09 B 058 bijlage 9.docx
Tekst van het document
Implementatiehandleiding bij Model Verordening jeugdhulp Algemeen: De Model Verordening jeugdhulp kent een aantal bepalingen die als ‘facultatief’ zijn aangemerkt (deze zijn te herkennen aan de cursieve tekst). Uiteraard is het gehele model in zekere zin facultatief. Facultatief, zoals aangeduid in het model, betekent echter dat de keuze om deze onderdelen in het model op te nemen een bewuste keuze van een individuele gemeente dient te zijn. Hierbij is er in het model voor gezorgd dat gemeenten door het niet overnemen van deze bepalingen niet in de problemen komen met de Jeugdwet, voor zover deze wet gemeenten verplicht bepaalde zaken te regelen. Daarnaast is er in het model voor gezorgd dat met het niet overnemen van de facultatieve bepalingen de systematiek van de verordening niet doorbroken wordt. Gemeenten die ervoor kiezen om andere bepalingen dan de facultatieve bepalingen niet over te nemen, deze in gewijzigde vorm over te nemen of deze aan te vullen, moeten er zelf scherp op zijn dat deze keuzes in lijn zijn met de Jeugdwet én dat deze stroken met de systematiek van de bepalingen die wel overgenomen worden. Afhankelijk van de keuzes die gemaakt worden kan het noodzakelijk zijn om artikelen of artikelleden te vernummeren. Verder is de toelichting grotendeels zo opgesteld dat gemeenten deze kunnen overnemen als ze ook de bepaling waar deze bij hoort overnemen.
Afhankelijk van de gemaakte keuzes zullen dus ook bepaalde onderdelen van de toelichting wel of juist niet geschikt zijn voor overname. Toelichting bij facultatieve bepalingen is eveneens als facultatief aangemerkt (lees: cursief gemaakt). Aanhef De Jeugdwet (hierna: wet) kent enkele verordenende bevoegdheden waaraan verplicht uitvoering gegeven dient te worden (te weten: de artikelen 2.9, 2.10 en 2.12). Daarnaast is er een enkele expliciete verordenende bevoegdheid waaraan uitvoering gegeven kan worden (te weten: artikel 8.1.1, derde lid). In de aanhef, na gelet op, dienen enkel die artikelen vermeld te worden waaraan in de verordening uitvoering gegeven wordt. Artikel 2. Vormen van jeugdhulp Artikel 2 geeft uitvoering aan artikel 2.9, onder a, van de wet, op grond waarvan de gemeente verplicht is bij verordening regels te stellen over de door het college te verlenen individuele voorzieningen en overige jeugdhulpvoorzieningen. Uit de memorie van toelichting op de wet (Kamerstukken II 2012/13, 33 684, nr.
