen niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de betreffende vogelsoort.

Jaarrond beschermde nesten - categorie 1 tot en met 4 Tijdens het locatiebezoek zijn geen jaarrond beschermde nesten aangetroffen van vogels uit categorie 1 tot en met 4. Echter kan de aanwezigheid hiervan middels de quickscan niet worden uitgesloten. Op basis van de bureaustudie werden gierzwaluw, huismus, ransuil en sperwer verwacht. In onderstaande kopjes zijn de verwachte beschermde elementen van deze soorten beschreven op basis van de bureaustudie en het locatiebezoek. GIERZWALUWEN EN HUISMUSSEN (VOGELRICHTLIJN EN CATEGORIE 2) De daken van de woning en het bijgebouw zijn geschikt voor de gebouwbewonende vogelsoorten gierzwaluw en huismus. Beide soorten zijn bij het locatiebezoek niet aangetroffen. Gierzwaluwen trekken na het broeden naar Afrika. Het locatiebezoek is uitgevoerd buiten het broedseizoen van deze soort. In deze periode hebben de gierzwaluwen geen zichtbare binding met hun nestlocatie en zijn mogelijk beschermde elementen bij afwezigheid van de soort dus niet uit te sluiten. Ook huismussen zijn buiten het broedseizoen niet heel de dag bij de nestlocatie aanwezig. Onder de pannen zijn voor beide soorten voldoende nestmogelijkheden. Op onderstaand figuur is een dakpan weergegeven met voldoende ruimte onder de pan voor invliegende gierzwaluwen en huismusnesten.

Ecologische quickscan Kasteellaan 30 te Schipluiden Kenmerk: MDKA20250877

8

Afbeelding 4: Geschikte invliegopening in het pannendak.

Indien jaarrond beschermde nesten van gierzwaluw en huismus aanwezig zijn zullen deze door de sloopwerkzaamheden worden vernield, wat een overtreding van het verbod, bedoeld in artikel 5.1, lid 2, aanhef en onder van de Omgevingswet betreft. Wanneer werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd bestaat de kans dat de nesten opzettelijk worden verstoord en dieren worden gedood. Om te bepalen of sprake is van een overtreding van het verbod, bedoeld in artikel 5.1, lid 2, aanhef en onder g van de Omgevingswet, dient in eerste aanleg te worden bepaald of nesten van gierzwaluwen en huismussen aanwezig zijn. Indien nesten van gierzwaluw en huismus aanwezig zijn, dient een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit te worden aangevraagd. RANSUIL EN SPERWER (VOGELRICHTLIJN EN CATEGORIE 4) In de tuin staan meerdere hoge en dichtbegroeide bomen. Dergelijke bomen zijn voor ransuil en sperwer geschikt om in te broeden. Ransuilen maken vaak gebruik van oude ekster- of kraaiennesten. Sperwers bouwen zelf nesten. Door het dichte bladerdek is tijdens het locatiebezoek de aanwezigheid van ekster-, kraaien-, en sperwernesten niet kunnen uitsluiten. Tevens kunnen ransuilen de dichte bomen en struwelen in de winter gebruiken als roestplaats (een locatie waar ransuilen in groepen rusten gedurende de wintermaanden).

Derhalve is niet uit te sluiten dat ransuilen en sperwer gebruik maken van het projectgebied. Geadviseerd wordt om een ecologische winterinspectie uit te laten voeren, zodat de bomen zonder bladeren gecheckt kunnen worden op de aanwezigheid van geschikte nesten voor ransuil en sperwer. Tevens zal met een ecologische winterinspectie de aanwezigheid van mogelijke roestplaatsen van ransuil worden getoetst. Jaarrond beschermde nesten categorie 5 – voldoende alternatief Vogelnesten uit categorie 5 zijn jaarrond beschermd, dus ook als het nest niet in gebruik is om te broeden, middels artikel 11.37, lid 1 en lid 3 van het Bal (box 1) onder de Omgevingswet. Voor jaarrond beschermde nesten uit categorie 5 geldt echter dat als in de omgeving voldoende alternatief aanwezig is, de nesten een gelijke beschermingsstatus hebben als niet-jaarrond beschermde nesten. In dit geval is voor alle aanwezige en te verwachten soorten voldoende alternatief in de omgeving en geldt de bescherming alleen wanneer een broedgeval aanwezig is. Ekster en zwarte kraai In het projectgebied zijn meerdere bomen aanwezig die zich lenen als geschikte nestlocatie voor de ekster en zwarte kraai. In de omgeving van het projectgebied zijn echter voldoende geschikte alternatieven aanwezig. In de woonwijken liggen veel tuinen, met voldoende hoge bomen die geschikte broedlocaties bieden voor ekster en zwarte kraai.

Ecologische quickscan Kasteellaan 30 te Schipluiden Kenmerk: MDKA20250877

9

Spreeuw, grote bonte specht, koolmees, pimpelmees en boomkruiper In het projectgebied zijn geschikte nestlocaties aanwezig voor spreeuw, grote bonte specht, koolmees, pimpelmees en boomkruiper. De bomen (met name de wilgen) bieden geschikte holten voor deze soorten. Ook in de gebouwen zijn voor deze soorten geschikte broedlocaties aanwezig. Spreeuwen kunnen in het gat onder de dakpannen en in de boomholten geschikte nestlocaties vinden. De grote bonte specht zal enkel in de bomen geschikte nestlocaties vinden. Koolmees, pimpelmees en boomkruiper broeden tevens vaak in boomholten. Ook kunnen deze soorten in gebouwen broeden, mits de invliegopening niet te groot is. Onder de dakrand van de woning zijn tijdens het locatiebezoek open stootvoegen aangetroffen die kunnen dienen als geschikte invliegopeningen voor mezen en boomkruipers. Voor spreeuw, grote bonte specht, koolmees, pimpelmees en boomkruiper geldt tevens dat er in de woonwijken in de omgeving voldoende geschikte alternatieven aanwezig zijn. Alternatieven bestaan uit de bomen met holtes in de vele tuinen in de omgeving. Voor de gebouw bewonende soorten zijn voldoende geschikte nestlocaties te vinden onder de pannendaken van woningen direct naast het projectgebied. Bosuil De bosuil werd op basis van de bureaustudie in het projectgebied verwacht.

