10 Beleidskader Voor-en vroegschoolse educatie 2025-2030 - v6.0
Tekst van het document
STATUS: CONCEPT Datum bijgewerkt: 2-8-2024 Versie: 6.0 – concept na reactie/input/akkoord werkgroep VVE, ambtelijk directeur en wethouder, akkoord BO LEA 13-6-2024 en verwerking input ASD conform advies d.d. 30-7-2024 Zaaknummer: 602944
Inhoudsopgave beleidskader VVE 1. Inleiding…………………………………………………………………………………………… pagina 2 2. Evaluatie en speerpunten………………………………………………………………… pagina 3 3. Doelgroepdefinitie…………………………………………………………………………… pagina 5 4. Ouderbetrokkenheid en brede gezinsaanpak………………………………… pagina 7 5. Doorgaande lijn………………………………………………………………………………
pagina 7
6. Toeleiding………………………………………………………………………………………… pagina 8 7. Bereik………………………………………………………………………………………………
pagina 8
8. VVE-programma……………………………………………………………………………… pagina 8 9. Observatiesysteem/leerlingvolgsysteem………………………………………… pagina 8 10. Vluchtelingenopvanglocatie…………………………………………………………… pagina 9 11. Resultaatafspraken………………………………………………………………………… pagina 9 12. Toezicht…………………………………………………………………………………………… pagina 10 13. Financieel Kader……………………………………………………………………………… pagina 10 14. Bronnen…………………………………………………………………………………………… pagina 11 15. Bijlagen…………………………………………………………………………………………… pagina 11
1
1. Inleiding Aanleiding In Midden-Delfland kennen we het Beleidskader Voor- en Vroegschoolse Educatie (hierna: VVE). Op 22 december 2020 stelde de gemeenteraad dit beleidskader vast voor de periode 2021-2024. Omdat de looptijd (bijna) is verstreken, is een actualisatie gedaan in overleg met onze samenwerkingspartners. Dit leidde tot dit aangepaste Beleidskader VVE Midden-Delfland met een looptijd van 2025-2030. In deze inleiding beschrijven we een aantal termen, achtergrond en doel. In bijlage 1 staat nogmaals een opsomming van de gebruikte terminologie. Achtergrond, doel, terminologie Gemeenten en onderwijs ontvangen geld van de Rijksoverheid om VVE aan te bieden. Dit is in het kader van onderwijsachterstandenbeleid (OAB). Het doel hiervan is onderwijsachterstanden tegen te gaan. Hierbij gaat het meer specifiek om het verlagen van (risico op) achterstanden in de Nederlandse taal bij jonge kinderen. De OAB-gelden vanuit het rijk worden verstrekt op basis van CBS-indicatoren. Deze indicatoren voorspellen, op basis van wetenschappelijk onderzoek, het mogelijke risico op onderwijsachterstanden. Het CBS spreekt van een onderwijsachterstand als leerlingen door ongunstige omgevingskenmerken slechter presteren op school dan ze bij een gunstigere situatie zouden kunnen.
Het onderwijsachterstandenbeleid van het rijk is dus gericht op het bevorderen van kansengelijkheid in het onderwijs. De gemeente ontvangt rijksmiddelen voor voorschoolse educatie. Hierbij gaat het om doelgroeppeuters van 2,5 tot 4 jaar. De gemeente is wettelijk verantwoordelijk om te zorgen voor voldoende voorzieningen voor voorschoolse educatie voor doelgroeppeuters. Hierbij ontvangen de doelgroeppeuters 960 uur voorschoolse educatie in 1,5 jaar tijd. Doelgroeppeuters zijn peuters die risico lopen op een onderwijsachterstand. In hoofdstuk 3 “Doelgroepdefinitie voorschoolse educatie peuters” wordt hier nader op ingegaan. De gemeente ontvangt daarnaast ook rijksgelden om peuteraanbod te regelen voor niet-doelgroeppeuters van ouders die geen recht hebben op kinderopvangtoeslag. Hier zijn afspraken over vastgelegd in de subsidieregeling peuteropvang en voorschoolse educatie. Hier wordt in dit beleidskader verder niet op ingegaan. In dit beleidskader VVE gaat het, qua voorschoolse educatie, dus specifiek over doelgroeppeuters binnen het Onderwijsachterstandenbeleid. Voorschoolse educatie wordt aangeboden bij kinderopvangorganisaties die een speciaal hiervoor ontwikkeld, erkend/gecertificeerd VE-programma hebben. Het onderwijs ontvangt rijksmiddelen voor vroegschoolse educatie aan de doelgroepkleuters in groep 1 en 2 van het primair onderwijs.
Dit is de verantwoordelijkheid van het primair onderwijs. Ook hierbij gaat het om kleuters met risico op een onderwijsachterstand en meer specifiek, een risico op achterstand in de Nederlandse taal. Met VVE streven we naar een zo goed mogelijke startpositie voor ieder kind in Midden-Delfland door in een vroeg stadium (het risico op) onderwijsachterstanden te verkleinen. Onderzoek Met name in het buitenland is al veel onderzoek gedaan naar de resultaten voor voorschoolse educatie (Jepma & Vander Heyden, 2022). Er is veel buitenlands bewijs dat voorschoolse educatie van hoge kwaliteit een grote en blijvende invloed heeft op de ontwikkeling van doelgroepkinderen. Dit betreft met name de (ontluikende) taalontwikkeling en denk-/rekenontwikkeling van jonge kinderen. Voor sociaal-emotionele ontwikkeling is het bewijs minder duidelijk. De positieve effecten werken door tot in de volwassen leeftijd. Dit geldt met name voor doelgroepkinderen. De kwaliteit van de voorschoolse educatie is hierbij van groot belang. In Nederland is nog wat minder onderzoek gedaan naar het effect van voorschoolse educatie. Het Nederlandse onderzoek laat vooralsnog ook bescheiden positieve resultaten zien. Uit onderzoek blijkt dat de achterstand van doelgroepkinderen door voorschoolse educatie daadwerkelijk afneemt ten opzichte van niet-doelgroepkinderen.
