A 23022 bijlage Onderzoek naar toekomst JeugdzorgPlus in landsdeel Zuid-West.PDF
Tekst van het document
Op basis van deze verdeling, kunnen we een gemiddelde duur bepalen. Daarvoor nemen we het gewogen gemiddelde van de duur. Het resultaat hiervan is in de tabel hieronder weergegeven. Jaar
Duur (mnd)
Duur(mnd)
fi'öïe
Jaar 6j|[2ÖT9
2017
6,8'12020
8,5,
{2018
7,3 2021*
6,5
ZM
1009t80% 60%
a
40% 20% 0% 2016
2017 ■ 0-3m
47
«B-em
lil 2018
«6-12m
2019
De gemiddelde duur Is tot en met 2020 dus eerder toe- dan afgenomen. Voor 2021 Is het moeilijk conclusies te trekken, maar de bevinding in hoofdstuk 3 suggereert dat de ingezette beweging eerder versterkt is. Conclusie: de duur neemt eerder toe dan af. Deze hypothese kan geen verklaring vormen voor de afname van het aantal jeugdigen. ______
2020
«12-18m «18'24m
*ln 2021 ontbreken er gegevens; onderdelen tellen niet op tot 100%.
/Andersson Elffers Felix
t.
Bewijslast per hypothese | instroom niet lager: e. Langere plaatsingen leidt tot minder terugval (1 /2) Hypothese: wanneer plaatsingen gemiddeld langer duren, kan dit ertoe leiden dat trajecten effectiever zijn en dat er dus minder sprake is van terugval. Dit zou kunnen leiden tot een kleiner benodigd aantal plekken (twee kortere ineffectieve trajecten duren samen langer dan één langer effectief traject).
\
b
Bewijslast; in de onderstaande figuur is het aantal plaatsingen per kwartaal weergegeven, uitgesplitst naar type.
Dit laat zien dat alle typen plaatsingen in de loop van de tijd afnemen. We bekijken dit nader door het aandeel hernieuwde plaatsingen (al dan niet na onttrekking) op het totaal aantal plaatsingen (excl. overplaatsingen) te bepalen. Dit aandeel verschilt erg van moment op moment. We nemen daarom het lopend gemiddelde over 4 kwartalen. Dit is in onderstaande afbeelding weergegeven. Lopend gemiddelde aandeel hernieuwde plaatsingen op totaal
Type instroom per kwartaal 37% 36% 35% 34% 33% 32% 31% 30% 29%
150 100 50
0
Q1
48
Q3
2017
2017 ■ Nieuw
Q2
■Hernieuwi^
■ Hernieuwd na onttrekking
Q4
Q1
Q2
Q3
2018
Q4
Ql
Q2
Q3
2019
04 | Q1
Q2
Q3
Q4
Q1
2020
aOverpiaatsing
*in 2021 ontbreken er gegevens; onderdelen dellen niet op tot 100%.
/Andersson ElffersFelix
Bewijslast per hypothese | instroom niet lager: e. Langere plaatsingen leidt tot minder terugval (2/2) Bewijslast (vervolg): dit aandeel neemt over de tijd dus enigszins toe: het aandeei herplaatsingen op het totaai aantal plaatsingen wordt dus groter in de ioop der tijd. Wanneer we het aantal herplaatsingen ais maat voor de terugval hanteren, dan kan zien we meer, in piaats van minder terugvai. ...... V......ri— ..... ...... ................ ■[—II'iuyy~|iniir»*ri~iyy»T— Conclusie: deze hypothese kan de afnarhelÉÉverklaren,
b 1-
49
*ln 2021 ontbreken er gegevens; onderdelen dellen niet op tot 100%.
/Andersson Elffers Felix
Bewijslast per hypothese | instroom lager: f. minder aanvragen door scherpere afweging (1/3) Hypothese: GI's maken (al dan niet als gevolg van het maatschappelijk debat over gesloten plaatsingen) een steeds scherpere inschatting van wanneer er gesloten hulp nodig is, en wanneer niet. Er worden daardoor ook minder aanvragen gedaan.
