10 Bijlagenboek bij Beleidskader VVE 2025-2030 Midden-Delfland
Tekst van het document
BIJLAGENBOEK bij Beleidskader Voor- en Vroegschoolse Educatie 2025-2030 Midden-Delfland Zaaknummer: 602944
BIJLAGE 1: TERMINOLOGIE
VVE: Voor- en Vroegschoolse Educatie
Voorschoolse Educatie: een speciaal ontwikkeld programma dat gegeven wordt door kinderopvangorganisaties aan doelgroeppeuters van 2,5 tot 4 jaar, waarbij doelgroeppeuters 960 uur voorschoolse educatie kunnen ontvangen in 1,5 jaar tijd. Het voorzien in voldoende voorschoolse educatie voor doelgroeppeuters is een wettelijke verantwoordelijkheid van gemeenten.
Vroegschoolse Educatie: extra aandacht via maatwerk voor doelgroepkleuters in groep 1 en 2 van het primair onderwijs. Dit is een wettelijke verantwoordelijkheid van het primair onderwijs.
Programma Voorschoolse Educatie (VE-programma): een erkend voorschools programma dat is opgenomen in de databank Effectieve Jeugdinterventies van het Nederlands Jeugd Instituut, waarin op gestructureerde en samenhangende wijze de ontwikkeling wordt gestimuleerd van kinderen in de leeftijd van 2,5 jaar tot 4 jaar op het gebied van rekenen, taal, motoriek en de sociaal-emotionele ontwikkeling;
Locatie Voorschoolse Educatie (VE-locatie): kinderopvanglocatie die voorschoolse educatie aanbiedt conform wettelijke kwaliteitseisen
Doelgroeppeuters: peuters die risico lopen op een onderwijsachterstand, conform de doelgroepdefinitie uit hoofdstuk 3 van dit beleidskader
Doelgroepkleuters: kleuters in groep 1 en 2 die risico lopen op een onderwijsachterstand
OAB: Onderwijsachterstandenbeleid; dit is gericht op het verlagen van (risico op) achterstanden in de Nederlandse taal bij jonge kinderen en hiermee het bevorderen van kansengelijkheid in het onderwijs.
Onderwijsachterstand: situatie waarbij leerlingen door ongunstige omgevingskenmerken slechter presteren op school, dan ze bij een gunstigere situatie zouden kunnen.
OAB-gelden: gelden vanuit het rijk voor Onderwijsachterstanden aan gemeenten (voor voorschoolse educatie) en aan scholen (voor vroegschoolse educatie)
LEA: Lokale Educatieve Agenda
LEA-overleg: overleg over Lokale Educatieve Agenda met gemeente, schoolbesturen, directies kinderopvang die voorschoolse educatie aanbieden en samenwerkingsverbanden primair onderwijs
CBS-indicatoren: indicatoren van het Centraal Bureau voor de Statistiek die, op basis van wetenschappelijk onderzoek, het mogelijke risico op onderwijsachterstanden voorspellen
Werkgroep VVE: overleg dat minimaal 2x per jaar plaatsvindt met aanbieders voor- en vroegschoolse eduatie, JGZ en gemeente. In de werkgroep worden resultaten en monitoring van VVE besproken en andere relevante onderwerpen rondom VVE.
1
BIJLAGE 2: BESCHRIJVING HUIDIGE SITUATIE VOORSCHOOLSE EN VROEGSCHOOLSE EDUCATIE Voorschoolse educatie bij Kindercentrum ’t Kickertje Bij Kindercentrum ’t Kickertje wordt voorschoolse educatie gegeven in de Peuterwerkplaats. Hier zijn peuters hard aan het werk: door te spelen en plezier te maken leren en ontwikkelen zij zich. De Peuterwerkplaats is 5 ochtenden per week geopend van 9.00 tot 13.00 uur. In 2016 is gestart met de Peuterwerkplaats in Den Hoorn. Twee jaar later, in 2018, is ook in Schipluiden een start gemaakt met een VE-groep. Inmiddels wordt in het najaar van 2022 in Schipluiden het VE-aanbod gerealiseerd door een intensieve samenwerking met de peutergroep “de Boomkikkers”. De pedagogisch medewerkers van ’t Kickertje worden ieder jaar op meerdere momenten bijgeschoold en zij worden gecoacht in hun werkzaamheden op de VE- groep. Zo blijft de kennis actueel en inspireren zij elkaar in het werken met de kinderen. Sinds 2022 werkt ’t Kickertje met het VE-programma “Uk en Puk”. Met dit programma wordt gewerkt aan de hand van 8 verschillende thema’s, die ieder 6 weken duren, aan de spraak- en taalvaardigheid, sociaal-emotionele vaardigheden, motorische en zintuiglijke vaardigheden en de eerste rekenprikkels. De kinderen met een VE-indicatie, die via JGZ is afgegeven, worden door ouders zelf aangemeld bij de afdeling kindplanning.