3) valt op te maken dat hiermee onder meer voor de burger inzichtelijk gemaakt moet worden welke vormen van jeugdhulp – uitgaande van toegang tot de jeugdhulp via de gemeente (zie artikel 4 en verder) – alleen toegankelijk zijn na een besluit van de gemeente (de ‘individuele voorzieningen’) en welke in beginsel vrij toegankelijk zijn voor iedereen waarvoor ze bedoeld zijn (de ‘overige voorzieningen’). Van verschillende van de hier te noemen vormen van jeugdhulp zullen diverse varianten bestaan. De inzet van een specifieke variant (een concrete voorziening) zal steeds afhankelijk zijn van de uitkomst van het onderzoek en de betreffende situatie en de specifieke behoeften van de jeugdige en zijn ouders. Eerste lid: Hoe overige voorzieningen genoemd worden verschilt lokaal vaak sterk. Gedacht wordt aan voorzieningen zoals welzijnswerk, het consultatiebureau, coaching of een ‘maatjesproject’. Tweede lid: Voor de opsomming van de vormen van beschikbare individuele voorzieningen kan Bijlage 9/9 bij VNG ledenbrief, april 2019
bijvoorbeeld aangesloten worden bij de iStandaarden in de Zorg en Ondersteuning en de 'productcategorieën' waarvoor standaardproductcodes zijn zoals: persoonlijke verzorging, dagbehandeling, dagbesteding, vervoerdiensten, jeugdhulp verblijf (inclusief behandeling), jeugdhulp verblijf (exclusief behandeling), jeugdhulp ambulant, generalistische Basis geestelijke gezondheidszorg (hierna: GGZ), Specialistische GGZ, jeugd-GGZ, etc. Er zijn ook gemeenten die kiezen voor een hoger abstractieniveau: begeleiding, behandeling, verblijf, pleegzorg en vervoer. Artikel 3. Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts Juridisch is het niet noodzakelijk dat, als gebruik wordt gemaakt van de route via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts, de gemeente in alle gevallen het oordeel van de jeugdhulpaanbieder in een schriftelijke beschikking vastlegt voor de jeugdige of zijn ouders. Zolang de gemeente maar regelt dat de jeugdige of zijn ouders de naar het oordeel van de jeugdhulpaanbieder benodigde voorziening daadwerkelijk ontvangt. Er kan ook voor gekozen worden om, in plaats van het geven van een beschikking in alle gevallen, alleen een beschikking af te geven als de jeugdige of zijn ouders dit wensen óf in het uitzonderlijke geval dat de gemeente een besluit neemt dat afwijkt van het oordeel van de jeugdhulpaanbieder.
Op die manier wordt de jeugdige en zijn ouders nog steeds de benodigde rechtsbescherming geboden en wordt voorkomen dat de gemeente talloze beschikkingen moet afgeven die hetzelfde luiden als hetgeen de jeugdige naar het oordeel van de jeugdhulpaanbieder nodig heeft. Met het oog hierop zijn van het tweede lid twee varianten uitgewerkt. Bij de variant A wordt de te verlenen individuele voorziening, of het afwijzen daarvan, alleen op verzoek vastgelegd in een beschikking. Bij variant B wordt de te verlenen individuele voorziening, of het afwijzen daarvan, altijd vastgelegd in een beschikking. NB Overwogen is variant A te schrappen. Dit in het licht van onder meer het rapport Eerste evaluatie Jeugdwet (zie o.a. pagina 46) en de gedachte dat het standaard werken met beschikkingen mogelijk aanvullende mogelijkheden zouden kunnen bieden in het kader van sturing, toezicht en handhaving door of vanwege de gemeente (bijvoorbeeld bij terugvordering, maar ook de mogelijkheid van de jeugdige en zijn ouders om te signaleren of de verleende jeugdhulp overeenkomt met hetgeen is toegekend wordt vergroot als dit duidelijk is vastgelegd in een beschikking). Hier is echter vanaf gezien in verband met een mogelijke wetswijziging, waarmee juist aangestuurd zou gaan worden op het (vaker) werken zonder beschikkingen.1 Artikel 4 (en verder).
Toegang jeugdhulp via de gemeente Op grond van artikel 2.9, onder a, van de wet moeten gemeenten onder meer regelen: de voorwaarden voor toekenning, de wijze van beoordeling van en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening. Ter uitvoering hiervan zijn drie varianten uitgewerkt. Varianten A.1 en A.2: De raad legt de procedure zelf vast in de verordening. Voordeel hiervan is dat de regeling minder snel aangepast zal worden, waardoor burgers uit kunnen gaan van een bestendige procedure. Doordat de procedure in de verordening van de raad vastgelegd wordt, kennen deze varianten meerdere artikelen (4 tot en met 8 (variant A.1) of tot en met 6 (variant A.2)). Variant B: De raad delegeert het vaststellen van de procedure aan het college. Voordeel van deze 1 Over deze mogelijke wetswijziging is op dit moment nog geen nadere informatie beschikbaar.
