11 bijlage implementatieplan inburgering.docx
Tekst van het document
Implementatieplan Wet inburgering 2021 1. Inleiding Op 1 januari 2022 gaat de Wet Inburgering 2021 in. Hiermee krijgen wij als gemeente (weer) een centrale rol in het inburgeringsstelsel. We krijgen de regie over het gehele inburgeringstraject, dus inclusief de verantwoordelijkheid voor het aanbod van de voorzieningen. Binnen de nieuwe wet komt de nadruk te liggen op het duale karakter van inburgeringstrajecten en gaat de taaleis omhoog. De verwachting is dat door deze wijzigingen inburgeringsplichtigen de Nederlandse taal sneller en beter leren en dat zij onder andere daardoor volwaardig kunnen meedoen in de maatschappij, bij voorkeur in de vorm van betaald werk. De doelgroep blijft hetzelfde als in de oude wet. De huidige wet stond te veel op zichzelf, waardoor goede aansluiting met participatie en onderwijs werd gemist. Tevens kent het huidige stelsel geen positieve prikkel om een hoger taalniveau na te streven en is de eigen verantwoordelijkheid die wordt gevraagd voor een grote groep statushouders niet realistisch. Het gevolg van bovenstaande is dat deze groep nog onvoldoende participeert in de samenleving. De nieuwe wet biedt de kans om slimme verbindingen te leggen met andere wetten die wij in het Sociaal Domein uitvoeren. 2.
De Wet inburgering 2021
2.1 Het doel van de Wet inburgering 2021 Het doel van de nieuwe wet is door het Rijk als volgt geformuleerd: Inburgeraars doen zo snel mogelijk naar eigen kunnen mee in de maatschappij, het liefst via betaald werk. Hiervoor bereiken ze een zo hoog mogelijke beheersing van de Nederlandse taal, het liefst op B1-niveau.
2.2 De doelgroep De doelgroep blijft vanaf 1 januari 2022 hetzelfde als in de oude wet: vreemdelingen die in het bezit zijn van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd en die anders dan voor een tijdelijk doel in Nederland verblijven zijn inburgeringsplichtig. Inburgeringsplichtigen zijn onder te verdelen in 2 groepen: Statushouders o Asielstatushouders: dit zijn asielzoekers die zelfstandig naar Nederland zijn gekomen om asiel aan te vragen. Zij komen in het Asielzoekerscentrum (AZC) terecht waar gekeken wordt of zij in een aanmerking komen voor een verblijfsvergunning. Zodra ze deze krijgen, spreken we over een asielstatushouder. o Hervestigers: dit zijn statushouders die in buurlanden van hun oorspronkelijke land van herkomst beland zijn in vluchtelingenkampen. Nederland heeft ervoor gekozen om jaarlijks 500 hervestigers op te nemen. Hervestigers krijgen direct een status en komen niet in een AZC terecht maar worden direct gehuisvest in een gemeente.
o
-
Nareizigers: echtgenoten, partners en minderjarige (of afhankelijke meerderjarige) kinderen van een statushouder die na inwilliging van de gezinsherenigingsaanvraag in Nederland mogen verblijven. Deze personen zitten vaak relatief kort in een AZC.
Gezinsmigranten (niet zijnde nareizigers) en overige migranten (hierna gezinsmigrant): personen die hier voor gezinshereniging of gezinsvorming zijn, bijvoorbeeld omdat zij een Nederlandse echtgeno(o)t(e) of partner hebben. Ook geestelijk bedienaren en vreemdelingen met een verblijfsvergunning voor een niet-tijdelijk verblijfsdoel, zoals bijvoorbeeld voortgezet verblijf nadat zij eerder een verblijfsvergunning voor een tijdelijk doel hadden. Deze groep inburgeringsplichtigen is niet afhankelijk van een bijstandsuitkering.
2.3 De wet op hoofdlijnen Om het doel van de Wet inburgering 2021 te kunnen bereiken bestaat de wet uit verschillende onderdelen: 1. 2. 3.
4. 5. 6. 7. 8. 9.
Brede intake Persoonlijk plan inburgering en participatie (PIP) en voortgangsgesprekken Het aanbieden van een passende (duale) leerroutes: a. Onderwijsroute b. B1-route c. Zelfredzaamheidsroute (Z-route) Module Kennis van de Nederlandse Maatschappij (KNM) Financieel ontzorgen Financiële zelfredzaamheid Maatschappelijke begeleiding Participatieverklaringstraject (PVT) Module Arbeidsmarkt en Participatie (MAP)
In hoofdstuk 5 gaan we inhoudelijk nader in op deze verschillende onderdelen van de wet en schetsen we de invulling in de praktijk. De hierboven benoemde onderdelen hoeven niet voor alle inburgeringsplichtigen te worden uitgevoerd. Tabel 1 geeft weer voor wie gemeenten welk onderdeel van de nieuwe wet moeten uitvoeren. Tabel 1 Overzicht onderdelen inburgeringswet en doelgroep Aanbod Asielstatushouder Brede intake, PIP, voortgangsgesprekken Aanbieden leerroute en KNM Financiële ontzorging Financiële zelfredzaamheid Maatschappelijke begeleiding PVT MAP
X X X X X X X
Gezins- en overige migranten X
X X
Gezins- en overige migranten zijn zelf verantwoordelijk voor het inkopen van een leerroute. Zij kunnen hiervoor een lening afsluiten bij DUO. Om te voldoen aan de inburgeringsplicht moet de inburgeraar binnen drie jaar de volgende onderdelen met goed gevolg hebben doorlopen: 1. Een leerroute (inclusief module Kennis van de Nederlandse Maatschappij) 2. Het Participatieverklaringstraject (PVT)
2
3.