JGZ stuurt de aanmelding ook naar ’t Kickertje. Zo kan, wanneer er geen aanmelding volgt, ’t Kickertje zelf initiatief nemen richting ouders/verzorgers. De afdeling kindplanning kijkt op basis van de reeds aanwezige VE-kinderen op welke dagen het kind de Peuterwerkplaats kan bezoeken (rekening houdend met het aantal reeds aanwezige VE-kinderen, jongens en meisjes, de leeftijd van de kinderen) en doet een aanbod. ’t Kickertje beschikt ook over hele dagopvang en, in Den Hoorn, over een peuter-kleutergroep zodat we goed kunnen kijken wat het kind (en de ouder) nodig hebben. Ouders en kind worden uitgenodigd voor een kennismaking en rondleiding en in overleg worden afspraken gemaakt om te komen wennen voorafgaand aan de plaatsing. Kinderen zijn vanaf 2 jaar welkom op de groep en vanaf 2 ½ jaar worden de volledige uren VE ingezet (totaal 960 uur in 1 ½ jaar). Een zo vroeg mogelijke start is wenselijk om kinderen te laten wennen en optimaal de mogelijkheden te benutten die de groep kan bieden. Ouders worden regelmatig op de hoogte gehouden over hoe het met hun kind gaat via het digitale ouderportaal. Via het ouderportaal worden berichten gedeeld, ouders ontvangen foto’s van hun kind(eren) en wekelijks wordt het activiteitenprogramma met ouders gedeeld). De kinderen die de Peuterwerkplaats bezoeken worden geobserveerd door de pedagogisch medewerkers.
Dit doen zij via hun eigen observatiemethode Kicker-kinddossier en tevens via de Peuterwerkplaats observatie. Er is mondelinge communicatie tussen ouder en de mentor (pedagogisch medewerker). Aan het einde van het verblijf op de peuterwerkplaats vind er een afrondend gesprek plaats en wordt de informatie met de school waar het kind naartoe gaat gedeeld, de zogenaamde warme overdracht. Kindercentrum ’t Kickertje wil alle kinderen een onvergetelijke ontwikkelingsreis bieden. Met het aanbod op de VE-groepen wordt hiermee een speel- en leeromgeving geboden waar kinderen zich volop kunnen ontwikkelen en met en van elkaar kunnen leren en plezier maken. Door het aanbieden van extra activiteiten zoals peutersport, muziek en yoga verrijken we ook het aanbod, voor alle groepen. Met elkaar creëren we zo een gelijke startpositie voor kinderen bij aanvang van de basisschool. Voorschoolse educatie bij Harlekijn Opvang en Dienstverlening Tot en met 2014 werd de peuteropvang in Midden-Delfland verzorgd door de Stichting Peuterspeelzalen Midden-Delfland, ook wel bekend als de SPMD. De SPMD heeft besloten om de stichting per 31 december 2014 op te heffen. Peuteropvang “Harlekijn” in Maasland viel ook onder deze stichting. Dit betekende dus dat als er niets gebeurde, de locatie in Maasland haar deuren moest sluiten.
Dit wilde Harlekijn niet laten gebeuren en daarom zijn zij voor de kern Maasland een eigen initiatief gestart: Harlekijn Opvang & Dienstverlening. Sinds het schooljaar 2017-2018, heeft Harlekijn Opvang en Dienstverlening ook de locatie in Schipluiden onder haar houderschap. Zij werken daar volgens deze werkwijze, visie, beleid en protocollen. Tot 2019 verzorgde Harlekijn Opvang & Dienstverlening alleen peuteropvang. Steeds vaker kwam de vraag van ouders voor een groter en vernieuwend aanbod.
2
Er ontstond een idee om een innovatieve BSO op te zetten. BSO staat voor Buiten Schoolse Opvang. Dit is bedoeld voor ouders/verzorgers die buiten de schooltijden behoefte hebben aan opvang. Harlekijn biedt opvang met een specifiek doel: Uitdaging & Ontwikkeling. Bij het bieden van VoorSchoolse-Opvang (VSO) staat rust en ontspanning centraal, ter voorbereiding op school. Harlekijn richt zich op een goede samenwerking met de basisscholen en diverse instellingen zoals sportverenigingen, theater/muziek, De Leerweg. De focus is gebaseerd op de 21st Century Skills en STEAM! Vanaf dag 1 heeft Peutercentrum Inimini al fijn samengewerkt met beide scholen. Als onafhankelijke organisatie lag het daarom voor de hand om de nieuwe activiteiten binnen basisschool de Ark te huisvesten. Harlekijn vindt het belangrijk om kinderen op alle ontwikkelingsgebieden te ondersteunen en het kind goed voor te bereiden op de basisschool. Zij zien zichzelf daarom ook als een voor-school, de school voor de basisschool. Zij hebben daarom bewust gekozen voor de volledige implementatie van een programma voor Voorschoolse Educatie, en daarmee ondersteunen zij de kinderen in : 1. 2. 3. 4.
Spraak-Taal ontwikkeling Sociaal-Emotionele ontwikkeling Motorische en Zintuiglijke ontwikkeling Tel- en Rekenvaardigheid ontwikkeling/prikkels
Met Uk en Puk als VE-programma kan Harlekijn haar visie uitdragen en uitvoeren. Uk en Puk is gericht op de 4 gebieden van ontwikkeling zoals hierboven vermeld en biedt een programma gericht op Dreumes (1,5-2,5 jaar) en Peuter (2,5-4 jaar). Vroegschoolse educatie binnen het primair onderwijs in Midden-Delfland De basisscholen krijgen informatie over welke leerlingen een VVE-indicatie hebben. Indien mogelijk is er een warme overdracht. Scholen die meerdere kleutergroepen hebben kijken vaak bij VVEleerlingen naar plaatsing in een passende groep. Scholen gebruiken diverse methoden om de ontwikkeling van de leerlingen te monitoren, voorbeelden hiervan zijn Parnassys leerlijnen, Kijk of Cito Leerling in Beeld. Er wordt geen apart VVE-programma gebruikt. Basisschool het Talent heeft sinds dit jaar een aparte methode (Logo 3000) dat ingezet kan worden voor leerlingen die behoefte hebben aan extra taalaanbod. De VVE-leerlingen worden gevolgd en er wordt tijdig ingegrepen als de leerling meer nodig heeft. In de groepsplannen wordt deze ondersteuningsbehoefte beschreven. Extra begeleiding kan in de reguliere groep plaatsvinden, of buiten de groep door bijvoorbeeld een onderwijsondersteuner. De intern begeleider is altijd betrokken bij het volgen van de ontwikkeling van leerlingen die meer ondersteuning nodig hebben, zo ook de VVE-leerlingen.
