CConstaterende datMidden-Delfland
Koppel je AI →
Document · PDF

09 bijlage Toelichting op Participatieverordening Midden-Delfland 2025

Gemeenteraad 18 november 2025, gemeente Midden-DelflandBij agendapunt: Participatiebeleid 20257.119 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

TOELICHTING PARTICIPATIEVERORDENING MIDDEN-DELFLAND 2025

INHOUD ALGEMENE TOELICHTING PARTICIPATIEVERORDENING MIDDEN-DELFLAND 2025 3 Wijziging artikel 150 Gemeentewet Artikel 150 Gemeentewet

3

3

Belang participatie en Toekomstvisie Midden-Delfland 2050 Beleidsvrijheid gemeenten en modelverordening VNG Aansprakelijkheid en aanbesteding

3

4

5

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING PARTICIPATIEVERORDENING MIDDEN-DELFLAND 2025 HOOFDSTUK 1 6 Artikel 1 Definities

6

Artikel 2 Reikwijdte

7

Artikel 3 Zorgplicht bestuursorgaan

7

 HOOFDSTUK 2 INWONERSPARTICIPATIE

8

Artikel 4 Plan voor inwonersparticipatie

8

Artikel 5 Inspraak

8

Artikel 6 Eindverslag inwonersparticipatie

9

HOOFDSTUK 3 INWONERS INITIATIEF EN OVERHEIDSPARTICIPATIE Artikel 7 Verzoek toepassing inwonersinitiatief

10

Artikel 8 Ondersteuning indiener verzoek toepassing inwonersinitiatief Artikel 9 Beoordeling verzoek toepassing inwonersinitiatief Artikel 10 Uitvoering taak

12

HOOFDSTUK 4 OMGEVINGSWET Algemeen

11

13

13

Relevante artikelen Omgevingsbesluit

13

Artikel 11 Participatie Omgevingsvisie, -plan en -programma

14

Artikel 12 Participatie bij buitenplanse omgevingsactiviteiten

14

HOOFDSTUK 5 SLOTBEPALINGEN

16

Artikel 13 Nadere regels college Artikel 14 Hardheidsclausule

16 16

Artikel 15 Intrekking oude verordening en overgangsrecht

16

11

10

« Inhoud

ALGEMENE TOELICHTING PARTICIPATIEVERORDENING MIDDEN-DELFLAND 2025 Wijziging artikel 150 Gemeentewet Op 1 januari 2025 is de Wet versterking participatie op decentraal niveau in werking getreden. Deze wet wijzigt o.a. artikel 150 Gemeentewet en draagt de gemeenteraad op om een participatieverordening vast te stellen (eerste lid). Voor die datum was geregeld dat een verordening vastgesteld moest zijn over de wijze waarop inwoners bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid worden betrokken. Met deze wetswijziging is hieraan toegevoegd dat de verordening ook regels moet bevatten over het betrekken van inwoners bij de uitvoering en evaluatie van beleid. Een tweede onderwerp dat als gevolg van de wetswijziging gerealiseerd moet worden is dat de gemeenteraad in de verordening moet regelen hoe inwoners taken van de gemeente kunnen gaan uitvoeren (derde lid). In de literatuur vaak aangeduid als ‘uitdaagrecht’. Het woord ‘recht’ kan tot verwarring leiden; daarom is in de verordening gekozen voor de term ‘inwonersinitiatief’. Deze wetswijziging is een reactie op diverse rapporten van adviesorganen waarin de noodzaak van betrokkenheid van inwoners bij het bestuur benoemd is. In de Troonrede van 2013 sprak de Koning al: ‘Het is onmiskenbaar dat mensen in onze huidige netwerk- en informatiesamenleving mondiger en zelfstandiger zijn dan vroeger.

Gecombineerd met de noodzaak om het tekort van de overheid terug te dringen, leidt dit ertoe dat de klassieke verzorgingsstaat langzaam maar zeker verandert in een participatiesamenleving. Van iedereen die dat kan, wordt gevraagd verantwoordelijkheid te nemen voor zijn of haar eigen leven en omgeving.’ Bovenstaande constatering is nog steeds actueel en nu geformaliseerd in de wijziging van artikel 150 Gemeentewet. Op grond van het overgangsrecht hebben gemeenten tot 1 januari 2027 de tijd om te komen van een inspraakverordening tot een participatieverordening.

Artikel 150 Gemeentewet 1 De raad stelt een verordening vast waarin regels worden gesteld met betrekking tot de wijze waarop ingezetenen en belanghebbenden bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van gemeentelijk beleid worden betrokken. 2 Indien de raad de in het eerste lid bedoelde betrokkenheid regelt in de vorm van inspraak, dan wordt deze verleend door toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht, tenzij in de verordening anders is bepaald. 3 In de verordening worden voorwaarden bepaald waaronder ingezetenen en maatschappelijke partijen de volgende taken kunnen uitvoeren: a taken inzake de huishouding van de gemeente waarvan de raad de uitvoering aan het gemeentebestuur heeft opgedragen; b taken waarvan de uitvoering bij of krachtens een andere dan deze wet van het gemeentebestuur is gevorderd, voor zover de uitvoering van de taak door een ander dan het gemeentebestuur met het bij of krachtens die wet bepaalde niet in strijd is.

Belang participatie en Toekomstvisie Midden-Delfland 2050 Het belang van participatie wordt in Midden-Delfland breed gedragen. Daarom is in 2024 gestart met een voorbereidingstraject waarbij onder externe begeleiding drie (niet openbare) cursus/ informatieavonden voor commissie- en raadsleden zijn georganiseerd (raadsvergadering 22 oktober 2024, agendapunt 5e). Dit brede draagvlak volgt ook uit de Toekomstvisie Midden-Delfland 2050. Hierin is vanuit de gemeenschap het belang van participatie benoemd, de wens meer betrokken te worden, de gemeente meer rekening houdt met de behoeften in de dorpen en de inwoners zelf ook meer initiatieven willen ontplooien. Bij ambitie 3 (de gemeente faciliteert en stimuleert met succes initiatieven vanuit de samenleving) zijn daar de volgende acties benoemd: 1 Midden-Delflanders nemen nog meer verantwoordelijkheid voor hun eigen sociale woon- en leefomgeving. De gemeente stimuleert deze ontwikkeling. 2 Midden-Delflanders komen met ideeën voor activiteiten en initiatieven. Zij voeren deze ook uit, met ondersteuning van de gemeente. 3 De gemeente is bereikbaar en benaderbaar voor lokale initiatieven. De gemeente koestert bestaande verenigingen en belangengroepen, en helpt hen bij het uitvoeren van initiatieven.

