2023 m 01 d 23 CDA Moestuinderij en Omgevingvisie 2.0 beantw college bijlage 1.PDF
Tekst van het document
GEMEENTE
Ontv.bev.
MIDDEN-DELFUSiNP SECR.
Midden-Delfland Vereniging
KCC
INGEKOMEN OP
1 2 DEC 2022
Afdoen door Kopie loar
Doe.nummer;
College B&W gemeente Midden-Delfland
Zaaknummer:
Onderwerp: verbreding van de bedrijfsvoering op veehouderijbedrijven (met name moestuinderijen)
Schipluiden, 7 december 2022
Geachte College van B&W Midden-Delfland,
De Midden-Delfland Vereniging komt op voor het open, groen en recreatief aantrekkelijk houden van het Midden-Delflandgebied voorde inwoners van de metropoolregio Rotterdam-Den Haag. Daarbij behoort het beschermen van het open cultuurhistorisch veenweidegebied met veehouderijen, aantrekkelijke natuur, karakteristieke kernen en bescherming en uitbreiding van de weidevogelstand. Dit belang, dat verder strekt dan alleen de gemeente Midden-Delfland, wordt breed onderschreven door alle gemeenten in en om het Midden-Delflandgebied. Voor de provincie Zuid-Holland is dit reden geweest om eind 2017 het Midden-Delflandgebied, op grond van de Wet Natuurbescherming, aan te wijzen als eerste Bijzonder Provinciaal Landschap (BPL) in Nederland. In 2017 startte de Gebiedstafel BPL met negen gemeenten, het Hoogheemraadschap van Delfland, de relevante terreinbeheerders, de Midden-Delfland Vereniging en LTO Noord - Delflands Groen. In 2021 kwam de Visie Gebiedstafel BPL Midden-Delfland uit en inmiddels wordt gewerkt aan het uitvoeringsprogramma. De Gebiedstafel is inmiddels (in ongewijzigde samenstelling) omgedoopt tot Landschapstafel. Een groot deel van Midden-Delfland heeft een veeteelt bestemming, wat een open ruimte met grasland impliceert. Onze vereniging gelooft in 'behoud door ontwikkeling'.
Of, met andere woorden, we kijken vooruit: wat is nodig voor een toekomstbestendig Midden-Delfland? Grondgebonden veehouderij is de grootste ruimtegebruiker en tevens de drager van de beoogde openheid van dit gebied. Bottom-up: verbreding van de bedrijfsvoering
Behoud van openheid staat voorop, maar we zien ook dat verbreding van de bedrijfsvoering vaak wenselijk is om het maatschappelijk en economisch draagvlak overeind te houden en te verstevigen. Ruimte voor verbreding van de bedrijfsvoering binnen de bestemming grondgebonden veehouderij kan leiden tot meer flexibiliteit in bedrijfsvormen, meer betrokkenheid van omwonenden en meer biodiversiteit. En, heel concreet voor de individuele boer: verbreding van de bedrijfsvoering kan wenselijk zijn om een goed verdienmodel op te bouwen. We zien dat enkele agrarische ondernemers deze verbreding zoeken in onder meer voedselbossen en moestuinderijen. Dit kun je zien als bottomup initiatieven met een maatschappelijke meerwaarde. Dergelijke initiatieven voor productverbreding passen in de Visie Gebiedstafel BPL Midden-Delfland. Volgens deze visie wil de Landschapstafel ondernemers de ruimte bieden te zoeken naar "nieuwe verdienmodellen, nieuwe afzetgebieden, nieuwe producten, nieuwe samenwerkingsverbanden en
nieuwe korte ketens." De nabijheid van zo veel steden biedt daarvoor de nodige kansen. Denk aan het initiatief Rotterdam de boer op! waarin 19 partners werken aan winkelschappen met lokale, natuurinclusieve producten en boeren die daarvoor een eerlijke prijs krijgen. Top-down: landschapsgronden
Ook overheden zoeken (letterlijk en figuurlijk) naar ruimte in omgevingsplannen om andere vormen van ruimtegebruik mogelijk te maken. Die gaan over vormen van natuurinclusief ruimtegebruik en meer in het bijzonder natuurinclusieve landbouw. Dit denkbeeld gaat rond onder het begrip 'landschapsgrond' en dient als mogelijk nieuw instrument om tussenvormen van natuur en landbouw mogelijk te maken. De dichotome bestemmingen 'natuur' en 'agrarisch' zijn daarvoor te beperkt. Ook binnen uw gemeente circuleert dit idee (memo Guido de Bruijn van 25 oktober 2022 over 'Landschapsgrond en het omgevingsplan'). Dit alles illustreert de behoefte aan nuancering van al te rigide bestemmingen: het staat nieuwe en gewenste ontwikkelingen in de weg. Ongetwijfeld zal deze discussie ook worden gevoerd in de Landschapstafel van het Bijzonder Provinciaal Landschap van Midden-Delfland. In deze brief beperk ik mij echter tot de wenselijke nuanceringen binnen de bestemming grondgebonden veeteelt en dan in het bijzonder de initiatieven voor moestuinderijen. Initiatieven voor moestuinderijen
Het gemeentelijke bestemmingsplan van Midden-Delfland hanteert, op de locaties die nu in discussie zijn, randvoorwaarden uit oogpunt van ruimtelijke kwaliteit (waaronder openheid) en behoud van grasland voor de biodiversiteit in het algemeen en meer in het bijzonder weidevogels. Initiatieven voor moestuinderijen zouden, volgens de gemeente, strijdig zijn met deze randvoorwaarden. Wij denken echter dat dit niet het geval hoeft te zijn. Een moestuinderij heeft geen negatieve invloed op de weidevogels; de Stichting Vogelwerkgroep Midden-Delfland heeft dit schriftelijk bevestigd. Integendeel, een moestuinderij kan waarde toevoegen aan de biodiversiteit en interessant zijn voor weidevogels: de moestuinderij wordt 'gevoed' met organische vaste mest wat leidt tot een rijk bodemleven, wat weer een voedselbron is voor vogels. Ook leidt dit tot een betere bodem waarop veel soorten groeien en bloeien. Dit trekt insecten aan die op hun beurt voedsel zijn voor weidevogels en kleine zoogdieren. Ook draagt een rijk insectenleven bij aan de bestrijding van plaagsoorten. Behoud van grasland is een argument vanuit cultuurhistorische overwegingen. Voor een goede cultuurhistorische afweging moeten we verder kijken dan de huidige toestand. Het boerenland van voor de Tweede Wereldoorlog toonde veel meer diversiteit dan nu.