Op enkele scholen is een logopedist op locatie werkzaam.
3
BIJLAGE 3: Memo multiproblematiek en complexere ondersteuningsvragen in relatie tot VVE In de werkgroep VVE van 12 september 2023 werden zorgen geuit over toenemende multiproblematiek en complexere ondersteuningsvragen in VE-groepen voor peuters. Ook in de vroegschoolse educatie in het onderwijs voor kleuters wordt dit teruggezien. Dit wordt herkend door het gemeentelijke maatschappelijk team. Het betreft een stabiele jarenlange toename die lokaal in de praktijk wordt gezien/ervaren (dus niet wetenschappelijk is gemeten, gestaafd en/of onderzocht). Er wordt een verschuiving waargenomen van lichtere (opvoed)vragen naar grotere en complexere problemen. Het gaat bijvoorbeeld om problemen op sociaal-emotioneel vlak, gedragsproblemen, problemen in de zelfredzaamheid, problemen in de gezinssituatie en/of andere problematiek. Er is besproken dat dit eigenlijk buiten de directe scope van het VVE Beleidskader valt, maar het heeft hier wel relatie mee. Het beïnvloedt de dynamiek in de groep kinderen, en het heeft ook invloed op werkplezier en belasting van pedagogisch medewerkers en docenten. Huidige situatie In deze memo wordt ingegaan op de situatie en mogelijke maatregelen/oplossingsrichtingen voor met name de doelgroeppeuters voorschoolse educatie (2,5 – 4 jaar), omdat hier in het VVE Beleidskader de focus op ligt.
Het bieden van voldoende voorschoolse educatie voor peuters van 2,5 – 4 jaar is een gemeentelijke taak. Het bieden van vroegschoolse educatie voor kleuters is een verantwoordelijkheid voor het onderwijs. In de huidige situatie worden problemen soms al gesignaleerd wanneer kinderen gezien worden door de JGZ voor indicatie. Het komt ook voor dat (multi)problematiek pas duidelijk wordt wanneer een kind al een tijdje aan de VE-peutergroep deelneemt. De (multi)problematiek is dus nog niet altijd zichtbaar/duidelijk wanneer een kind wordt gezien door de JGZ voor indicatie. Wanneer er zorg is over een kind bij de kinderopvang, wordt door JGZ (bij vroegsignalering) of kinderopvang (wanneer het kind al deelneemt aan VE-groep) in overleg met ouders contact opgenomen met de zorgprofessional van het Maatschappelijk Team (MT). Daar is momenteel een wachttijd van enkele maanden. Er wordt per zorgvraag door de MT-zorgprofessional ingeschat wat nodig is, en wat ingezet kan worden. Er kan bijvoorbeeld begeleiding in de groep georganiseerd worden, of naast de groep (bijvoorbeeld een Jeugdzorgtraject). Wanneer voor de geïndiceerde zorg een lange wachtlijst is, kan overbruggingszorg worden ingezet door de MT-zorgprofessional. In de huidige situatie wordt ervaren dat de ene pedagogisch medewerker vanuit kinderopvang wat eerder “aan de bel trekt” bij het MT dan de andere.
Indien nodig wordt (multidisciplinair) collegiaal overleg ingezet met pedagoog, pedagogisch medewerker van de groep, MT-zorgprofessional en eventueel gedragswetenschapper. Ook kan zo nodig Integrale Vroeghulp worden ingezet. Ouders dienen zelf hun kind hiervoor aan te melden. De JGZ of kinderopvang kan ouders hierbij ondersteunen. Integrale Vroeghulp is een multidisciplinair overleg met als doel advies uit te brengen over mogelijke hulp. Wanneer het Jeugdhulp betreft, kan het MT die inzetten. In dit multidisciplinaire overleg nemen o.a. deel: casemanager, jeugdarts, psycholoog, pedagoog, Kentalis en de jeugdteammedewerker. Wanneer het gedrag of de problematiek van een kind te storend is voor het functioneren van een VEgroep, en ingezette maatregelen helpen onvoldoende of zijn nog niet voorhanden i.v.m. wachtlijst, kan en mag de kinderopvang beslissen dat een kind niet meer naar de VE-groep kan komen. Mogelijke oorzaken voor toename multiproblematiek/complexe zorg i.r.t. VVE De volgende mogelijke oorzaken worden gezien:
Toename van (groot)stedelijke problematiek: Door het woonruimteverdeelsysteem Haaglanden wonen sinds de afgelopen jaren meer mensen uit grote steden als Den Haag in Midden-Delfland. Corona: jonge kinderen hebben in “Corona-tijd” over het algemeen minder sociale contacten gehad. Hierdoor lopen sommige jonge kinderen nu als het ware achter in hun sociaalemotionele ontwikkeling. Doordat Jeugdzorg de afgelopen tijd regelmatig negatief in het nieuws is geweest, kan het zijn dat ouders huiverig zijn om in een vroeg stadium aan te kloppen bij Jeugdzorg. Hierdoor kan het zijn dat op het moment dat wel aangeklopt wordt bij Jeugdzorg, de problemen al groter/complexer zijn.