3

GEMEENTE MIDDEN-DELFLAND | Toelichting Participatieverordening Midden-Delfland 2025

Vanuit de toekomstvisie en de algemene maatschappelijke tendens is het belangrijk dat actieve betrokkenheid duidelijker wordt geregeld en ruimte voor initiatieven van inwoners, maatschappelijke partijen en ondernemers wordt geboden. Participatie is om meerdere redenen belangrijk: – Verbeteren besluitvorming: inwoners en ondernemers kennen hun eigen leefomgeving, dorp en het landschap goed en brengen praktijkkennis in. – Verhogen draagvlak: mensen voelen zich betrokken en zijn sneller bereid om besluiten te accepteren. – Versterken samenleving: participatie stimuleert samenwerking en verbondenheid tussen inwoners. Gebruik kennis en kunde: door samenwerking tussen inwoners worden creatieve en innovatieve –  oplossingen ingebracht. Tevens is bij inwoners ook veel kennis aanwezig over de lokale situatie en historie, maar ook op specifieke beleidsterreinen. – Vertrouwen in gemeente vergroten: door luisteren, oprechte belangstelling, transparantie en invloed op beleid kan het vertrouwen groeien. – Snellere uitvoering: als inwoners meedenken en serieus worden benaderd, kan dit later voor een snellere procesrealisatie zorgen en juridische procedures beperken. – Wetgeving en beleid: participatie is verplicht bij sommige besluiten (bijvoorbeeld Omgevingswet).

– Verantwoordelijkheid delen: inwoners dragen zelf bij aan oplossingen in hun leefomgeving, waardoor vanuit betrokkenheid voorzieningen beter in stand blijven tegen dezelfde of lagere kosten. Bij de inhoudelijke besluitvorming zal er tegelijkertijd rekening mee moeten worden gehouden dat bij veel onderwerpen de primaire verantwoordelijkheid voor de realisatie en uitvoering van taken aan de gemeente is toebedeeld. De verordening en het beleidskader bieden een handvat hoe hier in de praktijk mee om te gaan. De gemeenteraad stelt het algemene kader vast dat het college en de ambtelijke organisatie gebruiken in hun contacten met de samenleving. Voor inwoners, maatschappelijke partijen en ondernemers geeft het duidelijkheid over het participatieproces en de mogelijkheid de gemeente te benaderen met hun eigen initiatieven en ideeën bij gemeentelijke maatschappelijke vraagstukken.

Beleidsvrijheid gemeenten en modelverordening VNG Doelstelling van de gewijzigde Gemeentewet is om de betrokkenheid van inwoners te versterken. Het versterken van de participatie is een aanvulling op de representatieve democratie (vertegenwoordiging inwoners via (raads)verkiezingen). Enige wettelijke verplichting is dat een participatieverordening wordt vastgesteld. Gemeenten hebben daarbij volledige beleidsvrijheid op welke wijze het participatiebeleid ingevuld wordt. Om de implementatie te ondersteunen heeft de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) twee modelverordeningen beschikbaar gesteld; een uitgebreide variant en een basisverordening. De participatieverordening Midden-Delfland 2025 is een mix van beide modellen. In de toelichting is beschreven welke keuzes gemaakt zijn. De wensen van inwoners uit de toekomstvisie zijn vertaald naar regelgeving voor inwoners- en overheidsparticipatie en naar inwonersinitiatieven. Vanuit een administratieve efficiency zijn bepalingen geschrapt, zoals het opstellen van een participatieparagraaf in de begroting, een participatiejaarverslag, een experimenteerprogramma en een verplichte 2-jaarlijkse evaluaties. Dit zijn onderwerpen die veel inzet van de beperkte ambtelijke formatie vragen.

Daarnaast komen die onderwerpen inhoudelijk aan de orde als onlosmakelijk onderdeel van de besluitvorming bij de vakinhoudelijke projecten, beleidsthema’s en de jaarlijkse P&C-cyclus. Deze informatie kan de gemeenteraad via de jaarrekening vanuit zijn functionele taken gebruiken om vast te stellen of en hoe participatie heeft bijgedragen aan het halen van de gestelde beleidsdoelen in de begroting. Het opnemen van regelgeving ten aanzien van inwonersparticipatie, overheidsparticipatie en inwonersinitiatieven is een nadere uitvoering van de ambities uit de Toekomstvisie Midden-Delfland 2050. In de uitwerking van de verordening is de lijn van de VNG gevolgd om geen participatie­ vormen uit te werken. In de praktijk worden meerdere vormen toegepast, vaak ook in combinatie met elkaar. Hier is veelal sprake van maatwerk, dat bij voorkeur niet beperkt dient te worden door vooraf vastgelegde gebonden juridische vaste begripsomschrijvingen. In de verordening zijn de algemene kwalitatieve kaders benoemd waaraan een participatietraject of begeleiding van

4

GEMEENTE MIDDEN-DELFLAND | Toelichting Participatieverordening Midden-Delfland 2025

een inwonersinitiatief minimaal aan dient te voldoen. Uitgangspunten zijn daarna verder uitgewerkt in het bijbehorende Beleidskader participatie Midden-Delfland 2025. Aan het model van de VNG is een paragraaf 4 toegevoegd over de Omgevingswet. Met deze samenvoeging wordt bereikt dat alle gemeentelijke regelgeving over participatie in één verordening en daaraan gekoppeld beleid wordt ondergebracht. Dit zorgt voor duidelijkheid in de uitvoering door de ambtelijke organisatie, vergroot de herkenbaarheid voor inwoners en draagt bij aan de vindbaarheid van geldende regelgeving en beleid.

Aansprakelijkheid en aanbesteding Benadrukt wordt dat het bij de toepassing van het uitdaagrecht van belang is om rekening te houden met bepaalde juridische aspecten. Dat betreft in elk geval het aanbestedings- en aansprakelijkheidsrecht. Voor de verhouding tussen het uitdaagrecht en het aanbestedingsrecht geldt dat er in de memorie van toelichting bij de wet is opgemerkt dat gemeenten, ook bij de toepassing van het inwonersinitiatief, de aanbestedingsregels moeten naleven. Kortom, het inwonersinitiatief zet het aanbestedingsrecht niet opzij. In voorkomende gevallen kunnen er wel mogelijkheden zijn een inwonersinitiatief binnen de context van het aanbestedingsrecht te laten plaatsvinden. Dit zal per geval moeten worden bepaald. Voor de verhouding tussen het inwonersinitiatief en het aansprakelijkheidsrecht is van belang dat de gemeente in bepaalde gevallen een risicoaansprakelijkheid heeft en dat die aansprakelijkheid niet kan worden overgedragen. Dit kan bijvoorbeeld aan de orde zijn als het inwonersinitiatief ziet op het inrichten of onderhouden van de openbare ruimte of het gebruik van gebouwen van de gemeente. Als de gemeente een risicoaansprakelijkheid heeft, dan is het ook aan de gemeente om de risico’s zoveel mogelijk te beperken.