2
Wettelijk kader Wettelijke kaders voor Onderwijsachterstandenbeleid zijn de Wet op het Primair Onderwijs (WPO, artikelen 158–163 en artikel 8 lid 9), (aanpassingen op) de wet Kinderopvang (WKO) en Algemene Maatregelen van Bestuur (AMvB), zoals het Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie. Huidige situatie VVE Midden-Delfland In Midden-Delfland zijn er 2 kinderopvangorganisaties die voorschoolse educatie aanbieden voor doelgroeppeuters. Dit zijn Kindercentrum ’t Kickertje en Harlekijn. In alle kernen wordt voorschoolse educatie voor doelgroeppeuters aangeboden. Het zijn in totaal 4 VE-locaties. Op alle locaties wordt het VE-programma Uk en Puk gebruikt. Dit is een erkend VE-programma dat is opgenomen in de Databank Effectieve Jeugdinterventies. Op al onze basisscholen wordt vroegschoolse educatie gegeven in de kleuterklassen. De kinderen die als peuter een indicatie kregen voor voorschoolse educatie, komen ook op de basisscholen in aanmerking voor vroegschoolse educatie. De meeste basisscholen in Midden-Delfland werken niet met een vaste methodiek voor vroegschoolse educatie, er wordt maatwerk per kind toegepast. Uit toetsgegevens en volgsystemen worden goede resultaten zichtbaar van het gegeven maatwerk. In bijlage 2 staat een uitgebreidere beschrijving van onze aanbieders van het huidige aanbod voor- en vroegschoolse educatie.
JGZ Zuid-Holland West (JGZ) verzorgt de indicaties voor doelgroeppeuters VE. Dit verloopt via het Stappenplan JGZ (bijlage 5). Overlegvormen Gemeenten zijn verplicht om jaarlijks bestuurlijk te overleggen met onderwijs en kinderopvang. Dit gaat onder andere over onderwijsachterstandenbeleid. Binnen onze gemeente doen wij dit in het bestuurlijke overleg Lokale Educatieve Agenda (LEA). In het LEA zijn schoolbesturen, samenwerkingsverbanden, kinderopvang en gemeente (wethouder en beleidsmedewerker) vertegenwoordigd. Het bestuurlijke LEA overlegt over hoofdlijnen. Daarnaast bestaat al enige jaren een werkgroep VVE. Hier wordt uitgebreider gesproken over VVE. Aan bod komen resultaten, monitoring, uitvoering en andere relevante onderwerpen rondom VVE. De werkgroep bestaat uit vertegenwoordigers vanuit kinderopvang ’t Kickertje en Harlekijn, het primair onderwijs, JGZ en de gemeente. Deze overlegvormen continueren wij de komende VVE-periode. Proces In 2023 startten wij met het proces om te komen tot een geactualiseerd beleidskader VVE. Een procesplan is besproken in de werkgroep VVE en het bestuurlijk LEA-overleg. Vervolgens is in de Werkgroep VVE gewerkt aan een concept geactualiseerd beleidskader, dat in 2024 is voorgelegd aan het bestuurlijk LEA, het college van B&W, de Adviesraad Sociaal Domein en tenslotte aan de gemeenteraad van Midden-Delfland ter vaststelling.
Parallel hieraan is de gemeentelijke subsidieregeling Peuteropvang en Voorschoolse Educatie herijkt, vernieuwd en vastgesteld door het college van B&W op 21 mei 2024. Tenslotte worden (na positieve besluitvorming) subsidieregeling en beleidskader VVE gepubliceerd. 2. Evaluatie afgelopen periode en speerpunten komende periode Evaluatie afgelopen periode voor- en vroegschoolse educatie In de werkgroep VVE is met de samenwerkingspartners de afgelopen VVE-periode met looptijd 20212024 geëvalueerd. Hieronder volgt een puntsgewijze opsomming van de opbrengsten van deze evaluatie.
Zowel ouders/verzorgers als JGZ ervaren vooruitgang in de spraaktaalontwikkeling bij doelgroeppeuters wanneer voorschoolse educatie is ingezet. Ook uit kindvolgsystemen blijkt dat peuters die deelnemen aan een VE-groep, een grotere sprong maken op het gebied van (met name) taalontwikkeling dan peuters die niet aan een VE-groep deelnemen.
Het aantal verwijzingen voor voorschoolse educatie fluctueerde in de afgelopen VVE-periode. 3
De informatieverstrekking richting het primair onderwijs vanuit VE-aanbieders verliep goed. Dit betreft aantallen/namen van kinderen die een VE-indicatie hebben.
Warme overdracht van VE-aanbieders richting primair onderwijs over de doelgroepkinderen is belangrijk en wenselijk, maar dit is niet bij ieder kind gelukt. Dit heeft praktische redenen zoals verschillende werktijden van medewerkers.
De vroegschoolse educatie aan kleuters op de basisscholen via maatwerk geeft goede resultaten die zichtbaar zijn in toetsgegevens en leerlingvolgsystemen.