Deze soort kan het projectgebied gebruiken als nestlocatie en/of foerageergebied. Nestlocatie Door het dichte bladerdek was tijdens het locatiebezoek slecht zichtbaar of geschikte broedholten aanwezig zijn voor deze soort. Voor de bosuil zijn daarnaast mogelijk voldoende alternatieve nestlocaties aanwezig in de omgeving van het projectgebied. Geadviseerd wordt om een ecologische winterinspectie uit te voeren om te bepalen of in het projectgebied geschikte boomholten aanwezig zijn die nestlocaties bieden voor deze soort. Indien uit de winterinspectie blijkt dat dergelijke holten aanwezig zijn, dienen mogelijk geschikte alternatieve nestlocaties, buiten de invloedssfeer van de werkzaamheden, tevens in de winter te worden geïnspecteerd om te bepalen of er voldoende alternatief is. Indien vervolgens voldoende alternatief aanwezig blijkt te zijn, is een mogelijk aanwezig nest in het projectgebied niet jaarrond wettelijk beschermd, maar enkel als deze in gebruik is tijdens het broedseizoen. Foerageergebied Alternatief foerageergebied is met zekerheid aanwezig, dit is enkel op basis van de bureaustudie (kaarten) te bepalen. De bomen bij de eendenkooi van Schipluiden 1,5 kilometer ten zuiden van het projectgebied bieden geschikter alternatief foerageergebied. Er vindt hier geen verstoring plaats vanuit de woonwijken en er staan meer bomen dan in het projectgebied.

Op een kortere afstand ligt Golfbaan Delfland (200 meter ten oosten van het projectgebied). Ook hier is geschikter foerageergebied aanwezig doordat er minder verstoring plaats vindt. Derhalve kan worden uitgesloten dat het projectgebied door bosuilen wordt gebruikt als essentieel foerageergebied. Niet jaarrond beschermde nesten (algemene broedvogels) In de bomen en vijver van het projectgebied worden niet-jaarrond beschermde nesten van vogels als kauw, houtduif, heggenmus, merel, vink en wilde eend en waterhoen verwacht. Deze nesten zijn beschermd zolang er sprake is van een broedgeval. Door de werkzaamheden kunnen nesten worden vernield en kunnen eieren en individuen worden beschadigd of gedood, wat een overtreding van het verbod, bedoeld in artikel 5.1, lid 2, aanhef en onder g van de Omgevingswet betreft, wanneer het nest in gebruik is om te broeden. Broedgevallen kunnen het hele jaar door voorkomen. Tijdens het voorjaar en de zomer is de kans op aanwezigheid van vogelnesten het grootst, terwijl de nesten in deze periode het gemakkelijkst over het hoofd gezien worden. Als in deze gevoelige periode wordt gewerkt dient daarom extra rekening te worden gehouden met broedvogels en moeten maatregelen worden genomen om het doden van vogels en de vernieling en beschadiging van nesten en eieren te voorkomen.

Vleermuizen Op basis van het bureauonderzoek worden de volgende vleermuizen verwacht binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden: laatvlieger, gewone dwergvleermuis, kleine dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, meervleermuis, watervleermuis en rosse vleermuis (alle Habitatrichtlijn). Ecologische quickscan Kasteellaan 30 te Schipluiden Kenmerk: MDKA20250877

10

Alle in Nederland voorkomende vleermuizen, hun migratieroutes, voortplantingsplaatsen en rustplaatsen, zijn beschermd middels artikel 11.46, lid 1 van het Bal (Box 1), onder de Omgevingswet. De bebouwing, bomen en vijver in het projectgebied kunnen op diverse manieren een functie hebben voor vleermuizen. Voortplantingsplaatsen of rustplaatsen in bebouwing De bebouwing biedt geschikte verblijfplaatsen voor laatvlieger, gewone dwergvleermuis, kleine dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en meervleermuis. Hieronder wordt dit per soort behandeld. Laatvlieger De laatvlieger kan gebruik maken van ruimten onder dakpannen, zoals bij de woning aanwezig, aangegeven in afbeelding 4. Ook kan deze soort gebruik maken van open stootvoegen om in de spouwmuren geschikte verblijfplaatsen te vinden. In de bebouwing zijn weinig open stootvoegen aanwezig. Bij de woning zijn er enkele stootvoegen direct onder de dakrand (afbeelding 5).

Afbeelding 5: Open stootvoegen onder de dakrand.