Verdeling plaatsingen naar maatregel 100% 90%
Bewijslast: de figuur op pagina 32 toont aan dat het de afgenomen instroom is, die de afname in het aantal bezette plekken verklaart. Dit komt niet omdat kinderrechters meer machtigingen afgeven (zie hypothese g. verderop). Dus komt het door minder aanvragen voor machtigingen. Om deze hypothese nader te toetsen, kijken we onder andere naar de ontwikkeling van de maatregelen die ingezet worden voor gesloten plaatsing. De verdeling van plaatsingen in jeugdzorgPlus over de verschillende maatregelen over de tijd, is in de afbeelding rechts weergegeven. Daaruit is op te maken dat zo'n 80% van alle plaatsingen in JeugdzorgPlus op grond van een (voorlopige) ondertoezichtstellingen ((V)OTS) of (voorlopige) voogdijmaatregel zijn.
b
50
80% 70% 60% 50% 40% 30% 20% 10%
0%
■ OTS
aVOTS
aVoQgdtj
■ voorlopig voogdij
ajR
flOM
■ Vrijwillig (14}
/Andersson Elffers Felix
Bewijslast per hypothese | instroom lager: f. minder aanvragen door scherpere afweging (2/3) Absoluut aantal ingezette {VjOTS'en
b
51
Bewijslast (vervolg): Deze maatregelen worden uiteraard ook in andere contexten ingezet dan voor plaatsingen in JeugdzorgPlus. Wanneer de totale inzet ervan gelijk blijft, maar specifiek voor de inzet van JeugdzorgPlus daalt, kan dit bewijslast voor deze hypothese zijn: daar worden immers naar alternatieve vormen gekeken.
1400
In de afbeelding rechts is het aantal ingezette (voorlopige) ondertoezichtstellingen ((V)OTS) in het landsdeel Zuid-West in de loop van de tijd weergegeven, uitgesplitst naar (V)OTS'en ten behoeve van JeugdzorgPlus en overige (V)OTS'en*. Beide laten een daling zien. Om dat beter te kunnen vergelijken, geven we de relatieve ontwikkeling ten opzichte van het eerste halflaar van 2017 weer in de figuur rechtsonder. Het aantal (VjOTS'en ten behoeve van JeugdzorgPlus Is een stuk harder gedaald (49%) dan de overige (VjOTS'en (19%).
0
1200 1000
Totaal begonnen OTStrajecien fexci, voor jh+)
800 600
........Plaatsingen jh+ agv (VpTS
400
200
Relatief aantal ingezette {V)OTS'en 120% 100%
*Bron van het totaal aantal OTS'en is CBS statline, OTS'en t.b.v. jeugdhuip komt uil de administratie van het landsdeel. Er zijn dus twee afzonderlijke bronnen gebruikt, met alle aandachtspunten voor onderlinge vergelijking vandien.
Totaal begonnen OT5trajecten (excl. voor jh+) Plaatsingen jh+ agv (V)OTS
/Andersson Elffers Felix
Bewijslast per hypothese | instroom lager: f. minder aanvragen door scherpere afweging (3/3) Absoluut aantal ingezette Voogdijmaatregelen 200
Bewijslast (vervolg): Iets vergelijkbaars kunnen we doen met het aantal (voorlopige) voogdijmaatregelen. Die zijn veel kleiner in aantal en kennen daardoor meer schommelingen (zie afbeelding rechtsboven op de pagina). Om goed te kunnen vergelijken, nemen we een lopend gemiddeld over een heel jaar en zetten dit vervolgens af tegen de gemiddelde waarde over 2017.
tra
We zien dan iets vergelijkbaars als bij de (V)OTS'en: in de betreffende periode neemt het aantal (voorlopige) voogdijmaatregelen ten behoeve van JeugdzorgPlus met 49% af, terwijl de overige (voorlopige) voogdijmaatregelen slechts met 7% afnemen. Conclusie; Deze hypothese is plausibel kan de daling verklaren. J
. ■ ■ ---- ------------------- !.................... ............. .........Ji
Totaal begonnen voogdijtrajeclen (excl. voor jhf)
150 100
«Plaatsingen jh+ agv (V)Voogdij
50 0
Relatief aantal ingezette (voorlopige) voogdijmaatregelen (lopend gemiddelde) 120% 100% 80%
Totaal begonnen voogdijtrajecten (excl. voor jh*-)
60% 40%
^^Plaatsingen jh+ agv (V)Voogdij
20% 0%
'T
hl
h2
2017
52
hl
h2
2018
hl
h2
2019
hl
h2
2020
hl 2021
/Andersson Elffers Felix
r.- b!