Zowel VE-aanbieders als primair onderwijs zien een toename van multiproblematiek en complexere ondersteuningsvragen bij doelgroepkinderen en zij uiten hier zorgen over. Het gemeentelijk maatschappelijk team herkent deze toename. Dit is een onderwerp dat buiten de directe scope van het VVE Beleidskader valt, maar wel een link hiermee heeft.
Er zit een jaar tijd tussen indicatie van JGZ (18 maanden) voor VE en daadwerkelijke plaatsing in de VE-groep (2,5 jaar). Dit kan de motivatie en het draagvlak bij ouders/verzorgers voor deelname aan VE negatief beïnvloeden.
VE-plaatsingen kosten voor VE-aanbieders om praktische redenen relatief veel tijd (meer/vaker contact nodig met ouders/verzorgers bijvoorbeeld voor uitleg van regelingen, ouders/verzorgers niet altijd bereikbaar).
Wanneer ouders/verzorgers afzien van een VE-plek voor hun kind, is dit vaak om praktische redenen, vaak in relatie tot werk of andere verplichtingen. Dit is bijvoorbeeld omdat de VEgroep niet doorloopt in de vakantie, of omdat het gaat om halve dagen.
Speerpunten voor de komende periode In overleg met de werkgroep VVE zijn speerpunten afgesproken. In de komende VVE-periode krijgen de ondergenoemde speerpunten extra aandacht. De voortgang wordt besproken in de VVE Werkgroep en vastgelegd in de verslagen.
Verbetering warme overdracht van VE-aanbieder naar primair onderwijs We werken toe naar een warme overdracht voor ieder doelgroepkind, tenzij door de betrokken professionals wordt ingeschat dat voor een specifiek kind een schriftelijke overdracht volstaat. Warme overdracht is essentieel voor een goede aansluiting op het gegeven maatwerk van de vroegschoolse educatie binnen het primair onderwijs. Praktische uitdagingen mogen geen reden zijn dat de warme overdracht uitblijft. Het initiatief voor de warme overdracht en een inschatting van de wijze hiervan ligt bij de VE-aanbieders. De manier van overdragen hangt af van de situatie op de school. Een manier om dit te waarborgen kan bijvoorbeeld zijn dit te agenderen in een regulier overleg of bespreken met de intern begeleider.
Betere timing van VE-indicatie We verminderen de tijd tussen VE-indicatie en VE-plaatsing om motivatie/draagvlak van ouders te verbeteren. Daarom geeft JGZ voortaan VE-indicaties aan doelgroeppeuters met 24 maanden. Er worden dus geen VE-indicaties meer gegeven met 18 maanden. Soms constateert JGZ al eerder (tussen 18-24 maanden) dat het kind waarschijnlijk in aanmerking zal komen voor VE. Dit wordt (met inachtneming AVG, alleen met aantallen) meegenomen in de halfjaarrapportages van JGZ. Zo kunnen kinderopvangorganisaties hier alvast rekening mee houden in de planning. Met 2,5 jaar kan het kind definitief geplaatst worden op een VEpeutergroep.
Passende maatregelen bij (risico op) multiproblematiek in relatie tot VVE Er zijn door VE-aanbieders en primair onderwijs zorgen geuit over toenemende multiproblematiek en complexere ondersteuningsvragen in (onder andere) VE-groepen voor peuters en ook kleuters. De zorgen gaan over de kinderen zelf en hun omgeving, maar ook 4
over beïnvloeding van de dynamiek in de groep kinderen en de belasting van pedagogisch medewerkers en docenten. Dit valt buiten de directe scope van het VVE Beleidskader, maar heeft hier wel relatie mee. In relatie tot onderwijs staat de aansluiting van jeugdzorg en onderwijs regionaal en in verschillende overleggremia hoog op de agenda. In relatie tot VEgroepen in de peuteropvang is de situatie verkend en zijn mogelijke maatregelen verkend. Dit staat uitgebreider beschreven in een memo in bijlage 3 bij dit beleidskader. Van belang is dat in de huidige situatie ook al veel mogelijk is wat betreft het inschakelen van begeleiding en/of (jeugd)hulp voor de jonge kinderen die dit nodig hebben. De VE-aanbieders hebben hiervoor vaste contactpersonen vanuit het gemeentelijk maatschappelijk team, zoals de scholen dit ook hebben. Dit ervaren de VE-aanbieders als prettig, er zijn korte lijnen en de hulp is laagdrempelig. Kanttekening hierbij is wel dat er wachtlijsten zijn bij hulporganisaties, en soms ook bij het Maatschappelijk Team. In bijlage 3 staan maatregelen genoemd die mogelijk kunnen bijdragen aan vermindering van de ervaren problematiek.
Verder uitbouwen van brede gezinsaanpak, verbinding met Taalplan en bibliotheek Uit onderzoek blijkt dat een VE-programma met aanvullende oudercomponent, gericht op versterking van ontwikkelingsondersteunend gedrag van ouders/verzorgers in de thuissituatie, gunstiger ontwikkelingsperspectieven voor kinderen geven (Jepma & Vander Heyden, 2022). De effecten van voorschoolse educatie worden groter naarmate meer ouders/verzorgers en andere familieleden betrokken zijn en actief meedoen bij het leren en ontwikkelen van jonge kinderen. Er wordt nu ook al ingezet op ouderbetrokkenheid door VE-aanbieders. Zo is ouderbetrokkenheid al een vast onderdeel van Uk & Puk. Dit wordt al ingezet door de kinderopvangorganisaties die VE aanbieden en we continueren dit de komende periode. De brede gezinsaanpak is ook onderdeel van het gemeentelijke Taalplan. Ook in het beleidsplan van de bibliotheek komt dit nadrukkelijk naar voren. Dit wordt verder beschreven in hoofdstuk 5. We zoeken de komende periode meer verbinding met de activiteiten in het kader van brede gezinsaanpak van De Bibliotheek en uit het Taalplan. Dit doen we bijvoorbeeld door regelmatig betrokkenen van Bibliotheek en/of Taalplan uit te nodigen bij de VVE Werkgroep, om dit onderwerp te bespreken, ervaringen uit te wisselen en te bekijken hoe we elkaar verder kunnen versterken in het kader van Onderwijsachterstandenbeleid.
