10 Re-integratieverordening 2024 Midden-Delfland def
Tekst van het document
Re-integratieverordening Participatiewet gemeente Midden-Delfland 2024
De raad van de gemeente Midden-Delfland; gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 23 april, zaaknummer 570309; gelet op de artikelen 8a, eerste lid, aanhef en onder a, c, d en e en tweede lid en 10b, zevende lid, van de Participatiewet; en gelet op het artikel 149 van de Gemeentewet, de bevoegdheid van de raad om verordeningen op te stellen; gezien het advies van de Adviesraad Sociaal Domein van 14 maart 2024; besluit vast te stellen de Re-integratieverordening Participatiewet Midden-Delfland 2024.
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Definities In deze verordening wordt verstaan onder: -
-
-
-
-
college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente MiddenDelfland; doelgroep: personen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder a, van de wet; grote afstand tot de arbeidsmarkt: deelname aan de arbeidsmarkt is redelijkerwijs niet mogelijk binnen één jaar; instrumentengids Dennis: de digitale Toolbox van de arbeidsmarktregio Haaglanden. Deze bevat een verzameling van instrumenten die kunnen worden ingezet om plaatsingen van werkzoekenden bij werkgevers te bevorderen https://instrumentengids-dennis.nl/instrumenten/; interne werkbegeleiding: door een collega geboden dagelijkse werkbegeleiding op de werkvloer omdat de werknemer anders niet in staat is zijn werkzaamheden uit te voeren, en waarbij sprake is van meer dan de gebruikelijke begeleiding van een werknemer op een werkplek; jobcoaching: door een erkende deskundige geboden methodische ondersteuning aan personen met een arbeidsbeperking en aan werkgevers, gericht op het vinden en behouden van werk; jongere: personen jonger dan 27 jaar; korte afstand tot de arbeidsmarkt: deelname aan de arbeidsmarkt is redelijkerwijs mogelijk binnen één jaar; overige voorzieningen: voorzieningen als bedoeld in artikel 8a, tweede lid, onder f, van de wet; persoonlijke ondersteuning bij werk: ondersteuning als bedoeld in artikel 10, eerste en derde lid, van de wet en begeleiding op de werkplek als bedoeld in artikel 10da van
de wet; praktijkroute: het proces om de persoon, behorend tot de doelgroep, toegang tot het doelgroepenregister te laten verkrijgen op basis van loonwaardevaststelling op de werkplek;
-
-
-
-
uitkeringsgerechtigden: personen met een uitkering ingevolge de wet, de IOAW, de IOAZ, danwel die een aanvraag daarvoor hebben ingediend; UWV: het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen; voorziening: door het college noodzakelijk geachte voorziening, gericht op arbeidsinschakeling waaronder mede wordt begrepen persoonlijke ondersteuning bij het verrichten van opgedragen taken; werkgever: degene die op basis van een arbeidsovereenkomst de bevoegdheid heeft om de arbeid van een werknemer gedurende een overeengekomen periode aan te wenden in zijn organisatie; werknemer: persoon die op basis van een arbeidsovereenkomst arbeid verricht bij de werkgever, daaronder begrepen een persoon als bedoeld in artikel 10d eerste of tweede lid van de wet met wie de werkgever een dienstbetrekking is aangegaan, dan wel dit van plan is; wet: Participatiewet.
Artikel 2. Opdracht aan college 1. Het college draagt zorg voor het ondersteunen van personen die behoren tot de doelgroep bij arbeidsinschakeling of, indien dit (nog) niet mogelijk is, beschut werk of andere vormen van participatie, waaronder sociale activering. 2. Het college zorgt voor een voldoende gevarieerd aanbod aan voorzieningen. Het college zal bij het bepalen van het aanbod aan voorzieningen prioriteiten stellen in verband met de financiële mogelijkheden van de gemeente en maatschappelijke, economische en conjuncturele ontwikkelingen. 3. Het college bevordert een evenwichtige verdeling van voorzieningen tussen de onderscheiden doelgroepen, alsmede een gelijke aandacht voor de verschillende personen daarbinnen. 4. Het college spant zich in om de lokale en regionale arbeidsmarkt zodanig te bewerken dat deze beter toegankelijk wordt voor de doelgroep. 5. Het college zendt jaarlijks aan de gemeenteraad een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze verordening in de praktijk. 6. Het college verzamelt in ieder geval voor het verslag systematisch informatie over: a. Uitstroom naar werk; b. Instroom in beschut werk; en c. Inzet loonkostensubsidie.
Artikel 3. Aanbieden voorzieningen 1. Het college biedt de goedkoopst adequate voorziening aan. 2. Het college houdt bij het aanbieden van de in deze verordening opgenomen voorzieningen rekening met de omstandigheden en functionele beperkingen van
een persoon. De omstandigheden hebben in ieder geval betrekking op zorgtaken van die persoon en de mogelijkheid dat hij behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie of gebruik maakt van de voorziening beschut werk. Onder zorgtaken wordt in ieder geval verstaan: a. de opvang van ten laste komende kinderen tot vijf jaar en b. de noodzakelijkheid van het verrichten van mantelzorg. 3. Het college houdt bij het aanbieden van een voorziening rekening met andere voorzieningen die in het sociaal domein beschikbaar zijn en stemt het aanbod, als dat nodig is, intern af zodat het optimaal bijdraagt aan een integrale ondersteuning van de persoon. Het college houdt bij de afstemming ook rekening met voorzieningen op grond van andere wettelijke regelingen en stemt dit af in het plan van aanpak, bedoeld in artikel 44a van de wet. 4. Het college zorgt er bij het aanbieden van een voorziening voor dat de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt. Artikel 4. Uitvoeren voorzieningen 1. Het college kan de activiteiten in het kader van deze verordening in eigen beheer uitvoeren, in samenwerking met ketenpartners, of uitbesteden aan derden. Artikel 5. Beleidsregels 1.
Het college stelt voor uitvoering van deze verordening beleidsregels vast waarin wordt vastgelegd welke voorzieningen waaronder flankerende voorzieningen, het college in ieder geval kan aanbieden en de voorwaarden die daarbij gelden voor zover daarover in deze verordening geen nadere bepalingen zijn opgenomen.
Hoofdstuk 2. Ondersteuning Artikel 6. Ondersteuning door het college 1. Ondersteuning door het college betreft het adviseren over- of bieden van de meest effectieve voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling, het bieden van praktische hulp en het doorverwijzen naar een andere instantie(s). 2. De ondersteuning sluit aan bij de behoeften, mogelijkheden en ervaringen van de persoon zoals deze naar het oordeel van het college bestaan. 3. Het college kan bij het toekennen van voorzieningen in geval van dringende redenen, op basis van maatwerk, afwijken van de in deze verordening genoemde voorzieningen en bijbehorende bepalingen.