Bewijslast per hypothese | instroom lager: g. kinder rechters machtigen minder snel voor gesloten jeugdhulp. Hypothese: als gevolg van het maatschappelijk debat willen kinderrechters steeds minder machtigingen voor gesioten jeugdhulp afgeven. Doordat aanvragen voor gesloten jeugdhulp toch afgewezen worden, vragen GI's ook minder vaak aan. Bewijslast: een aanvraag die een Gi doet, maar niet goedgekeurd wordt door een kinderrechter, wordt met een "intrekking" aangeduid. In de afbeelding rechts is het aandeei intrekkingen op het aantal aanvragen (minus overpiaatsingen) weergeven. Om minder schommelingen te zien, hebben we hier een iopend gemiddelde over een jaar weergegeven.
b:
demotiverend werken. Conclusie: het eerste mvan deze hypothese kan de afname niet Is niet plausibel. verklarert. Het tweede Percentage intrekkingen op aantai verzoeken rechtbank (iopend gemiddeide) 12% 10%
8% 6%
Zou het eerste deel van deze hypothese waar zijn, dan zouden we meer intrekkingen verwachten. In de plaats daarvan zijn het er minder; het aandeel neemt af van maximaal zo'n 10% naar minder dan 4%. Het tweede deel van de hypothese lijkt daarmee ook niet erg plausibei: het ligt niet voor de hand dat dergelijke kleine percentages afwijzingen
53
*in 2021 ontbreken er gegevens; onderdelen dellen niet op tot 100%.
4%
2% 0% 01
02 03 04 Q1
02 Q3 Q4;Q1
Q2 Q3 Q4 01
02 03 04 01
2017
2018
2019
2020
/Andersson Elffers Felix
Bewijslast per hypothese | h. minder inzet vanwege minder plekken (drijver van verminderde instroom) Hypothese: doordat er minder JeugdzorgPlus-plaatsen zijn, wordt vaker de afweging gemaakt om iets anders in te zetten. Bewijslast: de meest plausibele verklaring voor het afgenomen aantai Jeugdigen is de vermindering van et aantal aanvragen door GI's. De vervolgvraag is. wat de drijver daarachter is. Het is moeiiijk om dit precies te achterhaien wat meespeelt, omdat dit van jeugdige tot jeugdige en van professional tot professional kan verschillen.
1-
Ter nuancering hierop: deJeugdzorgPlus-aanbieders hebben in principe een leveringsplicht en daarnaast is er in principe de mogelijkheid om uit te wijken naar andere regio's, dus de vraag is hoe sterk bovengenoemde prikkel doorwerkt bij de Gl-medewerkers. Conclusie: het is waarschijnlijk dat dit een (van de) drijvers voor verminderde aanvragen is.
Het is goed denkbaar dat GI's vanuit de wetenschap dat het aantal bedden beperkt is, genoodzaakt zijn om heel bewuste keuzes te maken voor wie deze ingezet kunnen worden. Er zijn dan ook enkele gesprekspartners dat deze hypothese aandraagt als mogelijke verklaring.