Dit vereist dat de gemeente hier in het kader van het inwonersinitiatief met de betrokken inwoners, maatschappelijke partijen en/of ondernemers afspraken over maakt. Wat moeten de zij doen om bepaalde risico’s te verkleinen? Welke maatregelen nodig zijn en wat daarin van de inwoners en maatschappelijke partijen mag worden verwacht, is erg afhankelijk van waar het inwonersinitiatief precies op ziet. Ook hier geldt dus dat per geval zal moeten worden bepaald hoe hier invulling aan wordt gegeven. In de verordening is een bepaling opgenomen waarin is vastgelegd dat de gemeente met de inwoners, maatschappelijke partijen en/of ondernemers afspraken maakt over de uitvoering van de gemeentelijke taak. En ook wat de gevolgen zijn als de afspraken niet worden nagekomen.

5

GEMEENTE MIDDEN-DELFLAND | Toelichting Participatieverordening Midden-Delfland 2025

« Inhoud

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING PARTICIPATIEVERORDENING MIDDEN-DELFLAND 2025

HOOFDSTUK 1 Artikel 1 Definities In dit artikel zijn de belangrijkste begrippen uitgewerkt. Voor zover een begrip niet is genoemd bij de definities geldt daarvoor wat algemeen gebruikelijk is in het algemeen taalgebruik of de toelichting uit de specifieke wetgeving (zoals bijvoorbeeld in hoofdstuk 4 Omgevingswet).

Beleid: Het betrekken van inwoners bij beleid staat centraal in deze verordening en bij de gemeentelijke participatie. In tegenstelling tot de inspraakverordening omvat het begrip niet alleen het vaststellen van beleid, maar ook de uitvoering en evaluatie daarvan In de definitie is ook toegevoegd dat het betrekking heeft op projecten en programma’s om aan te geven dat sprake is van een breed begrip om duidelijk te maken dat betrokkenheid van inwoners onderdeel is van de gemeentelijke werkwijze. Onder beleid kan in voorkomende situaties ook het vaststellen of wijziging van een verordening worden verstaan. Meestal dient een verordening voor het juridificeren van het beleid en kan daarmee onderdeel zijn van een participatieproces.

College: geen toelichting nodig. Inspraak: Inspraak is van de mogelijke vormen van participatie. Dit is een minimale wettelijke participatievorm, die in artikel 5 benoemd is.

Inwoners: Om misverstanden te voorkomen is hierbij is aangesloten bij de wettelijke begrips­ omschrijving van de Gemeentewet.

Inwonersparticipatie: Dit is de klassieke vorm van inspraak en participatie, waarbij de gemeente het initiatief neemt. Het VNG-model biedt de keuze om ook participatie toe te kennen aan maatschappelijke partijen en/of ondernemers. Vanuit het maatschappelijk belang en de ambities in de Toekomstvisie Midden-Delfland 2050 is gekozen om beide categorieën gelijke ‘rechten’ toe te kennen als inwoners.

Maatschappelijke partijen: Artikel 150 Gemeentewet noemt het begrip ‘maatschappelijke partijen’ zonder een nadere omschrijving. Gekozen is voor een ruime omschrijving, waarbij de actieve betrokkenheid bij de samenleving centraal staat. De term ‘inwonersplatforms’ sluit aan bij de praktijk in Midden-Delfland en toont aan dat niet altijd sprake hoeft te zijn van een rechtspersoon voor participatie. Ten opzichte van het VNG-model is aan de maatschappelijke betrokkenheid een uitbreiding toegevoegd voor het Bijzonder Provinciaal Landschap Midden-Delfland. Belangen waar maatschappelijke organisaties zich op kunnen richten zijn daarbij dan de sociale omgeving (samenleving), openbare ruimte (eigen leefomgeving) en het landschap.

Ondernemers: Ondernemers zijn direct van belang voor de vitaliteit in de dorpen. Zij zorgen met hun activiteiten voor voorzieningen en werkgelegenheid én ondersteuning van verenigingen en evenementen.

Overheidsparticipatie: Bij deze vorm van participatie gaat het initiatief niet uit van de gemeente, maar komt vanuit de samenleving. Deze mogelijkheid staat open voor inwoners, maatschappelijke partijen en ondernemers. Door de toevoeging en/of wordt duidelijk gemaakt dat ook sprake kan zijn van een combinatie van deze groepen. Dit vloeit ook voort uit de ambities van de toekomstvisie. De gemeente ‘doet’ mee aan plannen vanuit de samenleving.

Participatie: De samenwerking tussen een bestuursorgaan en inwoners, maatschappelijke partijen en/of ondernemers.

Inwonersinitiatief: Met dit begrip is afgeweken van de algemene literatuur en het VNG-model waarin gesproken wordt over uitdaagrecht. Het woord ‘recht’ hierin kan verkeerde verwachtingen wekken. Een recht suggereert dat hier altijd gebruik van kan worden gemaakt en juridisch 6

GEMEENTE MIDDEN-DELFLAND | Toelichting Participatieverordening Midden-Delfland 2025

afdwingbaar is. Dit is een bijzondere vorm van participatie, waarvan de basis ligt bij het initiatief van de samenleving. Mensen kunnen voorstellen indienen om taken van de gemeente uit te voeren en zelf over te nemen als zij denken dat bijvoorbeeld effectiever, efficiënter of goedkoper te kunnen uitvoeren. Ook kan sprake zijn van taakuitvoering van beleid waar de gemeente om welke reden dan ook niet meer aan toekomt. Vanuit de formele bevoegdheden en verantwoordelijkheden van gemeenten is ook toegevoegd dat voorstellen gedaan kunnen worden. De werkwijze is opgenomen in hoofdstuk 3. Het inwonersinitiatief uit deze verordening is niet vergelijkbaar met het democratische begrip ‘burgerinitiatief’. Dit is een mogelijkheid om bij de Tweede Kamer met 40.000 steunbetuigingen een onderwerp op de politieke agenda te plaatsen

Artikel 2 Reikwijdte

Eerste lid: Een formele bepaling om zichtbaar te maken dat ieder bestuursorgaan zelfstandig besluit over participatie. Het ene bestuursorgaan kan dit niet besluiten voor een ander bestuursorgaan. Uitgangspunt is wel dat ieder orgaan dit toepast, waarbij de regels uit deze verordening van toepassing zijn. Omdat iedere vorm van participatie haar eigen ‘techniek van regelgeving’ kent zijn hier de drie theoretische vormen genoemd.

Tweede lid: In deze verordening en het beleid is de keuze gemaakt om voor alle participatie dezelfde verordening en beleid te volgen. Dat biedt helderheid aan alle partijen. De Omgevingswet verplicht om regels te stellen. In hoofdstuk 4 is dat beknopt uitgewerkt. In dit lid zijn alleen de instrumenten uit de Omgevingswet benoemd waar de gemeente voor verantwoordelijk is en als bevoegd gezag de inwonersparticipatie vorm kan geven. Voor de aanvrager van een omgevingsvergunning is participatie in beginsel niet verplicht. Daarom zijn alleen de gemeentelijke instrumenten uit de Omgevingswet genoemd. Met een ‘kan-bepaling’ is in hoofdstuk 4 wel de wenselijkheid van participatie bij de instrumenten gereguleerd waarbij een particuliere initiatiefnemer verantwoordelijk is voor het participatieproces.

Derde lid: Een participatieproces kost tijd en budget, daarom moet het voeren ervan ook nut en noodzaak hebben. In dit lid zijn daarom de belangrijkste uitzonderingen opgenomen wanneer in principe op voorhand geen participatieproces gevoerd wordt. Om te voorkomen dat een absolute weigeringsgrond ontstaat, is opgenomen dat de gemeenteraad incidenteel kan besluiten wel een participatietraject voor te stellen. Een voorbeeld kan zijn het opstellen van een ‘burgerbegroting’. Ten opzichte van het VNG-model is aan de categorie ‘kwetsbare groepen in de samenleving’ vanuit de identiteit en bestuurlijke opdracht voor Midden-Delfland toegevoegd dat geen participatie wordt toegepast als de belangen van het landschap zwaarder moeten wegen.

Artikel 3 Zorgplicht bestuursorgaan Met deze verordening krijgen inwoners, maatschappelijke partijen en ondernemers de mogelijkheid om mee te denken en mogelijk mee te beslissen over gemeentelijk beleid. Om het belang van participatie te benadrukken is de zorgplicht voor het bestuursorgaan in dit artikel uitgewerkt. Het gaat daarbij vooral om transparantie en openbaarheid en de verwachtingen over het proces. Voor de omgang met partijen is hierbij het uitgangspunt het participatiebeleid in combinatie met de belofte uit de dienstverleningsvisie: In de gemeente Midden-Delfland voelt u zich begrepen, geholpen, betrokken en thuis. Daar zorgen we voor door oprechte belangstelling te tonen en deskundig, gedreven en naar de bedoeling te handelen. Het begrip ‘bestuursorgaan’ is voor inwoners niet altijd duidelijk. Onderdeel van de zorgplicht van het bestuursorgaan is ook de wettelijke verplichting uit de Algemene wet bestuursrecht om een verkeerd ingediend verzoek door te sturen naar het juiste orgaan. Het VNG-model is tekstueel aangevuld door onder b te verwijzen naar de vier onderscheidende niveaus van inbreng en betrokkenheid tijdens het participatieproces (artikel 4, tweede lid, onder c); in de praktijk vaak benoemd als ‘participatieladder’. In deze verordening en het beleid is die term vermeden.

Redenen zijn dat meerdere participatieladders bestaan en een hogere trede een hogere kwaliteit kan veronderstellen, terwijl sprake is van onderscheid in beïnvloedingsmogelijkheden. De mate van inbreng en betrokkenheid worden uitgewerkt in het (model) participatieplan. Onder g is ‘kenbaar’ vervangen door ‘verslag’. Tevens is toegevoegd dat in het verslag niet alleen vermeld moet worden met de uitkomsten is gedaan, maar ook wat niet is overgenomen.

7

GEMEENTE MIDDEN-DELFLAND | Toelichting Participatieverordening Midden-Delfland 2025

« Inhoud

HOOFDSTUK 2 INWONERSPARTICIPATIE Artikel 4 Plan voor inwonersparticipatie Eerste lid: Een goed participatieproces start met duidelijkheid en visie hoe dat proces eruit zou moeten zien. Basisvereisten zijn dat het plan in ieder geval openbaar is en het proces en de planning benoemd zijn, een en ander voor zover praktisch mogelijk. Zeker bij langdurige projecten kan sprake zijn van meerdere participatieprocessen. De invulling daarvan kan pas plaatsvinden nadat de voorgaande fase is afgerond en bekend is wat de opbrengsten zijn. Logischerwijs is ook verwezen naar het beleidskader participatie, waarin details en uitgangspunten zijn opgenomen die zich minder goed lenen voor opname in deze procesgeoriënteerde verordening.

Tweede lid: In de onderdelen a tot en met d is opgenomen wat minimaal onderdeel is van het participatieplan. Bij onderdeel c is opgenomen welke (theoretische) vormen van participatie mogelijk zijn; beter bekend als de participatieladder. Ten opzichte van het VNG-model is daarin ‘stap 1’ het informeren verwijderd. Principiële reden hierbij is dat ‘informeren’ niet als participatie beschouwd wordt. Informeren staat gelijk aan voorlichten en heeft daarmee een eenzijdige berichtgeving naar partijen en biedt in theorie geen optie voor onderlinge communicatie. De participatievormen bestaan daarmee uit de treden: inspraak, adviseren, coproduceren en meebeslissen. Als eerste trede is gekozen voor term ‘inspraak’. In de praktijk wordt deze vaak aangeduid als ‘raadplegen’. Met de term inspraak wordt beter aangesloten bij de wettelijke definitief in artikel 150, tweede lid, Gemeentewet en de de openbare voorbereidingsprocedure uit de Algemene wet bestuursrecht (Awb) (zie ook artikel 5 van deze verordening). Bij onderdeel d staat het vooraf nadenken over een breed bereik en bijzondere doelgroepen centraal. Bij onderdeel d, onder iii, is ten opzichte van het VNG-model bij besluitvorming de zinsnede ‘ambtelijke en bestuurlijke’ verwijderd.

Besluitvorming is altijd bestuurlijk, waarbij uiteraard via het mandaatstelsel de besluitvorming ambtelijk kan plaatsvinden; dit is echter altijd onder de bestuurlijke verantwoordelijkheid.

Derde lid: In het VNG-model is opgenomen dat als het college de besluitvorming voorbereidt, zij het plan opstelt. In de praktijk is dit bijna altijd de situatie; de gemeenteraad voert nagenoeg niet geheel zelfstandig beleid als bedoeld in deze verordening. Daarom is in dit artikel opgenomen dat het college als onderdeel van de reguliere besluitvorming en beleidsvoorbereiding ook het participatieplan opstelt en uitvoert. Om de positie van de gemeenteraad te versterken is opgenomen dat het participatieplan bij het in de openbaarheid brengen ook gedeeld wordt met de gemeenteraad. Ten overvloede is toegevoegd een bepaling waaruit blijkt dat de raad te allen tijde het opstellen van een participatieplan aan zich kan voorbehouden.

Vierde lid: Ten overvloede is dit lid toegevoegd aan het VNG-model. Hierin is bepaald dat het college vanuit de politieke of financiële context een participatieplan kan bespreken met de raadscommissie of voor besluitvorming kan voorleggen aan de gemeenteraad. Hierbij kan gedacht worden aan het ontwikkelen van visies, zoals een Omgevingsvisie. Meestal is aan dit soort trajecten ook een budgetvoorstel gekoppeld, waarbij dan een participatieplan eventueel ter informatie of besluitvorming kan worden toegevoegd aan het budgetvoorstel.

Artikel 5 Inspraak De Awb bevat een procedure voor inspraak. Dit is de uniforme openbare voorbereidingsprocedure uit afdeling 3.4 Awb. Deze procedure wordt op grond van de verordening bij inspraak gevolgd, tenzij het bestuursorgaan besluit een andere procedure vast te stellen. In dit artikel is geregeld dat het bestuursorgaan ook voor deze inspraakprocedure kan kiezen als dat niet wettelijk verplicht is. Dit biedt de mogelijkheid om (formele) inspraak als een vorm van participatie toe te passen. Het is ook mogelijk om participatie toe te passen en daarnaast inspraak te verlenen. In de praktijk gaat het dan vaak om een inspraaktraject na afronding van de participatie. Daar het initiatief in alle situaties van de gemeente uitgaat, is dit artikel opgenomen in het hoofdstuk van inwonersparticipatie.

8

GEMEENTE MIDDEN-DELFLAND | Toelichting Participatieverordening Midden-Delfland 2025

Artikel 6 Eindverslag inwonersparticipatie Eerste lid: Bij een zorgvuldig proces hoort dat minimale eisen gesteld worden aan de afronding. Het eindverslag heeft als belangrijkste doel is dat het informatie voor deelnemers aan het participatieproces oplevert. Daarnaast geeft het een inhoudelijke terugblik op het proces. Ten slotte biedt het ook de mogelijkheid als leerpunt en kans op verbeterpunten voor een volgend proces. Ten opzichte van het VNG-model is toegevoegd dat het verslag binnen twee weken na vaststelling openbaar wordt gemaakt. Dit om de transparantie te bevorderen en deelnemers zo spoedig mogelijk te informeren. Hierdoor kan de informatievoorziening aan de gemeenteraad en deelnemers samenvallen met het besluitvormingsproces.

Tweede lid: In dit lid zijn de minimale eisen waaraan het eindverslag moet voldoen opgenomen. Vanuit efficiency en om misverstanden te voorkomen is aan onderdeel a toegevoegd dat de beschrijving op hoofdlijnen moet plaatsvinden en aan onderdeel d dat een beknopte evaluatie van het proces moet worden opgenomen. Aan onderdeel c is expliciet toegevoegd dat ook adviezen genoemd moeten worden. Aan dit onderdeel is eveneens toegevoegd dat ook toegelicht moet worden waarom uitkomsten, adviezen en argumenten niet zijn overgenomen. Dat is een onlosmakelijk onderdeel van het proces waarbij deelnemers als gelijke en serieuze partij op een professionele wijze worden betrokken bij het gemeentelijk beleid.

9

GEMEENTE MIDDEN-DELFLAND | Toelichting Participatieverordening Midden-Delfland 2025

« Inhoud

HOOFDSTUK 3 INWONERS INITIATIEF EN OVERHEIDSPARTICIPATIE Dit hoofdstuk is een nadere uitwerking van de mogelijkheid die artikel 150, derde lid, Gemeentewet biedt om inwoners en maatschappelijke partijen gemeentelijke taken te laten uitvoeren. In de bestuurspraktijk vaak aangeduid als ‘right to challenge’ of ‘uitdaagrecht’. In Midden-Delfland is gekozen om deze term te vertalen naar het inwonersinitiatief. Dit om te duiden dat het geen recht is, maar een initiatief en voorstel vanuit de samenleving om het gemeentelijk beleid, uitvoering, project of taak over te nemen. De wijze waarop het besluitvormingsproces verloopt is uitgewerkt in de artikelen 7 tot en met 10. Ten overvloede is aan de titel van dit hoofdstuk en in enkele bepalingen het begrip overheids­ participatie toegevoegd. Overheidsparticipatie en het inwonersinitiatief zijn twee vergelijkbare verschijningsvormen die bijdragen aan het bereiken van de doelstellingen van participatie. Deze zijn beiden in dit hoofdstuk geregeld. Uit de praktijk en ervaringen met dit soort processen zal moeten blijken in hoeverre deze verordening aansluit bij de participatiedoelstellingen en de mogelijkheden vanuit de samenleving om bij te dragen aan het realiseren van de ambities uit de toekomstvisie.

Artikel 7 Verzoek toepassing inwonersinitiatief Eerste lid: Hierin is geregeld dat alle verzoeken bij het college worden ingediend. Dit geldt ook voor taken waar een ander bestuursorgaan toe bevoegd is. Bij voorkeur wordt deze mogelijkheid digitaal ondersteund, waardoor voor initiatiefnemers sprake is van een laagdrempelige toegang. Daarna kan het college zorgen voor doorzending naar de burgemeester, een gemeenschappelijke regeling of een andere overheidsinstantie. Indien sprake is van een raadsbevoegdheid zal de gemeenteraad geïnformeerd worden en zorgt het college voor de voorbereiding van de besluitvorming (zie ook artikel 9, tweede lid).

Tweede lid: In artikel 1 (definities) is al opgenomen dat onder beleid ook een gedragslijn, project, programma of plan wordt begrepen. In dit lid is ten overvloede opgenomen dat dit betrekking heeft op beleid (met brede omschrijving), project of taak. Dit vanuit de herkenning voor initiatiefnemers waar naar verwachting hun initiatieven betrekking op hebben. Bij het slechts opnemen van de term beleid bestaat het risico dat men bij het uitzoeken van de mogelijkheden al afhaakt, daar deze term veelal onvoldoende concreet en praktisch is voor een inwoners­ initiatief.

Derde lid: Gekozen is dit facultatieve lid uit het VNG-model op te nemen. Deze informatie is wenselijk voor een globale beoordeling op kansrijkheid en op basis daarvan serieus met de initiatiefnemer in gesprek te gaan. Tevens is aan het model, onder 3a, toegevoegd dat informatie gevraagd wordt welke andere partijen en deskundigheden bij het initiatief betrokken zijn. Deze gegevens bieden meer informatie over de kansen op realisatie van het initiatief. Onder 3c is toegevoegd dat informatie over de continuïteit wenselijk is. Uit de praktijk blijkt dit voor de initiatiefnemer en de overheid vaak een punt van zorg en overleg. Door hier vooraf al over na te denken, kan de beoordeling en besluitvorming sneller plaatsvinden. Onder 3d is toegevoegd de vraag de verwachtingen van de initiatiefnemer ten opzichte van de gemeente te benoemen. Wat moet de gemeente leveren, doen of juist niet doen om naar de inschatting van de indiener het inwonersinitiatief een goede kans van slagen te geven. Door dit vooraf te benoemen, kan dat ook onderdeel zijn van het overleg. Gekozen is om niet te werken met een vastgesteld formulier. Hierdoor kan de initiatiefnemer vormvrij een voorstel indienen, met daarbij minimaal een uitwerking en toelichting op de genoemde punten in dit artikel.

Vierde lid: Dit lid behoefte geen toelichting.

10 GEMEENTE MIDDEN-DELFLAND | Toelichting Participatieverordening Midden-Delfland 2025

Artikel 8 Ondersteuning indiener verzoek toepassing inwonersinitiatief Eerste lid: Participatie is een vorm van collectieve dienstverlening. Daarom is aan dit lid een verwijzing toegevoegd naar de gemeentelijke dienstverleningsvisie.

