16 Bijlage 2 Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Midden-Delfland 2024
Tekst van het document
Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp MiddenDelfland 2024 INHOUDSOPGAVE HOOFDSTUK 1.
BEGRIPSOMSCHRIJVINGEN .................................................3
HOOFDSTUK 2.
DE AANVRAAGPROCEDURE ..............................................…. 5
HOOFDSTUK 3.
De te bereiken BESLUITVORMING. …………………………….9
HOOFDSTUK 4.
VOORZIENINGEN, PRIJS EN KWALITEIT ..........................19
HOOFDSTUK 5.
MANTELZORG & TEGEMOETKOMING MEERKOSTEN ......21
HOOFDSTUK 6.
CALAMITEITEN & KLACHTEN..................................................22
HOOFDSTUK 7.
BETREKKEN INWONERS EN AANBIEDERS .........................23
HOOFDSTUK 8.
SLOTBEPALINGEN.......................................................................24
Toelichting
................................................................................................................25
De raad van de gemeente Midden-Delfland; gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 26 maart 2024; gelet op de artikelen 2.1.3, 2.1.4, eerste, tweede, derde, vierde en zesde lid, 2.1.4a, 2.1.5, eerste lid, 2.1.6, 2.1.7, 2.3.6, vierde lid, en 2.6.6, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna: Wmo 2015); gelet op de artikelen 2.9, 2.10, 2.12 en 8.1.1, derde lid, van de Jeugdwet; gelezen het advies van de Adviesraad Sociaal Domein van … februari 2024
besluit: vast te stellen de “Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Midden-Delfland 2024”.
2
HOOFDSTUK 1.
BEGRIPSOMSCHRIJVINGEN
Artikel 1. Begripsbepalingen 1.
Alle begrippen en definities zoals vermeld in artikel 1.1.1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en de Jeugdwet artikel 1.1 zijn onverkort van toepassing in deze Verordening.
2.
Aanvullend in deze Verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. Aanvraag de aanvraag van of namens een inwoner voor een maatwerkvoorziening of een PGB; b. Algemeen gebruikelijke voorziening een voorziening die niet speciaal bedoeld is voor mensen met een beperking en die algemeen verkrijgbaar is en niet of niet veel duurder is dan vergelijkbare producten, diensten, activiteiten of andere maatregelen en die met een minimuminkomen gedragen kan worden; c.
Algemene voorziening aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is en dat is gericht op maatschappelijke ondersteuning;
d. Besluit een beschikking in de zin van de Algemene Wet Bestuursrecht (Awb) afgegeven door het College aan een inwoner, waarmee die inwoner al dan niet toegang krijgt tot een maatwerkvoorziening; e. Bijdrage bijdrage als bedoeld in de artikelen 2.1.4 en 2.1.4a van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; f. Budgetplan door de cliënt ingediend inhoudelijk plan met begroting en doelen voor de invulling van het PGB. Uit het plan dient te blijken dat de zorg en ondersteuning die met het PGB wordt ingekocht veilig, doeltreffend en cliëntgericht wordt verstrekt. Daarbij geldt dat de cliënt in het plan dient te motiveren waarom het gecontracteerde aanbod van de gemeente onvoldoende is om in de hulpvraag van de cliënt te voorzien; g. Eigen Bijdrage financiële bijdrage van de cliënt als bedoeld in artikel 2.1.4 eerste lid en artikel 2.1.4a van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. Geen eigen bijdrage is verschuldigd voor rolstoelen en voorzieningen op grond van de Jeugdwet; h. Eigen kracht het feitelijke eigen vermogen van de inwoner om problemen op te lossen of het hoofd te bieden, al dan niet met behulp van het sociale netwerk; i. Familiegroepsplan hulpverleningsplan of plan van aanpak opgesteld door de ouders, samen met bloedverwanten, aanverwanten of anderen die tot de sociale omgeving van de jeugdige behoren; j.
Gesprek het mondeling contact bij het onderzoek naar de hulpvraag waarin een deskundige met een cliënt diens problematiek en de gevolgen daarvan alsmede de gewenste resultaten van de te kiezen oplossingen bespreekt. Dit kunnen meerdere gesprekken zijn; k. Hoofdverblijf
3
de woonruimte, bestemd en geschikt voor permanente bewoning, waar een persoon zijn vaste woonen verblijfplaats heeft en in de gemeentelijke basisadministratie staat ingeschreven dan wel zal staan ingeschreven, dan wel de feitelijke verblijfplaats die blijkt uit concrete feiten en omstandigheden; l. Hulpvraag behoefte aan maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulp. Een hulpvraag kan door of namens een inwoner vormvrij bij het college worden gemeld. Vanuit de Jeugdwet wordt een melding die door middel van een aanvraagformulier is ingediend direct aangemerkt als een aanvraag; m. Inwoner ingezetene van de gemeente Midden-Delfland. Hiermee kan een toekomstige cliënt bedoeld worden, dan wel zijn of haar ouder(s) in het geval van jeugdhulp; n. Maatschappelijk team team van deskundigen die i. de toegang tot jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning uitvoert en; ii.
lichte jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning uitvoert;
o. Melding kenbaar maken van de hulpvraag als bedoeld in artikel 2.3.3. van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. In de Jeugdwet wordt dit aangeduid als aanvraag; p. Onafhankelijke cliënt ondersteuning onafhankelijke gratis ondersteuning met informatie, advies en algemene ondersteuning die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen werk en inkomen; q. Ondersteuningsplan het plan dat de gemeente in samenspraak met de cliënt dan wel diens vertegenwoordiger, dan wel met ouder(s), en waar mogelijk met de mantelzorger(s), opstelt met betrekking tot de benodigde zorg en ondersteuning. Het beschrijft de ondersteuning die de cliënt nodig heeft en daarin concreet wat het te behalen resultaat is met deze ondersteuning; r. Persoonlijk plan plan waarin de client aangeeft wat de zorgvraag is en welke behoefte er zijn. Het persoonlijk plan is uitgangspunt bij het gesprek tussen de client en de gemeente; s. Regresrecht regresrecht stelt de gemeente in staat om de kosten voor maatwerkvoorzieningen te verhalen op een derde bij wettelijke aansprakelijkheid voor een ongeval dat tot de beperkingen heeft geleid; t.
Respijtzorg tijdelijke en volledige overname van zorg met als doel de mantelzorger een adempauze te geven; u. Vertrouwenspersoon onafhankelijke persoon die jeugdigen, ouders of pleegouders op hun verzoek ondersteunt in aangelegenheden die samenhangen met de wettelijke taken en verantwoordelijkheden van het college, de jeugdhulpaanbieder, de gecertificeerde instelling en Veilig Thuis; v. Voorliggende voorziening voorliggende voorzieningen zijn wettelijke en algemene voorzieningen waar eerst een beroep op kan worden gedaan alvorens een maatwerkvoorziening wordt overwogen en waarmee een vergelijkbaar adequaat resultaat kan worden bereikt als met een voorziening op grond van de wet op grond van de wet. Voorliggend is een voorziening/dienst op grond van een andere wettelijke regeling, zoals de Wet langdurige zorg (Wlz), ziektekostenverzekering of het Uitvoeringsinstituut Werknemers Verzekeringen (UWV). Ook zijn er voorliggende arbeidsvoorzieningen;
4
w. Woonruimte een zelfstandige woonruimte is een eengezinswoning, een appartement, een flat of een andere woonruimte met een eigen voordeur en huisnummer, eigen keuken, een eigen toilet en een eigen wasruimte en beschikt over een eigen registratie in de gemeentelijke basisadministratie;
x. Zorgplan naar aanleiding van het ondersteuningsplan stellen gecontracteerde aanbieders samen met de cliënt het zorgplan op. In het zorgplan beschrijft de aanbieder samen met de cliënt hoe de ondersteuning uitgevoerd moet worden om het resultaat te kunnen behalen. Dit is alleen van toepassing wanneer de ondersteuningsvraag betrekking heeft op een dienst.