54
Bron: PM
/Andersson ElffersFelix
Billr'-l’
Bewijslast per hypothese | i. er zijn alternatieven beschikbaar (drijver van verminderde instroom) Hypothese: Doordat er meer alternatief aanbod is, wordt vaker de afweging gemaakt om iets anders in te zetten.
j Conclusie: het ismogelijk een (van de) drijvers voor verminderde j aanvragen. ■=-
Bewijslast: de meest piausibeie verklaring voor het afgenomen aantai Jeugdigen is de vermindering van et aantai aanvragen door Gi’s. De vervolgvraag is, wat de drijver daarachter is. Het is moeilijk om dit precies te achterhaien wat meespeelt, omdat dit van jeugdige tot jeugdige en van professional tot professional kan verschillen.
b •h
Deze specifieke drijver wordt beperkt genoemd door gesprekspartners. Dat is ergens ook goed te begrijpen. Er zijn immers vormen van aanbod die zich als alternatief positioneren, maar hu gezamenlijke capaciteit is onvoldoende om de verminderde instroom opgevangen te hebben. Jeugdigen zijn voor een groot deel in het reguliere aanbod terecht gekomen. Daarbij is het goed denkbaar dat de wetenschap dat dit een mogelijkheid is, meespeelt in de afwegingen die de GI's maken.
55
Bron; PM
/Andersson ElffersFelix
Bewijslast per hypothese | j. maatschappelijk debat over zo min mogelijk gesloten (drijver verminderde instroom) Hypothese: het maatschappelijk debat over zo min mogelijk inzet van gesloten, heeft als gevolg dat er minder JeugdzorgPlus ingezet wordt. Bewijslast: de meest plausibele verklaring voor het afgenomen aantal jeugdigen is de vermindering van et aantal aanvragen door GI’s. De vervolgvraag is, wat de drijver daarachter is. Het is moeilijk om dit precies te achterhalen wat meespeelt, omdat dit van jeugdige tot jeugdige en van professional tot professional kan verschillen.
büi
Er is naar aanleiding van het maatschappelijke debat wel breed overeenstemming over dat JeugdzorgPlus zo min mogelijk (en minder dan voorheen) ingezet moet worden. Veel gesprekspartners (waaronder de GI’s en plaatsingscoördinatie) noemen dit dan ook als drijver. nr
Cottclusie: het is waarschijnlijk de prominentste drijver voor verminderde aanvragen.
56
Bron: PM
/Andersson Elffers Felix
t-
Bewijslast per hypothese | k. wens om maatschappelijke kosten lager te maken (drijver minder instroom) Hypothese: gemeenten sturen op lagere kosten en dus op minder JeugdzorgPlus. Bewijslast: veel gemeenten kampen met financiële tekorten op hun jeugdhulpbudget. In die zin kan dit als drijver fungeren. Tegelijkertijd kunnen gemeenten niet in directe zin op de inzet van JeugdzorgPlus sturen, omdat kinderrechters machtigingen afgeven en GI's deze
Tegelijkertijd wordt in gesprekken aangedragen dat sommige van de ingezette alternatieven door hun intensiteit juist meer kosten dan JeugdzorgPlus.
....------------- ......................................... Conclusie: ---in zoverre dit een drijver is, werkt deze slechts.............. op«ü tndireffe manier door. .üL
aanvragen. Er zijn twee manieren waarop dit toch mee kan spelen. Gemeenten kunnen enerzijds indirect sturen op de uitgaven, via de afbouw van JeugdzorgPlus-plekken. Daar is weliswaar sprake van productiefinanciering (in plaats van een vast aantal in te kopen plekken), maar gemeenten maken met aanbieders wel afspraken over de capaciteit. Een tweede mogelijkheid is dat gemeentelijke toegangen uit zichzelf al vaker indicaties van open aanbod afgeven.
57
Bron: PM
/Andersson Elffers Felix
f. BMia-vovi
Bewijslast per hypothese (gevolg minder instroom) Hypothese: Jeugdigen stromen vaker in bij LTA-aanbod of eenjjl in plaats van bij jeugdzorgPlus. Bewijslast: Bij hypothese c. hebben we inzicht in de 'bestemming" van plaatsingen gebruikt. Daar hebben we een derde categorie 'landelijke specialistische instellingen' (LTA) niet weergegeven. In de afbeelding rechts is deze uitgezet tegen het aantal plaatsingen bij aanbieders die door het landsdeel gecontracteerd zijn. Dit is hiernaast, uitgesplitst per kwartaal, weergegeven. In de tabel hieronder staat op basis hiervan de relatieve ontwikkeling tussen '17 en '21 weergegeven.