Artikel 7. Aanspraak op ondersteuning 1. Overeenkomstig het artikel 10 van de wet kan een persoon die behoort tot de doelgroep aanspraak maken op ondersteuning door het college. 2. Geen aanspraak op ondersteuning bestaat indien: a. de persoon onvoldoende medewerking verleent aan het onderzoek dat nodig is voor het beoordelen van het recht op een voorziening; b. er sprake is van een voorliggende voorziening; c. de voorziening naar het oordeel van het college onvoldoende bijdraagt aan diens arbeidsinschakeling/participatie; 3. Bij aanspraak van ondersteuning door een persoon jonger dan 27 jaar die uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs kan volgen, wordt de mogelijkheid van terugleiden naar school voor het behalen van een startkwalificatie en/of een vervolgopleiding gericht op het verbeteren van de arbeidsmarktpositie bij het beoordelen van de noodzaak betrokken. Artikel 8. Weigering en beëindiging ondersteuning 1. Het college kan een voorziening weigeren als: a. de persoon ten behoeve van wie de voorziening zou worden verstrekt niet behoort tot de doelgroep; b. de persoon of de werkgever onvoldoende medewerking verleent aan het onderzoek dat nodig is voor het beoordelen van het recht op de voorziening; c. de persoon een beroep kan doen op een voorziening op basis van een andere wettelijke regeling, waardoor er sprake is van een voorliggende voorziening; d.
de voorziening naar het oordeel van het college onvoldoende bijdraagt aan de arbeidsinschakeling; of e. er niet wordt voldaan aan de voorwaarden die in deze verordening worden gesteld om in aanmerking te komen voor die voorziening. 2. Het college kan een voorziening beëindigen als: a. de persoon die aan de voorziening deelneemt zijn verplichtingen als bedoeld in de artikelen 9 en 17 van de wet, de artikelen 13 en 37 van de IOAW of de artikelen 13 en 37 van de IOAZ niet nakomt; b. de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer behoort tot de doelgroep; c. de persoon die aan de voorziening deelneemt algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt.
d. de voorziening naar het oordeel van het college niet langer noodzakelijk is voor de arbeidsinschakeling of niet blijkt bij te dragen aan een snelle arbeidsinschakeling; e. de voorziening naar het oordeel van het college niet meer geschikt is voor de persoon die gebruik maakt van de voorziening; f. de persoon die aan de voorziening deelneemt niet naar behoren gebruik maakt van de aangeboden voorziening; of g. de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer voldoet aan de voorwaarden die in deze verordening worden gesteld om in aanmerking te komen voor die voorziening. 3. Het tweede lid, onder c is niet van toepassing op artikel 27 (persoonlijke ondersteuning bij werk), artikel 29 (begeleiding en nazorg), artikel 30 (loonkostensubsidie kwetsbare werknemers), artikel 31 (werkgeverscheque), artikel 32 (werknemerscheque), artikel 33 (leerwerkcheque) en de specifieke voorzieningen voor personen met een arbeidsbeperking, als bedoeld in hoofdstuk 4. Artikel 9. Verplichtingen 1. Voor een persoon als bedoeld in artikel 2, eerste lid van deze verordening, gelden de volgende verplichtingen: a. het verstrekken van de inlichtingen aan het college die nodig zijn voor het bepalen van een passende voorziening en het naar vermogen meewerken en deelnemen aan de aangeboden voorziening; b. na te laten hetgeen de realisatie van het traject belemmert; c.
na te laten hetgeen de inschakeling in de arbeid belemmert; d. het onmiddellijk aan het college melden indien door ziekte dan wel door andere omstandigheden (tijdelijk) niet aan een of meer verplichtingen ingevolge deze verordening kan worden voldaan; e. het meewerken aan begeleiding en controle bij ziekteverzuim. 2. Indien in de persoon gelegen problemen aan arbeidsinschakeling in de weg staan, kan deze persoon worden verplicht zich te onderwerpen aan een noodzakelijke behandeling van medische aard. Het college vraagt hierbij advies aan een arts. 3. Indien de schuldsituatie van een persoon naar het oordeel van het college de participatie belemmert en de persoon niet vrijwillig meewerkt kan de persoon worden verplicht mee te werken aan een schuldhulpverleningstraject. 4. Indien het voor deelname aan een traject of voor participatie noodzakelijk is dat de persoon zijn kind(eren) laat opvangen, kan deze persoon een inspanningsverplichting worden opgelegd om direct passende kinderopvang te regelen.
Hoofdstuk 3. Voorzieningen Artikel 10. Preventie 1. Het college zet preventieve ondersteuning en/of activiteiten in ter voorkoming van een uitkering, vroegtijdig schooluitval en/of problematische schulden. 2. Preventie wordt bij voorkeur uitgevoerd in eigen beheer of via samenwerking met ketenpartners. Artikel 11. Onderzoek en diagnose 1. Gelet op de artikelen 3, tweede en derde lid, en 5 van deze verordening kan het college onderzoek verrichten voor het verkrijgen van inzicht in de relevante kennis, kwaliteiten, mogelijkheden, beperkingen en belemmeringen van de belanghebbende om de mogelijkheden van arbeidsinschakeling te bepalen. 2. De wijze waarop het onderzoek plaatsvindt, wordt bepaald door het college en kan bestaan uit het verrichten van door het college opgelegde activiteiten. Artikel 12. Bemiddeling naar werk 1. Het college kan een persoon met een korte afstand tot de arbeidsmarkt bemiddelen op een concreet baanaanbod. Artikel 13. Sollicitatietraining 1. Het college kan aan de belanghebbende een training aanbieden die de sollicitatievaardigheden bevordert en de re-integratie op de arbeidsmarkt ondersteunt. Artikel 14. Assessment 1. Het college kan aan de belanghebbende een assessment aanbieden. Het doel van het assessment is de vaardigheden, kwaliteiten en specifieke kansen op de arbeidsmarkt van een persoon in kaart te brengen.
Middels het verrichten van onbetaalde arbeid inzicht verkrijgen in de mogelijkheden van de belanghebbende. Artikel 15. Werkfittraject 1. Het college kan aan een persoon met een grote afstand tot de arbeidsmarkt een traject aanbieden dat is gericht op het werkfit maken. 2. Een werkfittraject kan worden ingezet als voorbereiding op bemiddeling naar werk. 3. Het doel van een werkfittraject is: a. het versterken van de werknemersvaardigheden; b. het verbeteren van persoonlijke effectiviteit; c. het verkennen van de arbeidsmarkt.
4. Bij een werkfittraject wordt gebruik gemaakt van verschillende technieken en modules zoals: aanleren arbeidsritme, assertiviteitstrainingen, empowerment, leren omgaan met beperkingen, versterken fysieke- en/of psychische fitheid, beroepskeuzeadvies, vaktrainingen, competentietesten en/of snuffelstages. Artikel 16. Maatschappelijke participatietraject 1. Het college kan aan een persoon met een grote afstand tot de arbeidsmarkt een traject aanbieden dat is gericht op maatschappelijke participatie. 2. Het doel van het maatschappelijke participatie traject is: a. het verminderen dan wel opheffen van de in de persoon of diens sociale omgeving gelegen belemmeringen die participatie bemoeilijken; b. het verbeteren van zelfstandige maatschappelijke participatie; of c. toeleiding naar een werkfittraject of bemiddeling naar werk. 3. Bij een maatschappelijke participatietraject wordt gebruik gemaakt van verschillende activiteiten zoals coaching, (groeps-)trainingen, hulpverleningsactiviteiten, herstelbegeleiding en het uitvoeren van (maatschappelijk nuttige) activiteiten. Artikel 17. Sociale activering 1. Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep activiteiten aanbieden in het kader van sociale activering voor zover de mogelijkheid bestaat dat hij op enig moment algemeen geaccepteerde arbeid kan verkrijgen. 2.
Het college stemt de duur van de in het eerste lid bedoelde activiteiten af op de mogelijkheden en capaciteiten van die persoon. Artikel 18. Werkstage 1. Het college kan een persoon een werkstage gericht op arbeidsinschakeling aanbieden als deze: a. behoort tot de doelgroep; en b. nog niet actief is geweest op de arbeidsmarkt of een afstand tot de arbeidsmarkt heeft door langdurige werkloosheid. 2. Het doel van een werkstage is het opdoen van werkervaring of het leren functioneren in een arbeidsrelatie waarbij het gaat om onbeloonde additionele werkzaamheden, gedurende maximaal zes maanden. 3. In een schriftelijke overeenkomst wordt in ieder geval vastgelegd: a. de duur van de werkstage; en b. het doel van de werkstage; en c. de wijze waarop de begeleiding plaatsvindt.