Deze soort kan hier geschikte zomer-, kraam-, paar- en individuele winterverblijfplaatsen vinden. Gewone dwergvleermuis en kleine dwergvleermuis De spouw, bereikbaar door de open stootvoegen, biedt voor de gewone dwergvleermuis en kleine dwergvleermuis geschikte zomer-, kraam-, paarverblijfplaatsen. De aanwezigheid van een massawinterverblijfplaats van gewone dwergvleermuizen wordt uitgesloten omdat de condities in de spouw en onder het dak niet geschikt zijn als massawinterverblijfplaats. De bufferwerking van het gebouw is erg klein waardoor de mogelijke verblijfplaatsen al na één vorstnacht te koud worden. De aanwezigheid van enkele individuen die overwinteren tijdens een milde winter kan niet worden uitgesloten. Ook de kleine dwergvleermuis kan van de spouwmuur gebruik maken voor individuele winterverblijfplaatsen. Ruige dwergvleermuis De ruige dwergvleermuis maakt enkel gebruik van gebouwen voor zomer- en paarverblijfplaatsen. De spouw is ook voor deze soort geschikt. Meervleermuis Ook de meervleermuis komt in de regio van het projectgebied voor. In recent onderzoek is door NGB een koloniekaart gemaakt voor deze soort. De meervleermuis kan gebruik maken van de spouw. Voor deze soort zijn geschikte zomer- en paar-, en kraamverblijfplaatsen aanwezig. In het projectgebied zijn voor deze soort tevens geschikte satellietverblijfplaatsen aanwezig.

Dit zijn verblijfplaatsen die onderdeel zijn van een groep vleermuizen met dusdanig belang dat deze niet los kan worden gezien van de functionaliteit van het netwerk. In de toekomst kunnen deze verblijven potentiële primaire verblijfsfuncties vervullen. Meervleermuizen overwinteren voornamelijk in mergelgroeven, ijskelders en bunkers. Derhalve kan een winterverblijfplaats van meervleermuis in de bebouwing worden uitgesloten. De sloop van een gebouw met daarin vleermuizen kan leiden tot het doden van vleermuizen en vernielen van voortplantings- en rustplaatsen, wat een overtreding van het verbod, bedoeld in artikel 5.1, lid 2, aanhef Ecologische quickscan Kasteellaan 30 te Schipluiden Kenmerk: MDKA20250877

11

en onder g van de Omgevingswet betreft (box 2). Om te bepalen of sprake is van een overtreding van het verbod, bedoeld in artikel 5.1, lid 2, aanhef en onder g van de Omgevingswet, dient in eerste aanleg te worden bepaald of voortplantings- en rustplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn in de te slopen bebouwing. Indien voortplantings- en/of rustplaatsen aanwezig zijn, dient een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit te worden aangevraagd. Box 2: artikel 11.46, lid 1 bal: verbodsbepalingen habitatrichtlijnsoorten. Artikel 11.46, lid 1 van het Bal Het verbod (Ow, artikel 5.1, lid 2, aanhef en onder g) om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten geldt voor: a. het in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk doden of opzettelijk vangen van in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onder a, bij de habitatrichtlijn, bijlage II bij het verdrag van Bern of bijlage I bij het verdrag van Bonn (met uitzondering van de soorten bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn); b. het opzettelijk verstoren van dieren als bedoeld onder a; c. het in de natuur opzettelijk vernielen of rapen van eieren van dieren als bedoeld onder a; d.

het beschadigen of vernielen van de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld onder a; en het opzettelijk plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onder b, bij de habitatrichtlijn of bijlage I bij het verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied

Voortplantings- of rustplaatsen in bomen In de bomen is tijdens het veldbezoek op een aantal locaties los schors waargenomen, die kunnen dienen als voortplantings- of rustplaats voor gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, kleine dwergvleermuis, watervleermuis en rosse vleermuis. Niet alle stammen en takken van de bomen konden ten tijde van het veldbezoek goed worden bekeken in verband met het blad aan de bomen. Hierdoor zijn mogelijk niet al het los schors en mogelijk aanwezige holten opgemerkt. De aanwezigheid van voortplantings- of rustplaatsen van de hierboven genoemde boombewonende vleermuizen kan niet worden uitgesloten binnen projectgebied. Hieronder wordt dit per soort beschreven. Gewone dwergvleermuis en kleine dwergvleermuis De bomen in het projectgebied bieden mogelijk geschikte zomer- en paarverblijfplaatsen voor gewone dwergvleermuizen en klein dwergvleermuizen. Verblijfplaatsen van deze soorten worden voornamelijk in gebouwen aangetroffen, maar zijn niet uit te sluiten bij geschikte boomholten. Ruige dwergvleermuis De bomen in het projectgebied bieden mogelijk geschikte zomer-, paar- en individuele winterverblijven voor de ruige dwergvleermuis. Van ruige dwergvleermuizen zijn slechts twee kraamverblijfplaatsen bekend in Nederland, hoewel er ruimschoots en in de juiste periode onderzoek gedaan is naar kraamverblijfplaatsen.

Derhalve kunnen deze locaties beschouwd worden als uitzonderlijk en kan een kraamverblijfplaats binnen het projectgebied redelijkerwijs worden uitgesloten. Watervleermuis De watervleermuis kan gebruik maken van bomen met geschikte holten voor een zomer-, paar- of kraamverblijfplaats. De bomen in het projectgebied bieden vermoedelijk geschikte verblijfplaatsen voor deze soort. Voornamelijk de wilgen bevatten veel los schors. Vermoedelijk zijn er onder de bladeren meerdere geschikte holten aanwezig met mogelijk geschikte aanvliegroutes. Geadviseerd wordt om dit te onderzoeken middels een ecologische winterinspectie. Rosse vleermuis De rosse vleermuis maakt gebruik van boomholten voor zomer-, paar-, kraam- en winterverblijfplaatsen. De bomen (voornamelijk de wilgen) in het projectgebied bieden vermoedelijk geschikte verblijfplaatsen voor deze soort. Middels een ecologische winterinspectie kan dit ook voor deze soort worden onderzocht. Het kappen of snoeien van een boom met daarin vleermuizen, of voortplantings- en rustplaatsen van vleermuizen, kan leiden tot het doden van vleermuizen en het vernielen van voortplantings- en rustplaatsen, Ecologische quickscan Kasteellaan 30 te Schipluiden Kenmerk: MDKA20250877