3. Doelgroepdefinitie voorschoolse educatie peuters Gemeenten zijn wettelijk verplicht om met onderwijs en kinderopvang vast te stellen welke kinderen in aanmerking komen voor voorschoolse educatie (Wpo art 160). Dit betreft dus doelgroeppeuters VE. Voor doelgroepkleuters is een doelgroepdefinitie niet verplicht. In de praktijk komen de kinderen die als peuter een VE-indicatie kregen, ook in aanmerking voor vroegschoolse educatie in groep 1 en 2 van het primair onderwijs. In enkele gevallen wordt pas op kleuterleeftijd op school duidelijk, dat het kind een (risico op een) onderwijsachterstand heeft en had het kind als peuter nog geen VE-indicatie. Het gaat hierbij om enkele uitzonderingen. Dit kan blijken uit bijvoorbeeld observaties van de leerkracht en/of leerlingvolgsystemen. De scholen kunnen ook voor deze kinderen hetzelfde maatwerk inzetten als voor de doelgroepkleuters die als peuter een VE-indicatie hebben gekregen. De doelgroeppeuters VE ontvangen (gefinancierd door de gemeente) een aanbod voorschoolse educatie, met als doel het risico op onderwijsachterstanden, meer specifiek het risico op een achterstand in de Nederlandse taal, tegen te gaan. Uit de doelgroepdefinitie moet blijken welke kinderen in aanmerking komen voor een verrijkt (taal)aanbod. Deze is niet landelijk bepaald, maar wordt door iedere gemeente separaat vastgesteld.
Mogelijk komt er in de toekomst een landelijke uniforme doelgroepdefinitie. Hier is over geadviseerd vanuit de Onderwijsraad (briefadvies aan Tweede Kamer, 21 september 2023). Een landelijke uniforme doelgroepdefinitie kan verschillen tussen gemeentes verkleinen en een landelijke monitoring beter mogelijk maken. Op dit moment is het nog aan iedere gemeente om een doelgroepdefinitie te bepalen. Mocht dit veranderen, dan zullen we voorstellen het beleidskader op dit punt tussentijds aan te passen. CBS-indicatoren hoeven niet verplicht gebruikt te worden bij het bepalen van de gemeentelijke doelgroepdefinitie, maar dit mag wel. De CBS-indicatoren op basis waarvan gemeenten rijksbudget krijgen zijn:
5
opleidingsniveau van beide ouders land van herkomst van de moeder verblijfsduur van de moeder in Nederland ouders in schuldsanering (ja/nee)
In Midden-Delfland verzorgt JGZ de indicaties voor VE voor doelgroeppeuters. Wij hebben de bestaande doelgroepdefinitie geëvalueerd. In de praktijk wordt deze goed hanteerbaar gevonden; er is wel sprake van een bepaald “grijs gebied” bij kinderen waarbij sociaal-emotionele problematiek de overhand lijkt te hebben. Het is van belang in een vroeg stadium met betrokken professionals te overleggen, waar het kind het beste op zijn/haar plek is en of dit al dan niet in een VE-groep is. Indien het niet in een VE-groep is, moet worden bekeken welk soort begeleiding of hulp wel passend is. Uiteindelijk is besloten de bestaande doelgroepdefinitie te handhaven met de volgende toevoeging onder punt 4: Wanneer sociaal-emotionele problematiek de overhand heeft of lijkt te hebben, en/of er wordt ingeschat dat een kind wellicht niet op zijn of haar plek is in de VE-groep, wordt in vroeg stadium overlegd in collegiaal/multidisciplinair overleg of het kind al dan niet past in een VE-groep en welke begeleiding/hulp (daarnaast) nodig is. De nieuwe doelgroepdefinitie inclusief aanvulling is als volgt.
DOELGROEPDEFINITIE voorschoolse educatie peuters Op basis van onderstaande criteria beoordeelt de JGZ of een peuter tot de VE-doelgroep behoort: 1. Geen of een laag opleidingsniveau van de ouders/verzorgers: het kind komt direct in aanmerking voor een VE-indicatie bij geen of een laag opleidingsniveau (VSO, MBO1, Praktijkonderwijs) bij beide ouders. Wanneer dit het geval is bij één van de twee ouders wordt gekeken naar de andere indicatoren. Er moet dan sprake zijn van een combinatie van indicator 1 met indicator 2, 3 en/of 4. 2. Een achterstand in de spraaktaalontwikkeling van het kind op basis van wetenschappelijk vastgestelde criteria (dit wordt door de JGZ beoordeeld met behulp van het Van Wiechenschema). Indien er twijfels zijn over de spraaktaalontwikkeling vindt nader onderzoek plaats via een extra contactmoment van de JGZ. 3. Onvoldoende taalaanbod en/of een taalarme thuissituatie. De JGZ-professional stelt vast of de taalomgeving wel of niet voldoende stimulerend is en of er voldoende (Nederlands) taalaanbod is in de thuissituatie. Van onvoldoende Nederlands taalaanbod is sprake wanneer er in de thuissituatie minder dan 50% Nederlands wordt gesproken in het dagelijks leven en/of wanneer er sprake is van een taalarme thuissituatie.