5
HOOFDSTUK 2.
DE AANVRAAGPROCEDURE
Artikel 2. Melding hulpvraag Een hulpvraag kan door of namens een (toekomstige) inwoner bij het college worden gemeld.
1. Het college bevestigt de ontvangst van een melding schriftelijk, via de e-mail of direct aan de telefoon.
2. In de ontvangstbevestiging informeert het college de cliënt of diens vertegenwoordiger over: de gang van zaken bij het gesprek, diens rechten en plichten en de vervolgprocedure.
Een PGB dient 3. Voor zover de hulpvraag betrekking heeft op jeugdhulp, kan de hulpvraag ook worden gemeld bij de huisarts, de medisch specialist en de jeugdarts, die elk kan verwijzen naar gecontracteerde jeugdhulp. De gecontracteerde jeugdhulpaanbieder beoordeelt welke maatwerkvoorziening nodig is. Als de cliënt daarom verzoekt, draagt het college ten behoeve hiervan zorg voor ondersteuning bij het verhelderen van de ondersteuningsbehoefte.
Artikel 3. Onafhankelijke cliëntondersteuning en vertrouwenspersoon 1.
Het college zorgt ervoor dat inwoners bij melding van een hulpvraag in het kader van de Wmo 2015 of voor het onderzoek zoals beschreven in artikel 5 van deze verordening, een beroep kunnen doen op kosteloze onafhankelijke cliëntondersteuning, waarbij het belang van de inwoner het uitgangspunt is.
2.
Het college zorgt ervoor dat jeugdigen, ouders en pleegouders bij melding van een hulpvraag in het kader van de Jeugdwet of voor het onderzoek zoals beschreven in artikel 4 van deze verordening, een beroep kunnen doen op een onafhankelijke vertrouwenspersoon.
3.
Het college wijst de inwoner, dan wel diens vertegenwoordiger en waar mogelijk de mantelzorger(s), voor het onderzoek, zoals beschreven in artikel 5 van deze verordening, op de mogelijkheid gebruik te maken van kosteloze onafhankelijke cliëntondersteuning of de vertrouwenspersoon.
Artikel 4. Vooronderzoek; indienen persoonlijk plan of familiegroepsplan 1.
Het college verzamelt alle voor het onderzoek, bedoeld in artikel 5 van deze verordening, van belang zijnde en toegankelijke gegevens over de inwoner en diens situatie en maakt zo spoedig mogelijk een afspraak voor een gesprek.
2.
Ten behoeve van het onderzoek, bedoeld in artikel 5 van deze verordening, verschaft de inwoner het college alle overige gegevens en bescheiden die naar het oordeel van het college hiervoor nodig zijn en waarover hij op dat moment redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. De inwoner toont in ieder geval een identificatiedocument als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht.
3.
Als de inwoner genoegzaam bekend is bij het college, kan het college in overeenstemming met de inwoner afzien van een vooronderzoek als bedoeld in het eerste en tweede lid.
4.
Bij een hulpvraag in het kader van de Wmo 2015 brengt het college de inwoner op de hoogte van de mogelijkheid om een persoonlijk plan, als bedoeld in artikel 2.3.2, tweede lid van de Wmo 2015, op te stellen en stelt hem gedurende 7 werkdagen na de melding in de gelegenheid het plan te overhandigen.
5.
Bij een hulpvraag in het kader van de Jeugdwet brengt het college de inwoner op de hoogte van de mogelijkheid om een familiegroepsplan, als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, op te stellen en stelt hem gedurende het onderzoek, als bedoeld in artikel 5 van deze verordening, in de gelegenheid het plan te overhandigen. Als de inwoner dit wenst draagt het college zorg voor ondersteuning bij het opstellen van een familiegroepsplan. In overleg met de inwoner kan worden afgezien van het gestelde in dit lid.
6
Artikel 5. Onderzoek 1.
2.
Het college voert een onderzoek uit naar aanleiding van de Wmo melding of de Jeugdwet aanvraag. Het onderzoek bestaat in ieder geval uit een gesprek, tenzij de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulp voldoende bekend is, dan kan in overleg met de cliënt worden afgezien van een gesprek. Het college gaat in gesprek met de cliënt en onderzoekt zo spoedig mogelijk en voor zover nodig: a.
wat de hulpvraag van de cliënt, de jeugdige of zijn ouders is;
b.
welke gemeente verantwoordelijk is voor het in behandeling nemen van de hulpvraag;
c.
bij een aanvraag op grond van de jeugdwet of sprake is van opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen;
d.
bij een aanvraag op grond van de Wmo welke problemen zich voordoen bij de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie;
e.
de veiligheid van de jeugdige en andere huisgenoten;
f.
welke hulp nodig is in vorm, duur en frequentie om het gewenste resultaat te kunnen bereiken;
g.
de mogelijkheid om op eigen kracht, met gebruikelijke hulp of met mantelzorg of hulp van andere personen uit het sociaal netwerk, zijn zelfredzaamheid en/of participatie te verbeteren. Of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang, gezond en veilig op te groeien of te groeien naar zelfstandigheid;
h.
De behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de client;
i.
De mogelijkheden om door middel van samenwerking met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en andere partijen op het gebied van publieke gezondheid, maatschappelijke ondersteuning, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering van zijn zelfredzaamheid, participatie of aan beschermd wonen of opvang;
j.
welke bijdragen in de kosten de cliënt verschuldigd zal zijn;
k.
of de cliënt de voorziening in de vorm van zorg in natura of een PGB wil ontvangen waarbij de inwoner in begrijpelijke bewoordingen wordt ingelicht over de voorwaarden voor en de gevolgen van die keuze; en
l.
of aan de voorwaarden van een PGB wordt voldaan indien aangevraagd.
Het college is bevoegd om in het belang van het onderzoek de cliënt: a.
op te roepen om in persoon te verschijnen op een door het college te bepalen plaats en tijdstip en hem of hen te bevragen;
b.
op een door of namens het college te bepalen plaats en tijdstip door een of meer daartoe aangewezen onafhankelijk deskundigen of adviesinstantie de cliënt te doen bevragen en/of te onderzoeken.
3.
Als de cliënt een persoonlijk of een familiegroepsplan aan het college heeft overhandigd, betrekt het college dit plan in het gesprek.
4.
Als de hulpvraag genoegzaam bekend is, kan het college, met toestemming van de cliënt, afzien van een onderzoek.
Artikel 6. Verslag
7
1.
De schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek wordt opgenomen in het ondersteuningsplan. Opmerkingen of latere aanvullingen van de cliënt worden aan het ondersteuningsplan toegevoegd.
2.
Het college verstrekt het ondersteuningsplan zo spoedig mogelijk en uiterlijk binnen de termijn van 6 weken (na start onderzoek als bedoeld in artikel 4 van deze verordening) voor maatschappelijke ondersteuning en 8 weken (vanaf de aanvraag) voor jeugdhulp.
3.
Het college verzoekt de cliënt het ondersteuningsplan voor gezien of akkoord te ondertekenen en binnen tien werkdagen te retourneren. Daarbij wordt de mogelijkheid geboden om op het ondersteuningsplan aan te geven dat het plan wordt gezien als een aanvraag. Indien het ondersteuningsplan niet tijdig geretourneerd wordt kan het college beslissen de melding of aanvraag buiten behandeling te stellen.