4
Mogelijke maatregelen Zoals beschreven onder “huidige situatie” is al veel mogelijk op dit moment. Hieronder worden verschillende maatregelen beschreven die mogelijk verder kunnen bijdragen aan vermindering en/of verbetering van de ervaren problematiek.
Vroegsignalering JGZ Hoe eerder (risico) op problemen gesignaleerd worden, hoe eerder hulp ingezet kan worden. Regionaal komt het algemene signaal vanuit zorgaanbieders, dat bij zwaardere problematiek niet altijd tijdig wordt gesignaleerd. Mede gezien de wachtlijsten is vroegsignalering belangrijk. Dit wordt in de huidige situatie al zoveel mogelijk gedaan door JGZ. JGZ maakt bij indicatie voor VE ook een inschatting van (het risico op) multiproblematiek en van het systeem om het kind heen. Hierdoor kan in een vroeg stadium bekeken worden, waar en met welke hulp het kind het beste op zijn/haar plek is. Wellicht is dit niet op een VE-plaats, maar ergens anders. Wellicht is dit ook wel op een VE-plaats, maar wel met de juiste (aanvullende) hulp/begeleiding. Ook in de komende periode houdt JGZ oog voor vroegsignalering. Hier is een juiste balans echter wel belangrijk. Er kunnen ook risico’s kleven aan het tè vroeg signaleren van mogelijke problemen bij jonge kinderen. Het is onwenselijk onnodig te problematiseren. Onbedoeld kunnen kinderen en ouders/verzorgers hierdoor juist belemmerd worden, in plaats van meer kansen te krijgen. Ook kan onnodige onrust ontstaan. In de Hervormingsagenda Jeugd is normaliseren (in plaats van problematiseren/medicaliseren) een belangrijk uitgangspunt. Sommige dingen horen nu eenmaal bij opvoeden en opgroeien.
Door te normaliseren hopen we dat lichtere problematiek niet bij jeugdhulp terecht komt, zodat we kosten en menskracht waar mogelijk kunnen besparen en efficiënt kunnen omgaan met onze middelen en mogelijkheden. Per situatie zal hierin dus een goede afweging moeten worden gemaakt door de zorgprofessional.
Aanscherpen doelgroepdefinitie m.b.t. criterium 4 Door het verder aanscherpen van de doelgroepdefinitie kunnen we wellicht nog wat alerter worden op het maken van onderscheid tussen kinderen die waarschijnlijk baat hebben bij een VE-groep (en waarbij ook wordt aangesloten op de doelstelling vanuit onderwijsachterstandenbeleid), en kinderen die gebaat zijn bij andersoortige hulp/begeleiding. Aandachtspunt ook hierbij is wel dat de juiste balans gevonden wordt. Er is en blijft waarschijnlijk sprake van een “grijs gebied”; het criterium dient dus ook niet té “strak” te zijn. Belangrijk is dat kinderen waar multiproblematiek speelt of een risico hierop hebben, in beeld zijn/komen. Soms is dat wanneer het kind al in een VE-groep zit. Aan de andere kant, wanneer sociaal-emotionele problematiek de overhand heeft of lijkt te hebben, dient de vraag gesteld te worden of het kind al dan niet op zijn/haar plek is in een VE-groep. Wellicht kan dit deels ondervangen worden door een goede risicoinschatting vanuit het JGZ. Bij twijfel is het belangrijk in zo een vroeg mogelijk stadium te overleggen met Maatschappelijk Team ofwel multidisciplinair overleg in te zetten.
Criterium 4 is in de doelgroepdefinitie aangepast met de volgende toevoeging: wanneer sociaal-emotionele problematiek de overhand heeft of lijkt te hebben, en/of er wordt ingeschat dat een kind wellicht niet op zijn of haar plek is in de VEgroep, wordt in vroeg stadium overlegd in collegiaal/multidisciplinair overleg of het kind al dan niet past in een VE-groep en welke begeleiding/hulp (daarnaast) nodig is.
Coaching/training pedagogisch medewerkers door kinderopvang Er kan door de kinderopvang wellicht gekeken worden naar extra/gerichte training/coaching voor pedagogisch medewerkers, binnen budgettaire mogelijkheden. Kinderopvangorganisaties vullen dit naar eigen inzicht in.
Bevorderen “aan de bel trekken” bij MT door pedagogisch medewerkers ko In de huidige situatie wordt ervaren dat pedagogisch medewerkers van de kinderopvang niet altijd “aan de bel trekken” bij twijfels of vermoeden van (complexe) problematiek. Dit lijkt de ene medewerker wat sneller/makkelijker te doen dan de andere. Hier kunnen verschillende redenen voor zijn. Het is in het belang van het kind bij (zorgen over) problematiek juist in een zo vroeg mogelijk stadium overleg te hebben met de pedagoog of zorgcoördinator van de kinderopvangorganisatie. De pedagoog of zorgcoördinator kan dan waar nodig overleggen met 5
een zorgprofessional van het MT. Het is van belang hier blijvend aandacht voor te houden en de pedagogisch medewerkers bewust te houden/maken dat deze optie er is.