Van een taalarme thuissituatie wordt gesproken wanneer de ouder/verzorger weinig spreekt met het kind tijdens allerlei activiteiten in het dagelijks leven, weinig voorleest, weinig (woord)spelletjes doet met het kind. In deze gevallen komt het kind in aanmerking voor een VVE-indicatie. 4. Een dreigende achterstand in de sociaal-emotionele ontwikkeling van het kind. Dit wordt beoordeeld aan de hand van de professionele afweging van de medewerker JGZ en heeft te maken met de (algemene) ontwikkeling van het kind zelf en/of omgevingsfactoren gerelateerd aan ontwikkeling. Voorbeelden hiervan zijn armoede, alcohol- of drugsgebruik, medische omstandigheden, psychiatrische of psychologische problematiek en/of relatie/gezinsproblematiek. Om in aanmerking te komen voor een VVE-indicatie met grondslag sociaal-emotioneel moet er tegelijkertijd ook sprake zijn van zorgen over de spraaktaalontwikkeling. Wanneer er uitsluitend sprake is van sociaal-emotionele problematiek, valt dit niet onder VVE. Wanneer sociaal-emotionele problematiek de overhand heeft of lijkt te hebben, en/of er wordt ingeschat dat een kind wellicht niet op zijn of haar plek is in de VEgroep, wordt in vroeg stadium overlegd in collegiaal/multidisciplinair overleg of het kind al dan niet past in een VE-groep en welke begeleiding/hulp (daarnaast) nodig is.
6
Ter verduidelijking van deze criteria gelden de volgende aandachtspunten:
Voorschoolse educatie voor doelgroeppeuters wordt gegeven vanaf 2,5 jaar.
Niet iedere peuter met een ondersteuningsbehoefte komt in aanmerking voor VE. Een kind komt bijvoorbeeld niet in aanmerking voor een VE-indicatie wanneer bij het kind sprake is van een ontwikkel- en/of gedragsstoornis, waarbij andere en/of meer gespecialiseerde ondersteuning nodig is. Wanneer een kind alleen logopedie nodig heeft voor bijvoorbeeld hulp bij het correct uitspreken van letters, is dit ook geen reden voor een VE-indicatie. Wanneer er twijfel is in relatie tot sociaal-emotionele problemen, kan overlegd worden met het Maatschappelijk Team (zie ook criterium 4). JGZ ziet toe op een zorgvuldige indicatie conform de criteria.
4. Ouderbetrokkenheid en brede gezinsaanpak Zoals beschreven onder hoofdstuk 2, speerpunten, wordt al ingezet op ouderbetrokkenheid door de kinderopvangorganisaties die VE aanbieden aan doelgroeppeuters. Dit is een vast onderdeel van het gebruikte VVE-programma Uk & Puk. Dit continueren we in de volgende VVE-periode. Alle opvangorganisaties voorschoolse educatie beschrijven ouderparticipatie in hun pedagogisch beleidsplan. Opvangorganisaties informeren ouders regelmatig over de vorderingen van hun kind. Voor elk kind is er een kinddossier waarin de ontwikkeling van het kind gevolgd kan worden. Ouders/verzorgers worden vroegtijdig en voortdurend betrokken bij de ondersteuningsbehoefte(n) van hun kinderen. Aanbieders voeren een intakegesprek met de ouders/verzorgers wanneer het kind gaat deelnemen aan VVE. Daarin wordt ook gesproken over de rol van ouders/verzorgers bij het aanbieden van VVE. Ouders zijn primair verantwoordelijk om hun kind te stimuleren. Er wordt bij de intake besproken hoe VVE hierin kan ondersteunen. Ook de basisscholen informeren ouders regelmatig over de vorderingen van hun kind. Er is op iedere basisschool een kinddossier. Verder raakt het Beleidskader VVE ook aan het gemeentelijk Taalplan en het beleidskader van de bibliotheek.
Hier staan verschillende maatregelen beschreven die voor- en vroegschoolse educatie kunnen versterken, in het kader van de brede gezinsaanpak. In het Taalplan worden drie doelgroepen beschreven, waaronder gezinnen met kinderen met een taalachterstand. Het doel bij deze doelgroep is bewustmaking van ouders/verzorgers van hun rol bij de taalontwikkeling van hun kinderen, vooral wanneer kinderen nog heel jong zijn (0-6 jaar) en daarvoor de ouders/verzorgers handvatten bieden. De aanpak start met het verbeteren van de taalvaardigheid en andere basisvaardigheden van de ouders. Dit wordt nog verder uitgewerkt, in aanvulling op het bestaande aanbod van VVE (waar ouderparticipatie al onderdeel van is) en in overleg met voorschoolse opvang, CJG en het primair onderwijs. Ook het Strategisch Kader van De Bibliotheek De Plataan beschrijft het belang van een gezinsaanpak in relatie tot taalvaardigheid. De Gezinsaanpak bij de bibliotheek is gericht op de doorbraak van de cyclus van laaggeletterdheid. Door ouders/verzorgers te helpen met taal en het ontwikkelen van de basisvaardigheden, krijgen kinderen een betere start op de basisschool. De gezinsaanpak wordt op wijkniveau uitgevoerd. Er wordt gebruik gemaakt van bewezen effectieve (landelijke) programma’s zoals BoekStart en BoekStart in de kinderopvang.