4.
In geval van een Wmo maatwerkvoorziening in de vorm van diensten wordt de cliënt aangemeld bij een zorgaanbieder om samen een zorgplan op te stellen. De cliënt en zorgaanbieder ondertekenen het zorgplan digitaal en zenden dat terug naar de gemeente.
Artikel 7. Aanvraag 1.
Het college kan als aanvraag aanmerken, als de client of zijn gemachtigde of zijn vertegenwoordiger dat op het ondersteuningsplan/verslag heeft aangegeven. In geval van: a.
diensten (resultaatgebieden Wmo) het ondertekende ondersteuningsplan plus zorgplan;
b.
middelen: het ondertekende ondersteuningsplan en offertes;
c.
een persoonsgebonden budget: het ondertekende ondersteuningsplan en bijbehorend budgetplan;
d.
een aanvraag op grond van Jeugdwet, het ondertekende verslag of aanvraagformulier.
2.
De ondertekening van het ondersteuningsplan/verslag kan zowel met een fysieke handtekening als met een akkoord telefonisch, per e-mail of whatsapp plaatsvinden. De ondertekening van het zorgplan kan uitsluitend met een fysieke handtekening plaatsvinden.
3.
Het college zorgt in overleg met de zorgaanbieder voor inzet van de jeugdhulp die de rechter of de gecertificeerde instelling nodig acht bij de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel, die de rechter, het openbaar ministerie, de selectiefunctionaris, de inrichtingsarts of de directeur van de justitiële inrichting nodig achten bij de uitvoering van een strafrechtelijke beslissing, of die de gecertificeerde instelling nodig acht bij de uitvoering van jeugdreclassering. Hiervoor verstrekt het college geen beschikking als bedoeld in artikel 14 van deze verordening.
4.
In spoedeisende gevallen treft het college zo spoedig mogelijk een passende voorziening. Het college legt het besluit omtrent de inzet van hulp in dat geval zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen vier weken na de start van de hulp, vast in een beschikking.
Artikel 8. Toegang jeugdhulp via huisarts, medisch specialist of jeugdarts 1.
Het college draagt zorg voor de inzet van jeugdhulp na een verwijzing door de huisarts, medisch specialist en jeugdarts naar een jeugdhulpaanbieder, als en voor zover genoemde jeugdhulpaanbieder van oordeel is dat inzet van jeugdhulp nodig is.
2.
Het college maakt afspraken met de huisartsen, medisch specialisten, jeugdartsen over de voorwaarden waaronder en de wijze waarop de verwijzing, als bedoeld in artikel 2.6 eerste lid, onderdeel e van de wet en in lid 1 van dit artikel, plaatsvindt.
3.
Wanneer een jeugdige of zijn ouders zich bij een aanbieder meldt met een verwijzing van een medisch verwijzer, dan meldt de aanbieder dit voordat hij de jeugdhulp start, bij de gemeentelijke toegang. 8
4.
Tussen de aanbieder en de gemeentelijke toegang is afstemming met betrekking tot: a. Het woonplaatsbeginsel. b. Contract met de jeugdhulpaanbieder. c. De productcategorie en/of productcode. d. De eenheid/frequentie. e. Leeftijd van de jeugdige. f. De relatie met reeds toegewezen jeugdhulp. g. De termijn voor jeugdhulp en evaluatiemoment(en).
5.
Het college legt de te verlenen maatwerkvoorziening in natura, dan wel het afwijzen daarvan, vast in een beschikking als bedoeld in artikel 14
9
HOOFDSTUK 3.
DE TE BEREIKEN BESLUITVORMING
Artikel 9. Algemene uitgangspunten en criteria voor maatwerkvoorziening maatschappelijke ondersteuning en Jeugdhulp 1.
2.
3.
Het college draagt zorg voor het beschikbaar maken van de volgende individuele voorzieningen in het kader van de Jeugdwet: a.
de ondersteuning, hulp en zorg, niet zijnde preventie, aan jeugdigen en hun ouders bij het verminderen, stabiliseren, behandelen en opheffen van of omgaan met de gevolgen van psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen of gedragsproblemen van de jeugdige, of opvoedingsproblemen;
b.
het ondersteunen van jeugdigen met een beperking, een chronisch psychisch probleem of een psychosociaal probleem ten behoeve van het behouden en bevorderen van het zelfstandig functioneren of hun deelname aan het maatschappelijke verkeer;
c.
persoonlijke verzorging, die voor jeugdigen tot 18 jaar sinds 2015 in de Jeugdwet is opgenomen;
d.
jeugdbescherming en jeugdreclassering;
e.
jeugdhulp in het residentiële kader.
Het college draagt zorg voor het beschikbaar maken van de volgende overige voorzieningen in het kader van de Jeugdwet: a.
voorzieningen ter voorkoming van jeugdhulp en in het kader van preventief jeugdbeleid: i. informatie en (opvoed)advies; ii. signaleren van problemen; iii. toeleiding tot hulpaanbod; iv. licht pedagogische hulp; v. coördinatie van zorg.
b.
participatie;
c.
diagnose, waar noodzakelijk voor toegang tot een individuele voorziening.
Het college draagt zorg voor het beschikbaar maken van maatwerkvoorzieningen in het kader van de Wmo 2015; a.
ten behoeve van zelfredzaamheid, daaronder begrepen kortdurend verblijf in een instelling ter ontlasting van de mantelzorger, het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen,
b.
ten behoeve van participatie, daaronder begrepen het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen en andere maatregelen,
c.
ten behoeve van beschermd wonen, beschermd thuis en maatschappelijke opvang.
4.
Het college neemt het ondersteuningsplan als uitgangspunt voor de beoordeling van een aanvraag voor een maatwerkvoorziening.
5.
Een maatwerkvoorziening kan slechts worden toegekend voor zover: a.
de cliënt inwoner is van gemeente Midden-Delfland of zich hier binnen 6 weken zal vestigen of een jeugdige die op het moment van aanvraag in de gemeente Midden-Delfland verblijft;
b.
er geen voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat;
c.
de cliënt de beperkingen niet kan wegnemen op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg, met vrijwilligerswerk of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk; 10
d.
de cliënt de beperkingen niet kan wegnemen met gebruikmaking van algemene voorzieningen;
e.
de cliënt de voorziening niet vóór de datum van het besluit op de aanvraag heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij het college daarvoor schriftelijk toestemming heeft verleend of de noodzaak achteraf nog kan worden vastgesteld;
f.
voor zover deze als de goedkoopste adequate voorziening kan worden aangemerkt;
g.
de eerder vergoede of verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen;
h.
de cliënt geen tekortschietend besef van verantwoordelijkheid heeft betoond;
i.
de maatwerkvoorziening in het kader van de Wmo, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 5 bedoelde onderzoek, een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de inwoner in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven;
j.
de maatwerkvoorziening op grond van de Jeugdwet, de jeugdige in staat stelt gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid of voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau;
k. voor een maatwerkvoorziening gericht op zelfredzaamheid en participatie geldt daarnaast dat deze alleen kan worden toegekend voor zover: i. de beperkingen het gevolg zijn van een lichamelijke, geestelijke, verstandelijk oorzaak; een chronisch psychisch probleem of een psycho-sociaal probleem; ii. de voorziening voorzienbaar was, maar van de inwoner redelijkerwijs niet verwacht kon worden maatregelen te hebben getroffen die de hulpvraag overbodig had gemaakt; iii. de voorziening langdurig noodzakelijk is; iv. het geen algemeen gebruikelijke voorziening betreft; 6. a.