12

wat een overtreding van het verbod, bedoeld in artikel 5.1, lid 2, aanhef en onder g van de Omgevingswet betreft (box 2). Om te bepalen of sprake is van een overtreding van het verbod, bedoeld in artikel 5.1, lid 2, aanhef en onder g van de Omgevingswet, dient in eerste aanleg te worden bepaald of voortplantings- en rustplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn in de te kappen bomen. Indien voortplantings- en/of rustplaatsen aanwezig zijn dient een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit te worden aangevraagd Vliegroute en foerageergebied De tuin en vijver in het projectgebied kunnen dienen als vliegroute en/of foerageergebied voor vleermuizen. Een vliegroute en foerageergebied van vleermuizen is enkel beschermd als deze essentieel is. Een vliegroute of foerageergebied is essentieel wanneer geen alternatieven aanwezig zijn en zij gerekend wordt tot de functionele leefomgeving van de voortplantings- en rustplaats van een vleermuis. In de nabije omgeving van het projectgebied, maar buiten de invloedssfeer van de werkzaamheden zijn meerdere, gelijkwaardige of betere, alternatieven beschikbaar, die de functie van vliegroute of foerageergebied binnen de invloedssfeer over kunnen nemen. Voorbeelden hiervan zijn de bomen langs het noordwesten van de Kasteellaan en de bomen langs de Agnes Croesinklaan.

Daarnaast is het aannemelijk dat vleermuizen het buitengebied langs het oosten van Schipluiden gebruiken als vliegroute en foerageergebied. Daar er voldoende alternatief is, kan worden uitgesloten dat de bomen in het projectgebied onderdeel zijn van een essentiële vliegroute en essentieel foerageergebied. Wel geldt voor de mogelijk aanwezige vleermuizen de specifieke zorgplicht flora en fauna, zoals opgenomen in artikel 11.27 van het Bal, onder de Omgevingswet (box 3). Dit houdt in dat foeragerende en langs vliegende vleermuizen niet onnodig mogen worden verstoord door verlichting. Box 3: Artikel 11.27, lid 2 Bal: Specifieke zorgplicht flora - en fauna-activiteiten. Artikel 11.27, lid 2 van het Bal Voor flora- en fauna-activiteiten houdt deze plicht in ieder geval in dat: a. voorafgaand aan het verrichten van de activiteit wordt nagegaan of er aanwijzingen zijn van de aanwezigheid op de locatie waar de activiteit wordt verricht of in de directe nabijheid van die locatie van: 1. van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten, genoemd in bijlage I bij de vogelrichtlijn, en niet in die bijlage genoemde, geregeld in Nederland voorkomende trekvogelsoorten als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van die richtlijn; 2. van nature in Nederland in het wild levende dieren of planten van soorten, genoemd in de bijlagen II, IV en V bij de habitatrichtlijn; 3.

dieren of planten van soorten, genoemd in bijlage IX of in de rode lijsten, bedoeld in artikel 2.19, vijfde lid, onder a, onder 3, van de wet; en 4. voor die soorten belangrijke leefgebieden of natuurlijke habitats; b. als deze aanwijzingen er zijn: wordt vastgesteld of op voorhand op grond van objectieve gegevens nadelige gevolgen kunnen worden uitgesloten voor dieren van die soorten, hun nesten, hun foerageerplaatsen, hun voortplantingsplaatsen, hun rustplaatsen en hun eieren, of voor planten van die soorten; c. als die gevolgen niet kunnen worden uitgesloten: wordt nagegaan welke gevolgen de activiteit kan hebben voor dieren van die soorten, hun nesten, hun foerageerplaatsen, hun voortplantingsplaatsen, hun rustplaatsen en hun eieren, of voor planten van die soorten; d. alle passende preventieve maatregelen worden getroffen om die nadelige gevolgen te voorkomen; e. tijdens en na het verrichten van de activiteit wordt nagegaan of de getroffen maatregelen de beoogde effecten hebben; en f. het verrichten van de activiteit wordt gestaakt als de nadelige gevolgen toch niet worden voorkomen, of, als staken van de activiteit redelijkerwijs niet meer mogelijk is, passende herstelmaatregelen worden getroffen.

Nader te onderzoeken beschermd element per vleermuissoort Bij de laatvlieger, gewone dwergvleermuis, kleine dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, meervleermuis en rosse vleermuis zal nader onderzoek uitsluitsel moeten geven over het voorkomen van beschermde elementen binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden. In tabel 2 wordt voor deze vleermuissoorten weergegeven welk beschermd element nader onderzocht dient te worden.

Ecologische quickscan Kasteellaan 30 te Schipluiden Kenmerk: MDKA20250877

13

Tabel 2: Nader te onderzoeken beschermde elementen per vleermuissoort, hierbij staat G voor gebouw bewonend en B voor boom bewonend.