Waar nodig deelname peuter VE stopzetten door kinderopvang Wanneer het gedrag of de problematiek van een kind te storend is voor het functioneren van een VE-groep, en ingezette maatregelen helpen onvoldoende of zijn nog niet voorhanden i.v.m. wachtlijst, kan en mag de kinderopvang beslissen dat een kind niet meer naar de VEgroep kan komen. Dit moet wel goed worden onderbouwd (ook in het kinddossier) en voor ouders/verzorgers moet ook duidelijk zijn wat er wel mogelijk is en waar ze terecht kunnen. Dit is per situatie een afweging en wellicht geen makkelijke beslissing. In de praktijk wordt hier wellicht soms te terughoudend mee omgegaan, wat misschien ook kan verschillen per organisatie of per persoon. Soms kan de beslissing wel in het belang zijn van de andere kinderen in de groep en ook van de begeleiders. Ook kan de beslissing ertoe bijdragen dat de urgentie van een probleem duidelijker wordt. Het is dus belangrijk te beseffen dat de optie er is en dat hier onderbouwd gebruik van gemaakt kan worden.
“Tussengroep”/ PeuterPlusgroep Als mogelijke maatregel is door de kinderopvang de mogelijkheid van een PeuterPlusgroep genoemd: dit is bedoeld voor kinderen met een complexere ondersteuningsvraag. Bij deze peuters is meer en/of andere ondersteuning nodig, dan in een VE-groep geboden kan worden. Er zijn in verschillende andere gemeentes vergelijkbare initiatieven gestart. Vanuit de gemeente Midden-Delfland zijn er op dit moment geen concrete financiële middelen/budgetten om dit te organiseren/ondersteunen en/of om hier fysieke ruimte voor te creëren. Er wordt wel een verkenning gedaan die wellicht nieuwe inzichten oplevert. De verkenning wordt parallel aan het beleidskader VVE opgepakt, mede vanuit Jeugdbeleid.
Opvoedpunt Als mogelijke maatregel in het kader van preventie noemt JGZ het oprichten van een Opvoedpunt, vergelijkbaar met de gemeente Westland. Het doel is op een laagdrempelige manier inwoners te helpen bij opvoedvragen. In buurgemeente Westland zijn hier positieve ervaringen mee. JGZ verkent deze mogelijkheid samen met onze gemeente in de komende periode. Er wordt bekeken of in onze gemeente ook behoefte is aan een dergelijk Opvoedpunt en, zo ja, of dit in onze gemeente ook haalbaar is. Dit hangt onder andere af van locatie en financiering.
6
BIJLAGE 4: Subsidieregeling Peuteropvang en Voorschoolse Educatie 2025
Subsidieregeling Peuteropvang en Voorschoolse Educatie 2025 Geldend van 1 januari 2025 tot en met heden Intitulé Subsidieregeling Peuteropvang en Voorschoolse Educatie 2025 Zaaknummer: 586741 Het college van burgemeester en wethouders van de Gemeente Midden-Delfland; gelet de vigerende Algemene Subsidieverordening en het vigerende Beleidskader Voor- en Vroegschoolse Educatie Midden-Delfland; overwegende dat:
het noodzakelijk is om regels te stellen aan de tegemoetkoming in de kosten van Peuteropvang en Voorschoolse Educatie per 1 januari 2025; het college van burgemeester en wethouders zoveel mogelijk kinderen met een taal- of ontwikkelingsachterstand met een hoogwaardig voorschools aanbod wil bereiken;
BESLUIT: vast te stellen de subsidieregeling Peuteropvang en Voorschoolse Educatie 2025. Artikel 1. Begripsomschrijvingen In deze regeling wordt verstaan onder: a. ASV: de ten tijde van de subsidieverstrekking of de naderhand (door het bepaalde overgangsrecht) vigerende Algemene Subsidieverordening b. beroepskracht: een beroepskracht voorschoolse educatie, die VE gecertificeerd is; c. college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Midden-Delfland; d. doelgroepkind: peuter in de leeftijd van 2,5 jaar tot 4 jaar die in aanmerking komt voor Voorschoolse Educatie vanwege (een risico op) een (onderwijs)achterstand, op indicatie van het consultatiebureau van JGZ; conform de doelgroepdefinitie zoals beschreven in het vigerende Beleidskader Voor- en Vroegschoolse Educatie van de gemeente Midden-Delfland; e. kennis en vaardigheden: kennis en vaardigheden zoals bedoeld in artikel 4, tweede lid van het Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie.
Dit betreft minimaal: • het werken met programma’s voor Voorschoolse educatie; • het stimuleren van de ontwikkeling van het jonge kind, in het bijzonder op de gebieden taal, rekenen, motoriek en sociaal-emotionele ontwikkeling; • het volgen van de ontwikkeling van peuters en het hierop afstemmen van het aanbod van voorschoolse educatie; • het betrekken van de ouders bij het stimuleren van de ontwikkeling van kinderen; • de aansluiting tussen voor- en vroegschoolse educatie en een zorgvuldige overgang van het kind van voor- naar vroegschoolse educatie. f. kinderopvangtoeslag (KOT): de tegemoetkoming van het Rijk aan ouders bedoeld als gedeeltelijke bijdrage in de kosten voor peuteropvang of dagopvang; g. kinderopvangorganisatie: voorschoolse voorziening voor peuteropvang of kinderopvang die staat ingeschreven in het Landelijk Register Kinderopvang (LRK) en die gevestigd is in de gemeente Midden-Delfland; h. ouderbijdrage: een inkomensafhankelijke bijdrage die ouders moeten betalen voor het afnemen van een Peuteropvangplaats of VE-plaats voor hun kind; i. Peuteropvang: opvang van peuters in de leeftijd van 2,5 jaar tot 4 jaar, gericht op ontwikkelingsstimulering en voorbereiding op de basisschool; j. VE: Voorschoolse Educatie; k.