De module Arbeidsmarkt & Participatie (MAP)
3. De doelgroep in Midden-Delfland De instroom van het aantal statushouders en het aantal gezinsmigranten fluctueert per jaar. Hierdoor is het dus niet mogelijk op voorhand met zekerheid aan te geven voor hoeveel personen we de verplichtingen uit de nieuwe wet moeten vormgeven. Als uitgangspunt voor de inrichting van de nieuwe wet nemen we de instroom van de beide groepen uit het verleden. In onderstaande tabel is de taakstelling sinds 2017 van de door onze gemeente op te nemen statushouders weergegeven. Tabel 2: Taakstelling huisvesting statushouders afgelopen jaren Taakstelling Eerste half jaar Tweede half jaar 2017 15 11 2018 15 13 2019 7 7 2020 6 8 2021 15 13 2022 11 -
Totaal 26 28 14 14 28 -
De verwachting is dat gezien de huidige toestroom van asielzoekers, door onder andere de situatie in Afghanistan, de taakstelling de komende jaren weer verder toeneemt. Landelijk gezien is op dit moment 70% van de totale instroom 18 jaar of ouder en daarmee in principe inburgeringsplichtig. We doen voor de komende jaren de aanname dat 70% van de totale instroom van 28 statushouders (instroom 2021) inburgeringsplichtig is, dat komt dus neer op 20 inburgeringsplichtige statushouders per jaar. Daarnaast zijn we als gemeente ook verantwoordelijk voor de gezinsmigranten die onze gemeente binnenstromen. Dit aantal lag de afgelopen jaren relatief laag. We gaan ervanuit dat dit komende jaren zo blijft en gaan daarom uit van vijf personen op jaarbasis. Op basis van bovenstaande aannames gaat het dus om ongeveer 25 personen op jaarbasis die inburgeringsplichtig zijn. Mochten de recente ontwikkelingen op het gebied van een landelijk hogere instroom van asielzoekers verder doorzetten, dan kan dit aantal de komende jaren verder toenemen.
4. Onze uitgangspunten en ambities Bij de uitvoering van de nieuwe wet hanteren we de volgende uitgangspunten:
1. Het uitgangspunt in Midden-Delfland is: iedereen werkt, werkt aan of werkt mee. Dit
uitgangspunt sluit aan op de doelstelling van de nieuwe inburgeringswet: inburgeraars doen zo snel mogelijk mee in de maatschappij, bij voorkeur via betaald werk. Als een betaalde baan (nog) niet haalbaar is, dan helpen wij ze aan een werkervaringsplaats, stage, vrijwilligerswerk of een zinvolle dagbesteding.
2. De focus ligt op duurzame participatie. Het doel van de nieuwe wet is dat meer statushouders
participeren in de maatschappij, echter het is hierbij van belang dat het gaat om duurzame participatie op een zo hoog mogelijk niveau. Binnen de uitvoering van de nieuwe wet is het daarom van belang de balans te vinden tussen de verplichting om snel aan het werk te gaan en de noodzaak de taal op een zo hoog mogelijk niveau te leren. Tijdens de periode van inburgeren kan een inburgeraar, ook in het kader van de duale trajecten, al betaald werk gaan doen. Dit moet dan wel een werkomgeving zijn waarin veel Nederlands wordt gesproken. Zo blijft het leren van de taal doorgaan.
3
3. We gaan uit van een integrale aanpak. Onze voorzieningen gericht op inburgering, combineren
we met de overige voorzieningen binnen het Sociaal Domein. De inburgeraars zijn immers in de eerste plaats inwoners van Midden-Delfland. Zij maken ook gebruik van de MiddenDelflandse voorzieningen en dienstverlening. Deze voorzieningen kunnen bijvoorbeeld onderdeel uitmaken van de (verlengde) brede intake, maatschappelijke begeleiding en het participatiedeel van de leerroutes.
4. Lokaal als het kan en regionaal als het moet. We willen ons inburgeringsaanbod zo lokaal
mogelijk, dichtbij de leefomgeving van de doelgroep, organiseren. Om dat te kunnen realiseren maken we daar waar mogelijk gebruik van onze lokale partners. De regel is dus lokaal, tenzij…. Het kan bijvoorbeeld meerwaarde hebben om regionaal samen te werken op sommige onderdelen. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de gezamenlijke inkoop van taalonderwijs.
5. Doorontwikkeling dienstverlening: We gaan een nieuwe taak en rol uitvoeren. Daarom willen
we flexibel zijn en onze dienstverlening en aanpak blijven monitoren en door ontwikkelen. De doelgroep staat hierbij altijd centraal. Hierbij stellen wij ons steeds de volgende vragen: Doen wij nog de juiste dingen? Doen wij de dingen nog op de juiste manier? Hierbij betrekken wij ook de mening van de statushouders.
6. Binnen de beschikbare middelen in de begroting: wij willen de wet uitvoeren binnen de
budgetten die we op de begroting hebben opgenomen. Deze beschikbare budgetten vormen de kaders voor de aanbestedingen en/of de gesprekken met de uitvoerende partijen.