Soort

Type verblijfplaats Zomer-

Kraam-

Paar-

Individueel winter-

Gewone dwergvleermuis*

Ja (G, B)

Ja (G)

Ja (G, B)

Ja (G)

Kleine dwergvleermuis*

Ja (G, B)

Ja (G)

Ja (G, B)

Ja (G)

Laatvlieger

Ja (G)

Ja (G)

Ja (G)

Ja (G)

Meervleermuis^

Ja (G)

Ja (G)

Ja (G)

Nee

Watervleermuis*

Ja (B)

Ja (B)

Ja (B)

Nee

Rosse vleermuis*

Ja (B)

Ja (B)

Ja (B)

Ja (B)

Ruige dwergvleermuis*

Ja (G, B)

Nee

Ja (G, B)

Ja (B)

* Middels een ecologische winterinspectie dient te worden onderzocht of er in het projectgebied geschikte boomholten aanwezig zijn voor deze soorten. ^ Voor meervleermuizen worden ook geschikte satellietverblijfplaatsen (G) verwacht

Indien een winterinspectie wordt uitgevoerd om potentiële nesten voor ransuilen in kaart te brengen of uitsluiten, kan tevens worden gelet op boomholten die geschikt zijn voor dwergvleermuizen, watervleermuis en rosse vleermuis. Deze zijn in de winter wanneer de bomen geen blad meer hebben goed zichtbaar en daardoor beter te inventariseren, waardoor kan worden bepaald, welke type verblijfplaatsen in de bomen wordt verwacht. Grondgebonden zoogdieren Op basis van het bureauonderzoek wordt de steenmarter verwacht binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden. De steenmarter maakt gebruik van holten in bomen, ruimtes in gebouwen of holten die ontstaan in takkenhopen/steenhopen. De toegang tot de achterliggende ruimte dient minimaal 5 centimeter in doorsnede te zijn, wil een steenmarter naar binnen kunnen. In het projectgebied zijn mogelijk geschikte ruimten aanwezig in de conifeerhaag en bosschage langs de vijver. Ook onder de pannen van de woning is mogelijk een geschikte ruimte voor deze soort. De steenmarter is afhankelijk van groenstroken, bosschages en greppels voor zijn foerageergebied. De conifeerhaag en bosschage in het projectgebied bieden voor deze soort geschikt foerageergebied. In de omgeving is alternatief foerageergebied aanwezig. Het buitengebied ten oosten van Schipluiden betreft vele bosschages en ruigte die dient als geschikt alternatief.

De tuin dient derhalve enkel als essentieel leefgebied als binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden een nest- of rustplaats van steenmarter aanwezig is. Het vernielen van nest- en rustplaatsen van steenmarter, betreft een overtreding van het verbod, bedoeld in artikel 5.1, lid 2, aanhef en onder g van de Omgevingswet (box 4). Om te bepalen of sprake is van een overtreding van het verbod, bedoeld in artikel 5.1, lid 2, aanhef en onder g van de Omgevingswet, dient in eerste aanleg te worden bepaald of nest- en rustplaatsen van steenmarter aanwezig zijn in het projectgebied. Indien nest- en rustplaatsen aanwezig zijn, dient een omgevingsvergunning voor een floraen fauna-activiteit te worden aangevraagd. Box 4: artikel 11.54, lid 1 bal: verbodsbepalingen soorten van nationaal belang Artikel 11.54, lid 1 van het Bal Het verbod (Ow, artikel 5.1, lid 2, aanhef en onder g) om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten geldt voor: a. het opzettelijk doden of vangen van in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder A; b. het opzettelijk beschadigen of vernielen van de vaste voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren van dieren als bedoeld onder a; en c.

het opzettelijk in hun natuurlijke verspreidingsgebied plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van vaatplanten van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder B. N.B.: De hierboven onder a en b weergegeven verbodsbepalingen zijn niet van toepassing op bosmuis, veldmuis en huisspitsmuis, zolang die zich in of op gebouwen, of de daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden.

Ecologische quickscan Kasteellaan 30 te Schipluiden Kenmerk: MDKA20250877

14

In het projectgebied worden tevens vrijgestelde zoogdieren zoals bosmuis, bunzing, egel, gewone bosspitsmuis, huisspitsmuis, rosse woelmuis, wezel en woelrat verwacht. Voor deze soorten geldt de specifieke zorgplicht flora en fauna, zoals opgenomen in artikel 11.27 van het Bal, onder de Omgevingswet (Box 4). Dit houdt in een ieder voldoende zorg in acht neemt voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. Amfibieën Op basis van het bureauonderzoek worden geen beschermde amfibieën verwacht binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden. In het projectgebied worden enkel vrijgestelde amfibieën, zoals bruine kikker en gewone pad verwacht. Voor deze soorten geldt de specifieke zorgplicht flora en fauna, zoals opgenomen in artikel 11.27 van het Bal, onder de Omgevingswet (box 3). Dit houdt in eenieder voldoende zorg in acht neemt voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. Weekdieren Op basis van het bureauonderzoek is het mogelijk dat de platte schijfhoren in de vijver voorkomt. De platte schijfhoren heeft vrijwel stilstaand of zwak stromend water nodig met een rijke onderwatervegetatie.

Soort(groep)en die een belangrijk onderdeel van die onderwatervegetatie vormen zijn draadwieren van het geslacht Vaucheria (voor jonge exemplaren van platte schrijfhoren), krabbenscheer, grof hoornblad, kikkerbeet, brede waterpest, smalle waterpest en de wortels van oeverplanten als gele lis (voor de grotere volwassen dieren). Individuen, voortplantings- en rustplaatsen van de platte schijfhoren zijn beschermd zijn beschermd middels artikel 11.46, lid 1 van het Bal (box 2), onder de Omgevingswet. Indien de vijver gedempt dient te worden, of andere werkzaamheden in de vijver dienen te worden uitgevoerd, gaat mogelijk leefgebied van de platte schijfhoren verloren, wat een overtreding van het verbod, bedoeld in 11.46, lid 1 van het Bal, onder de Omgevingswet betreft. Om te bepalen of sprake is van een dergelijke overtreding dient in eerste aanleg te worden bepaald of de platte schijfhoren binnen het projectgebied aanwezig is. Indien individuen worden aangetroffen kan worden aangenomen dat ook voortplantings- en/of rustplaatsen aanwezig zijn en dient een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit te worden aangevraagd. Vaatplanten Op basis van de bureaustudie worden enkel soorten van de Rode Lijst verwacht in de omgeving van het projectgebied, namelijk de krabbenscheer en moeraskartelblad.