De maatschappelijke ondersteuning in de vorm van dienst- en zorgverlening vindt plaats in de vorm van een arrangement binnen één of meer van de volgende resultaatgebieden: Resultaatgebied 1 Sociaal en persoonlijk functioneren: draagt ertoe bij dat de cliënt zelfredzaam kan participeren in een sociale leefomgeving. Resultaatgebied 2 Financiën: richt zich op het creëren en behouden van overzicht en controle op een gezonde financiële huishouding. Resultaatgebied 3 Huisvesting: draagt ertoe bij dat cliënten een betaalbare en geschikte huisvesting hebben en kunnen houden. Hulp is onder meer gericht op een veilige, toereikende en (waar mogelijk) autonome huisvesting, die past bij de beperking die iemand mogelijk heeft. Resultaatgebied 4 Dagbesteding: draagt ertoe bij dat cliënt op zinvolle wijze de dagen kan invullen onder toezicht of met ondersteuning. Resultaatgebied 5 Ondersteuning en regie bij huishouden: draagt ertoe bij dat cliënt verantwoord zelfstandig kan blijven wonen. Resultaatgebied 6 Gezondheid: draagt ertoe bij dat de cliënt aandacht heeft voor zijn/haar gezondheid en het onderhouden en/of verbeteren daarvan.
b.
De resultaatgebieden bestaan uit verschillende intensiteiten (treden) die staan voor de zwaarte van de ondersteuningsvraag. De resultaatgebieden en intensiteiten vormen samen een matrix van waaruit arrangementen samengesteld kunnen worden. Het is mogelijk om specifieke maatwerkvoorzieningen te indiceren. Daarnaast kunnen er aanvullende producten voor ondersteuning in de hier genoemde resultaatgebieden worden geïndiceerd. 11
c.
Als een cliënt vanuit een andere gemeente verhuist naar de gemeente MiddenDelfland zal de indicatie voor een periode van maximaal 3 maanden, zo passend mogelijk binnen de mogelijkheden van de Wmo worden afgegeven. Tijdens de periode van 3 maanden zal er een herindicatie plaatsvinden volgens het reguliere toewijzingsproces van de gemeente Midden-Delfland.
Het is mogelijk om de volgende specifieke maatwerkvoorzieningen te indiceren: Naast de aanvullend te indiceren producten zijn er ook de losse producten. Deze producten zijn niet gekoppeld aan een resultaatgebied en kunnen los worden ingezet (ze kunnen ook naast een bestaande indicatie worden ingezet als dit nodig is). d.
Specifieke maatwerkvoorziening 1 Kortdurend verblijf: draagt ertoe bij dat de cliënt in een veilige omgeving kan verblijven zodat de thuissituatie/mantelzorger tijdelijk wordt ontlast.
e.
Specifieke maatwerkvoorziening 2 Ontmoetingscentra: richten zich op ondersteuning van mantelzorgers en mensen met dementie om overbelasting te voorkomen en mensen langer thuis te laten wonen. Voor meer dan 6 dagdelen per week kan een maatwerkvoorziening worden aangevraagd. Voor 6 dagdelen of minder is dit een algemene voorziening.
Het is mogelijk om de volgende aanvullende maatwerkvoorzieningen te indiceren: f.
Aanvullend product 1 Maaltijdvoorziening: aanvullend op resultaatgebied 1, 5 en 6. Het bereiden en klaarzetten van een maaltijd.
g.
Aanvullend product 2 Vervoer: aanvullend op resultaatgebied 1,2,3,4,6 en specifieke maatwerkvoorzieningen 1 en 2. Het vervoeren van een persoon met of zonder rolstoel, in geval deze regulier gebruik maakt van bovengenoemde voorzieningen.
h.
Aanvullend product 3 24 uur bereikbaarheid: aanvullend op resultaatgebieden 1,3,6 en de specifieke maatwerkvoorziening 1. Het bereikbaar zijn voor cliënten 24 uur per dag.
i.
Aanvullend product 4 Waakvlam en 24 uurs bereikbaarheid: aanvullend op resultaatgebieden 1,2,3,4 en 6. Periodiek contact ten behoeve van nazorg door bekende begeleider ten behoeve van het voorkomen en/of vroeg signaleren van terugval.
j.
Aanvullend product 5 Zak-kleedgeldregeling: Het college stelt ten behoeve van de jeugdige die ten minste gedurende een maand voltijds verblijft in een accommodatie, waarbij het voor de jeugdhulpaanbieder waar de jeugdige verblijft, blijkt dat het onmogelijk is om zelf van de onderhoudsplichtige ouders een bijdrage voor zak- en kleedgeld te ontvangen, een vervangende bijdrage ter beschikking gelijk aan het bedrag zoals genoemd in bijlage 1a van de Regeling Jeugdwet. De bijdrage wordt uitbetaald aan de jeugdhulpaanbieder waar de jeugdige verblijft, mits de jeugdhulpaanbieder aantoont dat zij zelf voldoende heeft getracht de ouders aan te spreken op hun onderhoudsplicht.
Naast maatwerkvoorziening in diensten, zijn er ook maatwerkvoorzieningen in middelen zoals: k.
Rolstoelvoorziening
l.
Vervoersvoorziening
m. Woningaanpassing of woonvoorziening 12
Het college kan nadere regels stellen inzake de aard van de te verstrekken maatwerkvoorziening, het beschrijven van de resultaatgebieden, specifieke maatwerkvoorzieningen en aanvullende producten en de toegang daartoe als bedoeld in dit hoofdstuk. 7.
8.
9.
Een inwoner komt in aanmerking voor een individuele voorziening in het kader van de Jeugdwet indien: a.
diens woonplaats voldoet aan de definitie uit het Convenant uitvoering woonplaatsbeginsel Jeugdwet;
b.
de jeugdige op eigen kracht, of met zijn ouders of andere personen uit zijn naaste omgeving, geen oplossing voor zijn hulpvraag kan vinden, en;
c.
er geen oplossing gevonden kan worden voor zijn hulpvraag door, al dan niet gedeeltelijk, gebruik te maken van een overige en/of andere voorziening zoals bedoeld in artikel 9, lid 2a van deze verordening.
Als een maatwerkvoorziening in de vorm van een woningaanpassing of hulpmiddel noodzakelijk is ter vervanging van een eerder door het college verstrekte voorziening, wordt deze slechts verstrekt als de eerder verstrekte voorziening technisch is afgeschreven tenzij a.
de eerder verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de inwoner zijn toe te rekenen;
b.
de inwoner geheel of gedeeltelijk tegemoet komt in de veroorzaakte kosten, of
c.
als de eerder verstrekte voorziening niet langer een oplossing biedt voor de hulpvraag van de inwoner.
Het college kan bij nadere regeling, binnen de kaders van de Wmo 2015, de Jeugdwet en deze verordening, aanvullende voorwaarden stellen aan de toekenning, resultaatgebieden en intensiteiten van een maatwerkvoorziening, indien zij dit noodzakelijk acht.
Artikel 10. Criteria voor een algemene voorziening 1.
Om in aanmerking te komen voor de algemene voorziening basisvoorziening “hulp bij het huishouden” dient de aanvrager te voldoen aan de volgende criteria: a.
aanvrager is inwoner van de gemeente en;
b.
aanvrager is ingeschreven bij Mantelzorg Midden-Delfland van Stichting Welzijn MiddenDelfland (SWMD);
c.
aanvrager is langdurig mantelzorger (langer dan drie maanden en meer dan 8 uur per week) en dreigt overbelast te raken of;
d.
aanvrager heeft tijdelijke problemen met het uitvoeren van huishoudelijke taken wegens een tijdelijke beperking.