Ook biedt de bibliotheek non-formeel taalonderwijs dat door de bibliotheek of door één van haar netwerkpartners gegeven wordt. Om het effect van de Gezinsaanpak zo groot mogelijk te laten zijn wordt hier meerjarig op ingezet, omdat het een aanpak is die gebaseerd is op de cyclus van een generatie. In bijlage 6 worden de Gezinsaanpak-maatregelen van de bibliotheek uitgebreider beschreven. 5. Doorgaande lijn Wanneer voorschoolse en vroegschoolse voorziening zo goed mogelijk op elkaar aansluiten, levert dit een betere startpositie op voor kinderen in groep 3. Het pedagogisch klimaat en het educatief handelen worden zo goed mogelijk op elkaar afgestemd. Hierbij is de warme overdracht een
7
belangrijk instrument. Hier is de komende VVE-periode extra aandacht voor. Alle aanbieders voorschoolse en vroegschoolse educatie werken met leerlingvolgsystemen; individuele rapporten kunnen als pdf worden overgedragen. Over het onderwerp doorgaande lijn wordt regulier afgestemd in de Werkgroep VVE met samenwerkingspartners.
6. Toeleiding JGZ onderzoekt of er voldoende redenen zijn voor plaatsing conform de doelgroepdefinitie. Indicering verloopt via het stappenplan JGZ. Dit is opgenomen in bijlage 5. Deelname aan VE is vrijwillig. Het motiveren van ouders is daarom erg belangrijk. Ouders die niet op het consultatiebureau komen, worden actief benaderd door de JGZ. Indien nodig vindt een huisbezoek plaats door de jeugdverpleegkundige om een eventueel doelgroepkind te observeren in de thuissituatie. Signaleerders (dit zijn met name de kinderopvangorganisaties) kunnen een JGZ-professional verzoeken een kind (opnieuw) te beoordelen wanneer zij vermoeden dat een kind op grond van de criteria in een later stadium alsnog in aanmerking komt voor een verwijzing naar opvangorganisatie met VE. De signaleerders doen dit in overleg met de ouders/opvoeders. 7. Bereik Onder VE-bereik verstaan we het percentage kinderen vanaf 2,5 jaar met een VE-indicatie dat ook daadwerkelijk terecht kwam op een VE-plek. Uit cijfers van JGZ blijkt een stijgende lijn in het gemiddeld bereik over 2021 tot en met 2023, namelijk:
2021: gemiddeld bereik 74% 2022: gemiddeld bereik 76% 2023: gemiddeld bereik 84% 2021-2023: gemiddeld bereik 77%.
Ter vergelijking: landelijke cijfers van de Inspectie lijken vrij stabiel te duiden op ongeveer 80% bereik. Wij vinden het belangrijk dat we de positieve ontwikkeling in ons VE-bereik vast houden en daarom streven wij naar een VE-bereik van minimaal 80% gemiddeld voor de komende periode. 8. VE-programma Voorschoolse educatie Voor voorschoolse educatie moet worden voldaan aan artikel 5 van het besluit Basisvoorwaarden Kwaliteit Voorschoolse Educatie. In dit artikel staat: “Voor de voorschoolse educatie wordt een programma gebruikt waarin op gestructureerde en samenhangende wijze de ontwikkeling wordt gestimuleerd op het gebied van taal, rekenen, motoriek en de sociaal-emotionele ontwikkeling.” In de Databank Effectieve Jeugdinterventies van het Nederlands Jeugdinstituut staan VE-programma’s die voldoen aan de wettelijke eisen. Het programma Uk & Puk staat in deze databank vermeld als erkend integraal VE-programma voor 0 tot 4 jaar, wat een goede waarborg biedt voor de kwaliteit van het gegeven VE-programma. Vroegschoolse educatie Voor vroegschoolse educatie geldt dat basisscholen zelf mogen kiezen of ze werken met een erkend VE-programma; er gelden hiervoor geen wettelijke eisen. Schoolbesturen zijn verantwoordelijk voor de kwaliteit van de vroegschoolse educatie.
De Onderwijsinspectie verwacht van scholen met doelgroepkinderen dat ze in de kleutergroepen een toereikend aanbod hebben voor onderwijsachterstandenbestrijding en houdt hier ook toezicht op. In Midden-Delfland werken de meeste basisscholen in Midden-Delfland niet met een vaste methodiek voor vroegschoolse educatie, zoals eerder vermeld. Er wordt maatwerk per kind toegepast. Uit toetsgegevens en volgsystemen worden goede resultaten zichtbaar van het gegeven maatwerk. 9. Observatiesysteem/leerlingvolgsysteem Kinderopvangorganisaties werken met observatiesystemen/leerlingvolgsystemen waarin de
8
ontwikkeling van (VE-)kinderen worden vastgelegd. De systemen sluiten aan op de ontwikkelgebieden VVE. Binnen het primair onderwijs worden leerlingvolgsystemen gebruikt die de volledige ontwikkeling van kinderen volgen. Verslagen en dergelijken die scholen ontvangen vanuit kinderopvang, worden opgenomen in deze systemen. 10. Voorschoolse educatie in relatie tot vluchtelingenopvanglocatie De gemeenteraad heeft in 2023 besloten een vluchtelingenopvangvoorziening te gaan realiseren op locatie Harnaschpolder te Den Hoorn. Een aanzienlijk deel van de inwoners zal bestaan uit gezinnen, waaronder hoogstwaarschijnlijk ook peuters die in aanmerking komen voor voorschoolse educatie. Deze kwetsbare doelgroep vergt een specifieke aanpak. Op het moment van het maken van dit Beleidskader is het project om te komen tot realisatie van de vluchtelingenopvanglocatie nog te vroeg in het proces om hier concrete plannen of afspraken over te kunnen vastleggen. 11. Resultaatafspraken Er zijn een aantal specifieke resultaatafspraken die onder andere voortkomen uit de speerpunten. Deze resultaatafspraken zoals hieronder genoemd, monitoren we in de werkgroep VVE. De voortgang wordt vastgelegd in de verslagen van de VVE Werkgroep. Voor alle gemeten percentages geldt dat deze van toepassing zijn op gegevens waarbij er toestemming van ouders/verzorgers is voor het uitwisselen/doorgeven hiervan.