Krabbenscheer Krabbenscheer groeit in stilstaand of langzaam stromend, matig voedselrijk tot voedselrijk water. Er is een groeiplaats bekend bij de watergang naast Sportpark Keenenburg. Bij het locatiebezoek van onderhavige quickscan is geen krabbenscheer waargenomen in de vijver. Derhalve kan worden uitgesloten dat deze soort een groeiplaats in het projectgebied heeft. Moeraskartelblad Moeraskartelblad groeit in vochtige hooilanden, moerassen, op heide, langs waterkanten, in grasland en zee duinen. De soort is een halfparasiet die groeit op de wortels van grassen en cypergrassen. De soort wordt vrijwel nooit aangetroffen in stedelijk gebied, maar groeit juist in het buitengebied. Derhalve kan redelijkerwijs worden uitgesloten dat de soort in het projectgebied voorkomt. Overige soorten Tijdens het locatiebezoek zijn geen beschermde of bedreigde dagvlinders, nachtvlinders, kevers, spinachtigen en kreeftachtigen waargenomen. Het voorkomen van dergelijke soorten wordt op basis van verspreiding en biotoop ook niet verwacht in het projectgebied. Voor algemenere soorten van deze soortgroepen geldt wel de specifieke zorgplicht flora en fauna, zoals opgenomen in artikel 11.27 van het Bal, onder de Omgevingswet (box 3). Dit houdt in een ieder voldoende zorg in acht neemt voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving.

Ecologische quickscan Kasteellaan 30 te Schipluiden Kenmerk: MDKA20250877

15

3.2 Beschermde gebieden Natura 2000-gebieden zijn gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Habitat- en Vogelrichtlijn. Voor elk Natura 2000-gebied wordt door de betreffende provincie een beheerplan opgesteld, waarin de nodige instandhoudingsmaatregelen zijn opgenomen. Natura 2000-gebieden zijn dus Europees beschermd. In artikel 6 van de Habitatrichtlijn staat, onder lid 3, dat projecten die niet direct verband houden met, of nodig zijn voor, het beheer van het betreffende gebied, geen afbreuk mogen doen aan de instandhoudingsdoelstellingen van dat gebied. Hiertoe dient een passende beoordeling te worden gedaan. Indien uit die passende beoordeling volgt dat significant verstorende of verslechterende gevolgen worden verwacht, dan is sprake van een Natura 2000-activiteit. Tenzij sprake is van een vergunningsvrij geval (in een programma), is het verboden om zonder omgevingsvergunning een Natura 2000-activiteit te verrichten. Dit staat opgenomen in artikel 5.1, lid 1, aanhef en onder e van de Omgevingswet. De werkzaamheden die worden getoetst in onderhavige ecologische quickscan vallen niet onder een dergelijk programma en zijn dus niet vergunningsvrij. Ook beschermde natuurgebieden vallen onder een specifieke zorgplicht (weergegeven in box 5).

Vrij vertaald betekent dit dat men verplicht is om eventuele negatieve gevolgen van de uit te voeren werkzaamheden weg te nemen door het uitvoeren van maatregelen. Box 5: specifieke zorgplicht beschermde natuurgebieden (artikel 11.6, lid 2 van het bal). Artikel 11.6, lid 2 van het Bal De plicht, bedoeld in het eerste lid [van artikel 11.6 van het Bal], houdt in ieder geval in dat: a. voorafgaand aan het verrichten van activiteiten in, of in de directe nabijheid van een Natura 2000-gebied of een bijzonder nationaal natuurgebied kennis wordt genomen van de informatie in het aanwijzingsbesluit van het gebied over de leefgebieden voor vogelsoorten, natuurlijke habitats en habitats van soorten waarvoor het gebied is aangewezen en de daarvoor geldende instandhoudingsdoelstellingen; b. wordt nagegaan of op voorhand op grond van objectieve gegevens verslechterende of significant verstorende gevolgen kunnen worden uitgesloten; c. als die gevolgen niet kunnen worden uitgesloten: wordt nagegaan welke gevolgen de activiteit kan hebben voor de leefgebieden, natuurlijke habitats en habitats van soorten, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen; d. alle passende preventieve maatregelen worden getroffen om verslechterende of significant verstorende gevolgen, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen, voor het betrokken gebied te voorkomen; e.

tijdens en na het verrichten van de activiteit wordt nagegaan of de getroffen maatregelen de beoogde effecten hebben; en f. het verrichten van de activiteit wordt gestaakt, of, als staken van de activiteit redelijkerwijs niet meer mogelijk is, passende herstelmaatregelen worden getroffen als zich, ondanks de getroffen maatregelen, verslechterende of significant verstorende gevolgen voordoen voor de leefgebieden, natuurlijke habitats of habitats van soorten waarvoor het gebied is aangewezen.

3.2.1 Natura 2000-gebieden Het projectgebied maakt geen onderdeel uit van een natuurgebied dat beschermd wordt door de Omgevingswet. Het dichtstbijzijnde beschermde Natura 2000-gebied is Solleveld en Kapittelduinen. Dit natuurgebied ligt op circa 9 kilometer ten westen van het projectgebied. Dit gebied is gevoelig voor stikstofdepositie. Gezien de aard van de voorgenomen werkzaamheden (sloop van woning en bijgebouw, en nieuwbouw van een appartementencomplex op dit perceel), en de grote afstand tot het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige natuurgebied (9 kilometer ten westen van het projectgebied) is een negatief effect op het Natura 2000gebied onwaarschijnlijk. Naar verwachting leiden de voorgenomen werkzaamheden enkel tot een verwaarloosbare depositie binnen stikstofgevoelige natuurgebieden. Zonder stikstofberekening is een schadelijk effect echter niet uit te sluiten. Derhalve wordt geadviseerd om een stikstofberekening uit te voeren. 3.2.2 Natuurnetwerk Nederland Het projectgebied maakt tevens geen deel uit van Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het dichtstbijzijnde gebied dat deel uitmaakt van NNN is gelegen op circa 900 meter ten zuidoosten van het projectgebied. Gezien de aard van de voorgenomen werkzaamheden en de afstand tot NNN wordt een negatief effect op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN uitgesloten.