2.
De zorgaanbieder beoordeelt of een inwoner voldoet aan de genoemde voorwaarden.
3.
De hulp bij het huishouden dient ingekocht te worden bij een hiervoor door de gemeente gecontracteerde partij.
4.
Bij toegang tot de basisvoorziening “hulp bij het huishouden” kan de cliënt eenmalig maximaal 40 uur huishoudelijke hulp inkopen tegen een tarief zoals bepaald in artikel 13 lid 11 in deze verordening voor een periode van maximaal 6 maanden. Als het nodig is om de voorziening tijdelijk te verlengen kan, na overleg met de gecontracteerde partij, eenmalig het aantal uren worden verlengd met maximaal 40 uur voor de maximale duur van nogmaals 6 maanden.
13
5.
Om in aanmerking te komen voor de algemene voorziening was- en strijkservice dient de aanvrager te voldoen aan het volgende criterium: a.
6.
7.
aanvrager is inwoner van de gemeente.
Om in aanmerking te komen voor de algemene voorziening ‘Ontmoetingscentrum’ dient de aanvrager te voldoen aan de volgende criteria: a.
aanvrager is inwoner van de gemeente en;
b.
de aanvraag is gericht op ondersteuning van de mantelzorger of op klachten van inwoners met dementie. Deze voorziening wordt toegekend indien daarmee overbelasting wordt voorkomen en cliënten langer thuis kunnen wonen;
c.
deze voorziening is voor maximaal 6 dagdelen per week;
d.
de zorgaanbieder beoordeelt of aanvrager voldoet aan de genoemde criteria.
Het college kan bij nadere regeling, binnen de kaders van de Wmo, de Jeugdwet en deze verordening, voorwaarden stellen aan basis en algemene voorzieningen die door de gemeente zijn ingekocht.
Artikel 11. Regels voor persoonsgebonden budget (PGB) 1.
Het college verstrekt een PGB in overeenstemming met artikel 2.3.6 van de Wmo 2015 en artikel 8.1.1 van de Jeugdwet.
2.
De termijn waarvoor de kosten voorafgaand aan de aanvraag met terugwerkende kracht kunnen worden vergoed is afhankelijk van de periode waarin de noodzakelijkheid van de ondersteuning vastgesteld kan worden. De cliënt die een PGB wenst, motiveert schriftelijk in een plan: a. hoe de cliënt zelf of met hulp van iemand uit het sociale netwerk of zijn vertegenwoordiger de aan een PGB verbonden taken op verantwoorde wijze gaat uitvoeren;
3.
4.
b.
wat de motivatie is om de maatwerkvoorziening in de vorm van een PGB te ontvangen;
c.
welke voorziening de cliënt met het PGB zou willen inkopen en bij welke uitvoerder;
d.
op welke wijze de kwaliteit van de voorziening is gewaarborgd en duidelijk is dat de voorziening geschikt is voor het doel waarvoor het PGB wordt verstrekt;
e.
de kosten van de voorziening, uitgedrukt in aantal eenheden en tarief.
Het PGB mag niet worden besteed aan: a. kosten voor bemiddeling, tussenpersonen of belangenbehartigers; b.
kosten voor het voeren van een PGB-administratie;
c.
kosten voor ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een PGB;
d.
kosten voor een feestdagenuitkering en een eenmalige uitkering;
e.
reiskosten, in welke vorm dan ook.
Een PGB bevat geen vrij besteedbaar deel.
14
5.
6.
7.
Een PGB is alleen mogelijk als naar het oordeel van het college: a.
er geen wettelijke weigeringsgrond van toepassing is;
b.
de ondersteuning die de cliënt met het PGB wenst in te kopen naar het oordeel van het college van voldoende kwaliteit is en in voldoende mate zal bijdragen aan het bereiken van het in het verslag opgenomen beoogde resultaat;
c.
de kwaliteit van de met het PGB ingekochte ondersteuning minimaal voldoet aan de eisen die de gemeente stelt aan de gecontracteerde zorgaanbieders die vergelijkbare ondersteuning leveren. Deze kwaliteitseisen staan beschreven in het aanbestedingsdocument zoals gepubliceerd op de gemeentelijke website. Een zorgaanbieder die hier niet aan voldoet wordt gezien als informele zorgaanbieder waarbij het informele tarief wordt toegepast;
d.
als er geen sprake is van ondersteuning in een spoedeisende situatie;
a.
problematische schuldenproblematiek;
b.
ernstige verslavingsproblematiek;
c.
aangetoonde fraude begaan in de vier jaar voorafgaand aan de aanvraag;
d.
een aanmerkelijke verstandelijke beperking;
e.
een ernstig psychiatrisch ziektebeeld;
f.
een vastgestelde, blijvende cognitieve stoornis;
g.
het onvoldoende machtig zijn van de Nederlandse taal in woord en geschrift;
h.
twijfels op overige gronden over de PGB-vaardigheid;
i.
gebleken overbelasting.
in
Tevens wordt de vertegenwoordiger alleen in staat geacht de aan het PGB verbonden taken op verantwoorde wijze te kunnen uitvoeren indien: a.
hij niet tevens uitvoerder is van de ondersteuning die met het PGB wordt ingekocht of geen financiële relatie heeft met de uitvoerder van de ondersteuning, tenzij dit gezien de situatie van de cliënt of jeugdige, de aard van de ingekochte ondersteuning en de waarborgen waarmee een verantwoorde besteding en verantwoording van het PGB is omgeven, naar het oordeel van het college passend wordt bevonden;
b.
er sprake is van voldoende nabijheid in de vorm van fysieke aanwezigheid en tijd.
8.
Het college verlangt van de cliënt en/of zijn vertegenwoordiger een schriftelijke machtiging teneinde het beheer van het PGB op verantwoorde wijze uit te voeren.
9.
De cliënt die in aanmerking komt voor een PGB, kan alleen diensten en andere maatregelen betrekken van een persoon die behoort tot zijn sociale netwerk indien dat aantoonbaar tot betere en efficiënte ondersteuning leidt en aantoonbaar doelmatiger is.
10. Bij de beoordeling of sprake is van hulp die het sociale netwerk zonder betaling kan bieden en of bij wijze van uitzondering de inzet van het sociale netwerk met een PGB betaald kan worden, spelen in elk geval de volgende aspecten een rol: a.
het type hulp dat wordt geleverd;
b.
de frequentie van de hulp;
15
c.
een tijdelijke hulpvraag of hulp over een lange periode;
d.
de mate van verplichting (kan degene die de hulp levert een keer overslaan als hij/zij ziek is of op vakantie wil, of is dit niet mogelijk?);
e.
kwaliteit van de ondersteuning zit in de nabijheid van ondersteuner;
f.
PGB leidt tot een betere en effectievere ondersteuning die aantoonbaar doelmatig is;
g.
als volgens landelijk geldende kwaliteitscriteria een minimale opleiding vereist is, moet de persoon uit het netwerk die kwalificatie minimaal hebben;
h.
de persoon uit het netwerk moet aangeven dat de zorg voor hem niet tot overbelasting leidt.
11. Het college kan via een onafhankelijke en daartoe deskundige derde laten toetsen of de persoon of organisatie verantwoorde dienstverlening kan leveren. De aanvraag voor een PGB kan worden geweigerd indien dit advies uitwijst dat de kwaliteit van de dienstverlening niet of onvoldoende gewaarborgd is. 12. De hoogte van een PGB: a.