Wanneer er geen toestemming is, telt dit ook niet mee met de gemeten percentages. 1. Ontwikkelingsgroei doelgroeppeuters De doelgroeppeuters die voorschoolse educatie volgen, maken op de lijn “Mondelinge taalontwikkeling”’ van het door de opvangorganisatie gebruikte observatiesysteem tussen de eerste registratie en de laatste registratie (rond 3 jaar en 9 of 10 maanden) een ontwikkelingsgroei door. Dit geldt voor minimaal 80% van de doelgroeppeuters die VE volgen. 2.
Ontwikkelingsgroei doelgroepkleuters De doelgroepkleuters maken tussen de middengroep 1 en eind groep 2 qua taalontwikkeling minimaal een ontwikkelingsgroei van 1,5 jaar door (ontwikkelingsgroei is minimaal gelijk aan de leeftijdsgroei). Dit wordt gemeten via het observatie-instrument dat de school gebruikt. De gemeten ontwikkelingsgroei geldt voor minimaal 80% van de doelgroepkleuters.
3.
Registratie Aanbieders van voorschoolse educatie registreren welke peuters VE hebben gevolgd en geven dit door aan de basisscholen. Scholen registreren welke leerlingen een VE-indicatie hebben bij het inschrijven. Deze registratie gebeurt in minimaal 90% van de gevallen, maar we streven naar 100%.
4.
Timing van VE-indicatie Voortaan geeft JGZ doelgroeppeuters een VE-indicatie met 24 maanden. VE-indicaties worden dus niet meer gegeven met 18 maanden. Soms is wel al eerder duidelijk dat kinderen waarschijnlijk tot de VE doelgroep behoren. Het aantal kinderen van 18-24 maanden die waarschijnlijk tot de VE doelgroep behoren, wordt door JGZ meegenomen in de halfjaarrapportages.
5.
Passende maatregelen bij (risico) op multiproblematiek in relatie tot VVE Dit valt buiten de directe scope van het VVE Beleidskader, maar heeft hier wel relatie mee, zoals beschreven in bijlage 3. Voor dit onderwerp monitoren we in de werkgroep VVE in hoeverre de mogelijke maatregelen zijn of zullen worden ingezet en in hoeverre dit bijdraagt aan verbetering van de ervaren problematiek. Wanneer dit onderwerp wordt besproken, worden ook Maatschappelijk Team en/of Jeugdbeleid hierbij uitgenodigd.
6.
Doorgaande lijn, warme overdracht Er is voldoende aandacht voor de aansluiting van voorschoolse op vroegschoolse educatie. Dit wordt regulier besproken in de werkgroep VVE. Belangrijk hierbij is dat voor ieder doelgroepkind warme overdracht plaatsvindt, tenzij door de betrokken professionals wordt ingeschat dat voor een specifiek kind een schriftelijke overdracht volstaat. Het initiatief voor de warme overdracht en wijze waarop ligt bij de aanbieders van voorschoolse educatie. Voor 9
minimaal 90% van de doelgroepkinderen vindt de komende VVE-periode warme overdracht plaats. 7.
Een VE-bereik van minimaal 80% Conform hoofdstuk 7 van dit kader streven we naar een VE-bereik van minimaal 80%. Het VE-bereik staat in de halfjaarrapportages van JGZ.
8.
Contact JGZ – aanbieders voorschoolse educatie Om te zorgen dat de doelgroeppeuters voldoende en de juiste ondersteuning ontvangen, komt de JGZ regelmatig langs bij de opvangorganisaties. Zij bespreken dan de ondersteuningsbehoefte van kinderen (met toestemming van ouders) die al op de opvang geplaatst zijn. Dit bezoek vindt 1x per kwartaal plaats in overleg tussen JGZ en opvanglocatie.
9.
Ouderbetrokkenheid en brede gezinsaanpak We continueren de huidige inzet op ouderparticipatie/ouderbetrokkenheid conform hoofdstuk 5 en zetten nog sterker in op de brede gezinsaanpak. We zoeken de komende periode meer verbinding met de activiteiten in het kader van brede gezinsaanpak van De Bibliotheek en uit het Taalplan. Dit doen we bijvoorbeeld door regelmatig betrokkenen van Bibliotheek en/of Taalplan uit te nodigen bij de VVE Werkgroep, om dit onderwerp te bespreken, ervaringen uit te wisselen en te bekijken hoe we elkaar verder kunnen versterken in het kader van Onderwijsachterstandenbeleid.