VE-plaats: een aanbod aan voorschoolse educatie voor doelgroepkinderen van 16 uur per week voor 40 weken per jaar of - in geval van een wetswijziging - zoals wettelijk voorgeschreven; 7
l.
VE-programma: een erkend voorschools programma dat is opgenomen in de databank Effectieve Jeugdinterventies van het Nederlands Jeugd Instituut, waarin op gestructureerde en samenhangende wijze de ontwikkeling wordt gestimuleerd van kinderen in de leeftijd van 2,5 jaar tot 4 jaar op het gebied van rekenen, taal, motoriek en de sociaal-emotionele ontwikkeling; m. VE-locatie: locatie die VE aanbiedt conform wettelijke kwaliteitseisen; n. Wet: Wet Kinderopvang. Artikel 2. Doelstelling De doelstelling van deze subsidieregeling is om door middel van subsidieverstrekking te zorgen voor voldoende en kwalitatief goed aanbod van peuteropvang en voorschoolse educatie, voor de stimulering van de ontwikkeling van peuters en als voorbereiding op de basisschool. Voor doelgroepkinderen geldt de aanvullende doelstelling dat deze via een programma voor voorschoolse educatie, met een zo klein mogelijke achterstand aan het basisonderwijs beginnen. Artikel 3. Reikwijdte Het bepaalde in deze subsidieregeling is enkel van toepassing op de verstrekking van subsidies door het college voor de in artikel 4 bedoelde subsidiemogelijkheden. Artikel 4. Activiteiten 1. Het college verstrekt uitsluitend subsidie voor activiteiten die een bijdrage leveren aan het realiseren van de in artikel 2 genoemde doelstelling.
Op grond van deze regeling kunnen kinderopvangorganisaties subsidie aanvragen voor een afgesproken aantal peuter- en VEplaatsen vanaf 1 januari 2025, zulks met inachtneming van de regels in deze subsidieregeling. 2. Subsidie wordt verleend aan een Peuteropvang- of VE-aanbieder in de gemeente MiddenDelfland: a. ten behoeve van Peuteropvang voor maximaal 240 uur per jaar (rekenkundig gebaseerd op 6 uur x 40 weken per jaar), verdeeld over maximaal 2 dagdelen per week. b. ten behoeve van VE voor minimaal en maximaal 640 uur per jaar (rekenkundig gebaseerd op 16 uur x 40 weken per jaar), verdeeld over minimaal 3 of maximaal 5 dagdelen per week. Artikel 5. Doelgroep 1. Het college verstrekt uitsluitend subsidie aan kinderopvangorganisaties die staan ingeschreven in het Landelijk Register Kinderopvang (LRK) en Peuterspeelzalen, voldoen aan de geldende regelgeving voor kinderopvang en die peuteropvang en/of VE aanbieden op locaties in de gemeente, voor peuters die in de gemeente wonen en: a. doelgroepkind zijn; of b. geen doelgroepkind zijn en waarvan de ouder(s)/verzorger(s) aantoonbaar geen recht hebben op kinderopvangtoeslag op grond van de Wet Kinderopvang. Artikel 6. Subsidieplafond 1. Het college kan voor subsidieaanvragen in het kader van deze subsidieregeling een subsidieplafond vaststellen. 2. Het subsidieplafond wordt bepaald door: a.
de hoogte van de Rijksmiddelen onderwijsachterstandenbeleid die de gemeente ontvangt; b. het bedrag dat het college voor de doelstelling als genoemd in artikel 2 van deze regeling beschikbaar stelt in haar gemeentebegroting. 3. Op basis van artikel 6.2 van deze regeling geldt: wanneer er meer uren Peuteropvang en VE zijn afgenomen dan ontvangen bij de aanvraag van de subsidie, betaalt de gemeente dit niet uit. 4. Indien honorering van alle aanvragen die voor subsidie in aanmerking komen, zou leiden tot overschrijding van het subsidieplafond, is het college bepalend voor de toekenning. Het subsidiebedrag wordt dan evenredig verdeeld naar rato van de gerealiseerde opvang.