5. De wet inburgering in de praktijk In dit hoofdstuk beschrijven we de verschillende onderdelen van de wet. Hierbij komende de volgende onderdelen aan de orde:
-
Wat moet er gebeuren? Hoe gaan we dit vormgeven?
5.1 Brede intake, opstellen PIP en voortgangsgesprekken 5.1.1 Brede intake Wat moet er gebeuren? Om inburgeringsplichtigen adequaat te begeleiding bij hun inburgering en hun route naar werk (of een andere vorm van maatschappelijke participatie) is minimaal nodig dat gemeenten weten om wie het gaat, wat de persoonlijke situatie is en wat nodig is om hem of haar via onder andere het inburgeringstraject te begeleiden naar een zelfstandig en financieel onafhankelijk bestaan. De brede intake die gemeenten gaan afnemen geeft inzicht in de startpositie en de ontwikkelmogelijkheden van een inburgeringsplichtige. Het gaat hierbij om informatie over of iemand analfabeet is en het taalniveau in algemene zin, welke opleidingen zijn gevolgd, praktische competenties, werknemersvaardigheden, werkervaring, leerbaarheid, motivatie/interesses, mate van zelfredzaamheid en informatie die een effect kan hebben op het inburgeringstraject, zoals de gezinssituatie, het sociale netwerk en mentale gezondheid. Onderdeel van de brede intake is de landelijk ingestelde leerbaarheidstoets.
4
Hoe gaan we dit vormgeven? De brede intake wordt belegd bij een of meerdere consulenten inburgering1 binnen het team werk en inkomen. Het gaat daarbij om een dedicated klantmanager die affiniteit heeft met deze doelgroep en een training gevolgd heeft op het gebied van culturele sensitiviteit. Onderdeel van de brede intake is de leerbaarheidstoets deze wordt door DUO afgenomen. Gemeenten hebben een rol bij de begeleiding bij de afname van de toets. De consulenten inburgering ontvangen een training van de ontwikkelaar van de leerbaarheidstoets. Gemeenten hebben geen rol bij de verwerking of beoordeling van de leerbaarheidstoets. Verschillende gemeenten breiden de brede intake uit, bijvoorbeeld in de vorm van een brugklas of verlengde intake waarin de statushouders reeds een eerste taalaanbod krijgen en participatieactiviteiten uitvoeren. Op deze manier kan gelijk een goed beeld worden verkregen van de kwaliteiten en mogelijkheden van de statushouder. De verlengde intake kan maximaal 10 weken duren. Ook in Midden-Delfland willen we een dergelijke verlengde intake aanbieden. Op het moment dat er contracten zijn gesloten met alle aanbieders, gaan wij met hen in gesprek over de inrichting van deze verlengde intake. Hierin zouden de aanbieders van maatschappelijke begeleiding en de leerroutes een rol kunnen spelen.
5.1.2 Opstellen PIP en voortgangsgesprekken Wat moet er gebeuren? In het persoonlijk inburgeringsplan wordt vastgelegd op welke manier de inburgeraar het traject gaat doorlopen om de gestelde doelen te bereiken. Het PIP is maatwerk. Het PIP moet binnen tien weken, nadat de persoon in de basisregistratie is ingeschreven, worden vastgesteld. In het PIP komen tenminste alle onderdelen van de wet aan de orde. Ook nadat het PIP is vastgesteld, houdt de gemeente de regierol op de voortgang en stelt zo nodig bij. Het PIP heeft het karakter van een beschikking, omdat er rechten en plichten aan verbonden zijn. Het verwijtbaar niet voldoen aan de inburgeringsplicht leidt tot een boete. Een PIP wordt opgesteld voor alle inburgeringsplichtige nieuwkomers, dus ook voor diegenen zonder uitkering (gezinsmigranten). Gemeenten zijn verplicht regelmatig voortgangsgesprekken te voeren met diegenen voor wie een PIP is opgesteld om op deze manier de voortgang te bewaken en indien nodig bij te sturen en het PIP bij te stellen. Gemeenten zijn verplicht in het eerste jaar minimaal twee voortgangsgesprekken te voeren. De verwachting is dat zeker in het eerste jaar meer voortgangsgesprekken nodig zijn. Bij de berekeningen van het landelijke budget is uitgegaan van 12 gesprekken in drie jaar.
Hoe gaan we dit vormgeven? Als basis voor het PIP gebruiken we de landelijke modelbeschikking. Hierbij splitsen we het PIP in een beschikking met gemaakte afspraken en een ontwikkelplan. Voor de voortgangsgesprekken geldt dat we ons houden aan het minimaal benodigde aantal gesprekken van 12 in drie jaar. Echter wanneer blijkt dat voor sommige statushouder extra gesprekken nodig zijn, dan zetten we deze in.