4. De periode als bedoeld in het tweede lid kan worden verlengd voor een periode van maximaal zes maanden, indien de doelen nog niet zijn bereikt, maar de inzet van deze voorziening vooruitgang laat zien. Artikel 19. Participatieplaats 1. Het college kan een persoon van 27 jaar of ouder met een grote afstand tot de arbeidsmarkt met recht op algemene bijstand overeenkomstig artikel 10a van de wet onbeloonde additionele werkzaamheden laten verrichten. 2. Het college zorgt ervoor dat de te verrichten additionele werkzaamheden worden vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst die wordt ondertekend door het college, de werkgever en de persoon die de additionele werkzaamheden gaat verrichten. 3. Voor zover de belanghebbende, zoals bedoeld in artikel 10a, vijfde lid van de wet niet beschikt over een startkwalificatie wordt binnen zes maanden na aanvang van de participatieplaats bekeken in hoeverre scholing of opleiding kan bijdragen aan vergroting van de kans op inschakeling in het arbeidsproces. 4. De premie, bedoeld in artikel 10a, zesde lid, van de wet bedraagt € 300,- per zes maanden, mits in die zes maanden voldoende is meegewerkt aan het vergroten van de kans op inschakeling in het arbeidsproces en de werkzaamheden op de participatieplaats gedurende zes maanden niet langer dan één kalendermaand onderbroken zijn geweest. Artikel 20. Proefplaats 1.
Het college kan, als dit door hem noodzakelijk wordt geacht, een persoon als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder a, van de wet die algemene bijstand ontvangt, toestemming verlenen om op een proefplaats bij een werkgever voor de duur van twee maanden onbeloonde werkzaamheden te verrichten met behoud van uitkering. 2. Het doel van een proefplaatsing is het voor een beperkte duur opdoen van werkervaring in een specifieke functie en uitval na aanvang van het dienstverband te voorkomen. Tevens is het doel de inschakeling van de persoon in arbeid bij een werkgever te bevorderen, waarbij de proefplaats voor een zo beperkt mogelijke duur wordt ingezet. 3. De proefplaats wordt vastgelegd in een proefplaatsovereenkomst, waarin de werkgever verklaart de intentie te hebben om belanghebbende aansluitend op de proefplaats, bij gebleken geschiktheid, direct aansluitend aan zijn proefplaatsing, voor minimaal zes maanden, zonder proeftijd, een dienstbetrekking aan te bieden. 4. Het college maakt geen gebruik van de wettelijke mogelijkheid de periode als bedoeld in het eerste lid, met maximaal vier maanden te verlengen. 5. Voor een proefplaats wordt uitsluitend toestemming verleend als:
a. de persoon, gelet op zijn vaardigheden en capaciteiten, tot de werkzaamheden in staat is; b. het college verwacht dat de plaatsing bijdraagt aan het vergroten van de kans op arbeidsinschakeling; c. de werkzaamheden van de persoon niet al eerder onbeloond door hem bij die werkgever, of diens rechtsvoorganger, zijn verricht. 6. Het college weigert de toestemming, bedoeld in het eerste lid, als redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de persoon ook zonder proefplaatsing kan worden aangenomen voor dat werk of als direct na de proefplaatsing sprake is van een dienstverband met forfaitaire loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d, vijfde lid, van de wet. 7. Als de werkzaamheden op de proefplaats wegens ziekte worden onderbroken, dan wordt deze periode voor de toepassing van de maximale periode, bedoeld in het eerste lid, buiten beschouwing gelaten. 8. Het college kan een persoon op een proefplaats persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen toekennen overeenkomstig de bepalingen van Hoofdstuk 4. Artikel 21. Detacheringsbaan 1. Het college kan door detachering zorgen voor toeleiding naar een dienstverband met een werkgever, gericht op arbeidsinschakeling. 2. De werknemer wordt voor het verrichten van arbeid gedetacheerd bij een onderneming waarbij de intentie van de ondernemer is om met de werknemer een duurzame relatie aan te gaan.
De detachering wordt vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst tussen zowel de werkgever en inlenende organisatie als tussen de werknemer en inlenende organisatie. 3. De werknemer wordt niet vaker dan één keer bij dezelfde werkgever geplaatst op een detacheringsbaan. Artikel 22. Traject naar zelfstandig beroep of bedrijf 1. Om te bepalen of een uitkeringsgerechtigde de potentie heeft om volledig te voorzien in het levensonderhoud door middel van uitoefening van een zelfstandig beroep of bedrijf, kan na toestemming van het college een ondernemersbeoordeling worden uitgevoerd. 2. Aan een uitkeringsgerechtigde als bedoeld in eerste lid moet ook worden verstaan een persoon die een uitkering ontvangt op grond van de IOAW of IOAZ. 3. Indien uit de ondernemersbeoordeling blijkt dat de uitkeringsgerechtigde via een zelfstandig beroep of bedrijf volledig in het levensonderhoud zou kunnen voorzien, kan een traject naar zelfstandig beroep of bedrijf worden aangeboden. 4. In afwijking van het eerste en tweede lid, kan het traject naar zelfstandig beroep ook worden aangeboden aan een niet-uitkeringsgerechtigde indien hij/zij in de
omstandigheden verkeert als bedoeld in artikel 11, eerste lid van de wet, artikel 5, eerste lid IOAW en artikel 5, eerste lid IOAZ en hij/zij een concrete mogelijkheid heeft om direct door te stromen naar een zelfstandig beroep of bedrijf zonder dat toekenning van een uitkering op grond van voornoemde wetten noodzakelijk is. 5. De ondernemersbeoordeling en het traject, of onderdelen daarvan, worden gezien als re-integratie voor zover de kosten niet kunnen worden gedekt uit rijksmiddelen ten behoeve van uitvoering van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004. Artikel 23. Persoonsgebonden re-integratiebudget 1. Het college kan aan een inwoner een persoonsgebonden re-integratiebudget toekennen, indien: a. de persoon minimaal zes maanden niet heeft gewerkt; b. de persoon in staat wordt geacht zelf een trajectplan op te stellen en uit te voeren en het budget te beheren, ondersteund door een professional; c. inzet van het persoonsgebonden re-integratiebudget uitstroom naar algemeen geaccepteerde arbeid, in maximaal twaalf maanden, tot doel heeft. 2. Het persoonsgebonden re-integratiebudget kan slechts worden ingezet indien andere instrumenten, die direct beschikbaar zijn voor werkzoekenden uit MiddenDelfland, niet passend zijn naar oordeel van het college. 3. Het persoonsgebonden re-integratiebudget dient uitsluitend tot inkoop van reintegratieactiviteiten. 4.
Het trajectplan, als bedoeld in het eerste lid, onder b, bevat de activiteiten die de persoon wil inkopen en tot welk doel de activiteiten gaan leiden. 5. Indien de kosten van het trajectplan meer bedragen dan € 1.000,- is goedkeuring van de teamleider Uitvoering vereist alvorens het trajectplan uitgevoerd mag worden. Artikel 24. Scholing 1. Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep een scholingstraject aanbieden. 2. Een scholingstraject voldoet in ieder geval aan de volgende eisen: a. de duur van de scholing is maximaal 2 jaar; b. de scholing is noodzakelijk voor de kortste weg naar arbeidsinschakeling; en c. scholing moet bijdragen aan het versterken van de arbeidsmarktpositie; d. scholing leidt tot het behalen van een praktijkverklaring, (deel)certificaat of erkend diploma;
e. de scholing wordt niet ingezet indien een persoon in de twee jaar voorafgaand aan het verzoek om scholing al met succes een beroepsgerichte scholing heeft afgerond. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op personen jonger dan 27 jaar die uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs kunnen volgen als bedoeld in artikel 7, derde lid, onderdeel a, van de wet. 4. Indien de kosten voor de scholing meer bedragen dan € 1.000,- is goedkeuring van de teamleider Uitvoering vereist alvorens de scholing kan worden ingezet. Artikel 25. Voorzieningen ter bevordering van de Nederlandse Taal 1. Het college kan aan een persoon, ten aanzien van wie het redelijk vermoeden bestaat dat hij niet of niet in voldoende mate de Nederlandse taal beheerst, en dit noodzakelijk is voor het naar vermogen verkrijgen, aanvaarden en behouden van algemeen geaccepteerde arbeid of voor het vergroten van de participatie, voorzieningen aanbieden ter bevordering van de Nederlandse taal. 2. De voorzieningen als bedoeld in het eerste lid zijn gericht op taalbeheersing en kunnen bestaan uit scholing, sociale activering, (groeps-)training, een werkstage en/of worden geïntegreerd in een maatschappelijk- en werkfittraject. Artikel 26. Ondersteuning bij leer-werktraject 1. Het college kan, overeenkomstig artikel 10f van de wet, ondersteuning aanbieden bij leerwerktrajecten.
