12 AfvalstoffenHeffing 2026
Tekst van het document
Verordening op de heffing en de invordering van afvalstoffenheffing en reinigingsrechten Midden-Delfland 2026 Hoofdstuk I Algemene bepalingen Artikel 1. Inleidende bepaling 1. Op grond van deze verordening worden geheven: a. een afvalstoffenheffing; b. reinigingsrechten. 2. De afvalstoffenheffing en reinigingsrechten worden gezamenlijk aangeduid als ‘afvalstoffen- en reinigingsheffingen’.
Hoofdstuk II Afvalstoffenheffing Artikel 2. Definities In deze verordening wordt verstaan onder ‘gebruik maken’: gebruik maken als bedoeld in artikel 15.33 van de Wet milieubeheer en het daaruit voortvloeiende collegebesluit inzameling huishoudelijke afvalstoffen.
Artikel 3. Aard belasting en belastbaar feit 1. Onder de naam ‘afvalstoffenheffing’ wordt een directe belasting geheven als bedoeld in artikel 15.33 van de Wet milieubeheer. 2. De afvalstoffenheffing wordt geheven voor het gebruik maken van een perceel waarvoor krachtens de artikelen 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer een verplichting tot inzameling van huishoudelijke afvalstoffen geldt. 3. De heffing dekt zowel de inzameling als de verwerking van huishoudelijke afvalstoffen conform artikel 15.34 Wet milieubeheer en de toezichtskosten daarop.
Artikel 4. Voorwerp belasting 1. Voorwerp van de belasting is een perceel. 2. Als perceel wordt aangemerkt:
a. b. c.
d.
e.
de onroerende zaak, bedoeld in artikel 16, aanhef en onder a, c, d en f, van de Wet waardering onroerende zaken; de roerende zaak, welke duurzaam aan een plaats is gebonden; een gedeelte van een roerende zaak als bedoeld in onderdeel b dat gezien zijn indeling is bestemd om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt; een samenstel van twee of meer roerende zaken als bedoeld in onderdeel b of gedeelten daarvan als bedoeld in onderdeel c die bij dezelfde belastingplichtige in gebruik zijn en die, naar de omstandigheden beoordeeld, bij elkaar horen; het deel van de roerende zaak dat binnen de gemeente ligt als bedoeld in onderdeel b, van een gedeelte daarvan als bedoeld in onderdeel c of van een samenstel als bedoeld in onderdeel d.
Artikel 5. Belastingplicht 1. De belasting wordt geheven van degene die krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruik maakt van een perceel. 2. Wanneer meerdere personen een perceel bewonen, wordt één van hen aangewezen als belastingplichtige (art. 231 lid 2 onder b Gemeentewet).
Artikel 6. Maatstaf van heffing en belastingtarief 1. De belasting bedraagt per perceel per jaar: a. éénpersoonshuishouden € 326,52 b. meerpersoonshuishouden € 433,20 2. De belasting voor vervangende container bedraagt €167,28. 3. De belasting bedraagt voor extra restafval minicontainers, conform het uitvoeringsbesluit: a. eerste extra container bij gebleken noodzaak € 0,00; b. eerste extra container op verzoek € 116,88; c. tweede extra container € 116,88. 4. Het college kan in de uitvoeringsregeling nadere regels stellen over toekenning of weigering van extra inzamelmiddelen.
Artikel 7. Belastingjaar Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar.
Artikel 8. Wijze van heffing De belasting wordt bij wege van aanslag geheven.
Artikel 9. Ontstaan belastingschuld en heffing naar tijdsevenredigheid 1. De belasting is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of, als dit later is, bij aanvang van de belastingplicht. 2. Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar aanvangt, is de belasting verschuldigd voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven. 3. Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na het einde van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven. 4. De aanspraak op ontheffing geldt uitsluitend, indien het perceel niet langer wordt gebruikt en het gebruik elders binnen de gemeente geen continuering vormt van de belastingplicht. 5. Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing, indien de belastingplichtige binnen de gemeente verhuist en daar van een ander perceel gebruik maakt.
Artikel 10. Termijnen van betaling 1. In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten aanslagen uiterlijk twee maanden na dagtekening worden betaald. 2. Bij automatische incasso geldt betaling in zoveel gelijke termijnen als er na de maand van dagtekening nog maanden in het belastingjaar overblijven (minimaal één, maximaal negen termijnen). 3. De Algemene termijnenwet is niet van toepassing.
Artikel 11. Kwijtschelding 1. Voor de invordering van de afvalstoffenheffing kan gehele of gedeeltelijke kwijtschelding worden verleend. 2. Kwijtschelding geldt niet voor bedrijfsafvalstoffen of extra containers op verzoek. Hoofdstuk III Reinigingsrechten Artikel 12. Belastbaar feit 1. Onder de naam ‘reinigingsrechten’ worden rechten geheven voor het genot van door het gemeentebestuur verstrekte diensten, zoals het ophalen van bedrijfsafval dat vergelijkbaar is met huishoudelijk afval. 2. Het recht geldt uitsluitend voor instellingen zonder winstoogmerk, tenzij anders bepaald in de uitvoeringsregeling.
Artikel 13. Belastingplicht 1. De rechten worden geheven van onderwijsinrichtingen, kerken en verenigingen die geen commercieel doel nastreven, ten behoeve van wie de dienst wordt verricht. 2. Indien meerdere instellingen gezamenlijk een perceel gebruiken, wordt één instelling aangewezen als belastingplichtige.
Artikel 14. Maatstaf van heffing en belastingtarief De belasting bedraagt per perceel per jaar, indien het perceel op 1 januari van het belastingjaar wordt gebruikt door instellingen als bedoeld in artikel 13, € 433,20 (exclusief 21% BTW).
Artikel 15. Belastingjaar Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar.
Artikel 16. Wijze van heffing De belasting wordt bij wege van aanslag geheven.
Artikel 17. Ontstaan belastingschuld en heffing naar tijdsevenredigheid 1. De belasting is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of, als dit later is, bij aanvang van de belastingplicht. 2. Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar aanvangt, is de belasting verschuldigd voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven. 3. Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na het einde van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven. 4. Het tweede en het derde lid zijn niet van toepassing, indien de belastingplichtige binnen de gemeente verhuist.
Artikel 18. Termijnen van betaling 1. In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten aanslagen uiterlijk twee maanden na dagtekening van het aanslagbiljet worden betaald. 2. Bij automatische incasso geldt betaling in zoveel gelijke termijnen als er na de maand van dagtekening nog maanden in het belastingjaar overblijven (minimaal één, maximaal negen termijnen). 3. De Algemene termijnenwet is niet van toepassing.
Artikel 19. Kwijtschelding Voor de invordering van reinigingsrechten wordt geen kwijtschelding verleend.
Hoofdstuk IV Aanvullende bepalingen Artikel 20. Overgangsrecht De Verordening afvalstoffenheffing en reinigingsrechten Midden-Delfland 2025 wordt ingetrokken met ingang van de datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op belastbare feiten vóór die datum.
Artikel 21. Inwerkingtreding 1. Deze verordening treedt in werking op de dag na die van bekendmaking en werkt terug tot 1 januari 2026. 2. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2026.
Artikel 22. Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening afvalstoffenheffing en reinigingsrechten Midden-Delfland 2026.
Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 16 december 2025. De griffier,
De voorzitter,
A. de Vos
F.I. Noordermeer – van Slageren