Bijlage 9/9 bij VNG ledenbrief, april 2019
variant is dat de procedure sneller gewijzigd kan worden. Nadeel is dat de raad hier verder weinig directe controle over heeft. Deze variant volgt in het model na artikel 6 van variant A.2. Voor de uitwerking door het college kan aansluiting gezocht worden bij de artikelen van variant A.1 of A.2. Dat het college de procedure vaststelt, hoeft immers niet te betekenen dat een inhoudelijk andere procedure voor de hand ligt. Variant A.1 Artikel 4. Toegang jeugdhulp via de gemeente Gezien de beperkte relevantie voor de praktijk is de verwijzing naar het familiegroepsplan telkens facultatief gemaakt. Gemeenten die positieve ervaringen hebben met het al opstellen van familiegroepsplannen in deze fase kunnen ervoor kiezen om de bepaling over te nemen en uit te werken. Het wel of niet overnemen doet niets af aan hetgeen is bepaald in artikel 2.1, aanhef en onder g, van de wet: Het gemeentelijke beleid inzake preventie, jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering en de uitvoering van jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering is gericht op het tot stand brengen en uitvoeren van familiegroepsplannen en het verlenen van hulp op basis van familiegroepsplannen, ter uitvoering van artikel 4.1.2 van de wet en indien sprake is van vroege signalering van opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen. Artikel 5.
Onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren In het eerste lid moet een termijn worden ingevuld waarbinnen – na de melding – het onderzoek moet zijn uitgevoerd. In artikel 8, tweede lid, moet bovendien een termijn worden opgenomen waarbinnen het college vervolgens de beschikking moet geven. Dit om duidelijkheid voor de jeugdige en zijn ouders te creëren en om te voorkomen dat er een te lange tijd overheen gaat. Door de suggestie van zes en twee weken te volgen, wordt aangesloten bij de meldingsprocedure van de Wet maatschappelijke ondersteuning (hierna: Wmo 2015) en – in zekere zin – bij de redelijke termijn van acht weken van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Artikel 7. Verslag De termijn waarbinnen het college het verslag moet verstrekken moet nog ingevuld worden. Artikel 8. Aanvraag Gemeenten die de voorkeur geven om te werken met een aanvraagformulier kunnen de facultatieve toevoeging aan het eerste lid overnemen. Aangeraden wordt om het aanvraagformulier dan summier te houden, opdat er niet standaard onnodig persoonsgegevens verwerkt worden. Een voordeel van het werken met een formulier is dat aanvragen die langs andere wegen binnenkomen niet in behandeling genomen hoeven te worden. Dit kan gelijk ook het nadeel zijn.
Ook als er gekozen wordt om wel met een formulier te werken, kan er nog bepaald worden dat een aanvraag (daarnaast) gedaan kan worden door een ondertekend gespreksverslag aan te merken als aanvraag (zie het tweede deel van de facultatieve bepaling). In het tweede lid moet de beslistermijn ingevuld worden. Zie daarvoor verder wat hierover bij artikel 5 is opgemerkt.
Bijlage 9/9 bij VNG ledenbrief, april 2019
Variant A.2 Artikel 4. Toegang jeugdhulp via de gemeente Eerste lid: Gemeenten die de voorkeur geven om te werken met een aanvraagformulier kunnen de facultatieve toevoeging overnemen. Zie verder wat hierboven bij artikel 8 is opgemerkt. Tweede lid: Hier moet de beslistermijn ingevuld worden. In veel gevallen bedraagt de beslistermijn acht weken. Dat is dan uitdrukkelijk bepaald of het volgt uit artikel 4:13, tweede lid, van de Awb. In die bepaling is bepaald dat de ‘redelijke termijn’ om een beschikking te geven (maximaal) acht weken bedraagt. Die ‘redelijke termijn’ geldt echter alleen als niet in een wettelijke voorschrift een andere termijn is bepaald. Deze bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn moet uiteraard ook redelijk zijn; redelijk in relatie tot de (tijds)inspanning die nodig is voor een zorgvuldige behandeling van de aanvraag. Als jeugdigen en ouders de gelegenheid krijgen om tot bijvoorbeeld twee weken na de aanvraag een familiegroepsplan in te dienen (zie artikel 5, tweede lid), dan zou aan langere termijn redelijk geacht kunnen worden. Het familiegroepsplan dient het college namelijk bij het onderzoek te betrekken (als die mogelijkheid geboden wordt); dat onderzoek kan in beginsel dus niet eerder aanvangen dan na verloop van die twee weken (of welke termijn daarvoor dan ook wordt gesteld).