1 Binnen ons uitvoeringsteam werken wij met allround klantmanagers, waarbij soms sprake is van
specifieke aandachtsgebieden (zoals bijvoorbeeld de klantmanager jongeren). De gevraagde inzet in de nieuwe wet inburgering vereist dedicated inzet op dit aandachtsgebied. We bekijken op dit moment nog in hoeverre we de inzet voor statushouders verdelen over één of twee klantmanagers. 5
5.2 Leerroutes Wat moet er gebeuren? Uitgangspunt is dat iedereen op een zo hoog mogelijk taalniveau inburgert. Daartoe worden drie leerroutes ontwikkeld: een taalschakeltraject, waarin de inburgeringsplichtige niet alleen de Nederlandse taal leert op minimaal B1-niveau, maar tegelijkertijd zo goed mogelijk wordt voorbereid op de instroom in het Nederlandse beroeps- of wetenschappelijk onderwijs. B1-route: binnen deze leerroute wordt het leren van taal gecombineerd met (vrijwilligers)werk. Doel van deze route is dat inburgeraars zo snel mogelijk, maar binnen maximaal drie jaar, taalniveau B1 behalen en hun perspectief op de arbeidsmarkt vergroten. Voor het participatiedeel van de B1-route geldt geen uren verplichting. Zelfredzaamheidsroute (Z-route): voor mensen voor wie de onderwijs- of B1-route buiten bereik ligt, komt er een leerroute waarbij iedereen leert zich in de maatschappij te redden. Deze route bestaat uit 800 uur taalonderwijs en 800 uur participatie. Ook het alfabetiseringstraject is opgenomen in de Z-route. Het onderdeel Kennis van de Nederlandse Maatschappij (KNM) maakt net als nu integraal onderdeel uit van de taalcursussen. De taalonderdelen en KNM worden voor de B1-route en de onderwijsroute, net als in het huidige stelsel, centraal getoetst. De Z-route wordt afgesloten met een eindgesprek.
Gemeenten kopen deze trajecten in bij taalscholen met een Blik op Werk-keurmerk. Er worden geen ontheffingen voor de inburgeringsplicht meer verleend op basis van aantoonbare geleverde inspanningen. Vanuit de rijksoverheid is de verwachting dat de verhouding van doorstroom naar verschillende routes voor inburgeringsplichtige asielstatushouders er zoals weergegeven in onderstaande tabel uitziet. Tabel 3: Instroom leerroutes Leerroute
Percentage per jaar
Onderwijs B1 Z
25% 60% 15%
Aantallen op basis van taakstelling 2021 5 12 3
De verwachting vanuit het veld is echter dat meer mensen in de Z-route stromen, omdat B1-niveau voor velen te hoog gegrepen is. Hoe gaan we dit vormgeven? Er zijn reeds verschillende acties ondernomen om deze in te kopen. Vooralsnog is het uitgangspunt voor alle drie deze routes dat het niet mogelijk is deze alleen op lokaal niveau vorm te geven in verband met de relatief lage aantallen die bij ons instromen. Het budget is hiervoor te beperkt. Samenwerking met andere gemeenten in de regio is dus noodzakelijk. Hieronder is kort per route aangegeven welke stappen reeds zijn gezet en voor welke uitdagingen we op dit moment staan. Onderwijsroute Net als alle andere gemeenten in onze arbeidsmarktregio zijn wij voor de onderwijsroute met de gemeente Den Haag in de aanbesteding meegegaan. Echter onlangs is gebleken dat er slechts één organisatie zich heeft ingeschreven. Den Haag heeft daarom besloten dit perceel terug te trekken uit de aanbesteding en deze na evaluatie opnieuw aan te besteden. Overigens is de situatie in Den Haag niet uniek. Ook in verschillende andere regio’s en steden in Nederland heeft slechts één of geen enkele organisatie ingeschreven op dit perceel. De reden hiervoor is dat er onvoldoende financiële middelen staan tegenover dat wat van de aanbieder wordt gevraagd.
Landelijk zijn er op bestuurlijk niveau gesprekken hierover gaande, mogelijk ontvangen gemeenten extra geld voor deze route. Zeer waarschijnlijk lukt het niet om voor 1 januari het aanbestedingsproces te hebben afgerond. De verwachting is dat we pas in het tweede kwartaal aanbod op deze leerroute hebben. In de praktijk betekent dit dat het voor inburgeraars in het eerste kwartaal, of in het geval van verdere uitloop in
6
het tweede kwartaal, niet mogelijk is om te starten in de Onderwijsroute. Zij starten dan eerst in de B1-route. Regionaal wordt gekeken naar een oplossing. De verwachting is echter dat de instroom in leerroutes pas het tweede kwartaal op gang komt, nadat huisvesting, brede intake en het PIP zijn opgesteld. B1-route Voor de B1-route (eigenlijk de standaard-route binnen deze wet) maken wij gebruik van het aanbod van Taalschool Rijswijk. Zij hebben een vestiging op een centrale locatie in Delft. Op dit moment volgen al verschillende statushouders uit onze gemeente een taaltraject bij deze aanbieder. Van Taalschool Rijswijk wordt flexibiliteit in het taalaanbod gevraagd, zodat asielstatushouders naast inburgering kunnen participeren. Voor de duale component vragen wij binnenkort een offerte op bij drie verschillende partijen met ervaring op dit gebied in onze gemeente/de regio. Zelfredzaamheidsroute De zelfredzaamheidsroute (Z-route) bestaat uit 800 uur taal en 800 uur participatie. Taalschool Rijswijk voert voor ons het taaldeel van deze route uit. Zij hebben de aanbesteding die door de gemeenten Delft, Rijswijk en Midden-Delfland voor deze route is uitgezet gewonnen. Taalexamens zijn geen verplichting bij deze route, echter kiezen wij er wel voor om taalexamens te stimuleren wanneer personen in staat blijken één of meer van de vaardigheden af te ronden op niveau A1 of A2.
De taalschool ondersteunt hierbij. Voor het participatiedeel van deze route vragen wij binnenkort drie offertes op bij organisaties met ervaring op dit gebied in onze gemeente/regio. Wij vragen hen daarbij gebruik te maken van het bestaande aanbod van vrijwilligersorganisaties in onze dorpen en Delft.