8
Artikel 7. Hoogte van subsidiedeel peuteropvang 1. De hoogte van de subsidie per peuter is afhankelijk van: a. de draagkracht van de ouders; b. of het kind wel of geen doelgroepkind is; c. het aantal uren dat het kind gebruik maakt van de peuteropvang; d. de uurprijs van de peuteropvang zoals bedoeld in lid 2. 2. Het college stelt jaarlijks de maximaal te subsidiëren uurprijs vast. 3. Het college stelt jaarlijks de ouderbijdragetabel vast op grond waarvan de draagkracht van de ouders wordt berekend. De VNG-adviestabel wordt daarbij als leidraad gebruikt. 4. Het college kan het subsidiebedrag tussentijds aanpassen op basis van de tussentijdse of jaarverantwoording. Artikel 8. Hoogte van subsidiedeel VE 1. De hoogte van de subsidie per peuter is afhankelijk van: a. de draagkracht van de ouders; b. of de ouder Kinderopvangtoeslag ontvangt; c. het aantal uren per jaar dat het doelgroepkind gebruik maakt van VE; d. het uurtarief zoals bedoeld in lid 2 waarin alle kosten zijn meegenomen die een VEplaats kosten, waaronder scholing en oudercontact; 2. Het college stelt jaarlijks de maximaal te subsidiëren uurprijs vast. 3. Het college stelt jaarlijks de ouderbijdragetabel vast op grond waarvan de draagkracht van de ouders wordt berekend. De VNG-adviestabel wordt daarbij als leidraad gebruikt. Artikel 9.
Bijzondere verplichtingen ten aanzien van de aanvraag en verantwoording Naast de algemene verplichtingen zoals vastgelegd in de ASV gelden de volgende bijzondere verplichtingen: 1. De subsidie wordt jaarlijks (in afwijking van artikel 6 lid 1 van de ASV) vóór 1 november voorafgaand aan het subsidiejaar aangevraagd op basis van de bezetting op 1 oktober. 2. Een aanvrager vraagt aan en verantwoordt de subsidie conform deze regeling bij het college door gebruik te maken van een door het college vastgesteld aanvraag- en verantwoordingsformulier subsidie Peuteropvang en Voorschoolse Educatie. 3. Gedurende het lopende subsidiejaar legt de subsidieontvanger per kwartaal verantwoording af. Over de volgende 4 peildata levert de subsidieontvanger haar kwartaalrapportage aan: 1 januari, 1 april, 1 juli en 1 oktober. 4. Indien de kwartaalrapportages daartoe aanleiding geven kan het college binnen de vastgestelde subsidieplafonds/begroting aanvullende subsidieaanvragen in behandeling nemen. 5. Uiterlijk 12 weken na afloop van het vorige kalenderjaar dient de aanvrager in hetzelfde aanvraagformulier een jaarverantwoording in te dienen op basis van: a. jaarinkomen van de huishoudens die gebruik hebben gemaakt van peuteropvang; b. bijbehorende ouderbijdrage; c. aantal weken dat een kind gebruik heeft gemaakt van peuteropvang of VE. 6.
De ontvanger van een subsidie van € 50.000, - of meer per locatie is verplicht bij de aanvraag tot vaststelling een Assurance-rapport, dat is opgesteld door een accountant conform standaard 3000A of 3000D, te overleggen aan het college. 7. Het college stelt het definitieve subsidiebedrag van de Peuteropvang en VE na afloop van de subsidieperiode, op basis van de gegevens uit de verantwoording van de subsidieaanvrager, vast binnen 13 weken na ontvangst. Deze vaststelling vindt plaats op basis van het werkelijke aantal bezette peuterplaatsen peuteropvang en VE, het werkelijk gehanteerde tarief en de totaal in rekening gebrachte ouderbijdragen en kan een terugvordering tot gevolg hebben als de houder minder bezette peuterplaatsen heeft gerealiseerd dan het aantal waarop de hoogte van de subsidieverlening was gebaseerd. Het aantal uur waarvoor subsidie wordt toegekend is gemaximeerd op de aantallen genoemd in artikel 4. Artikel 10. Bijzondere verplichtingen ten aanzien van de subsidie in het algemeen 1. Naast de algemene verplichtingen zoals vastgelegd in de ASV gelden de volgende bijzondere verplichtingen:
9
a. b. c.
d.
locaties met te subsidiëren VE-plaatsen staan geregistreerd als VE-locatie in het Landelijk Register Kinderopvang (LRK) en Peuterspeelzalen; er geldt een maximale bezetting van 50% doelgroepkinderen per VE-groep; minimaal eens per kwartaal vindt afstemming plaats met de jeugdgezondheidszorg over de toeleiding en daadwerkelijke plaatsing van doelgroepkinderen, het initiatief hiervoor ligt bij de JGZ; een subsidieontvanger beschikt over onderliggende gegevens en kan deze indien gewenst binnen een redelijke termijn beschikbaar stellen aan de gemeente. Het gaat hierbij om gegevens die nodig zijn voor het vaststellen van de hoogte van de subsidie. Hierbij valt te denken aan: i. contact- en inkomensgegevens ouders/verzorgers; ii. de wijze waarop de ouderbijdragetabel is toegepast; iii. de plaatsingsovereenkomst met het aantal uren opvang per kind, de kostprijs per uur, de aanvangsdatum en de (verwachte) einddatum van de opvang; iv. als het gaat om een VE-plaats: een bewijs van indicatiestelling voor VVE van het consultatiebureau van de jeugdgezondheidszorg.
Artikel 11. Onvoorziene omstandigheden en hardheidsclausule Het college kan één of meer bepalingen uit deze regeling in individuele gevallen buiten toepassing laten of daarvan afwijken, voor zover de toepassing van die bepalingen voor de subsidieaanvrager of ontvanger gevolgen zou hebben die onevenredig zijn in verhouding tot de met de betrokken bepalingen te dienen doelen. Artikel 12. Slotbepalingen en citeertitel 1. Deze subsidieregeling treedt in werking per 1 januari 2025 en heeft betrekking op de eerder ingediende subsidieaanvragen voor dat jaar. 2. Per 1 januari 2025 wordt de Subsidieregeling Kwaliteit Peuteropvang en Voor- en Vroegschoolse Educatie 2021 ingetrokken. 3. Deze regeling wordt aangehaald als: “Subsidieregeling Peuteropvang en Voorschoolse Educatie 2025”.