•V
Verplaatsing naar LTA of JJI
Aantal plaatsingen per 'bestemming' 160 140
120 100 80 60 40 20 0
■ Landelijk specialistisch
Bestemming
2021 tov2017(%) -9,3%,
e.
Landsdeel Zuid-West
-46,5%
Hieruit is op te maken dat het aantal plaatsingen in het LTA minder gedaald is dan het aandeel plaatsingen bij LTA-aanbieders. 58
*in 2021 ontbreken er gegevens; onderdelen dellen niet op tot 100%.
a Landsdeel ZW
Tegelijkertijd laat bovenstaande figuur zien dat het totale aantal plaatsingen in het LTA vanuit het landsdeel veel kleiner is dan plaatsingen in jeugdzorgPlus. Het kan de afname in absolute zin dus niet verklaren. ^^Ö^^mögelijk klopt de hypothese wel maar deze kan de afname niet (of althans slechts in zeer beperkte mate) verklaren.
/Andersson Elffers Felix
!
f. Bi
Bewijslast per hypothese | I. Verplaatsing naar LTA of JJI (gevolg minder instroom) (2/2) Bewijslast (vervolg): Voor de JJI's ontbreekt er een meerjarige en actuele monitor, maar is/was er wél sprake van stijging van de instroom. De jaarlijkse instroom was nog redelijk stabiel net onder de 1.500 tussen 2013 en 2017. In 2018 en 2019 was deze een stuk hoger (resp. ongeveer 1.800 en 1.900).***In 2021 was deze echter weer lager (1.659).
b
De stijging vindt dus niet alleen plaats voorafgaand aan de daling in de JeugdzorgPlus, in 2021 is er bovendien sprake van een daling.
•k
Tegelijkertijd is er sprake van capaciteitsproblemen bIJ de JJI's. Dit lijkt echter voornamelijk veroorzaakt door de eerdere sluiting van locaties in combinatie met personeelstekorten. Dit alles zegt overigens niet dat er nu geen jeugdigen in JJI's komen, die eerder in de JZ+ zouden zijn gekomen, maar wel dat dit niet een grote verklaring is voor de afname. Conclusie: deze verklaring kan de afname niet of hooguit voor een klein deel verklaren.
59
*p. 25 Factsheet scrafrechtketenmonicor 2019, ministerie van J&V (2020) ** Infographicjustitiëlejeugdinrichtingen 2021, DJI (2021)
/Andersson ElffersFelix
f. B.ila-
Bewijslast per hypothese | instroom lager: m. jeugdigen blijven onbehandeld Hypothese: (problematische situaties bij) Jeugdigen worden minder vaak gesignaleerd, waardoor een steeds grotere groep überhaupt niet in zorg komt.
\
dat dit effect zich zou moeten manifesteren. Dat is niet het geval in de JeugdzorgPlus en naar verluid ook niet in de crisisopvang. Conclusie: dit speelt waarschijnlijkheid geen rol.
Bewijslast; wanneer de doelgroep niet in omvang afgenomen is, maar de instroom wel lager, kan dit mogelijk veroorzaakt worden doordat (problematische situaties bij) jeugdigen minder vaak gesignaleerd worden dan voorheen en zij daarom niet in zorg komen. Met name de coronaperiode wordt aangedragen als tijdvak waarin dit zou spelen. Er is in algemene zin niets veranderd in of en hoe gemeenten en anderen oog hebben voor problematische situaties bij jeugdigen. Dat zou dan ook geen verklaring kunnen vormen. Als hiervan dus sprake zou zijn, dan moet het vanwege de coronamaatregelen zijn. Zulke situaties lossen zich bovendien in het algemeen echter niet vanzelf op; er zou vooral sprake moeten zijn van uitstel. De periode met zware coronamaatregelen ligt tegelijkertijd alweer voldoende ver achter ons.
a 60
/Andersson Eiffers Felix