Uitgaande van een termijn van twee weken om na het onderzoek de beschikking te nemen (analoog hoe het in de Wmo 2015 is geregeld), zou dit betekenen dat er bij een totale beslistermijn van acht weken effectief ‘maar’ vier weken voor het onderzoek overblijven (8 weken - 2 weken voor indienen familiegroepsplan - 2 weken voor nemen beschikking = 4 weken voor uitvoeren onderzoek). Als een andere termijn dan 8 weken wordt aangehouden, dient ook de facultatieve aanvullende toelichting overgenomen en ingevuld te worden. Artikel 5. Onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren Eerste lid: In het eerste lid kan een termijn opgenomen worden waarbinnen – na de aanvraag – het onderzoek moet zijn uitgevoerd. Gemeenten die het wenselijk vinden om specifiek hiervoor een termijn te stellen – analoog aan hoe het in de Wmo 2015 is geregeld bij de melding – kunnen de facultatieve zinsnede overnemen en uitwerken. Anders geldt simpelweg dat zowel het onderzoek als het nemen van de beschikking binnen de in artikel 4 gestelde termijn moeten plaatsvinden, waarbij verder niet uitmaakt hoeveel tijd de verschillende onderdelen precies in beslag nemen (als in totaal de termijn maar niet overschreden wordt). Tweede en vijfde lid: Gezien de beperkte relevantie voor de praktijk is de verwijzing naar het familiegroepsplan telkens facultatief gemaakt.
Gemeenten die positieve ervaringen hebben met het al opstellen van familiegroepsplannen in deze fase kunnen ervoor kiezen om de bepaling over te nemen en uit te werken. Het wel of niet overnemen doet niets af aan hetgeen is bepaald in artikel 2.1, aanhef en onder g, van de wet: Het gemeentelijke beleid inzake preventie, jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering en de uitvoering van jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering is gericht op het tot stand brengen en uitvoeren van familiegroepsplannen en het verlenen van hulp op basis van familiegroepsplannen, ter uitvoering van artikel 4.1.2 van de wet en indien sprake is van vroege signalering van opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen. Artikel 9. Criteria voor een individuele voorziening Dit artikel is als facultatief aangemerkt vanwege het feit dat de wet – in tegenstelling tot de Wmo Bijlage 9/9 bij VNG ledenbrief, april 2019
2015 – niet uitdrukkelijk verplicht een artikel met deze strekking op te nemen. Tot de wijziging van 2019 stond het artikel niet in de modelverordening, noch hadden de meeste gemeenten een artikel met iets van deze strekking. Naar ons beste weten heeft dit vooralsnog nooit tot problemen geleid in procedures. Op verzoek van diverse gemeenten is bij de wijziging van begin 2019 alsnog dit artikel toegevoegd. De gedachte hierbij is dat hiermee uitvoering wordt gegeven aan artikel 2.9, aanhef en onder a, van de wet. Daar is onder meer bepaald dat de raad bij verordening regels moet stellen over de door het college te verlenen individuele voorzieningen en overige voorzieningen, met betrekking tot de voorwaarden voor toekenning en de wijze van beoordeling van, en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening. Waarschijnlijk ten overvloede, maar ook na overname van een artikel met deze strekking moet het bij het verstrekken van een individuele voorzieningen altijd op maatwerk aankomen. Artikel 11. Inhoud beschikking Het eerste lid is als facultatief aangemerkt vanwege het feit dat het inhoudelijk niets toevoegt aan de regeling van dit onderwerp van de Jeugdwet. Een reden om het desondanks toch op te nemen kan gevonden worden in een in de verordening meer volledig beeld willen schetsen van het proces en de rechten van de cliënt.