Vervolgstappen met betrekking tot NNN zijn derhalve niet van toepassing.

Ecologische quickscan Kasteellaan 30 te Schipluiden Kenmerk: MDKA20250877

16

3.2.3 Belangrijk weidevogelgebied Het projectgebied is tevens niet gelegen in belangrijk weidevogelgebied. Het dichtstbijzijnde weidevogelgebied is gelegen op 400 meter ten noordwesten van het projectgebied. Vervolgstappen met betrekking tot belangrijk weidevogelgebied zijn derhalve niet van toepassing. Afbeelding 6 geeft het projectgebied weer in relatie tot beschermde natuurgebieden.

Afbeelding 6: Projectgebied (rode stip) in relatie tot NNN (paars en donkergroen) en belangrijk weidevogelgebied (lichtgroen). Natura 2000 gebieden zijn op deze kaart niet weergegeven, deze liggen op grotere afstand.

3.3 Beschermde houtopstanden Om te bepalen of de houtopstand in het projectgebied beschermd is, is bepaald of de houtopstand: -

buiten de grenzen van de ‘bebouwingscontour houtkap Omgevingswet’ staat; groter is dan 10 are of een rijbeplanting betreft die uit meer dan 20 bomen bestaat.

Houtopstanden buiten de ´bebouwde kom Boswet´ met een oppervlakte groter dan 10 are/ bestaande uit een rij van meer dan 20 bomen zijn beschermd middels artikel artikel 11.126 van het Besluit activiteiten leefomgeving van de Omgevingswet (box 6). Voor het geheel of gedeeltelijk vellen is vaak een melding bij gedeputeerde staten noodzakelijk. De houtopstand is gelegen binnen de bebouwde kom boswet. Echter is de houtopstand in het projectgebied niet groter dan 10 are en betreft geen rij van meer dan 20 bomen. De bomen in het projectgebied maken derhalve geen deel uit van beschermde houtopstanden. Voor het kappen van de bomen is dan ook geen melding noodzakelijk in het kader van artikel 11.126 van het Besluit activiteiten leefomgeving van de Omgevingswet. Mogelijk dient wel een omgevingsvergunning voor het kappen te worden aangevraagd bij gemeente Schipluiden. Box 6: Artikel 11.126: Bescherming houtopstanden. Artikel 11.126 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Omgevingswet) 1. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaande melding daarvan bij gedeputeerde staten. 2. Provinciale staten kunnen bij verordening regels stellen over de melding, bedoeld in het eerste lid.

Deze regels kunnen in elk geval betrekking hebben op: a) de gegevens die bij de melding worden verstrekt;

Ecologische quickscan Kasteellaan 30 te Schipluiden Kenmerk: MDKA20250877

17

b) c)

de termijn waarbinnen de melding wordt gedaan, en de wijze waarop de melding wordt gedaan.

Gedeputeerde staten kunnen het vellen van houtopstanden telkens voor ten hoogste vijf jaar verbieden ter bescherming van bijzondere natuur- of landschapswaarden.

Ecologische quickscan Kasteellaan 30 te Schipluiden Kenmerk: MDKA20250877

18

4 Conclusies en vervolgstappen In onderhavig hoofdstuk zijn de conclusies van de ecologische quickscan opgenomen die is uitgevoerd ten behoeve van de herinrichtingsplannen. Uit de ecologische quickscan blijkt dat tijdens de uitvoering van de werkzaamheden rekening dient te worden gehouden met de Omgevingswet. Hierbij is onderscheid gemaakt tussen beschermde soorten, beschermde gebieden en beschermde houtopstanden.

4.1

Vervolgstap 1: Uitvoeren van vervolgonderzoek

Beschermde soorten Uit de ecologische quickscan blijkt dat de aanwezigheid van zwaarder beschermde soorten in het projectgebied niet kan worden uitgesloten. Voorafgaand aan het uitvoeren van de werkzaamheden dient te worden bepaald of zwaarder beschermde soorten binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden aanwezig zijn, middels een soortgericht onderzoek. De perioden waarin dit soortgerichte onderzoek dient te worden uitgevoerd staat beschreven in de Kennisdocumenten (BIJ12, 2024) en/of het vigerend vleermuisprotocol (NGB). In tabel 3 is weergegeven voor welke zwaarder beschermde soorten vervolgonderzoek noodzakelijk is, op welke locatie deze soorten zich mogelijk bevinden en in welke periode van het jaar dit onderzoek dient te worden uitgevoerd. Tabel 3: Beschermde soort(groep)en die binnen het projectgebied niet kunnen worden uitgesloten en waarnaar vervolgonderzoek gedaan moet worden. Soort(groep)

Verwacht (V) / aangetroffen (A): locatie

Uitvoeringsperiode soortgericht onderzoek jan

Ecologische winterinspectie (voor vleermuizen, ransuil, sperwer en bosuil) Vleermuizen Huismus Gierzwaluw

Ransuil en sperwer Steenmarter Platte schijfhoren*

feb

mrt

apr

mei

jun

jul

aug

sep

okt

nov

dec

V: in de woning en bomen V: onder de dakpannen van het gebouw V: onder de dakpannen en in de kopgevels van het gebouw V: in de bomen V: in de conifeerhaag en bosschage V: in de vijver

Legenda: Groen gearceerd: periode waarin onderzoek naar deze soort(groep) kan worden uitgevoerd. Blauw gearceerd: periode waarin een ecologische winterinspectie kan worden uitgevoerd. * Soortgericht onderzoek naar de platte schijfhoren is enkel nodig indien werkzaamheden in de vijver worden uitgevoerd.