De ondersteuning is gericht op extra begeleiding op of naar een leer-werktraject om uitval te voorkomen. Het betreft personen van wie het college van oordeel is dat een leer-werktraject nodig is en personen: a. van zestien of zeventien jaar van wie de leerplicht of de kwalificatieplicht, bedoeld in de Leerplichtwet 1969, nog niet is geëindigd; of b. van achttien tot 27 jaar die nog geen startkwalificatie hebben behaald. Artikel 27. Persoonlijke ondersteuning bij werk (ter ondersteuning van personen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt) 1. Het college kan persoonlijke ondersteuning, in de vorm van jobcoaching of een subsidie voor een intern werkbegeleider, aanbieden ten behoeve van een persoon met een grote afstand tot de arbeidsmarkt, die een dienstbetrekking aangaat, en: a. de inzet van jobcoaching of de intern werkbegeleider naar het oordeel van het college noodzakelijk is om de dienstbetrekking te verkrijgen en/of te behouden; b. de persoon voorafgaand aan de dienstbetrekking een uitkering ontvangt op grond van de wet; 2. De in het eerste lid genoemde ondersteuning kan ook worden aangeboden met het oog op het verrichten van werkzaamheden, anders dan in dienstverband, zoals bij een proefplaats of een leer-werktraject.
3. Persoonlijke ondersteuning bij werk of de subsidie voor een intern werkbegeleider als bedoeld in het eerste lid wordt verstrekt overeenkomstig de bepalingen van Hoofdstuk 4 Specifieke bepalingen doelgroep Breed offensief Artikel 28. Beschut werk 1. Het college biedt de dienstbetrekking beschut werk aan een persoon, als bedoeld in artikel 10b van de wet, van wie is vastgesteld dat deze alleen in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft. 2. Om de in artikel 10b, eerste lid, van de wet, bedoelde werkzaamheden mogelijk te maken kan het college de volgende ondersteunende voorzieningen inzetten: fysieke aanpassingen van de werkplek of de werkomgeving, uitsplitsing van taken of aanpassingen in de wijze van werkbegeleiding, werktempo of arbeidsduur. 3. Het aanbod als bedoeld in het eerste lid geldt tot het aantal, bij ministeriële regeling, geraamde beschut werkplekken in dat jaar is gerealiseerd. 4. Bovenop het aantal beschut werkplekken als bedoeld in het derde lid kan het college extra dienstbetrekkingen beschut werk realiseren. 5. Het aantal en de omvang van de extra dienstbetrekkingen beschut werk wordt door het college bepaald. 6. Indien er meer personen met een indicatie beschut werk zijn dan het aantal beschikbare beschutte werkplekken, beheert het college een wachtlijst beschut werk. 7.
Om te bepalen aan welke personen op de wachtlijst het college een dienstbetrekking beschut werk aanbiedt, geldt de volgorde van plaatsing op de wachtlijst, waarbij de datum waarop het UWV een advies beschut werk heeft afgegeven, bepalend is. 8. Het college kan aan personen van wie is vastgesteld dat zij uitsluitend in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben, tot het moment van aanvang van de dienstbetrekking, bedoeld in artikel 10b, eerste lid, van de wet, daarnaast de volgende voorzieningen aanbieden: a. sociale activering als bedoeld in artikel 17; b. werkstage als bedoel in artikel 18; c. scholing als bedoeld in artikel 24; d. persoonlijke ondersteuning als bedoeld in artikel 36; e. schuldhulpverlening als bedoeld in de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening.
9. Alleen wanneer de voorzieningen als bedoeld in het achtste lid geen uitkomst bieden kan (arbeidsmatige) dagbesteding worden ingezet. 10. Het college stimuleert zoveel mogelijk de doorstroom van een belanghebbende met een dienstverband beschut werk naar een dienstbetrekking in het kader van de banenafspraak of een reguliere dienstbetrekking. 11. Het college kan, indien blijkt dat de belanghebbende zich niet kan ontwikkelen naar regulier werk, het dienstverband omzetten in een vast dienstverband. Artikel 29. Begeleiding en nazorg 1. Begeleiding is het onderhouden van contact met de deelnemer tijdens diens traject met als doel de voortgang van de participatieactiviteiten en succesvolle participatie te bevorderen. 2. Nazorg is het onderhouden van contact met de deelnemer die maximaal zes maanden geleden een traject heeft beëindigd wegens werkaanvaarding. 3. Begeleiding en nazorg kunnen onderdeel zijn van een traject, maar kunnen ook als losse participatievoorziening of als aanvulling op een traject worden aangeboden. Artikel 30. Loonkostensubsidie kwetsbare werknemers 1. Het college kan een loonkostensubsidie, anders dan de loonkostensubsidie bedoeld in hoofdstuk 4, verstrekken aan een werkgever die met een kwetsbare werknemer een arbeidsovereenkomst sluit. 2.
De loonkostensubsidie, bedoeld in het eerste lid, bedraagt ten hoogste 50 procent van het wettelijk minimumloon gedurende maximaal 6 maanden. 3. Onder kwetsbare werknemer wordt verstaan de persoon die voorafgaand aan de indienstneming gedurende minimaal 12 maanden geen betaalde betrekking heeft gevonden en waarvan de verwachting bestaat dat deze persoon op korte termijn zonder de ondersteuning van een loonkostensubsidie geen betaalde baan kan vinden, die zorgt voor duurzame (volledige of partiele) uitstroom uit de bijstand. Indien de verwachting is dat iemand na de voor de functie gebruikelijke inwerktijd functioneert zoals verwacht of als de verwachting is dat de persoon door krapte op de arbeidsmarkt ook zonder subsidie zou worden aangenomen wordt de subsidie niet toegekend. 4. De loonkostensubsidie wordt niet verstrekt als de werkgever op grond van een andere regeling aanspraak maakt op financiële tegemoetkomingen in verband met de indiensttreding van de werknemer Artikel 31. Werkgeverscheque 1. Het college kan een werkgeverscheque verstrekken aan een werkgever die een arbeidsovereenkomst sluit met een persoon met een grote afstand tot de arbeidsmarkt.
2. De werkgeverscheque betreft een subsidie en is bedoeld als een tegemoetkoming in de loonkosten. 3. De werkgeverscheque kan worden aangevraagd voor een uitkeringsgerechtigde die: a. Nog niet bij de werkgever in dienst is; b. Niet eerder bij de werkgever in dienst is geweest; en c. Geen andere inkomsten uit arbeid heeft. 4. De werkgeverscheque wordt niet verstrekt als de werkgever op grond van een andere regeling aanspraak maakt op financiële tegemoetkomingen in verband met de indiensttreding van de werknemer. 5. De voorwaarden voor de werkgeverscheque zijn, voor zover niet vastgelegd in deze verordening, nader uitgewerkt in de instrumentengids Dennis. Artikel 32. Werknemerscheque 1. Het college kan als tegemoetkoming bij aantoonbare noodzakelijke kosten volgend uit re-integratie aan de belanghebbende een kostenvergoeding verstrekken. 2. In aanvulling op het eerste lid wordt de tegemoetkoming alleen verstrekt indien hiervoor geen beroep kan worden gedaan op andere vergoedingen en de kosten naar het oordeel van het college noodzakelijk zijn. Artikel 33. Leerwerkcheque 1.
Het college kan ten behoeve van jongeren tot 27 jaar voor de duur van maximaal zes maanden een vergoeding verstrekken op basis van een leerwerkovereenkomst, of een beroepspraktijkovereenkomst in het kader van een beroepsbegeleidende leerweg, als het een leerling betreft die werkzaam is bij een bedrijf en daarnaast een opleiding volgt. 2. Het college kan de duur van de vergoeding met maximaal zes maanden verlengen, indien deze wordt verstrekt in het kader van een beroepsbegeleidende leerweg.
Hoofdstuk 4. Specifieke bepalingen doelgroep Breed offensief Artikel 34. Voorwaarden specifieke voorzieningen voor personen met een arbeidsbeperking 1. Het college kan één of meerdere specifieke voorzieningen inzetten ten behoeve van een persoon met een arbeidsbeperking. 2. Onverminderd het bepaalde in de artikelen 6 en 7 gelden de volgende aanvullende voorwaarden: a. de persoon is minimaal achttien jaar oud, tenzij hij PRO/VSO onderwijs heeft genoten; b. de persoon kan zonder deze vorm van ondersteuning niet aan het arbeidsproces deelnemen; c. het betreft geen Arbo-taak waarvoor de werkgever verantwoordelijk is; d. het betreft geen meeneembare voorziening die tot de standaarduitrusting van de werkgever behoort of algemeen gebruikelijk is in een organisatie; e. er is naar het oordeel van het college geen sprake van een werkplekaanpassing die in zijn algemeenheid van de werkgever kan worden verlangd; en f.
de kosten van de voorziening(en) zijn naar het oordeel van het college proportioneel, dat wil zeggen dat de investering in de voorziening moet opwegen tegen de (maatschappelijke) opbrengsten van uitstroom naar werk.
3. Het college kan zich met betrekking tot de noodzaak voor een specifieke voorziening laten adviseren door een (arbeids-)deskundige.
Artikel 35. Specifiek aanvraagproces loonkostensubsidie 1. Het college verstrekt overeenkomstig artikel 10d, van de wet, ambtshalve of op aanvraag, loonkostensubsidie aan de werkgever die voornemens is een dienstbetrekking aan te gaan met een persoon die behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie. 2. Het college bevestigt de ontvangst van de aanvraag schriftelijk aan de werkgever, of als de aanvraag wordt gedaan door de persoon, aan de werkgever en de persoon. 3. Een aanvraag voor loonkostensubsidie wordt, als het een persoon betreft die nog niet behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie, ook beschouwd als een aanvraag om vast te stellen of de persoon behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie, bedoeld in artikel 10c, eerste lid, onder a, van de wet.
4. Indien een aanvraag is gedaan na het begin van de dienstbetrekking voor een persoon als bedoeld in artikel 10d, tweede lid, van de wet, wordt de vaststelling of de persoon behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie bepaald door middel van de Praktijkroute. 5. Het college stelt binnen 6 weken na ontvangst van de aanvraag de loonwaarde vast, tenzij in overleg met de werkgever toepassing wordt gegeven aan artikel 10d, vijfde lid, van de wet. 6. Het college neemt bij het verstrekken van de loonkostensubsidie het preferente proces loonkostensubsidie in acht.
Artikel 36. Persoonlijke ondersteuning bij werk (ter ondersteuning van personen met een arbeidsbeperking) 1. Het college kan persoonlijke ondersteuning, in de vorm van jobcoaching, aanbieden ten behoeve van een persoon met een arbeidsbeperking, indien deze persoon zonder die ondersteuning zijn werkzaamheden niet (naar behoren) zou kunnen uitvoeren. 2. De aanvraag voor persoonlijke ondersteuning moet binnen zes maanden na de ingangsdatum van de dienstbetrekking zijn ontvangen, tenzij voorafgaand aan of op het moment van aanvang van het dienstverband de noodzaak voor die ondersteuning redelijkerwijs nog niet bekend kon zijn. 3. Het college kan de voorziening als volgt verstrekken: a. in natura, door middel van inzet van een jobcoach die werkzaam is in een dienstverband of in opdracht van het college; b. in natura, door middel van inzet van een jobcoach die werkzaam is in een dienstverband of in opdracht van een overheidsorgaan waarbij de voorziening is ingekocht; c. als subsidie in de vorm van een jobcoachcheque aan de werkgever of jobcoachorganisatie. 4. Als de gemeente een of meer jobcoaches zelf in dienst of gecontracteerd heeft, biedt het college deze bij voorrang aan. 5. De subsidie als bedoeld in het derde lid sub c kan worden verleend als: a.
de jobcoaching, bestaande uit een individueel trainings- of inwerkprogramma en een systematische begeleiding van de persoon behorend tot de doelgroep, gericht op het kunnen uitvoeren van de aan hem opgedragen taken, wordt geborgd door middel van een coachingsplan; b. de omvang van de georganiseerde jobcoaching passend is; c. de continuïteit van de jobcoaching geborgd is; en
d. de persoon voor wie de subsidie wordt gevraagd daarvan op de hoogte is en schriftelijk instemt met het organiseren van jobcoaching door de werkgever. 6. Voor de subsidie in de vorm van een jobcoachcheque als bedoeld in het derde lid sub c hanteert het college een maximumtarief per uur dat toereikend is voor de organisatie van jobcoaching. Het college maakt dit maximumtarief jaarlijks bekend. 7. De intensiteit van de persoonlijke ondersteuning wordt afgestemd op de behoefte van de werknemer. 8. De voorwaarden voor de persoonlijke ondersteuning zijn, voor zover niet vastgelegd in deze verordening, nader uitgewerkt in de instrumentengids Dennis. 9. Het college kan van de in het achtste lid voorwaarden afwijken voor zover toepassing daarvan, gelet op het belang dat beoogt te worden beschermd, leidt tot onbillijkheid van overwegende aard. 10. Een jobcoach die persoonlijke ondersteuning bij werk verzorgt moet in het bezit zijn van: a. het keurmerk Register jobcoach van de beroepsvereniging Noloc; b. een Noloc geaccrediteerde jobcoachsopleiding volgen; c. of hiermee binnen een redelijke termijn starten. 11. Indien de persoonlijke ondersteuning wordt verstrekt als subsidie, als bedoeld in derde lid, onder c, is in afwijking van het achtste lid geen keurmerk Register jobcoach van de beroepsvereniging Noloc nodig.
Bij deze vorm van persoonlijke ondersteuning geeft het college voorkeur aan een jobcoach in dienst bij een werkgever of jobcoachorganisatie die beschikt over het Blik op Werk-keurmerk of het OVAL-keurmerk. 12. Indien een jobcoach als bedoeld in het tiende lid niet over een (h)erkende kwaliteitsstandaard beschikt, gaat de gemeente in overleg om minimale waarborgen af te spreken. 13. Een jobcoach als bedoeld in het tiende lid mag geen directe collega of leidinggevende van de werknemer zijn. 14. Een jobcoach als bedoeld in het tiende lid moet voor een deel van zijn werkuren vrijgesteld zijn om de begeleiding op zich te kunnen nemen; 15. Voordat het college de jobcoaching beëindigt verricht het college onderzoek. Wanneer de beëindiging plaatsvindt met instemming van de werkgever en de werknemer kan het college van dit onderzoek afzien. 16. Indien de werknemer van werkplek of functie wijzigt, kan opnieuw persoonlijke ondersteuning worden toegekend mits dit naar het oordeel van het college noodzakelijk wordt geacht.
17. Met instemming van de werkgever en de werknemer voor wie de subsidie wordt verleend, kan de jobcoach mede: a. ondersteuning geven gericht op het vinden van werk; of b. integrale ondersteuning geven bij de overgang van werk naar werk en van werk naar onderwijs. 18. Het college kan indien de maximale duur van de jobcoach is bereikt, in bijzondere gevallen aansluitend persoonlijke ondersteuning in de vorm van een werkbegeleider toekennen, mits dit naar het oordeel van het college noodzakelijk is. 19. De in het eerste lid genoemde ondersteuning kan ook worden aangeboden bij andere voorzieningen, anders dan in dienstverband, gericht op arbeidsinschakeling, zoals bij een proefplaats, een leer-werktraject of een BBLtraject. De voorwaarden zoals neergelegd in het tweede tot en met het achttiende lid van dit artikel zijn van toepassing. Artikel 37. Aanvraagprocedure persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen 1. Een aanvraag om persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen kan bij het college worden ingediend door de persoon of zijn werkgever. Het college kan hiervoor een aanvraagformulier vaststellen. 2. Het college bevestigt de ontvangst van de aanvraag schriftelijk aan de werkgever, of als de aanvraag wordt gedaan door de persoon aan de werkgever en de belanghebbende. 3.
Het college onderzoekt en besluit, zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen 8 weken na de aanvraag, de mogelijkheden en ondersteuningsbehoefte van de persoon. Een afschrift van het besluit wordt toegezonden aan de persoon en zijn of haar werkgever. 4. Het college kan een deskundig oordeel en advies inwinnen, als de beoordeling van een aanvraag dit vereist. 5. Het college bepaalt na overleg met de persoon, en indien van toepassing met de werkgever, welke ondersteuning of voorziening(en) het beste kunnen bijdragen aan de arbeidsinschakeling. 6. Het college onderzoekt, voor zover nodig en gelet op de omstandigheden van de persoon, in daartoe voorkomende gevallen de mogelijkheden om door samenwerking met andere partijen, onder meer op het gebied van (publieke) gezondheid, jeugdhulp, maatschappelijke ondersteuning, onderwijs, schuldhulpverlening, welzijn en wonen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde integrale dienstverlening met het oog op de arbeidsinschakeling, bedoeld in artikel 8a, tweede lid, onder g, onderdeel 1, of de wijze van voortgezette persoonlijke ondersteuning, bedoeld in artikel 8a, tweede lid, onder g, onderdeel 2, van de wet.
Artikel 38. Inhoud beschikking persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen 1. Het college geeft in een beschikking tot toekenning van persoonlijke ondersteuning of een overige voorziening in ieder geval aan: a. welke persoonlijke ondersteuning of overige voorziening wordt verstrekt; b. als subsidie wordt verstrekt, wat de omvang is van het subsidiebedrag; c. de duur en intensiteit van de ondersteuning; d. de ingangsdatum van de ondersteuning of overige voorziening; e. als de verstrekking afwijkt van wat is aangevraagd, wat de reden is van afwijking; en f.
voor zover van toepassing, welke andere ondersteuning of voorziening relevant is, of kan zijn, waaronder de wijze waarop de persoon integraal kan worden ondersteund.
2. Het college geeft in een beschikking tot afwijzing van persoonlijke ondersteuning of een overige voorziening op grond van het feit dat er een voorliggende voorziening bestaat, in ieder geval aan welke voorziening dit betreft. Artikel 39. Interne werkbegeleiding 1. Als een persoon uit de doelgroep voor het kunnen verrichten van werk is aangewezen op begeleiding die de gebruikelijke begeleiding door de werkgever en andere werknemers aanzienlijk te boven gaat, kan het college een subsidie verlenen aan de werkgever voor de aangetoonde meerkosten die verbonden zijn aan het organiseren van de interne werkbegeleiding. 2. De subsidie voor een intern werkbegeleider wordt uitsluitend verleend indien de noodzaak hiertoe is gebleken uit een objectieve loonwaardemeting. 3. Het college kan aan de werkgever ambtshalve of op aanvraag een training aanbieden voor een of meer medewerkers om hen in staat te stellen aan personen behorende tot de doelgroep interne werkbegeleiding te bieden. 4. In geval van een subsidieaanvraag voor een werkbegeleider verklaart de werkgever dat de door de werkgever beoogde werkbegeleider: a. de intern werkbegeleider een training heeft gevolgd, die hem in staat stelt werkbegeleiding te bieden aan een persoon met een arbeidsbeperking; b. aantoonbaar ervaring heeft met het geven van werkinstructies; c.
aantoonbaar kennis heeft van de werkzaamheden die de werknemer moet uitvoeren; d. voor een deel van zijn werkuren vrijgesteld is om de begeleiding op zich te kunnen nemen;
e. meer dan de gebruikelijke werkbegeleiding op de werkplek biedt, waardoor de werknemer in staat is zijn werkzaamheden uit te voeren; en f.
Geen leidinggevende van de werknemer is.
5. De subsidie voor een intern werkbegeleider wordt afgestemd op de behoefte van de werknemer, maar bedraagt maximaal zes maanden. 6. Indien de werknemer, na de periode als bedoeld in het vijfde lid, nog niet in staat is zijn werkzaamheden, zonder ondersteuning van een intern werkbegeleider te verrichten, kan deze eenmalig worden verlengd met een periode van maximaal zes maanden. 7. De voorwaarden voor deze voorziening zijn, voor zover niet vastgelegd in deze verordening, nader uitgewerkt in de instrumentengids Dennis. Artikel 40. Specifieke voorwaarden toekenning vervoersvoorziening 1. Het college kan een vervoersvoorziening toekennen aan een persoon die door zijn beperking niet zelfstandig naar zijn werkplek, voorziening of opleidingslocatie kan reizen. 2. Het college biedt een vervoersvoorziening aan als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: a. de persoon kan door zijn beperking niet zelfstandig reizen of gebruik maken van het openbaar vervoer; b. de noodzaak voor aangepast vervoer is vastgelegd door een (arbeids)deskundige; c. geen aanspraak gemaakt kan worden op een voorliggende voorziening; en d. het vervoer is beperkt tot woon-werkverkeer. 3. De vervoersvoorziening wordt bij voorkeur verstrekt in de vorm van natura, door inzet van een passend vervoersmiddel (al dan niet groepsvervoer). 4.
Bij het vaststellen van de hoogte van de kilometervergoeding en algemeen gebruikelijke kosten woon-werkverkeer per kilometer wordt aangesloten bij de het Besluit Normbedragen Voorzieningen UWV. 5. De hoogte van de vergoeding hangt af van het aantal dagen dat moet worden gewerkt. 6. Het college brengt een eventueel bedrag voor reiskosten of een vervoersvoorziening van de werkgever aan de werknemer in mindering op de te verstrekken vervoersvoorziening. 7. Het college legt een eigen bijdrage op en volgt daarbij de bepalingen over algemeen gebruikelijke kosten woon-werkverkeer in het Besluit Normbedragen Voorzieningen UWV.
8. 9. Tot een persoon als bedoeld in het eerste lid behoort tevens een leerling van het praktijkonderwijs of speciaal onderwijs waarvan wordt vermoed dat hij alleen in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft, indien: a. er sprake is van een stageovereenkomst voor tenminste 12 uur per week; b. de persoon niet in staat is zelfstandig van en naar zijn stageplek te reizen hij/zij dit naar het oordeel van school niet kan leren; c. geen aanspraak gemaakt kan maken op een voorliggende voorziening. 10. Indien de persoon als bedoeld in het achtste lid nog niet zelfstandig kan reizen maar dit naar het oordeel van school wel kan leren kan het college een vergoeding voor de gemaakte reiskosten verstrekken: a. voor de kosten van begeleiding door ouders/ volwassenen wanneer (nog) geen gebruik kan worden gemaakt van de gratis OV begeleiderskaart; b. voor de kosten van OV/ fietsmaatje. Artikel 41. Specifieke voorwaarden noodzakelijke intermediaire activiteit bij motorische handicap 1. Het college kan een hulpmiddel toekennen dat gericht is op de vervanging of ondersteuning van een door ziekte of gebrek geheel of gedeeltelijk ontbrekende motorische lichaamsfunctie. 2. De voorwaarden waaronder deze voorziening kan worden ingezet zijn, voor zover niet vastgelegd in deze verordening, nader uitgewerkt in instrumentengids Dennis.
Artikel 42. Specifieke voorwaarden meeneembare voorzieningen 1. Het college kan een meeneembare voorziening toekennen, als dit nodig is voor de persoon om te kunnen werken. 2. Er is geen limitatieve lijst van voorzieningen. In principe kan elk product als een meeneembare voorziening worden beschouwd als de noodzaak en meerwaarde in de werksfeer aantoonbaar is. 3. De meeneembare voorziening wordt in principe in bruikleen beschikbaar gesteld. In bijzondere gevallen kan het college besluiten de voorziening in eigendom te verstrekken. 4. De voorwaarden waaronder deze voorziening kan worden ingezet zijn, voor zover niet vastgelegd in deze verordening, nader uitgewerkt in instrumentengids Dennis.
Artikel 43. Specifieke voorwaarden werkplekaanpassingen 1. Het college kan een aanpassing van de werkplek vergoeden ten behoeve van een persoon met een structurele functionele beperking als gevolg van een ziekte of handicap, indien: a. deze aanpassing naar het oordeel van het college noodzakelijk is voor het functioneren van de persoon; b. sprake is van een arbeidsovereenkomst met een minimale arbeidsduur van zes maanden; c. niet van de werkgever kan worden verwacht dat hij deze kosten voor zijn rekening neemt. 2. Het college kan deze voorziening als volgt verstrekken: a. In natura, door het verstrekken van een opdracht voor de aanpassing van de werkplek; b. In de vorm van een subsidie aan de belanghebbende of diens werkgever. De hoogte van de subsidie bedraagt maximaal het in de markt reguliere tarief voor een werkplekaanpassing.
HOOFSTUK 5 Artikel 44.
SLOTBEPALINGEN Intrekken oude verordeningen en overgangsrecht
1. De ‘Re-integratieverordening Participatiewet gemeente Midden-Delfland 2015’ wordt ingetrokken. 2. Aanvragen op grond van de ‘Re-integratieverordening Participatiewet gemeente Midden-Delfland 2015’, die voor de inwerkingtreding van deze verordening zijn ingediend en waarop nog niet is beslist bij de inwerkingtreding van deze verordening, worden afgehandeld krachtens deze verordening, tenzij de bepalingen in de ‘Re-integratieverordening Participatiewet gemeente MiddenDelfland 2015’ voor de belanghebbende gunstiger zijn. 3. De belanghebbende houdt recht op lopende voorzieningen verstrekt op grond van de ‘Re-integratieverordening Participatiewet gemeente Midden-Delfland 2015’, die moet worden beëindigd op grond van deze verordening, voor zover wordt voldaan aan de voorwaarden uit de ‘Re-integratieverordening Participatiewet gemeente Midden-Delfland 2015’ voor de duur: a. van 12 maanden, gerekend vanaf de inwerkingtreding van deze verordening,; of b. dat deze is verstrekt, als dat korter is dan de periode, bedoeld in onderdeel a.
4. Het college kan na afloop van de in het derde lid, onderdeel a, bedoelde periode, besluiten of een voorziening in verband met een bijzondere individuele situatie wordt voortgezet. 5. De ‘Re-integratieverordening Participatiewet gemeente Midden-Delfland 2015’ blijft van toepassing ten aanzien van een voortgezette voorziening als bedoeld in het derde en vierde lid. Artikel 45.
Hardheidsclausule
Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de persoon afwijken van de bepalingen in deze verordening, indien toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. Artikel 46.
Inwerkingtreding en citeertitel
1. Deze verordening treedt met terugwerkende kracht in werking op 1 juli 2023. 2. Deze verordening wordt aangehaald als ‘Re-integratieverordening Participatiewet gemeente Midden-Delfland 2024’.
Toelichting Algemeen Er is gekozen voor een algemene, globale verordening. Dit heeft te maken met de aard van de opdracht die de raad heeft gekregen, te weten het bij verordening regels stellen waarin het beleid van de gemeente ten aanzien van haar re-integratietaak wordt neergelegd. Hieruit moet onder andere aandacht blijken voor de in de Participatiewet onderscheiden doelgroepen en de daarbinnen te onderscheiden subgroepen. Dit leent zich niet tot het formuleren van gedetailleerde regels die op iedere situatie van toepassing zijn. Immers, re-integratie is maatwerk. Het is afhankelijk van iemands mogelijkheden en beperkingen wat in het concrete geval een passend re-integratietraject is. Daarom wordt aan het college de bevoegdheid gegeven om op een aantal punten eigen afwegingen te maken. Artikel 10 van de Participatiewet bepaalt dat personen uit de doelgroep aanspraak hebben op ondersteuning bij de arbeidsinschakeling en de door het college noodzakelijk geachte voorzieningen. Het is daarbij van belang dat kenbaar is welke voorzieningen en ondersteuningsmogelijkheden er zijn. Daarom is ervoor gekozen in de verordening de voorzieningen vast te leggen die het college aanbiedt.
Met betrekking tot de volgende voorzieningen is de gemeenteraad verplicht om regels op te nemen in deze verordening: - persoonlijke ondersteuning bij het verrichten van opgedragen taken (artikelen 8a, eerste lid, onderdeel a, en tweede lid, onderdeel a en e, en 10, eerste lid, van de Participatiewet); - scholing of opleiding, als bedoeld in artikel 10a, vijfde lid, van de Participatiewet (artikel 8a, eerste lid, onderdeel c, en tweede lid, onderdeel b, van de Participatiewet); - de premie, bedoeld in artikel 10a, zesde lid, van de Participatiewet (artikel 8a, eerste lid, onderdeel d, en tweede lid, onderdeel b, van de Participatiewet); - participatievoorziening beschut werk, als bedoeld in artikel 10b van de Participatiewet (artikelen 8a, eerste lid, onderdeel e, en 10b, zevende lid, van de Participatiewet); - loonkostensubsidie, als bedoeld in artikel 10d, van de Participatiewet, voor zover het gaat om de vormgeving van het administratieve proces tot verstrekking hiervan (artikel 8a, tweede lid, onderdeel c, van de Participatiewet); - proefplaats (artikel 8a, tweede lid, onderdeel d, van de Participatiewet); - vervoersvoorziening, als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de Participatiewet, die ertoe strekt dat de persoon zijn werkplek, proefplaats of opleidingslocatie kan bereiken (artikel 8a, tweede lid, onderdeel f, van de Participatiewet); - intermediaire activiteit,
als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de Participatiewet, die noodzakelijk is in verband met een visuele of motorische handicap (artikel 8a, tweede lid, onderdeel f, van de Participatiewet); - meeneembare voorziening, als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de Participatiewet, voor de inrichting van de werkplek, de productie- en werkmethoden, de inrichting van de opleidingslocatie of de proefplaats en de bij het werk of opleiding te gebruiken hulpmiddelen (artikel 8a, tweede lid, onderdeel f, van de Participatiewet);
De regels dienen aandacht te besteden aan de wijze waarop, rekening houdende met de persoonlijke omstandigheden, ten behoeve van de doelgroep en doelgroep loonkostensubsidie, wordt voorzien in de integraliteit van de geboden ondersteuning bij de arbeidsinschakeling en de continuïteit van de geboden ondersteuning bij de overgang van onderwijs naar werk, van werk naar onderwijs en van werk naar werk (artikel 8a, eerste lid, onderdeel a en tweede lid, onderdelen a en g, en 10 eerste lid, van de Participatiewet). Aanpassingen naar aanleiding van wetswijziging ‘Breed offensief’ Bij brief van 7 september 2018 heeft de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid onder de noemer “Breed offensief” maatregelen aangekondigd om meer mensen met een arbeidsbeperking aan het werk te helpen. Voor een deel was daar een wetswijziging voor nodig. In de wet “Wijziging van de Participatiewet en enkele andere wetten in verband met het verbeteren van de regeling voor loonkostensubsidie en enkele andere wijzigingen (uitvoeren breed offensief)” is het juridisch raamwerk rondom deze maatregelen neergelegd. Het doel van de maatregelen is dat meer mensen met een arbeidsbeperking aan het werk komen en blijven. Het gaat om mensen met een beperking die niet zelfstandig het minimumloon kunnen verdienen en vallen onder de doelgroep banenafspraak of die zijn aangewezen op beschut werk.