Als het eerste lid wordt overgenomen, dient in het tweede en derde lid ook het woord ‘tevens’ overgenomen te worden. Artikel 12. Regels voor pgb Eerste lid: Dit lid is als facultatief aangemerkt vanwege het feit dat het inhoudelijk niets toevoegt aan de regeling van dit onderwerp van de wet (zie artikel 8.1.1). Een reden om het desondanks toch op te nemen kan gevonden worden in een in de verordening meer volledig beeld willen schetsen van het proces en de rechten en plichten van de cliënt. Tweede lid: Op grond van artikel 2.9, onder c, van de wet moeten gemeenten regelen op welke wijze de hoogte van een persoonsgebonden budget wordt vastgesteld. Dit is in het tweede lid vastgelegd. Het betreft de substantiële materiële norm- en kaderstelling, in de vorm van een berekeningswijze voor het bepalen van de hoogte van pgb’s, die iedere keer als uitgangspunt genomen wordt. Een op basis van deze berekeningswijze vastgesteld budget moet de jeugdige of zijn ouders in staat stellen de jeugdhulp die tot de benodigde individuele voorziening behoort van derden te betrekken (artikel 8.1.1, eerste lid, van de wet). Er is bewust gekozen geen ‘harde’ vaststaande tarieven op te nemen.
Het hanteren hiervan zou er immers toe kunnen leiden dat weliswaar gehandeld wordt overeenkomstig de berekeningswijze en tarieven van de verordening, maar dat de uitkomst een pgb-hoogte is waarmee de jeugdige of zijn ouders niet in staat zijn de benodigde jeugdhulp van derden te betrekken. Om ‘schijnzekerheid’ te voorkomen kiest de gemeente er in plaats daarvan voor om de raad hier de essentialia vast te laten leggen en zo de pgb-verstrekkingsbevoegdheid van het college nader vorm te geven. Hoe het college voornemens is uitvoering te geven aan deze bevoegdheid, hoe zij de beoordelings- en beleidsruimte interpreteert en invult, zet het college uit het oogpunt van transparantie en duidelijkheid uiteen in een beleidsregel. NB Zie voor een uitgebreide toelichting de artikelsgewijze toelichting bij de Model Verordening
Bijlage 9/9 bij VNG ledenbrief, april 2019
jeugdhulp. Derde lid: Op grond van artikel 8.1.1, vierde lid, van de wet kunnen gemeenten bepalen onder welke voorwaarden de persoon aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, de jeugdhulp kan betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk. Gemeenten hoeven dit echter niet te doen. Desondanks is de regeling van dit onderwerp niet als facultatief aangemerkt, omdat niet goed denkbaar is dat gemeenten geen voorwaarden zullen stellen gelet op de taakstelling. Immers, als een gemeente afziet van een regeling, dan gelden er geen nadere voorwaarden voor het inkopen van de ondersteuning van een persoon die behoort tot het sociale netwerk. Derde lid, onderdeel a: Hier is als uitgangspunt genomen dat het tarief voor jeugdhulp verleent door een derde, niet zijnde op onverplichte basis verleende jeugdhulp door een hulp uit het sociale netwerk als bedoeld in artikel 8 van de Regeling Jeugdwet, het wettelijk minimumloon wordt gehanteerd. Er kan echter voor een hoger tarief gekozen worden. Lager is niet mogelijk. Op grond van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan arbeid worden verricht op grond van diverse contractvormen, echter in de Jeugdwet is vastgelegd dat de budgethouder verplicht is om een vooraf bepaalde modelovereenkomst te gebruiken.