Uit het vervolgonderzoek moet blijken of een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit noodzakelijk is. De aanvraagprocedure van een dergelijke vergunning kan meerdere maanden in beslag nemen.

Ecologische quickscan Kasteellaan 30 te Schipluiden Kenmerk: MDKA20250877

19

Beschermde gebieden Uit de ecologische quickscan blijkt dat geen vervolgonderzoek nodig is naar effecten van de werkzaamheden op NNN en beschermd weidevogelgebied. Om de effecten op Natura 2000-gebied te bepalen is wel vervolgonderzoek nodig. In tabel 4 is met betrekking tot gebiedsbescherming weergegeven welke vervolgstappen noodzakelijk zijn. Tabel 4: Beschermde gebiedtypes binnen het projectgebied en de bijbehorende vervolgstappen en/of maatregelen. Beschermde gebieden

Vervolgstappen en te nemen maatregelen om overtreding Omgevingswet te voorkomen

Natura 2000–gebied

Effecten op Natura 2000-gebied Solleveld en Kapittelduinen kunnen op voorhand niet worden uitgesloten. In eerste aanleg is een stikstofdepositie-berekening nodig om te bepalen of effecten op het Natura 2000-gebied optreden. Indien uit de stikstofdepositie-berekening blijkt dat significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen niet kunnen worden uitgesloten dan dient een passende beoordeling opgesteld te worden.

Natuurnetwerk Nederland Beschermd weidevogelgebied

Geen effecten te verwachten. Vervolgstappen zijn dan ook niet noodzakelijk. Geen effecten te verwachten. Vervolgstappen zijn dan ook niet noodzakelijk.

Beschermde houtopstanden Uit de ecologische quickscan blijkt dat de bomen in het projectgebied geen deel uitmaken van beschermde houtopstanden. Voor het kappen van de bomen is dan ook geen melding noodzakelijk in het kader van artikel 11.126 van het Besluit activiteiten leefomgeving van de Omgevingswet. Mogelijk dient voor het kappen van de bomen wel een omgevingsvergunning te worden aangevraagd bij gemeente Schipluiden.

4.2 Vervolgstap 2: Voorkomen overtreding van verbodsbepalingen uit de Omgevingswet, tijdens de werkzaamheden Ook wat betreft soort(groep)en en/of elementen die niet zwaarder beschermd zijn, algemene broedvogels of soorten die mogelijk als gevolg van de werkzaamheden zullen worden aangetrokken, dient overtreding van de Omgevingswet te worden voorkomen. Tabel 5 geeft weer welke maatregelen tijdens de werkzaamheden genomen moeten worden teneinde overtreding op de Omgevingswet te voorkomen. Geadviseerd wordt de maatregelen op te nemen in een ecologisch werkprotocol, zodat de uitvoerders op locatie op de hoogte zijn van de te nemen maatregelen. Tabel 5: te nemen maatregelen teneinde overtreding van de omgevingswet te voorkomen, per soort(groep).

Soort(groep) Algemene broedvogels

Algemene en vrijgestelde grondgebonden zoogdieren, amfibieën en vissen

Verwacht (V) / aangetroffen (A): locatie A + V: in (de omgeving van) het projectgebied

V: in (de omgeving van) het projectgebied

Mitigerende maatregelen

Geadviseerd wordt de werkzaamheden in eerste instantie uit te voeren buiten het broedseizoen. Enkel indien tijdens een controle, uitgevoerd door een deskundig ecoloog, blijkt dat in het projectgebied en de directe omgeving geen broedende vogels of nesten aanwezig zijn, kunnen werkzaamheden binnen het broedseizoen worden uitgevoerd. Het broedseizoen loopt globaal van maart tot en met augustus. De daadwerkelijke periode is afhankelijk van weersinvloeden en vogelsoorten die in het projectgebied worden verwacht. De duur van het broedseizoen dient te worden bepaald door een deskundig ecoloog. Indien algemene broedvogels in het projectgebied broeden dient rekening te worden gehouden met het broedseizoen en dient door een deskundig ecoloog te worden bepaald of, op welke manier en wanneer de werkzaamheden kunnen worden uitgevoerd zonder overtreding van de Omgevingswet. Gedurende de werkzaamheden dient voldoende zorg in acht te worden genomen voor alle in het wild voorkomende flora en fauna. Aanwezige dieren moeten voldoende tijd krijgen om te kunnen vluchten. Lichtverstoring van vleermuizen in de nacht dient te worden voorkomen. Indien de vijver gedempt wordt dienen aanwezige amfibieën, vissen en zoetwatermosselen te worden afgevangen, onder begeleiding van een deskundig ecoloog.

Indien men onverwachts strikt beschermde soorten aantreft dient direct een deskundig ecoloog te worden geraadpleegd om af te stemmen of, op welke manier en

Ecologische quickscan Kasteellaan 30 te Schipluiden Kenmerk: MDKA20250877

20

wanneer de werkzaamheden kunnen worden uitgevoerd zonder overtreding van de Omgevingswet. Bij twijfel over de aanwezigheid van een strikt beschermde soort wordt geadviseerd altijd de hulp van een deskundige in te schakelen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=middendelfland&id=f467f6c4-31ab-4efa-8bfc-b8a3868d5944