5.3 Financieel ontzorgen en financiële zelfredzaamheid 5.3.1 Financieel ontzorgen Wat moet er gebeuren? Gemeenten zijn verplicht asielstatushouders financieel te ontzorgen. Dit houdt in dat vaste lasten (huur, gas, water en licht en zorgverzekering) gedurende een verplichte periode van 6 maanden worden betaald vanuit de bijstandsuitkering. De verplichte ontzorging eindigt binnen de periode van 6 maanden of als het recht op bijstand eindigt. Aan het einde van de verplichte periode van 6 maanden kan de gemeente op basis van maatwerk ervoor kiezen om de ontzorgde periode te verlengen. Door in te zetten op financieel ontzorgen wordt voorkomen dat onzekerheid over de financiële positie in de beginfase afleidt van de integratieverplichtingen. Daarnaast worden schulden voorkomen die makkelijk kunnen ontstaan omdat asielstatushouders op het moment van vestiging in de gemeente vaak nog onvoldoende kennis hebben van de financiële verplichtingen die zij hebben. Hoe gaan we dit vormgeven? Het financieel ontzorgen is iets dat we als gemeente zelf moeten en kunnen doen, de uitvoering hiervan komt te liggen bij het team Uitvoering Werk & Inkomen.
5.3.2 Financiële zelfredzaamheid Wat moet er gebeuren? Het financieel ontzorgen van personen heeft op langer termijn alleen meerwaarde, als we de betreffende persoon in de tussentijd begeleiden richting financiële zelfredzaamheid. In de wet is ervan uit gegaan dat gemeenten statushouders trainen op dit gebied.
Hoe gaan we dit vormgeven? Binnen onze uitvoeringsorganisatie is op dit moment geen ruimte om dit traject zelf uit te voeren. De keuze is daarom gemaakt om het stimuleren van de financiële zelfredzaamheid van onze statushouders vooralsnog extern te beleggen. We liggen deze taak neer bij Participe, die voor ons ook de maatschappelijke begeleiding en participatieverklaringstrajecten gaat uitvoeren. Wij vragen hen hierbij lokale partners zoals de bibliotheek, SWMD en schuldhulpmaatje te betrekken. 7
5.4 Maatschappelijke begeleiding Wat moet er gebeuren? Maatschappelijk begeleiding start op het moment dat de statushouder zich inschrijft bij de gemeente. Samen met de maatschappelijke begeleider vindt de statushouder de weg in zijn nieuwe woonplaats en in de Nederlandse samenleving. De begeleiding bestaat daarnaast uit hulp bij praktische regelzaken, zoals bijvoorbeeld het afsluiten van verzekeringen, het zoeken van artsen en scholen voor de kinderen. Ook onder de huidige wet zijn gemeenten reeds verplicht maatschappelijke begeleiding te bieden. Hoe gaan we dit vormgeven? Op dit moment voert Participe voor ons de maatschappelijke begeleiding van statushouders uit op basis van een subsidierelatie. Vanaf de invoering van de nieuwe wet gaan we over op een inkooprelatie met Participe op basis van een enkelvoudige onderhandse aanbesteding. Een van de andere mogelijkheden was meegaan met de Europese aanbesteding van Delft op dit gebied. Echter aangezien we willen inzetten op integratie van de verschillende onderdelen met onze bestaande dienstverlening is hiervoor niet gekozen. De opdracht aan Participe bevat onder andere bij de invulling van de maatschappelijke begeleiding gebruik te maken van bijvoorbeeld het lokale aanbod van de bibliotheek, SWMD en schuldhulpmaatje. Waarbij de zelfredzaamheid van de statushouder centraal staat.
Dit betekent dat zaken niet worden overgenomen, maar dat de statushouder het of zelf kan of weet waar hij/zij terecht kan voor hulp. Indien nodig geeft de maatschappelijk begeleider een warme overdracht naar ander aanbod in de gemeente of de regio, zoals maatschappelijk, schuldhulpverlening enz. Tevens voert Participe voor ons de juridische begeleiding van statushouder uit.
5.5 Participatieverklaringen Wat moet er gebeuren? Via het participatieverklaringstraject maakt de inburgeraar in minimaal 12 uur tijdens verschillende workshops en activiteiten kennis met de Nederlandse kernwaarden vrijheid, gelijkwaardigheid, solidariteit en participatie. Hierbij kan gedacht worden aan gelijke rechten voor mannen en vrouwen, het recht om jezelf te ontplooien door onderwijs, het mogen kiezen van je partner en het recht om je eigen mening te uiten. Ook dit bieden gemeenten nu reeds aan. Hoe gaan we dit vormgeven? Op dit moment voert Participe voor ons de participatieverklaringstrajecten uit op basis van een subsidie-relatie. Vanaf de invoering van de nieuwe wet gaan we over op een inkooprelatie met Participe op basis van een enkelvoudige onderhandse aanbesteding.