Het boerenbedrijf was vaak een gemengd bedrijf met koeien, varkens en kippen, en vaak ook met verschillende akkerbouw, fruitteelt en vollegrondtuinbouw. Dat beeld zien we ook in Midden-Delfland: langs ontsluitingswegen was er veel meer dan nu een grote variatie aan houtige- en eenjarige gewassen. Dat kwam omdat deze grond dicht bij huis lag én veelal omdat de grond daar geschikt was voor fruitbomen en tuinbouwgewassen omdat wegen werden aangelegd en boerderijen gebouwd op de hoger gelegen en zandiger kreekruggen. We concluderen uit het bovenstaande dat moestuinderijen kunnen bijdragen aan de biodiversiteit en aan de landschappelijke kwaliteit, mits deze passen in de landschapsstructuur, bijvoorbeeld door ze zoveel mogelijk langs de linten aan te leggen, wat ook logisch is gezien de bereikbaarheid. Het belang van moestuinderijen gaat echter nog verder dan dit: het past in een trend die nu is ingezet. Potenties voor milieu, consumenten en verdienmodellen
De maatschappij stelt inmiddels andere eisen aan de landbouw. De EU en de Nederlandse overheid streven naar minder milieubelasting en meer circulariteit in de agrarische bedrijfsvoering. In recent beleid van LNV wordt dit omschreven als Kringlooplandbouw, waarbij -in een gebied- de kringloop van aanvoer van veevoer en (kunst)mest in overeenstemming moet zijn met de afvoer van organische mest en restproducten, waardoor de belasting van bodem, water en lucht ter plaatse minimaal is. We vatten dit samen met 'streven naar korte ketens'. Ook de provincie Zuid-Holland
streeft - uit oogpunt van klimaat, economie en milieu - naar korte ketens. Een moestuinderij draagt daaraan bij omdat een deel van de mest van het vee kan worden gebruikt in de moestuin. Restproducten van de moestuinderij zijn op hun beurt voer voor het vee. Korter kan de kringloop niet worden. Een moestuinderij brengt consument en producent dichter bij elkaar. De Provincie Zuid-Holland is voorstander van het beleidsconcept Community Supported Agriculture (CSA), waarin consumenten en de boer een samenwerking aangaan en verantwoordelijkheden, risico's en opbrengsten delen. Dit levert boeren een alternatief verdienmodel en vergroot bij consumenten de betrokkenheid bij voedselproductie. Ook de Landschapstafel van het BPL onderschrijft dit: in hun Visie Gebiedstafei BPL staat dat de aandacht uitgaat naar "jonge boeren die werken aan toekomstgerichte verdienmodellen" en "nieuwe samenwerkingsverbanden en nieuwe korte ketens".
Verzoek van de Midden-Delfland Vereniging aan de gemeente Midden-Delfland
Wij vinden met bovengenoemde argumenten dat een moestuinderij (onder voorwaarden) past in het landelijk gebied van Midden-Delfland en vragen de gemeente de formulering in het bestemmingsplan zodanig te interpreteren dat een moestuinderij op grasland - onder heldere en relevante voorwaarden - mogelijk wordt gemaakt. Op dit laatste gaan we nog iets dieper in: moestuinderijen worden nu niet genoemd in de limitatieve lijst van toegestane nevenfuncties bij de bestemming 'Agrarisch met waarden' in het bestemmingsplan 'Buitengebied, gras'. Dit heeft geleid tot vervelende discussies met initiatiefnemers. Dat is jammer, omdat innovatie zo in de kiem wordt gesmoord. Wij vragen u de huidige formulering bij de bestemming grondgebonden veehouderij aan te passen, dan wel de limitatieve reeks met mogelijke uitzonderingen daarop, uit te breiden, waardoor boeren hun bedrijfsmodel kunnen verbreden met teelten waar vraag naar is en die bijdragen aan landschap, natuur en milieu. Uiteraard is dat laatste een verantwoordelijkheid van de gemeente: een moestuinderij is landschappelijk en maatschappelijk maatwerk. In de bijlage onderaan deze brief noemen we enkele randvoorwaarden die van belang kunnen zijn. De Midden-Delfland Vereniging ziet met belangstelling uw reactie op dit verzoek tegemoet. Indien nodig is de vereniging bereid dit verzoek nader toe te lichten.
Hoogachtend,
Koos Karssen, voorzitter Midden-Delfland Vereniging