10. Rapportages JGZ JGZ verzorgt halfjaarrapportages met betrekking tot VE doelgroeppeuters voor de werkgroep VVE. In deze rapportages staan gegevens over onder andere het aantal kinderen 18-24 maanden die waarschijnlijk tot doelgroep VE behoren, het aantal peuters met definitieve VEverwijzing, het aantal VE-plaatsingen binnen en buiten de gemeente en het bereik. De data worden vooraf ter controle door JGZ afgestemd met de kinderopvangorganisaties. Dit verhoogt de kwaliteit van de rapportages. De JGZ levert deze rapportages ieder half jaar op in de komende VVE-periode. 11. Terugkoppeling VVE aan JGZ De aanbieders voorschoolse en vroegschoolse educatie geven, met toestemming ouders/verzorgers, een schriftelijke terugkoppeling aan JGZ over de vorderingen van de doelgroeppeuters en doelgroepkleuters. Dit doen de aanbieders twee keer per jaar. Zo kan JGZ de vorderingen monitoren en kan de samenwerking verder versterkt worden. Er wordt voorzichtig en bewust omgegaan met het delen van data en er worden alleen gegevens verstrekt die relevant zijn voor JGZ. Over dit punt worden werkafspraken verder besproken in de VVE Werkgroep en schriftelijk vastgelegd via het verslag. 12. Toezicht Zowel GGD als Onderwijsinspectie houden toezicht op voor- en vroegschoolse educatie. De GGD toetst in opdracht van onze gemeente de basisvoorwaarden voor voorschoolse educatie.
Dit gebeurt door het doen van inspectiebezoeken bij kinderopvangorganisaties. Ook de Inspectie van het Onderwijs is bevoegd om toezicht te houden op de basisvoorwaarden voor voorschoolse educatie, maar doet dit alleen in uitzonderlijke gevallen en aanvullend op het onderzoek van de GGD. De Onderwijsinspectie houdt toezicht op de kwaliteit van de vroegschoolse educatie in het primair onderwijs. Verder houdt de Inspectie van het Onderwijs toezicht op de uitvoering van gemeentelijke taken op het gebied van VVE en Onderwijsachterstandenbeleid. De Onderwijsinspectie heeft hierbij een signalerende functie richting het ministerie. 13. Financieel kader Om te zorgen voor voldoende goede voorschoolse educatie voor doelgroeppeuters in alle kernen van onze gemeente, is naast inzet van rijksmiddelen tot nu toe ook nodig gebleken om gemeentelijk geld in te zetten. We verwachten dat dit de komende periode ook nodig blijft voor deze doelgroep. Hier wordt al rekening mee gehouden in de begroting. Door de manier van verdeling van de rijksgelden, is er tussen gemeenten een groot verschil in het bedrag per doelgroeppeuter dat wordt ontvangen door het rijk. Dit komt doordat door het rijk niet alleen gekeken wordt naar het verwachte aantal doelgroeppeuters, maar ook naar de omgevingskenmerken. Voor Midden-Delfland geldt (net als voor 10
een aantal andere gemeenten) dat de rijksgelden helaas niet volstaan om een compleet en goed VEaanbod te realiseren dat voldoet aan wettelijke eisen. De gemeentelijke subsidieregeling is herijkt met als doel een effectieve, efficiënte en zo eerlijk mogelijke inzet van de middelen. De subsidieregeling sluit zo goed als mogelijk aan op de situatie in de praktijk en zorgt voor een zo goed mogelijke kostenbeheersing. Deze subsidieregeling is vastgesteld door het college van B&W op 21 mei 2024 en gaat, net als dit beleidskader, in op 1 januari 2025. De subsidieregeling is tot stand gekomen met advies van bureau Buitenhek en in overleg met onze VE-aanbieders. De subsidieregeling is opgenomen als bijlage 4 bij dit beleidskader. Door vroegtijdig te investeren in hoogkwalitatieve voorschoolse educatie, kunnen op langere termijn ook baten worden verwacht. Uit (weliswaar met name buitenlands) onderzoek blijkt dat na goede voorschoolse educatie, later positieve effecten worden gezien op bijvoorbeeld: zittenblijven, crimineel gedrag en arbeidsproductiviteit. Dit heeft ook een financieel effect. Nobelprijswinnaar voor de economie Heckman heeft met collega’s in diverse studies laten zien dat voorschoolse educatie positieve economische effecten heeft en dat de opbrengsten uiteindelijk zelfs groter zijn dan de kosten.
Hoe vroeger de investering in doelgroepkinderen, des te groter de “social return on investment” (Jepma & Vander Heyden, 2022). De raad beslist jaarlijks via de begrotingsbehandeling over de gemeentelijke middelen die worden ingezet voor onderwijsachterstandenbeleid en bepaalt hiermee het subsidieplafond.
14. Bronnen: Beleidskader VVE 2021-2024 Website GOAB (Het GOAB is een ondersteuningstraject voor beleidsmedewerkers en VE-aanbieders op het gebied van Onderwijsachterstandenbeleid; uitgevoerd door adviesbureaus Oberon, Sardes en CED-Groep in opdracht van het ministerie van OCW)
Website Nederlands Jeugdinstituut Website Inspectie van het Onderwijs Jepma, IJ & Vander Heyden, K. (2022). De impact van voorschoolse educatie. Onderwijskennis.nl (NRO). Geraadpleegd op 11 december 2023, van www.onderwijskennis.nl/node/1792 Website Rijksoverheid.nl Briefadvies over voorzieningen jonge kind | Advies | Onderwijsraad Strategisch Kader De Bibliotheek De Plataan 2023-2026 Website Boekstartpro Besluit Basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie
15. Bijlagen Bijlage 1: terminologie Bijlage 2: beschrijving huidige situatie voorschoolse en vroegschoolse educatie Bijlage 3: memo multiproblematiek en complexe zorg in relatie tot VVE Bijlage 4: subsidieregeling Peuteropvang en Voorschoolse Educatie 2025 Bijlage 5: stappenplan JGZ indicering VE doelgroeppeuters Bijlage 6: Gezinsaanpak maatregelen bibliotheek
11