12 Reactie adviseur Midden Delfland Advies 0323.pdf
Tekst van het document
ADVIES Aan
:
Arjan de Vos, raadsgriffier Midden – Delfland
Van
:
Olaf Schuwer, adviseur Decentraal overheidsrecht
Betreft : Zwolle ,
12 maart 2023
Beste heer De Vos, Bij bericht d.d. 22 februari 2023 legde u mij de volgende vragen voor: a. Wat is uw bestuurlijke duiding van het gestelde door de portefeuillehouder in de commissievergadering van juni 2012? Behoort dit te worden beschouwd als onderdeel van het beleidsstuk dan wel geeft dit duiding aan de wijze van uitvoering van de regeling? b. Wat is uw duiding over het standpunt van het college, zoals verwoord in de recente beantwoording op vragen en aanvullende vragen terzake? c. Welke middelen staat het raadslid of de raad ter beschikking om alsnog te bewerkstelligen dat het beleidsstuk uit 2012 wordt aangepast in de door het raadslid gewenste wijze? d. Is het hierbij mogelijk om de regeling met terugwerkende kracht vanaf juli 2012 aan te passen, opdat alle gevallen in de periode 2012-heden op dezelfde wijze worden beoordeeld? e. Zijn er volgens u nog andere relevante bestuurlijk/politieke elementen in deze casus?
Deze vragen beantwoord ik als volgt. a. Het gaat om de volgende uitspraak: “De regeling geldt niet voor het plan voor één woning en kan niet samenlopen met de ruimte-voor-ruimteregeling.“ Dit antwoord wijkt af van de inhoud van de aan de raad voorgelegde Notitie. Ik duid de uitspraken van de portefeuillehouder in hoofdzaak als zijnde beantwoording aan de raad c.q. raadscommissie van aan hem in zijn hoedanigheid van portefeuillehouder gestelde vragen. Juist omdat de uitspraak niet kan zijn gebaseerd op de later door de raad vastgestelde Notitie heeft de uitspraak uitsluitend intern-politieke werking, tussen college en gemeenteraad. Ze heeft geen externe werking, is in algemene termen geformuleerd en niet te herleiden naar een concreet aanwijsbare situatie. Vast staat wel dat het antwoord van de wethouder onjuist was. Aangezien het een aandachtspunt van bovengemiddeld belang was (en nog steeds is) had het vervolgens op de weg van de raad c.q. het raadslid gelegen om na te gaan of het antwoord van de wethouder wel of niet correct was. Uit de mij ter hand gestelde stukken1 blijkt niet dat de raad c.q. het raadslid hiertoe is overgegaan.
1
Waaronder de notulen van de raadsvergadering van 3 juli 2012.
1
b. De beantwoording van vraag 2 vestigt de indruk dat het college onvoldoende bekend is met de plaats en positie van de gemeenteraad op het gebied van (wat ik aanduid als) eigenaarschap van een aan de raad uitgebracht voorstel met bijbehorend ontwerpraadsbesluit. Het kan niet zo zijn dat het college eenzijdig bepaalt of, dat en in hoeverre een eenmaal aan de raad gezonden voorstel met bijbehorend ontwerp-raadsbesluit wordt teruggenomen. Het is de raad die daarover het laatste woord moet hebben. In het huidige Reglement van Orde (uit 2018) is hierover het nodige bepaald in artikel 25 lid 4 en 5. Onbekend is of een soortgelijke bepaling er in 2012 ook al in stond. Overigens is dat niet overwegend relevant aangezien een dualistische grondhouding en daarop gebaseerde verstandhouding tussen college en raad automatisch impliceert dat aan de raad uitgebrachte voorstellen met bijbehorende ontwerp-raadsbesluiten ten principale niet uit eigen beweging door het college worden teruggenomen. c. Het raadslid kan twee wegen bewandelen: a. Aan de raad een motie voorleggen waarin het college wordt opgeroepen een raadsbesluit voor te bereiden dat voorziet in wijziging van de Notitie op het onderwerpelijke punt. Als de raad die motie aanneemt, is er geen wettelijke plicht voor het college om daaraan uitvoering te geven.
Met andere woorden: het door de raad aannemen van deze motie geeft geen garantie dat het college het raadsbesluit zal voorbereiden. b. Een initiatiefvoorstel aan de raad voorleggen waarmee de raad besluit tot wijziging van de Notitie op het onderwerpelijke punt. Met een initiatiefvoorstel houden raadslid en raad de regie in eigen hand: zonder op het college te hoeven wachten kan (al dan niet met ambtelijke bijstand) een raadsvoorstel met bijbehorend ontwerp-raadsbesluit worden opgesteld. Het wordt op de agenda van de raad geplaatst nadat het college gedurende een periode van 13 weken2 gelegenheid heeft gehad zijn wensen en bedenkingen over het voorstel aan de raad kenbaar te maken. d. Het staat de raad in beginsel vrij, om de regeling met terugwerkende kracht vanaf juli 2012 aan te passen. Daarbij moet de raad wel voor ogen houden dat dit tot complexe situaties kan leiden. Enkele voorbeelden om dit te illustreren. Per concreet geval zal achteraf moeten worden vastgesteld wat wel en wat niet in de anterieure overeenkomst had moeten worden opgenomen. Als een na juli 2012 gebouwde woning inmiddels een of meerdere keren is verkocht aan een nieuwe eigenaar is de vraag wie baat moet hebben van een met terugwerkende kracht te restitueren bijdrage. Rekening moet worden gehouden met het vergoeden van wettelijke rente over een achteraf ten onrechte in rekening gebrachte bijdrage.
Welke doelgroep moet baat hebben bij de terugwerkende kracht: uitsluitend diegenen die daadwerkelijk met de gemeente Midden-Delfland een anterieure overeenkomst hebben besloten met daarin opgenomen een verplichting tot betaling van de bijdrage? Daarnaast ook personen van wie onomstotelijk vaststaat dat zij een woning zouden hebben gebouwd als er geen plicht zou hebben bestaan tot het betalen van een bijdrage?
2
Deze termijn staat genoemd in artikel 41 lid 3 Reglement van Orde 2018.
2
e. Het bevreemdt dat de gemeenteraad in 2012 een regeling heeft vastgesteld met daarin opgenomen een onderdeel dat de raad feitelijk anders geformuleerd had willen hebben. De indruk bestaat namelijk dat de regeling niet van toepassing had moeten zijn voor projecten bestaande uit de bouw van één woning. Via het indienen en aannemen van een amendement had de raad daartoe kunnen komen. Maar kennelijk was het daarvoor bestemde gevoel voor urgentie niet aanwezig binnen de raad destijds. Ik geef de raad tot slot in overweging zich te bezinnen op de vraag of hij van mening is dat de bestuurlijk-politieke verhoudingen waarbinnen hij zijn werkzaamheden uitvoert aansluiten bij de (dualistisch ingegeven) ambities die anno 2023 van een gemeenteraad mogen worden verwacht.
Zwolle, 12 maart 2023 Mr. Olaf Schuwer Adviseur Decentraal overheidsrecht
3