Wordt vastgesteld aan de hand van een door de cliënt opgesteld budgetplan over hoe deze het PGB gaat besteden, en;
b.
wordt bepaald aan de hand van de kostprijs van de vergelijkbare ingekochte voorziening in natura, specifiek: i.
ii.
iii.
iv.
v.
vi.
Voor vervoersvoorzieningen, hulpmiddelen, roerende woonvoorzieningen en woningaanpassingen: Op basis van de kostprijs van de voorziening die de cliënt zou hebben ontvangen als de voorziening in natura zou zijn verstrekt door een gecontracteerde leverancier en rekening houdende met een reële termijn voor de technische afschrijving en de onderhouds- en verzekeringskosten. Wanneer de voorziening niet kan worden geleverd door de gecontracteerde leveranciers, wordt de hoogte van het PGB bepaald op basis van het bedrag van de goedkoopste door de gemeente geaccepteerde offerte. Voor formele hulp: Op basis van het tarief voor gecontracteerde ondersteuning in natura, tenzij op basis van het budgetplan van de cliënt passende en toereikende ondersteuning voor een lager tarief kan worden ingekocht. Voor informele hulp bij ondersteuning en regie bij huishouden: De hoogte van het uurloon is op basis van de hoogste periodiek behorende bij hulp bij het huishouden van de voor de betreffende periode geldende cao VVT (Verpleegen Verzorgingshuizen en Thuiszorg), te vermeerderen met vakantietoeslag en de tegenwaarde van de verlofuren.
Voor informele hulp bij begeleiding: De hoogte van een PBG is op basis van het uurloon van de hoogste periodiek behorende bij de Functie Waardering Gezondheidszorg (FWG 30) van de voor de betreffende periode geldende cao VVT, te vermeerderen met vakantietoeslag en de tegenwaarde van de verlofuren. Voor vervoer: De hoogte van de bijdrage voor de maatwerkvoorziening voor vervoer is per rit gelijk aan het in het de regio voor het reguliere openbaar vervoer geldende basistarief plus het kilometertarief vermenigvuldigd met het aantal gereisde kilometers. Indien het op basis van lid b sub ii en iii vastgestelde PGB in een individueel geval onvoldoende is om de aangewezen voorziening te kunnen inkopen, wordt het tarief zodanig aangepast dat de hulp hiermee bij tenminste één aanbieder kan worden ingekocht.
16
en; c.
bedraagt nooit meer dan de kostprijs van de in betreffende situatie goedkoopste adequate in de gemeente beschikbare maatwerkvoorziening in natura.
13. Het college kan jaarlijks per 1 januari de geldende bedragen genoemd in het Besluit maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp indexeren conform de voorwaarden uit lid 12 van dit artikel en legt dit vast in het Besluit maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp. 14. Er bestaat geen recht op PGB voor zover het is bestemd voor besteding in het buitenland, tenzij het college hier vooraf expliciet toestemming voor verleent. Het college kan hierover nadere regels stellen. 15. Een PGB kan geïndiceerd worden op basis van een budget voor formele en informele ondersteuning. Voor beide vormen van PGB zal er middels het budgetplan beoordeeld worden of de resultaten behaald kunnen worden en de kwaliteit van de ondersteuning geborgd is. 16. Het voor de cliënt geldende maximale tarief per uur, dagdeel of etmaal zoals wordt vastgesteld op de dag van de toekenning en blijft gedurende de looptijd van de toekenning ongewijzigd. 17. Een PGB dient door de cliënt binnen zes maanden na toekenning te worden aangewend ten behoeve van het resultaat waarvoor het is verstrekt. Het PGB voor woningaanpassingen moet binnen 15 maanden na toekenning zijn aangewend voor de bekostiging van het doel waarvoor het PGB is verleend en voldoen aan het programma van eisen van de woningaanpassing. 18. De prijs van de goedkoopst adequate maatwerkvoorziening wordt bepaald: a.
door het opvragen van in totaal drie offertes door de cliënt en de gemeente, of;
b.
na consultatie in de markt door het college, of;
c.
in overleg met de aanbieder.
Artikel 12. Onderscheid formele en informele hulp
1. Bij het vaststellen van de hoogte van het PGB, wordt onderscheid gemaakt tussen formele en informele hulp.
2. Van formele hulp is sprake als de hulp verleend wordt door onderstaande personen, met uitzondering van bloed- of aanverwanten in de 1e of 2e graad van de cliënt: a. personen die werkzaam zijn bij een instelling die ten aanzien van de voor het PGB uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staat in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007) en die beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken, of; b.
personen die aangemerkt zijn als Zelfstandige zonder personeel. Daarnaast moeten ze ten aanzien van de voor het PGB uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007) en beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken.
3. Informele hulp is: a.
Hulp die geboden wordt door personen, al dan niet uit het sociaal netwerk, die niet voldoen aan de criteria als genoemd in lid 2;
b.
Hulp die wordt geboden door personen die voldoen aan de criteria als genoemd in lid 2, maar bloed- of aanverwanten in de 1e of 2e graad zijn van cliënt.
17
Artikel 13. Bijdrage in de kosten 1.
Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een maatwerkvoorziening in natura dan wel in PGB, zolang de cliënt van de maatwerkvoorziening gebruik maakt of gedurende de periode waarvoor het PGB wordt verstrekt.
2.
De hoogte van de bijdrage is in overeenstemming met hoofdstuk 3 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. De hoogte van de eigen bijdrage kan jaarlijks veranderen door indexatie of landelijke afspraken, de gemeente volgt hierin het CAK. Voor het bepalen van de kostprijs wordt rekening gehouden met de gangbare afschrijvingstermijn zoals die geldt voor het betreffende product.
3.
Het college kan in de nadere regels bepalen: a. dat de bijdrage voor voorzieningen overeenkomstig wordt verlaagd. b. voor welke groep cliënten een korting op de bijdrage van toepassing is, en c. welke factoren een rol spelen bij het bepalen van de hoogte van de eigen bijdrage.
4.
In afwijking van het eerste lid kan de verschuldigde bijdrage kwijt gescholden worden voor de cliënt die een inkomen heeft van minder dan 120% van de bijstandsnorm.
5.
In afwijking van het eerste lid is geen bijdrage verschuldigd voor de volgende maatwerkvoorzieningen: a. Respijtzorg kortdurend verblijf.
6.
b.
(Sport) rolstoelen.
c.
De realisatie van een maatwerkvoorziening in een woongebouw waar van de woning van een cliënt onderdeel uitmaakt, en voor zover de voorziening betrekking heeft op het toe- en/of doorgankelijk maken van het woongebouw.
Ook is geen bijdrage verschuldigd voor de volgende bij verordening aangewezen algemene voorzieningen: a. Inloopvoorziening GGZ b.
Maatschappelijk werk
c.
Ontmoetingscentra bij 6 dagdelen of minder
7.
Indien een Wmo-vervoerspas voor de regiotaxi wordt toegekend, kan de client maximaal 1500 kilometers per jaar reizen tegen een gereduceerd tarief. Indien andere vervoersvoorzieningen zijn toegekend, zoals een scootmobiel, aangepaste fiets en elektrische buitenrolstoel, wordt maximaal 750 kilometer toegekend. Geïndiceerde mag met een gereduceerd tarief reizen. Voor gebruik van de regiotaxi is de cliënt per kilometer een ritbijdrage verschuldigd.
8.
De kostprijs van een: a. maatwerkvoorziening of bij verordening aangewezen algemene voorziening wordt bepaald door een aanbesteding, na consultatie in de markt of na overleg met de aanbieder; b.
maatwerkvoorziening in de vorm van een hulpmiddel of woningaanpassing wordt tevens bepaald door de wijze van beschikbaarstelling van de voorziening (bruikleen, huur of eigendom);
c.