De bij verordening te regelen uitwerking van deze maatregelen, opgenomen in artikel 8a, tweede lid, onder c tot en met g, van de Participatiewet, is neergelegd in hoofdstuk 4. Daarmee wordt het uit de wet voortvloeiende belang van het bieden van specifieke ondersteuning voor deze doelgroep duidelijk geborgd.
Artikelsgewijze toelichting Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Definities Begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet, de Algemene wet bestuursrecht (Awb) of de Gemeentewet worden niet afzonderlijk gedefinieerd in deze verordening. Deze zijn vanzelfsprekend van toepassing op deze verordening. Doelgroep De doelgroep wordt gevormd door personen zoals bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder a, van de Participatiewet. Het betreft: - personen die algemene bijstand ontvangen; - personen als bedoeld in de artikelen 34a, vijfde lid, onderdeel b, 35, vierde lid, onderdeel b, en 36, derde lid, onderdeel b, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (hierna: WIA) tot het moment dat het inkomen uit arbeid in dienstbetrekking gedurende twee aaneengesloten jaren ten minste het minimumloon bedraagt en ten behoeve van die persoon in die twee jaren geen loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d, van de Participatiewet is verleend; - personen als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de Participatiewet; - personen met een nabestaanden- of wezenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (hierna: ANW);
- personen met een uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (hierna: IOAW); - personen met een uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (hierna: IOAZ); - personen zonder uitkering; en, die voor de arbeidsinschakeling zijn aangewezen op een door het college aangeboden voorziening. Grote afstand tot de arbeidsmarkt Onder een grote afstand tot de arbeidsmarkt wordt verstaan dat een persoon redelijkerwijs niet binnen één jaar geschikt is voor deelname aan de arbeidsmarkt. Zie verder de toelichting bij artikel 2. Instrumentengids Dennis (regionale toolbox ) De wetgever heeft bepaald dat binnen elke arbeidsmarktregio een set aan basisvoorzieningen moet komen, voor ondersteuning aan werkgevers en werkzoekenden bij aanvaarding van werk. Binnen de arbeidsmarktregio Haaglanden is het geheel aan voorzieningen die aan werkgevers kunnen worden toegekend, geharmoniseerd in de instrumentengids Dennis (Externe link: https://instrumentengidsdennis.nl/instrumenten/). Hierbij is tevens de afstemming gezocht met de aangrenzende arbeidsmarktregio Zuid-Holland Centraal en zijn de voorzieningen waar mogelijk afgestemd met de voorzieningen van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV).
Interne werkbegeleiding Interne werkbegeleiding is een vorm van persoonlijke ondersteuning bij werk die wordt geboden door een interne werkbegeleider. Een interne werkbegeleider is een directe collega van een werknemer met een beperking die hem bij de dagelijkse werkzaamheden begeleidt omdat hij zonder die begeleiding niet in staat is zijn werkzaamheden uit te voeren. Het moet hierbij gaan om, in verband met de beperking, meer dan gebruikelijke begeleiding. Om als interne werkbegeleider in het kader van de verordening te kunnen worden beschouwd is het noodzakelijk dat men de vaardigheden heeft om de begeleiding op een kwalitatief verantwoorde manier te kunnen bieden. De wetgever spreekt in dit verband van opgeleide collega’s, niet zijnde jobcoaches, die persoonlijke ondersteuning op de werkvloer verlenen (Kamerstukken II 2019/20, 35 394, nr. 3, p. 56). Zie verder de toelichting bij artikel 39. Jobcoaching Jobcoaching is een vorm van persoonlijke ondersteuning bij werk die wordt geboden door een jobcoach. Een jobcoach is een erkende deskundige die een werknemer met een beperking en/of zijn werkgever methodische ondersteuning biedt, zodat de werknemer een passende baan kan vinden en behouden.
Om als jobcoach in het kader van de verordening te kunnen worden beschouwd is het noodzakelijk dat men voldoet aan een aantal eisen die er op zijn gericht om de professionaliteit en de kwaliteit van de jobcoaching te waarborgen. Zie verder de toelichting bij artikel 36.
Korte afstand tot de arbeidsmarkt Onder een korte afstand tot de arbeidsmarkt wordt verstaan dat een persoon, naar redelijke maatstaven gemeten, binnen één jaar geschikt is voor deelname aan de arbeidsmarkt. Zie verder de toelichting bij artikel 2. Overige voorzieningen Op grond van artikel 8a, tweede lid, onderdeel f, van de Participatiewet moeten er in de verordening regels opgenomen worden voor een drietal specifieke voorzieningen die bedoeld zijn voor personen met een arbeidsbeperking. Het gaat om vervoersvoorzieningen, noodzakelijke intermediaire activiteiten en meeneembare voorzieningen. Deze voorzieningen samen worden in deze verordening aangeduid met het begrip ‘overige voorzieningen’. Persoonlijke ondersteuning bij werk Persoonlijke ondersteuning als bedoeld in artikel 10, eerste en derde lid, van de Participatiewet moet in samenhang met artikel 8a, tweede lid, onderdeel e en artikel 10da, van de Participatiewet worden begrepen als een door het college noodzakelijk geachte voorziening gericht op het verkrijgen, verrichten en behouden van arbeid. In de memorie van toelichting bij artikel 8a, tweede lid, onderdeel e, van de Participatiewet wordt eerst aangegeven dat de gemeenteraad een breed aanbod van beschikbare instrumenten moet opnemen in de verordening. Vervolgens wordt alleen nader ingegaan op de jobcoach.
De begrippen persoonlijke ondersteuning en jobcoach zijn evenwel niet identiek. Het begrip persoonlijke ondersteuning is ruimer. Het kan bij persoonlijke ondersteuning zowel gaan om een gekwalificeerde expert (jobcoach) als om een getrainde persoon die binnen het bedrijf zorgdraagt voor de dagelijkse werkbegeleiding (ook wel een “Harrie” genoemd). Combinaties van beiden zijn ook mogelijk (Kamerstukken II 2019/20, 35 394, nr. 3, p. 9). Praktijkroute Opname in het doelgroepenregister kan op verschillende manieren plaatsvinden. Naast de aanvraagroute via het UWV is er ook een route die loopt via de gemeente. Deze route staat bekend als de praktijkroute en volgt uit artikel 38b, eerste lid, onderdeel a, van de Wet financiering sociale verzekeringen. Het is een procesroute waarbij het college door middel van een loonwaardemeting op de werkplek vaststelt dat de loonwaarde van een werknemer bij voltijdse arbeid minder bedraagt dan het wettelijk minimumloon. Deze vaststelling leidt tot opname in het doelgroepenregister. Deze route kan alleen worden gevolgd op het moment dat iemand al een werkplek heeft. Artikel 2. Opdracht aan college Op grond van artikel 8a, tweede lid, onderdeel a, van de wet moet het gemeentelijk reintegratiebeleid evenwichtig aandacht hebben voor de verschillende doelgroepen.