Tweede lid: Uit het proces van de Toekomstvisie Midden-Delfland 2050 blijkt dat inwoners behoefte hebben aan een laagdrempelige toegang. Hiermee wordt het risico verminderd dat goede initiatieven in de kiem worden gesmoord doordat deze niet bij de juiste afdeling terecht komen. Vanuit de relatie met de Wet modernisering elektronisch bestuurlijk verkeer is er voor gekozen dat het eerste contact voor het initiatief bij voorkeur digitaal tot stand kan komen. Hiermee wordt voorkomen dat de initiatiefnemer zelf moet onderzoeken welke medewerker het meest geschikt is om het inwonersinitiatief te bespreken. Na de digitale melding kan de gemeentelijke contactpersoon binnen de interne organisatie de juiste verbinding voor een eerste inhoudelijke afstemming tot stand brengen.

Derde lid: Dit lid maakt inzichtelijk dat overheidsparticipatie zoveel mogelijk procesmatig de basis volgt van inwonersparticipatie en het inwonersinitiatief. In de praktijk is dit vooral afhankelijk van het onderwerp waarop het verzoek om overheidsparticipatie betrekking op heeft.

Artikel 9 Beoordeling verzoek toepassing inwonersinitiatief Eerste lid: Het college neemt alle verzoeken om toepassing van het inwonersinitiatief in ontvangst. Indien noodzakelijk vindt doorzending plaats naar het juiste bestuursorgaan. Vanuit de lijn van de Awb (formele doorzendplicht) en de zorgvuldigheid informeert het college de initiatiefnemer.

Tweede lid: Hierin is bepaald dat een inhoudelijke reactie door het college wordt opgesteld en vanuit de taak ‘voorbereiding besluiten gemeenteraad’ voor besluitvorming voorlegt aan de gemeenteraad.

Derde lid: Hierin zijn twee absolute weigeringsgronden opgenomen. Ten eerste als De aard van de taak zich hiertegen verzet; bijvoorbeeld het verlenen van paspoorten of het benoemen van wethouders (onder a). Ten tweede als Het verzoek niet voldoet aan de gestelde eisen van artikel 7. In die situatie krijgt de initiatiefnemer een termijn met de mogelijkheid tot herstel, naar analogie met artikel 4:5 van de Awb. Onder c is een extra weigeringsgrond toegevoegd dat afwijzing plaatsvindt als al sprake is van een inwonersinitiatief dat is gehonoreerd. Dit om te voorkomen dat groepen van inwoners, maatschappelijke partijen en/of ondernemers bij conflicten tot onderlinge concurrentie of overname van het initiatief willen overgaan.

Vierde lid: Dit lid bevat de relatieve weigeringsgronden om een inwonersinitiatief te honoreren. Onder a zijn de criteria benoemd dat de kwaliteit naar verwachting minder goed is en/of de kosten voor de gemeente hoger zijn. Onder b is bedoeld om strijd met de aanbestedingswetgeving te voorkomen. Onder c is als mogelijke weigeringsgrond opgenomen dat sprake is van lopende juridische procedures. Hiermee kan worden voorkomen dat meerdere processen met een mogelijk conflicterend karakter samen oplopen. In zoverre sluit ook de weigeringsgrond onder d hierop aan, waarmee voorkomen wordt dat een initiatief in behandeling wordt genomen dat voornamelijk een privé of enkel ondernemersbelang dient. Onderdeel e is ten opzichte van het VNG-model overgezet van een absolute naar een relatieve weigeringsgrond. Strijd met het gemeentelijk beleid kan in de praktijk een rechtvaardige weigeringsgrond zijn. Echter het inwonersinitiatief kan in de volle breedte mogelijk juist wel tot een aanpassing van dat beleid aanleiding zijn en bij uitvoering door inwoners tot een beter maatschappelijk resultaat leiden. Daarvoor is een inhoudelijke beoordeling wenselijk en sluit dit ook aan op de intentie meer betrokkenheid voor inwoners mogelijk te maken.

11 GEMEENTE MIDDEN-DELFLAND | Toelichting Participatieverordening Midden-Delfland 2025

Vijfde lid: Bij het bepalen van een termijn voor besluitvorming is aangesloten bij de redelijke termijn van acht weken uit artikel 4:13 van de Awb. Hiermee wordt voorkomen dat uitvoering van beleid aan meerdere termijnen en procedures is gebonden. Voor een eventuele verdaging wordt ook aangesloten bij de Awb. Dit houdt in dat als niet binnen acht weken kan worden besloten, het bestuursorgaan mede dit aan de aanvrager en daarbij een zo kort mogelijke termijn noemt waarbinnen het besluit wel tegemoet kan worden gezien. Ten opzichte van het VNG-model is geen zesde lid opgenomen. Hierin was bepaald dat het besluit onderbouwd moet worden en openbaar wordt gemaakt. De motiveringsplicht vloeit al voort uit de Awb. Daarnaast kan het verplicht openbaar maken in enkele bijzondere situaties in de praktijk niet wenselijk zijn, bijvoorbeeld bij bescherming van de persoonlijke gegevens van de initiatiefnemer. Hiermee wordt voorkomen dat een potentieel initiatief niet wordt ingediend, daar vanuit het perspectief van de indiener openbaarmaking ongewenst is. Uiteraard wordt deze wel geïnformeerd over het gemeentelijk besluit.

Artikel 10 Uitvoering taak Bij een positieve beslissing op een verzoek om toepassing van het inwonersinitiatief worden diverse afspraken vastgelegd. Afhankelijk van het onderwerp zijn deze meer of minder uitvoerig. In dit artikel zijn de logische onderwerpen als proces, budget en contactmoment opgenomen. In de afspraken wordt ook opgenomen wat gebeurt bij het niet nakomen van de afspraken en wanneer een van beide partijen stappen kan ondernemen om de uitvoering van de taak te beëindigen. Daarnaast voorziet dit artikel in het vastleggen van een evaluatie. Het biedt inzicht in het proces en mogelijke verbeterpunten. Deze kunnen bij de uitvoering van de taak benut worden. Daarnaast geeft dat ook informatie voor andere potentiële initiatiefnemers en ook als lerend vermogen voor de organisatie.

12 GEMEENTE MIDDEN-DELFLAND | Toelichting Participatieverordening Midden-Delfland 2025

« Inhoud

HOOFDSTUK 4 OMGEVINGSWET Algemeen Vanaf 1 januari 2024 geldt voor het ruimtelijk domein de Omgevingswet. In de Omgevingswet en het Omgevingsbesluit staan verspreid meerdere bepalingen die betrekking hebben op participatie. Om als Midden-Delfland een eenduidig beleid op het terrein van participatie te hebben is gekozen om de participatie onder de Omgevingswet integraal onderdeel te laten zijn van deze verordening. De Omgevingswet biedt veel ruimte voor lokaal maatwerk. Deze wet maakt voor participatie onderscheid tussen activiteiten waarbij de gemeente de initiatiefnemer is, en activiteiten waarbij een bewoner of projectontwikkelaar de initiatiefnemer is. Dit hoofdstuk is op beide van toepassing, waarbij alle hoofdstukken van de participatieverordening en -beleidskader leidend zijn voor onze eigen gemeente. Artikel 16.55, lid 7, Omgevingswet biedt de juridische basis om participatie dwingend voor te schrijven bij buitenplanse omgevingsactiviteiten door derden (zie uitwerking artikel 12 van deze verordening). Deze optie is uitgewerkt in de ‘Lijst verplichte participatie Omgevingswet Midden-Delfland 2025’. Dat besluit is integraal onderdeel van de besluitvorming over verordening en het beleidskader participatie in 2025. Voor mogelijk andere relevante situaties waar geen verplichte basis geldt wordt de voorkeur uitgesproken dat de initiatiefnemer participatie gebruikt.

Dit is juridisch een vrije keuze die niet afgedwongen kan worden. De voorschriften uit deze verordening voor de gemeentelijke participatie gelden daarbij niet verplichtend voor de particuliere initiatiefnemer. Wel heeft het de voorkeur dat de initiatiefnemer het gemeentelijk beleidskader als uitgangspunt hanteert. De initiatiefnemer kan gebruik maken van het ambtelijk model participatieplan voor het opstellen van een eigen Participatieplan. Enige verplichting die geldt is dat bij een aanvraag van een Omgevingsvergunning de initiatiefnemer moet aangeven of participatie is toepast.

Relevante artikelen Omgevingsbesluit Artikel 10.2. (motiveringsplicht vroegtijdige publieksparticipatie omgevingsplan) 1 Bij de kennisgeving van het voornemen om een omgevingsplan vast te stellen, bedoeld in artikel 16.29 van de wet, wordt aangegeven hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding worden betrokken. 2 Bij het vaststellen van een omgevingsplan wordt aangegeven hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn. Daarbij wordt aangegeven op welke wijze invulling is gegeven aan het toepasselijke decentrale participatiebeleid.

Artikel 10.7. (motiveringsplicht vroegtijdige publieksparticipatie omgevingsvisie) 1 Bij het vaststellen van een omgevingsvisie wordt aangegeven hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn. 2 Als een omgevingsvisie wordt vastgesteld door de gemeenteraad of provinciale staten, wordt daarbij aangegeven op welke wijze invulling is gegeven aan het toepasselijke decentrale participatiebeleid.

Artikel 10.8. (motiveringsplicht vroegtijdige publieksparticipatie programma) 1 Bij het vaststellen van een programma wordt aangegeven hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn. 2 Als een programma wordt vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders, het algemeen bestuur van het waterschap of gedeputeerde staten, wordt daarbij aangegeven op welke wijze invulling is gegeven aan het toepasselijke decentrale participatiebeleid.

13 GEMEENTE MIDDEN-DELFLAND | Toelichting Participatieverordening Midden-Delfland 2025

Artikel 11 Participatie Omgevingsvisie, -plan en -programma Eerste lid: Dit artikel (eerste en tweede lid) is van toepassing als de gemeente initiatiefnemer is. In dat geval is hoofdstuk 2 (Inwonersparticipatie) van deze verordening zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing. Hierin staan bepalingen over inwonerparticipatie en inspraak. Als uitvoering hiervan moet bij het vaststellen van een omgevingsvisie, programma of omgevingsplan het eindverslag als bedoeld in artikel 6 te worden bijgevoegd.

Tweede lid: Bij het voornemen om een omgevingsvisie, -plan of programma vast te stellen of te wijzigen, geeft het college in de lijn van artikel 4 van deze verordening aan hoe inwoners, maatschappelijke partijen, ondernemers en bestuursorganen bij de voorbereiding worden betrokken. Overeenkomstig de voorkeur uit het gemeentelijk beleid vindt de participatie zo vroeg mogelijk in het beleidsproces plaats. Bij voorkeur wordt gestreefd naar participatief ontwerpen. Dit kan bij wijzigingen inhouden dat participatie plaatsvindt voordat de gemeenteraad besluit over de ruimtelijke kaders voor een wijziging van de Omgevingsvisie of Omgevingsplan. Het vaststellen van het Omgevingsprogramma is een bevoegd van het college en mede gebaseerd op de kaders die de gemeenteraad heeft gesteld in de visie en plan.

Artikel 12 Participatie bij buitenplanse omgevingsactiviteiten Algemeen Voor een initiatief dat niet past binnen het Omgevingsplan, kan dat plan worden aangepast maar kan ook een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (bopa) worden verleend. In de Omgevingsregeling is vastgelegd dat de initiatiefnemer bij de aanvraag om een omgevingsvergunning moet aangeven of participatie heeft plaatsgevonden. Deze vermelding is nog geen verplichting tot participatie. Bij de aanvraag moet dan alleen aangegeven worden of participatie is toegepast; in de situatie dat niets is aangeven wordt deze aanvraag niet in behandeling genomen. Uitzondering op de participatieplicht kan alleen gemaakt worden voor buitenplanse omgevingsactiviteiten. De wetgeving maakt het niet mogelijk participatie voor te schrijven bij alle vergunningaanvragen voor een buitenplanse activiteit. In dit artikel is de wettelijke mogelijkheid om verplichte participatie voor te schrijven ten overvloede genoemd en daarna nader uitgewerkt. De voorschriften voor de gemeentelijke participatie werken niet door naar de ‘particuliere’ participatie. Enige toevoeging is dat de initiatiefnemer verplicht is participatie toe te passen. Als participatie verplicht is en niet is uitgevoerd, dan alleen kan een aanvraag niet in behandeling worden genomen. In die situatie is niet aan de wettelijke eisen voldaan.

Eerste lid: Om invulling te geven aan de kaderstellende rol van de gemeenteraad te versterken is de wettelijke mogelijkheid dat een lijst kan worden vastgesteld van situaties waarin participatie toegepast ook in deze verordening opgenomen. Voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet heeft de gemeenteraad op 25 januari 2022 al een besluit op grond van artikel 16.55, lid 7, Omgevingswet genomen waarin participatie verplicht is. Dit was gekoppeld buitenplanse omgevingsactiviteiten waarvoor een bindend advies van de gemeenteraad noodzakelijk is. Voor de initiatiefnemer is deze werkwijze onduidelijk. In het nieuwe besluit is de verplichte participatie uitgewerkt in concrete omgevingsprojecten waar sprake is van een ruimtelijke en/of maatschappelijke impact. Bij buitenplanse omgevingsactiviteiten heeft voorafgaand aan het wijzigingsverzoek nog op geen enkele wijze participatie kunnen plaatsvinden (bijvoorbeeld via de Omgevingsvisie of het Omgevingsplan). Het verplicht voorschrijven van participatie is daarmee in principe wenselijk. Vanuit de wettelijke beperkingen en het voorkomen van een onevenredige vergunningdruk bij de aanvrager zijn in de ‘lijst van gevallen waarin participatie verplicht is’ de buitenplanse omgevingsactiviteiten benoemd die een grotere ruimtelijke of maatschappelijke impact hebben.

Wel blijft het gemeentelijk uitgangspunt dat zo veel als redelijk en mogelijk is ook bij de overige particuliere initiatieven gebruik wordt gemaakt van participatie.

14 GEMEENTE MIDDEN-DELFLAND | Toelichting Participatieverordening Midden-Delfland 2025

Aan de besluitvorming over de Participatieverordening Midden-Delfland 2025 is een lijst met verplichte situaties voor participatie onder de Omgevingswet toegevoegd. Tegelijkertijd daarmee wordt dan het besluit van 25 januari 2022 ingetrokken.

Tweede lid: In dit artikel is het wettelijk uitgangspunt uit de Omgevingswet vastgelegd dat de initiatiefnemer verantwoordelijk is voor participatie. Doelstelling is dat inwoners de ruimte krijgen om in een vroegtijdig stadium hun opvattingen en ideeën kenbaar te maken. Het maken van afspraken met de initiatiefnemer is slechts mogelijk als deze hiertoe op vrijwillige basis bereid is. De enige dwingende eis die voortvloeit uit de lijst van verplichte participatie is dat de initiatiefnemer moet participeren. De gemeente mag niet dwingend vooraf voorschrijven hoe de participatie wordt georganiseerd. Dat is wettelijk bepaald. Achteraf kan slechts beoordeeld worden of participatie heeft plaats­ gevonden en hoe die is uitgevoerd. De kwaliteit van de participatie is formeel geen weigeringsgrond. Procedurele mogelijkheden zijn beperkt tot inbreng van belanghebbenden tijdens de bezwaar- en beroepsprocedure, meenemen belangen bij toetsing aanvraag, initiatiefnemer verzoeken proces aan te scherpen. Toetsing bij bezwaar en beroep richt zich op de feitelijke belangenafweging. Het college neemt bij voorkeur in een (intentie)overeenkomst afspraken op over het participatieproces. Op deze wijze wordt per initiatief maatwerk geleverd waarover de participatie gaat en wie welke rol heeft.

Zo is bij sommige gebiedsontwikkelingen de gemeente zelf mede grondeigenaar en kan de gemeente ook zelf een rol vervullen in het organiseren van participatie. Overigens wordt niet altijd een overeenkomst afgesloten en een ruimtelijk kader vastgesteld. Bij kleinere initiatieven zou dat een onevenredig beroep doen op de beperkte ambtelijke organisatie en niet in verhouding staan tot de inspanning die de particulier moet leveren.

Derde lid: Om het belang van participatie te benadrukken is de Handreiking participatie bij ruimtelijke initiatieven Midden-Delfland (particulier initiatief). Hiermee krijgt de initiatiefnemer ondersteuning hoe deze het participatieproces vorm en inhoud kan gegeven. Tevens is de leidraad een hulpmiddel voor de ambtelijke organisatie om een initiatiefnemer te ondersteunen hoe deze zelfstandig de participatie kan vormgeven. Als de initiatiefnemer niet volgens de leidraad participatie toepast, is dat geen reden om de aanvraag niet in behandeling te nemen of te weigeren. Het blijft een hulpmiddel om de effectiviteit en kwaliteit van het participatieproces te ondersteunen en te beoordelen. Onderdeel van de handreiking is een scorelijst hoe de kwaliteit van de participatie bij een particulier initiatief beoordeeld en gekwalificeerd kan worden. Dat oordeel kan dan als bijlage bij de besluitvorming toegevoegd worden. Hiermee wordt het onderdeel van de beoordeling of in redelijkheid de vergunning verleend had kunnen worden (motivering van evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL)). Daarmee is het een element bij de juridische belangenafweging en toetsing tijdens een eventuele bezwaar- en beroepsprocedure.

Vierde lid: Het participatieverslag is onderdeel van de ruimtelijke procedure. Zie voor de status hiervan in die procedure de toelichting bij het tweede lid van dit artikel. Doordat sprake is van een particulier initiatief zijn de eisen van artikel 6 niet bindend verklaard, maar ‘zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing’.

Vijfde lid: Op basis van dit lid hebben inwoners bij initiatieven waarvoor participatie verplicht is de mogelijkheid om op het participatieverslag te reageren bij het bestuursorgaan. Deze mogelijkheid bestaat echter ook zonder de nadrukkelijke regeling in dit lid. Opname heeft met name een toegevoegde waarde als inwoners zich niet herkennen in het verslag van het participatieproces, of zich niet herkennen in de weergave van de inhoudelijke bezwaren of voorgestelde alternatieven ten aanzien van het voorgenomen initiatief. Deze stap maakt het belang van een zorgvuldig proces groter voor de initiatiefnemer.

15 GEMEENTE MIDDEN-DELFLAND | Toelichting Participatieverordening Midden-Delfland 2025

« Inhoud

HOOFDSTUK 5 SLOTBEPALINGEN Artikel 13 Nadere regels college Dit artikel biedt eventueel een grondslag voor het college om nadere regels vast te stellen. Mogelijk dat op basis van ervaringen opgedaan met diverse participatietrajecten of behandeling van inwonersinitiatieven behoefte bestaat aan een algemene uitwerking van nadere procesafspraken.

Artikel 14 Hardheidsclausule Deze verordening is opgesteld vanuit de toepassing in de praktijk, waarbij rekening wordt gehouden met maatwerk en wisselende omstandigheden. De mogelijkheid blijft toch bestaan dat in bijzondere situaties de strikte toepassing van deze verordening niet aansluit bij de doelstellingen van participatie en inwonersinitiatieven. Om toch vanuit de bedoeling te kunnen blijven werken is deze hardheidsclausule opgenomen.

Artikel 15 Intrekking oude verordening en overgangsrecht Eerste lid: Doelstelling van de wijziging van artikel 150 Gemeentewet is om van inspraak te komen tot participatie; beter gesteld van inspraak naar samenwerking. In dit lid is geregeld dat de inspraakverordening uit 2004 wordt ingetrokken.

Tweede lid: Formeel wordt hiermee geregeld dat de lopende inspraakprocedures worden afgehandeld overeenkomstig de Inspraakverordening Midden-Delfland 2004.

16 GEMEENTE MIDDEN-DELFLAND | Toelichting Participatieverordening Midden-Delfland 2025

Gemeente Midden-Delfland Anna van Raesfeltstraat 37 2636 HX Schipluiden gemeente@middendelfland.nl www.middendelfland.nl Cittaslow Midden-Delfland Kwaliteit van leven

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=middendelfland&id=a4eda890-4839-43d5-8dcf-289ec80198a5