Aldus besloten in de collegevergadering van 21 mei 2024,
drs. M.A.I. Born gemeentesecretaris
F.I. Noordermeer – van Slageren burgemeester
10
BIJLAGE 5: STAPPENPLAN JGZ 1.
De JGZ signaleert een risico op achterstand in de (spraak- taal) ontwikkeling van het kind. o De signalering begint al bij het Zuigelingenhuisbezoek, bij de registratie van de opleiding en spreektaal van de ouder(s)/verzorger(s). o Het aantal kinderen van 18-24 maanden die waarschijnlijk tot doelgroep VE behoren, wordt doorgegeven via halfjaarrapportages JGZ. o Bij het contactmoment van 24 maanden wordt definitief vastgesteld of de peuter aan de indiceringscriteria VVE voldoet.
2.
Registratie doelgroep VVE in JGZ-dossier.
3.
Ouder(s) informeren over de opvangorganisaties die VVE aanbieden.
4.
Eventuele informatie wordt meegegeven. Dit kan een brochure van de organisatie met algemene informatie over VVE zijn.
5.
JGZ vraagt toestemming aan ouder(s) om verwijsbrief en bijpassende gegevens uit te wisselen met de VVE-voorziening (indien deze bekend is)
6.
Bij het verkrijgen van toestemming verstrekt de JGZ de verwijzing van het betreffende kind aan de VVE-voorziening1.
7.
De VVE-voorziening bespreekt met ouders: o Aantal dagdelen en uren per plaatsing o Financiële consequenties
8.
De brief wordt digitaal verstuurd naar de JGZ-medewerker die het kind heeft doorgestuurd. Naam en emailadres staan op de verwijsbrief. Medewerker JGZ verwerkt de plaatsing in het digitaal dossier van JGZ.
9.
JGZ controleert zes tot acht weken na afgifte van de verwijsbrief of het kind daadwerkelijk is aangemeld bij de VVE-voorziening.
10. Wanneer de ouder zich niet heeft ingeschreven worden ouders gebeld. 11. Opnieuw na zes weken controle of ouders zich ingeschreven hebben. 12. Indien plaatsing/inschrijving VVE-voorziening (nog steeds) niet heeft plaatsgevonden wordt contact opgenomen met ouder om het belang hiervan te benadrukken en een plaatsing van het kind alsnog te realiseren.
Wanneer eerder (tussen 18-24 maanden) al duidelijk is dat het kind waarschijnlijk een VE-indicatie gaat krijgen, wordt dit (alleen in aantallen) door JGZ meegenomen in de halfjaarrapportages.
1
Indien ouder geen toestemming verleent, wordt de verwijsbrief aan ouders meegegeven met de vraag deze in te leveren bij de VVE-voorziening.
11
BIJLAGE 6: GEZINSAANPAK MAATREGELEN BIBLIOTHEEK DE PLATAAN Hieronder worden de Gezinsaanpak-maatregelen van de bibliotheek beschreven:
Boekstart BoekStart is een programma ter bevordering van lezen met kinderen van 0-4 jaar, en het genieten van boeken door kind en ouders/verzorgers. In samenwerking met gemeente en JGZ krijgen alle ouders/verzorgers van baby’s van drie maanden oud een brief met daarin een uitnodiging om naar de bibliotheek te komen om hun kind lid te maken. De ouders krijgen uitleg over babylezen en krijgen een Boekstart koffertje mee. De bibliotheek organiseert het hele jaar door voorlezen voor baby's en peuters. De JGZ brengt het belang van voorlezen naar voren in de gesprekken op het consultatiebureau.
Boekstart in de Kinderopvang Met inzet van cofinanciering gaan ’t Kickertje en de bibliotheek van start met het programma Boekstart voor de Kinderopvang. Ouderbetrokkenheid is één van de pijlers van de project. De bibliotheek ziet dit als een pilot van 2 a 3 jaar. Wanneer dit succesvol is, wordt het breder uitgerold in de regio door de bibliotheek. Boekstart in de Kinderopvang is een leesbevorderingsprogramma. Het is een uitbreiding van BoekStart, om kinderen van 0-4 jaar, hun ouders en pedagogisch medewerkers intensief met boeken en lezen in aanraking te laten komen via de kinderopvang. De Bibliotheek ondersteunt met een aantrekkelijke (voor)leesplek in de kinderopvang, met een collectie geschikte boekjes, deskundigheidsbevordering van pedagogisch medewerkers, betrekken van ouders, een voorleesplan en samenwerking in een leesbevorderingsnetwerk.
Voorleesexpress Vrijwilligers lezen 20 weken voor bij een gezin thuis. Tijdens het voorlezen worden de ouders betrokken bij het voorlezen. Kind, ouder en vrijwilliger brengen tijdens de zes maanden tenminste één keer een bezoek aan de bibliotheek, waarbij het kind een gratis Bibliotheekabonnement krijgt. Ouders worden (waar nodig) begeleid richting het Taalhuis.
Naast de Gezinsaanpak biedt de bibliotheek bijvoorbeeld ook programma’s zoals de Bibliotheek op School en het Scholenaanbod.
12