PGB is gelijk aan de hoogte van het PGB;
18
9.
d.
de hoogte van de bijdrage voor een hulpmiddel, woningaanpassing, de in lid 7 genoemde maatwerkvoorziening voor vervoer of deze verordening genoemde algemene voorzieningen, overstijgt niet de kostprijs van de voorziening;
e.
maatwerkvoorziening in natura is gelijk aan de kosten die het college voor de desbetreffende maatwerkvoorziening zelf maakt;
f.
algemene voorziening is gelijk aan de kosten die het college voor de betreffende voorziening per cliënt maakt.
Voor maatwerkvoorzieningen in het kader van de Jeugdwet wordt geen eigen bijdrage opgelegd tenzij een maatwerkvoorziening of PGB wordt verstrekt vanuit de Wmo ten behoeve van een woningaanpassing of auto aanpassing voor een minderjarige cliënt. Dan is de bijdrage in de kosten verschuldigd door:
a. de onderhoudsplichtige ouders en; b. degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag uitoefent over een cliënt. 10. De bijdrage voor de (maatschappelijke) opvang wordt door de betreffende zorgaanbieder van maatschappelijke opvang vastgesteld en geïnd. 11. Een inwoner is een bijdrage verschuldigd voor gebruik van de algemene voorziening
“basisvoorziening hulp bij het huishouden”, ter hoogte van € 5,- per uur.
12. Een inwoner is voor de algemene voorziening was- en strijkservice een bijdrage verschuldigd
van € 5,00 per wasbeurt en € 1,00 per kledingstuk voor het strijken.
13. Een inwoner is voor de algemene voorziening nachtopvang een bijdrage verschuldigd van € 6,00
per nacht.
14. De bijdragen als bedoeld in lid 11 tot en met 13 worden geïnd door de organisatie die de
algemene voorziening levert.
Voor bepaalde doelgroepen kan het college nadere regels stellen voor de bijdrage voor een algemene voorziening. Artikel 14. Inhoud beschikking 1.
Indien sprake is van een Wmo maatwerkvoorziening in de vorm van diensten maken het ondersteuningsplan en het zorgplan (zorg in natura) of budgetplan (PGB) een vast onderdeel uit van een besluit voor een maatwerkvoorziening.
2.
In de beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening wordt in ieder geval aangegeven: a. of de voorziening in natura of als PGB wordt verstrekt; b. hoe bezwaar tegen de beschikking kan worden gemaakt.
3.
Bij het verstrekken van een voorziening in natura wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd: a.
welke de te verstrekken voorziening is en wat het beoogde resultaat daarvan is;
b.
wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is;
c.
hoe de voorziening wordt verstrekt, en;
19
d. 4.
indien van toepassing of en welke andere voorzieningen of inzet vanuit het sociaal netwerk relevant kunnen zijn.
Bij het verstrekken van een voorziening in de vorm van een PGB wordt in de beschikking tevens in ieder geval vastgelegd: a.
voor welk resultaat het PGB kan worden aangewend;
b.
welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het PGB;
c.
wat de hoogte van het PGB is en hoe hiertoe is gekomen;
d.
wat de duur is van de verstrekking waarvoor het PGB is bedoeld, en;
e.
de wijze van toezicht en verantwoording van de besteding van het PGB.
5.
Als sprake is van een te betalen eigen bijdrage wordt de cliënt daarover in de beschikking geïnformeerd.
6.
In de volgende gevallen verstrekt het college altijd een beschikking: a.
bij verstrekking van een maatwerkvoorziening op basis van de Wmo 2015;
b.
bij verstrekking van een PGB;
c.
bij verstrekking van een maatwerkvoorziening jeugdhulp.
Artikel 15. Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of terugvordering 1.
Het college informeert cliënt of hun vertegenwoordigers in begrijpelijke bewoordingen over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een maatwerkvoorziening of PGB zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet;
2.
De cliënt doet melding op verzoek of uit eigen beweging aan het college van alle feiten en omstandigheden, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing aangaande het recht op een voorziening.
3.
Het college kan een beslissing herzien dan wel intrekken als het college vaststelt dat: a.
de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid;
b.
de cliënt niet langer op de maatwerkvoorziening of het PGB is aangewezen;
c.
de maatwerkvoorziening of het PGB niet meer toereikend is te achten;
d.
de cliënt niet voldoet aan de aan de maatwerkvoorziening of het PGB verbonden voorwaarden, of;
e.
de cliënt de maatwerkvoorziening of het PGB niet of voor een ander doel gebruikt;
f.
bij wangedrag van een cliënt waardoor hulpverlening niet meer verstrekt kan worden.
4.
Een beslissing tot verlening van een PGB kan worden ingetrokken als blijkt dat het PGB binnen zes maanden of 15 maanden bij een woningaanpassing, na toekenning niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden.
5.
Het college kan een besluit tot toekenning van een maatwerkvoorziening herzien of intrekken indien: a.
niet is voldaan aan de voorwaarden gesteld bij of krachtens de wet of de verordening;
20
b.
blijkt dat de cliënt aan wie een PGB is toegekend niet heeft voldaan aan de verplichtingen als bedoeld in de beschikking.
6.
Ingeval het recht op een in eigendom of in bruikleen verstrekte voorziening is ingetrokken, kan deze voorziening worden teruggevorderd.
7.
Bij opname van de cliënt in een ziekenhuis of instelling wordt een lopende PGB tot maximaal een maand na opname ter beschikking gesteld aan de zorgverlener, ondanks de gewijzigde situatie. Na deze maand wordt op basis van de dan geldende situatie een heroverweging gedaan over de benodigde zorg en wijze van financiering en kan het PGB beëindigd worden.
8.
Bij verblijf buiten het hoofdverblijf kan het PGB voor diensten van de cliënt na 6 weken worden beëindigd.
9.
Het college kan nadat het besluit tot toekenning van een maatwerkvoorziening is herzien of ingetrokken: a.
het ten onrechte of tot een te hoog bedrag genoten PGB terugvorderen;
b.
de geldwaarde van de ten onrechte genoten maatwerkvoorziening in natura vorderen;
c.
of deze maatwerkvoorziening terugvorderen dan wel terughalen.
10. De vordering kan worden geïnd door middel van verrekening, als bedoeld in artikel 3.3 lid 3 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015.
Artikel 16. Onderzoek naar kwaliteit en recht- en doelmatigheid maatwerkvoorzieningen en PGB’s en opschorting betaling uit het PGB 1.
Het college onderzoekt periodiek, al dan niet steekproefsgewijs, het gebruik van maatwerkvoorzieningen in natura en PGB’s met het oog op de beoordeling van de kwaliteit en recht- en doelmatigheid daarvan.
2.
Het college kan de Sociale Verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een geheel of gedeeltelijke opschorting voor ten hoogste dertien weken van betalingen uit het PGB, als er ten aanzien van een inwoner een ernstig vermoeden bestaat dat er sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 2.3.10 van de Wmo 2015 of artikel 8.1.4 van de Jeugdwet.
3.
Het college kan de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het PGB voor de duur van de opname als sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 15 lid 7.
4.
Het college stelt de PGB-houder schriftelijk op de hoogte van het verzoek op grond van het tweede en derde lid.
5.
Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot de controle op het gebruik of de besteding.
6.
Het college wijst een toezichthouder rechtmatigheid aan belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Jeugdwet en Wmo 2015.
21
HOOFDSTUK 4.