5.6 Module arbeid en participatie (MAP) Wat moet er gebeuren? Vaak bestaan er grote verschillen tussen de arbeidsmarkt in Nederland en de arbeidsmarkt in het land van herkomst van inburgeringsplichtigen. Ook is het niet vanzelfsprekend dat alle inburgeringsplichtigen in het land van herkomst een opleiding hebben gevolgd of al hebben gewerkt. Dit bemoeilijkt hun kansen op de arbeidsmarkt. Om die reden is het belangrijk dat zij bekend raken met de Nederlandse arbeidsmarkt en dat zij de vaardigheden en capaciteiten eigen maken die benodigd zijn om te kunnen participeren. In de MAP brengt de inburgeringsplichtige de eigen competenties en arbeidskansen in beeld. Dit wordt gecombineerd met praktische inzet op de (lokale) arbeidsmarkt. Onder de huidige inburgeringswet wordt deze Module ONA genoemd, oriëntatie Nederlandse Arbeidsmarkt. Onderdeel van de MAP is een praktisch element van 40 uur, bijvoorbeeld een stage.
8
Hoe gaan we dit vormgeven? Voor dit onderdeel vragen we drie partijen, gelijktijdig met de offerte voor het participatiedeel van de leerroutes, offerte uit te brengen. We stellen hierbij de eis dat zoveel mogelijk gebruik wordt gemaakt van lokale organisaties en bedrijven voor het uitvoeren van bijvoorbeeld een stage of vrijwilligerswerk.
5.7 De fasering Op dit moment worden alle inkoopprocedures afgerond en alle interne werkprocessen en externe werkafspraken verder uitgewerkt. Het streven is dat wij op 1 januari alle onderdelen van de wet hebben ingericht. Wij kunnen dan de statushouders die vanaf dat moment instromen, bieden wat nodig is. In de opstartfase zal nog enige tijd gewerkt moeten worden vanuit de bestaande formatie voor klantmanagers, omdat de extra capaciteit naar verwachting niet direct is ingevuld. Dit is een aandachtspunt, maar overkomelijk gezien de naar verwachting geringe aantallen statushouders die instromen in de eerste maanden van het jaar. Het eerste jaar zien wij als implementatiejaar en daarom houden we op alle onderdelen vinger aan de pols, zodat wij wanneer nodig werkprocessen kunnen aanpassen of afspraken kunnen bijstellen. In de loop van 2022 (afhankelijk van de hoogte van de instroom in de eerste maanden) informeren we het college en de raad over de eerste bevindingen rondom de door ons gekozen aanpak en eventueel benodigde bijstellingen. Ook met alle betrokken partijen maken we de afspraak dat we het eerste jaar zien als een implementatiejaar, waarbij regelmatige onderlinge afstemming op casusniveau maar ook op metaniveau cruciaal is. Tevens bekijken we lopende het jaar op welke manier we de samenwerking nog verder kunnen intensiveren, danwel kunnen innoveren.
Bijvoorbeeld een verdere uitwerking van de verlengde intake, het werken met sleutelpersonen en het bieden van duale maatwerktrajecten. Na het eerste jaar evalueren we alle onderdelen en stellen we daar waar nodig afspraken bij. De raad en het college informeren wij minimaal jaarlijks over de uitvoering en de behaalde resultaten op de verschillende onderdelen van de wet.
6. De ondertussen-groep Gemeenten kennen ook een inspanningsverplichting richting de groep statushouders die voor 1 januari 2022 inburgeringsplichtig zijn geworden. Van gemeenten wordt verwacht dat zij deze groep statushouders begeleiden in de geest van de nieuwe wet. Dat wil zeggen dat wordt verwacht dat ook aan deze groep een brede intake, een PIP, voortgangsgesprekken en een training financiële zelfredzaamheid worden aangeboden. Hieraan zijn ook financiële middelen gekoppeld. De dedicated-klantmanager die wij werven voor de nieuwe inburgeringswet, is ook verantwoordelijk voor deze ondertussen-groep. Ook met deze personen wordt een intakegesprek gehouden om de situatie op verschillende levensgebieden in kaart te brengen. Uit deze intake vloeien afspraken, die worden vastgelegd en waarover voortgangsgesprekken worden gevoerd. Het doel is ook deze groep zo goed mogelijk te laten inburgeren, zodat zij zo snel en duurzaam mogelijk kunnen uitstromen uit de uitkering. Daarnaast is er ook een groep die al wel een inburgeringstraject heeft doorlopen, maar nog niet is doorgestroomd naar duurzame arbeid. Ook deze groep heeft onze aandacht, op dit moment zetten we voor deze groep reeds re-integratie trajecten in en wordt extra taalscholing door ROC-Mondriaan aangeboden vanuit de Web-gelden.
In 2022 inventariseren we wat er nog extra nodig is aan maatwerkoplossingen waarin nu nog niet wordt voorzien.
9
7. Financiën De Wet inburgering 2021 kent verschillende middelen, de uitvoeringskosten en de kosten voor inburgeringsvoorzieningen. Onderdeel van de bestuurlijke afspraken die SZW en VNG met elkaar hebben gemaakt, is dat er drie jaar na inwerkingtreding van de wet, een evaluatie naar de betaalbaarheid van het stelsel plaatsvindt.
7.1 Uitvoeringskosten Onder uitvoeringskosten vallen kosten voor: brede intake, PIP en voortgangsgesprekken, ontzorgen en overige uitvoeringskosten (zoals inkoop en beleidsondersteuning). De middelen worden verstrekt via een integratie-uitkering binnen het gemeentefonds. De structurele uitvoeringskosten worden vanaf de start van het stelsel in 2022 verstrekt en zijn gebaseerd op de verdeling van het aantal inwoners en het aantal personen met een niet-westerse migratieachtergrond. In de begroting is hiervoor dan ook extra budget opgenomen oplopend tot € 85.000 vanaf 2024. Vanuit deze uitvoeringsmiddelen dienen de uren extra ambtelijke inzet te worden bekostigd voor de nieuwe taken. Het gaat daarbij om uitbreiding in de volgende functies: Administratieve capaciteit voor zowel de inrichting, als de uitvoering van taken die verband houden met onder andere ontzorging. Consulent inburgering, voor zowel de regie op de inburgeringstrajecten binnen de nieuwe wet als voor de ondertussen-groep. Beleidscapaciteit voor het beleid en de inkoop. Hierbij moet in het eerste jaar ook rekening worden gehouden met inzet voor het aanjagen en initiëren van initiatieven en samenwerkingsverbanden. Daarnaast omvat de post ook de inzet op het gebied van contractmanagement en –beheer, van de verschillende onderdelen.
Dergelijke capaciteit hebben wij op dit moment niet belegd binnen de gemeentelijke organisatie. Door de inzet van een consulent inburgering voor 24 uur kunnen wij ook meer tijd investeren in de groep die op dit moment aan het inburgeren is (de ondertussen-groep) en de groep die reeds is ingeburgerd maar nog in de uitkering zit. Hiermee sluiten we aan de bij de eerder door de raad aangenomen motie Statushouder, waarin wordt verzocht om extra inzet op de integratie van statushouders. Tabel 4 geeft inzicht in de verwachte uitvoeringskosten. In het eerste jaar voorzien wij een tekort. De ervaring leert dat de invoering van een nieuwe wet vooral in het eerste jaar extra beleidsinzet vraagt, daarom is in de begroting voor 2022 extra budget opgenomen voor een beleidsmedewerker voor 8 uur per week. De beleidsmedewerker gebruikt deze uren om de samenwerking met de verschillende partijen te stroomlijnen en te komen tot innovatieve oplossingen. De ten opzichte van de begroting benodigde extra middelen van ongeveer € 26.000,- in het eerste jaar (2022) stellen we voor te onttrekken aan de algemene reserve. De eventuele extra middelen die we vanuit het rijk in de loop van 2022 ontvangen, bijvoorbeeld voor kosten op het gebied van ICT, laten we terugvloeien naar de algemene reserve.
Met uitzondering van de extra middelen voor de leerbaarheidstoets, aangezien de kosten hiervan nog niet zijn opgenomen in deze begroting. Tenzij de kosten lager uitvallen dan de middelen vanuit het rijk.
10
Tabel 4: Uitvoeringskosten Functie
Uren
I/S
Consulent inburgering
2022
2023
2024
2025
0,67 fte
S
€ 50.350
€ 50.350
€ 50.350
€ 50.350
Administratie
0,11 fte
S
€ 6.500
€ 6.500
€ 6.500
€ 6.500
Beleid
0,22 fte
S
€ 19.960
€ 19.960
€ 19.960
€ 19.960
Beleid/implementatie 0,22 fte
I
€ 19.960
Applicatiebeheer
€ 4.500
€ 4.500
€ 4.500
S
€ 4.500
Opleidingskosten klantmanagers
0,06 fte
I
€ 6.000
ICT-kosten
S
€ 2.500
€ 1.000
€ 1.000
€ 1.000
Kosten totaal
€ 109.770
€ 82.310
€ 82.310
€ 82.310
Dekking
€ 84.642
€ 84.969
€ 85.309
€ 85.309
Tekort/Overschot
€ -25.128
€ 2.659
€ 2.999
€ 2.999
7.2 Kosten voor inburgeringsvoorzieningen Onder kosten voor inburgeringsvoorzieningen vallen de kosten voor de leerroutes, de module Arbeidsmarkt en Participatie (MAP), maatschappelijke begeleiding, het participatieverklaringstraject (PVT) en de inzet van tolken. De kosten voor de inburgeringsvoorzieningen worden uitgekeerd via een SPUK (specifieke uitkering). De verdeling van de SPUK-middelen wordt uiterlijk drie maanden voorafgaand aan het uitvoeringsjaar voorlopig vastgesteld op basis van het aantal inburgeringsplichtige asielstatushouders, gezins- en overige migranten dat wordt verwacht en daarbij zal in latere jaren, maar niet eerder dan 2026, rekening worden gehouden met de door gemeenten geleverde prestaties2. Na afloop van het uitvoeringsjaar zal het totale budget nog worden aangepast aan de hand van de werkelijke volumes inburgeringsplichtigen per gemeente. Hiermee sluit de verdeling van de middelen aan bij het daadwerkelijke aantal inburgeringsplichtigen per gemeente. Voor Midden-Delfland is voor 2022 een voorlopig bedrag van € 122.000 vastgesteld, gebaseerd op een instroom van 15 volwassen statushouders en 7 gezinsmigranten. Onlangs is bekend geworden dat we vanuit het rijk nog extra middelen ontvangen voor de onderwijsroute. Op dit moment is nog onduidelijk om welk bedrag dit precies zal gaan en voor welk termijn dit gaat gelden.
Deze extra gelden zijn nog niet opgenomen in onderstaande tabel. Mogelijk valt het tekort hierdoor lager uit. De bedragen die zijn opgenomen in tabel 5, zijn voor een deel de verwachte bedragen. Nog niet voor alle onderdelen zijn prijsafspraken gemaakt met de betreffende aanbieders. De bedragen zijn de bedragen die worden gefinancierd door het rijk. Op basis van deze uitgangspunten ontstaat er jaarlijks een relatief klein tekort op de kosten voor de inburgeringsvoorzieningen. De te ontvangen rijksbijdrage (SPUK) maar ook de totale lasten zijn nog niet opgenomen in de begroting 2022-2025. Echter er is nog teveel onduidelijkheid over de daadwerkelijke kosten, wij kunnen daarom nog geen uitspraken doen over de noodzaak al dan niet bij te ramen voor deze uitgaven. Zodra er meer duidelijkheid is zullen wij de lasten en de baten opnemen in de eerstvolgende periodieke begrotingswijziging in 2022. Indien nodig nemen we dan voor de onderwijsroute een extra bedrag op.
Tabel 5: Kosten inburgeringsvoorzieningen 2 Het Rijk wil vanaf 2026 een prestatiebekostiging invoeren. De omvang van de prestatiebekostiging zal worden
vastgesteld op 10% van het gewicht van de leerroutes. Het Rijk gaat ervan uit dat prestatiebekostiging een extra motivatie voor gemeenten is om zoveel mogelijk mensen te laten voldoen aan hun inburgeringsplicht.
11
Voorziening
Onderwijsroute
Ingeschatte kosten per statushouder/ gezinsmigrant € 17.000
Z route
Aantal
4
2022
2023
2024
2025
€ 36.720
€ 53.040
€ 68.000
€ 68.000
2
Taal
€ 7.800
€ 9.360
€ 15.600
€ 15.600
€ 15.600
Participatie
€ 3.000
€ 3.600
€ 6.000
€ 6.000
€ 6.000
B1 route
9
Taal
€ 7.000
€ 34.020
€ 49.140
€ 63.000
€ 63.000
Participatie
€ 2.000
€ 9.720
€ 14.040
€ 18.000
€ 18.000
Maatschappelijke begeleiding en financiële zelfredzaamheid
€ 1.944
15
€ 29.160
€ 29.160
€ 29.160
€ 29.160
€ 216
22
€ 4.752
€ 4.752
€ 4.752
€ 4.752
€ 136
15
€ 2.040
€ 2.040
€ 2.040
€ 2.040
€ 195
7
€ 1.365
€ 1.365
€ 1.365
€ 1.365
€ 417
15
€ 6.255
€ 6.255
€ 6.255
€ 6.255
€ 179
7
PVT MAP Asielstatushoude rs Overige migranten Tolkkosten Asielstatushoude rs Overige migranten
€ 1.253
€ 1.253
€ 1.253
€ 1.253
Totale kosten: Rijksbijdrage
€ 138.245 € 122.191
€ 182.645 € 183.386
€ 215.425 € 198.685
€ 215.425 € 198.685
Tekort/oversch ot
€ -16.054
€ 741
€ -16.740
€ -16.740
7.3 Maatwerkbudget inburgering Naast de uitvoeringskosten en de kosten voor de inburgeringsvoorzieningen reserveren wij een incidenteel budget van € 50.000 ten behoeve van additionele maatwerkoplossingen en initiatieven van maatschappelijke partners. Hiermee sluiten we aan bij de motie Statushouders die op 9 november 2021 is ingediend. Het budget van € 50.000 hebben wij eerder van het rijk gekregen voor het ondersteunen van de ondertussen-groep en voor eventuele uitvoeringskosten. Dit geld is om verschillende reden niet hiervoor ingezet en komt de komende jaren op deze manier ten goede aan de doelgroep. Wij gaan er vooralsnog vanuit dat dit bedrag voldoende is voor het leveren van maatwerkoplossingen. Na het eerste jaar evalueren we de inzet van dit bedrag.
12
7.4 Risico’s Zoals hiervoor is beschreven is het onze inzet om onze taken uit te voeren binnen de middelen die in de meerjarenbegroting zijn opgenomen. De paragrafen hiervoor laten zien dat dit uitgaande van de huidige gegevens voor het overgrote deel mogelijk lijkt. In de uitvoering en organisatie verwachten we vooral in de beginfase meerkosten, maar die hangen samen met het inrichten en aanjagen van de nieuwe taken. We verwachten nog extra budget te ontvangen vanuit het gemeentefonds voor ICTkosten en de leerbaarheidstoets, hierdoor is nog niet te zeggen hoe hoog het tekort precies gaat zijn. Voor wat betreft de uitvoering van het inburgeringsaanbod lijkt sprake van een lichte overschrijding. Deze is echter nog indicatief, aangezien een deel van de aanbestedingen nog lopen en er ook landelijk nog gesproken wordt over de precieze omvang van het budget voor de onderwijsroute. Hieronder benoemen we nog enkele concrete risico’s: Doordat het aantal inburgeraars en het moment van instroom onbekend is, is het onmogelijk voor ons en onze partners om de bedrijfsvoering hierop af te stemmen. We maken hierover nadere afspraken met de aanbieders van de verschillende onderdelen. Daarnaast bestaat er onzekerheid over de rijksmiddelen op het gebied van de leerroute onderwijs, mogelijk is het nodig na 2022 een deel van deze leerroute uit eigen middelen te bekostigen.
Landelijk worden hier gesprekken over gevoerd. De middelen voor de inburgeringsvoorzieningen ontvangen wij per asielstatushouder verdeeld over drie jaar. Het is nog onduidelijk of de ontvangst van de middelen gelijkloopt met de betalingen aan onze partners.
13