Deze modelovereenkomst biedt de keuze tussen een arbeidsovereenkomst, een overeenkomst van opdracht en een overeenkomst van vervoer. Op de budgethouder rusten de verplichtingen die het BW en ook andere wetten, zoals de belasting-, arbeidsomstandigheden- en sociale verzekeringswetten aan de budgethouder als werkgever, opdrachtgever of wederpartij van de vervoerder stelt. Sinds 1 januari 2018 is de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (hierna: Wml) onverkort van toepassing op alle overeenkomsten van opdracht die zijn gesloten buiten beroep of bedrijf. Voor overeenkomsten met niet-professionele hulpen uit het sociaal netwerk koos men tot nog toe vaak het model van de overeenkomst van opdracht, waarbij men dan echter ook vergoedingen kon overeenkomen die beneden het minimumloon lagen. Doordat in VWS-wetgeving is voorgeschreven dat er een overeenkomst (van opdracht of vervoer) tegen beloning moet worden afgesproken om uit het pgb te putten en hierdoor een arbeidsrelatie ontstaat, moet aan de Wml voldaan worden, ook in situaties die zich meer kenmerken als vrijwillige hulp in familieverband.
Derde lid, onderdeel b: Bovenstaande laat onverlet dat er voor sommige vormen van hulp uit het sociaal netwerk behoefte is aan continuering van de voor 1 januari 2018 bestaande mogelijkheid om minder dan het minimumloon te vergoeden uit het pgb voor informele zorgrelaties (hulp hoofdzakelijk vanuit morele en sociale overwegingen). Bij niet-professionele hulp uit het sociaal netwerk gaat het om hulp of ondersteuning die op basis van sociale en morele overwegingen wordt verleend. In de uitvoeringspraktijk van het pgb is het gewenst dat deze hulpen bedragen ontvangen uit het pgb. Voor deze categorie wordt in de Regeling Jeugdwet een nieuwe mogelijkheid geïntroduceerd om met een verklaring (niet zijnde een arbeidsovereenkomst of overeenkomst van opdracht) bedragen te ontvangen. Het gaat dan om hulp en bijstand in de particuliere sfeer waarbij geen aanspraak op beloning wordt gemaakt, maar waarvoor de budgethouder een kleine (symbolisch) bedrag wenst te verstrekken. De Wml geldt namelijk niet in situaties zoals een vriendendienst of vrijwillige hulp in familieverband. In die situaties is er namelijk geen sprake van een
Bijlage 9/9 bij VNG ledenbrief, april 2019
juridische afdwingbare verbintenis om tegen beloning arbeid te verrichten.2 Om van deze mogelijkheid gebruik te kunnen maken dient deze via de verordening bestendigd te worden. Daarbij kan gekozen worden voor de variant dat een tegemoetkoming van € 141 per kalendermaand ten laste van het pgb mag worden verstrekt aan een hulp uit het sociale netwerk.3 De gemeente kan ook een lager bedrag hanteren en dit in de verordening vastleggen. Daarnaast óf in plaats daarvan kan ook worden gekozen voor de variant dat een ten laste van het pgb een forfaitaire tegemoetkoming kan worden verstrekt ten behoeve van schoonmaakmiddelen, levensmiddelen, kleding of reiskosten ten behoeve van de hulp, overeenkomstig de door het college daarvoor vastgestelde bedragen. Artikel 13. Opschorting betaling uit het pgb In december 2015 is de Regeling Jeugdwet gewijzigd. Aan artikel 8b, vierde lid, is toen onder andere toegevoegd: De Sociale verzekeringsbank (hierna: SVB) kan een betaling uit het pgb geheel of gedeeltelijk beëindigen, weigeren of opschorten: indien het college bij de toepassing van de bij verordening gestelde regels, bedoeld in artikel 2.9, onderdeel d, van de wet, de SVB daarom verzoekt. Met overname van dit facultatieve artikel wordt deze mogelijkheid verwezenlijkt. Artikel 14.
Voorkoming en bestrijding ten onrechte ontvangen individuele voorzieningen en pgb’s en misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet Vierde lid: Hier dient de termijn nog ingevuld te worden. Hierbij dient rekenschap gegeven te worden van het feit dat het een ‘kan-bepaling’ is. Het college is dus niet verplicht om na het verlopen van de termijn de beslissing tot verlening van het pgb in te trekken. Het college kan desgewenst het hierbij te hanteren beleidskader neerleggen in een beleidsregel. Hierin kan bijvoorbeeld rekening gehouden worden met de situatie dat een pgb is verstrekt voor de kosten van een verhuizing, die – omdat nog geen geschikte woning is gevonden – niet binnen de gestelde termijn is aangewend. Artikel 15. Onderzoek naar recht- en doelmatigheid individuele voorzieningen en pgb’s Op grond van artikel 8.1.3 van de wet moet het college periodiek onderzoeken of er aanleiding is om een beslissing aangaande een pgb te heroverwegen. Soms bestaat er echter twijfel over de 2 De hier bedoelde relatie met de hulp is geen arbeidsovereenkomst of overeenkomst van opdracht of vervoer.
Van een arbeidsovereenkomst is sprake indien een werknemer zich verbindt om in dienst van de andere partij, de werkgever, gedurende een zekere periode tegen loon arbeid te verrichten (artikel 7:610 van het BW). De overeenkomst van opdracht is de overeenkomst ‘waarbij de ene partij, de opdrachtnemer, zich jegens de andere partij, de opdrachtgever, verbindt anders dan op grond van een arbeidsovereenkomst werkzaamheden te verrichten die in iets anders bestaan dan het tot stand brengen van een werk van stoffelijke aard, het bewaren van zaken, het uitgeven van werken of het vervoeren of doen vervoeren van personen of zaken’ (artikel 7:400 van het BW). In de begrippen ‘zich verbinden’ en ‘arbeid’ of ‘werkzaamheden’ ligt besloten dat er bij beide overeenkomsten sprake is van een verplichting jegens een ander om arbeid te verrichten. Er wordt met andere woorden een juridische verbintenis aangegaan die in beginsel moet worden nagekomen. Dit verplichtende element (en dus ook de mogelijkheid om nakoming af te dwingen, alsmede de andere verplichtingen die uit de overeenkomst voortvloeien) is niet aanwezig bij hulp in familieverband, burenhulp, vriendendiensten en activiteiten in de sfeer van ‘heitje voor een karweitje’. Dit sluit aan bij wat in het maatschappelijk verkeer gebruikelijk is.
Er is dus in die gevallen geen sprake van een overeenkomst van opdracht, noch van een arbeidsovereenkomst, noch van een andere overeenkomst in de zin van Boek 7 BW zoals de overeenkomst voor vervoer. 3 Onder een hulp uit het sociale netwerk wordt verstaan een natuurlijke persoon die jeugdhulp verleent die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen hem en de jeugdige of zijn ouders bestaande sociale relatie, tenzij de jeugdhulp tevens beroeps- of bedrijfsmatig wordt verleend (artikel 8 van de Regeling Jeugdwet). Bijlage 9/9 bij VNG ledenbrief, april 2019
doelmatigheid en rechtmatigheid van geleverde ondersteuning, het onderzoek in het kader van artikel 8.1.3 van de wet biedt dan onvoldoende houvast om hier goed naar te kijken. Door opname van artikel 15 wordt een extra instrument gecreëerd om hier goed naar te kunnen kijken, dat bovendien ook ziet op beslissingen aangaande de verlening van individuele voorzieningen. Op grond van deze bepaling moet het college in aanvulling op het onderzoek overeenkomstig artikel 8.1.3 van de wet ook periodiek, al dan niet steekproefsgewijs onderzoeken of de verstrekte individuele voorzieningen in natura en pgb’s worden gebruikt, respectievelijk besteed ten behoeve van het doel waarvoor ze zijn verstrekt en of de besteding op een rechtmatige manier gebeurt. Een onderzoek kan zowel betrekking hebben op het handelen van de jeugdige, de ouders of een pgb-houder, als op de ondersteuningsverlening door een aanbieder. Het onderzoek kan onder meer bestaan uit: dossieronderzoek, bezoek aan de jeugdige of de ouders, bezoek aan de locatie waar de jeugdige of de ouders ondersteuning krijgen en gesprekken met de aanbieder. Het artikel is als facultatief aangemerkt, omdat de wet niet verplicht om een dergelijke onderzoeksverplichting op te nemen in de verordening en er ogenschijnlijk niet in alle gemeenten behoefte aan is.
Zo het artikel niet wordt overgenomen, dient er wel voor gezorgd te worden dat op andere wijze voldoende uitvoering wordt gegeven aan de verordeningsplicht van artikel 2.9, aanhef en onder d, van de wet, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval regels worden gesteld voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening of een pgb, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. Artikel 16. Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en uitvoerders kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering Op grond van artikel 2.12 van de wet moeten gemeenten, met het oog op gevallen waarin de uitvoering van de wet ten aanzien van jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering door aanbieders gebeurt, bij verordening regels stellen ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van jeugdhulp of de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan. Daarbij dient in ieder geval rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de toepasselijke arbeidsvoorwaarden. Artikel 2.12 van de wet is bij amendement Ypma en Leijten (Kamerstukken II 2013/14, 33 684, nr. 107) in de wet ingevoegd.
De indieners van het amendement hebben in de toelichting bij het amendement verder aangegeven dat gemeenten ten minste een inschatting dienen te maken van een reële kostprijs voor de activiteiten die zij door aanbieders willen laten uitvoeren. Welke invloeden daarbij worden meegewogen, is ter beoordeling aan de gemeenten. Uitgangspunt is dat de aanbieder personeel inzet tegen de arbeidsvoorwaarden die passen bij de vereiste vaardigheden. De gemeente zal zich dus ten minste een beeld moeten vormen van de vereiste activiteiten en de arbeidsvoorwaarden die daarbij horen. Hiermee wordt voorkomen dat een gemeente alleen de laagste prijs voor de uitvoering van de opdracht beschouwt. Dit biedt een waarborg voor werknemers dat hun werkzaamheden aansluiten bij de daarvoor geldende arbeidsvoorwaarden. In het artikel in de modelverordening is een aantal aandachtspunten opgenomen: dit zijn suggesties. Gemeenten zijn vrij om deze over te nemen, deze aan te vullen of andere aandachtspunten hiervoor
Bijlage 9/9 bij VNG ledenbrief, april 2019
in de plaats te stellen, als maar aan de hierboven geschetste verordeningsplicht voldaan wordt. Artikel 17. Klachtregeling Deze bepaling is als facultatief aangemerkt vanwege het feit dat het inhoudelijk niets toevoegt aan de regeling van dit onderwerp in de wet en de Awb. Een reden om het desondanks toch op te nemen kan gevonden worden in een in deze verordening meer volledig beeld willen schetsen van de rechten van de cliënt. Artikel 19. Evaluatie Deze bepaling is als facultatief aangemerkt, omdat de wet hiertoe niet verplicht. Het is aan de raad om te bepalen of zij een evaluatie van de werking van de verordening in de praktijk wenst, en waarop deze dan dient te zien.
Bijlage 9/9 bij VNG ledenbrief, april 2019