VOORZIENINGEN, PRIJS EN KWALITEIT
Artikel 17. Kwaliteitseisen voorzieningen zowel in natura als PGB
1. Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen conform hoofdstuk 3 van de Wmo 2015 en hoofdstuk 4 van de Jeugdwet, waaronder voldoende deskundigheid van beroepskrachten, door: a. het afstemmen van voorzieningen op de persoonlijke situatie van de cliënt;
b. het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van zorg en ondersteuning; c. erop toe te zien dat de beroepskrachten tijdens hun werkzaamheden in het kader van het leveren van voorzieningen handelen in overeenstemming met de professionele standaard; d. en voor zover van toepassing, erop toe te zien dat de kwaliteit van de voorzieningen en de deskundigheid van beroepskrachten tenminste voldoen aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de in de toepasselijke sector erkende keurmerken.
2. Het college ziet toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de
aanbieders. Het college kan daartoe een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek doen en kan zo nodig in overleg met de cliënt ter plaatse de geleverde voorzieningen controleren;
3. Het college kan bij nadere regels bepalen welke verdere eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen. Eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten en niet beroepskrachten vallen daaronder.
Artikel 18. Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden 1.
2.
3.
Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4 van de Wmo 2015 en de eisen die gesteld worden aan de kwaliteit van de dienst stelt het college vast: a.
Een vaste prijs, die geldt voor een inschrijving als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012 en het aangaan van een overeenkomst met een derde, of;
b.
Een reële prijs die geldt als ondergrens voor: i. Een inschrijving en het aangaan van een overeenkomst met een derde, en; ii. De vaste prijs, bedoeld in lid a.
Het college stelt de prijzen, bedoeld in het eerste lid, vast: a.
Overeenkomstig de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3, tweede lid, onderdeel c, van de Wmo 2015, en;
b.
Rekening houdend met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5, tweede lid, van de Wmo 2015, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners.
Het college baseert de vaste prijs of de reële prijs voor een maatwerkvoorziening in het kader van de Wmo 2015 op de volgende kostprijselementen: a.
De kosten van de beroepskracht;
b.
Redelijke overheadkosten;
c.
Kosten voor niet productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing, werkoverleg;
d.
Reis en opleidingskosten;
22
e.
Indexatie van de reële prijs voor het leveren van een dienst;
f.
Overige kosten als gevolg van door de gemeente gestelde verplichtingen voor aanbieders waaronder rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen.
4.
Het college kan het eerste lid, onderdeel b, buiten beschouwing laten indien bij de inschrijving aan de derde de eis wordt gesteld een prijs voor de dienst te hanteren die gebaseerd is op hetgeen gesteld is in het tweede en derde lid.
5.
Het college bepaalt met welke derde(n) als bedoeld in het eerste lid hij een overeenkomst aangaat.
6.
De coördinerende aanbieder kan ook andere partijen (bv welzijnswerk of andere aanbieders) inzetten om het resultaat te bereiken. De coördinerende aanbieder schrijft een integraal zorgplan per cliënt en beschrijft wat er gedaan wordt om het gevraagde resultaat te bereiken.
7.
Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren voorzieningen in het kader van de Jeugdwet of uit te voeren kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering, rekening met: a. de aard en omvang van de te verrichten taken; b. de voor de sector toepasselijke CAO-schalen in relatie tot de zwaarte van de functie; c. een redelijke toeslag voor overheadkosten; d. redelijke kosten voor niet productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing, werkoverleg e. reis en opleidingskosten.
23
HOOFDSTUK 5.
MANTELZORG & TEGEMOETKOMING MEERKOSTEN
Artikel 19. Jaarlijkse waardering mantelzorgers 1.
Mantelzorgers van inwoners in de gemeente Midden-Delfland kunnen door middel van een melding bij Mantelzorg Midden-Delfland voor het ontvangen van een jaarlijkse blijk van waardering in aanmerking worden gebracht.
2.
De totale waarde van de jaarlijkse blijk van waardering voor alle mantelzorgers in de gemeente en de verdeling over collectieve en individuele waarderingsactiviteiten wordt door het college jaarlijks na overleg met Mantelzorg Midden-Delfland van Stichting Welzijn MiddenDelfland (SWMD) vastgesteld.
3.
Het college kan bij nadere regeling regels stellen over op welke wijze zorg wordt gedragen voor de jaarlijkse blijk van waardering voor de mantelzorgers van inwoners van MiddenDelfland.
Artikel 20. Tegemoetkoming meerkosten personen met een beperking of chronische problemen 1.
Het college stelt nadere regels over een tegemoetkoming ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en de participatie voor inwoners die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt en met een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen die daarmee verband houdende aannemelijke meerkosten hebben. a.
2.
3.
De tegemoetkoming bestaat in ieder geval uit het aanbieden van een collectieve aanvullende zorgverzekering voor minima.
Het college stelt jaarlijks nadere regels vast over onder meer: a.
Welke aanvullende vormen van tegemoetkomingen aangeboden worden;
b.
de voorwaarden waaronder de tegemoetkoming wordt verstrekt;
c.
waaruit de tegemoetkoming bestaat en
d.
wanneer die tegemoetkoming wordt verstrekt.
Het college legt jaarlijks de regels zoals benoemd in lid 2 van dit artikel vast in het Besluit maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp.
24
HOOFDSTUK 6.
CALAMITEITEN & KLACHTEN
Artikel 21. Meldingsregeling calamiteiten en geweld 1.
Het college treft een regeling voor het melden van calamiteiten en geweldsincidenten bij de verstrekking van een maatwerkvoorziening binnen de Wmo 2015 door een aanbieder en wijst een onafhankelijke toezichthouder Wmo aan.
2.
Aanbieders melden iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat zich heeft voorgedaan bij de verstrekking van een maatwerkvoorziening maatschappelijke ondersteuning onverwijld aan de betreffende toezichthouder. Voor verstrekkingen vanuit de Jeugdwet is dat de IGJ (Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd).
3.
De toezichthouder Wmo doet onderzoek naar de calamiteiten en geweldsincidenten en adviseert het college over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening maatschappelijke ondersteuning.
4.
Het college kan nadere regels stellen over welke verdere eisen gelden voor het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een maatwerkvoorziening maatschappelijke ondersteuning.
Artikel 22. Klachtregeling 1.
Het college hanteert de vastgestelde gemeentelijke klachtenregeling voor de afhandeling van klachten, voor zover de klacht betrekking heeft op professionals werkzaam onder de verantwoordelijkheid van de gemeente.
2.
Aanbieders stellen een regeling vast voor de afhandeling van klachten van cliënten ten aanzien van alle voorzieningen die zij verstrekken.
3.
Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de klachtregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders, en een cliëntervaringsonderzoek.
25
HOOFDSTUK 7.
BETREKKEN INWONERS EN AANBIEDERS
Artikel 23 Medezeggenschap bij aanbieders 1.
Aanbieders stellen een regeling vast voor de medezeggenschap van cliënten en vertegenwoordigers over voorgenomen besluiten van de aanbieder welke voor de gebruikers van belang zijn ten aanzien van alle voorzieningen die zij verstrekken.
2.
Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de medezeggenschapsregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders en een cliëntervaringsonderzoek.
Artikel 24. Betrekken van inwoners bij het beleid 1.
Het college betrekt inwoners van de gemeente, waaronder in ieder geval cliënten of hun vertegenwoordigers, bij de voorbereiding van het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning, overeenkomstig de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet gestelde regels met betrekking tot de wijze waarop inspraak wordt verleend.
2.
Het college stelt inwoners vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende maatschappelijke ondersteuning, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen.
3.
Het college zorgt ervoor dat inwoners kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning.