CConstaterende datMidden-Delfland
Koppel je AI →
Document · PDF

09 B 058 bijlage 8.docx

Gemeenteraad 14 december 2021, gemeente Midden-DelflandBij agendapunt: Voorstel vaststellen verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp 20227.474 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Implementatiehandleiding bij Model Verordening maatschappelijke ondersteuning 2015 Algemeen: De Model Verordening maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna: Model Verordening Wmo 2015) kent een aantal bepalingen die als ‘facultatief’ zijn aangemerkt (deze zijn te herkennen aan de cursieve tekst). Uiteraard is het hele model in zekere zin facultatief. Facultatief, zoals aangeduid in het model, betekent dat de keuze om die onderdelen in het model op te nemen een bewuste keuze van een individuele gemeente hoort te zijn. Hierbij is ervoor gezorgd dat gemeenten door het niet overnemen van deze bepalingen niet in de problemen komen met de Wet maatschappelijke ondersteuning (hierna: wet), voor zover deze wet gemeenten verplicht bepaalde zaken te regelen. Daarnaast is ervoor gezorgd dat met het niet overnemen van de facultatieve bepalingen de systematiek van de verordening niet doorbroken wordt. Gemeenten die ervoor kiezen om andere bepalingen dan de facultatieve bepalingen niet over te nemen, deze in gewijzigde vorm over te nemen of deze aan te vullen, moeten er zelf scherp op zijn dat deze keuzes zowel in lijn zijn met de Wmo 2015 als dat deze stroken met de systematiek van de bepalingen die de gemeente wel overneemt. Afhankelijk van de keuzes die gemaakt worden, kan het noodzakelijk zijn om artikelen of artikelleden te vernummeren.

Verder is de toelichting grotendeels zo opgesteld dat gemeenten die kunnen overnemen als ze ook de bepaling waar deze bij hoort overnemen. Afhankelijk van de gemaakte keuzes zullen dus ook bepaalde onderdelen van de toelichting wel of juist niet geschikt zijn voor overname. Toelichting bij facultatieve bepalingen is eveneens als facultatief aangemerkt (lees: cursief gemaakt). Wat betreft de (on)mogelijkheden ten aanzien van delegatie naar nadere regels van het college wordt verwezen naar paragraaf 2 tot en met 4 van de VNG ledenbrief. Aanhef De wet kent enkele verordenende bevoegdheden waaraan verplicht uitvoering gegeven moet worden (te weten: de artikelen 2.1.3, eerste tot en met vierde lid, 2.1.4, derde en zevende lid, 2.1.6 en 2.6.6, eerste lid), daarnaast zijn er enkele verordenende bevoegdheden waaraan uitvoering gegeven kan worden (te weten: de artikelen 2.1.4, eerste en tweede lid, 2.1.5, eerste lid, 2.1.7 en 2.3.6, vierde lid). Ook het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 bevat nog een grondslag (artikel 3.8, tweede lid) waaraan uitvoering gegeven kan worden en een grondslag (artikel 5.4) waaraan uitvoering gegeven moet worden. In de aanhef, na gelet op, moeten enkel die artikelen vermeld worden waar in de verordening daadwerkelijk uitvoering aan wordt gegeven. Artikel 2.

Aanbod algemene en maatwerkvoorzieningen Deze bepaling is als facultatief aangemerkt, omdat in tegenstelling tot waar het betreft het gemeentelijke aanbod van jeugdhulpvoorzieningen, er geen verplichting geldt om het gemeentelijke aanbod van de vormen van maatschappelijke ondersteuning in de verordening uiteen te zetten. Het mag wel. Let op! De Centrale Raad van Beroep (hierna: CRvB) heeft op 12 februari 2018 in twee principiële uitspraken (ECLI:NL:CRVB:2018:395 en 396) uitgemaakt dat het onder de wet mogelijk is om een maatwerkvoorziening in de vorm van een financiële tegemoetkoming te verstrekken. Hier kan niet op voorhand een maximum aan gesteld worden, aangezien de maatwerkvoorziening in de vorm van een financiële tegemoetkoming moet strekken tot compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid. Daar is in algemene zin geen (zinnig) algemeen maximum voor te stellen. Wel kan Bijlage 8/9 bij VNG ledenbrief, april 2019

gezocht worden naar een standaard-berekeningswijze, die via een beleidsregel bestendigd kan worden. Want in tegenstelling tot bijvoorbeeld bij een pgb – hoeft niet bij verordening bepaald te worden op welke wijze de hoogte van de maatwerkvoorziening in de vorm van een financiële tegemoetkoming wordt vastgesteld. Overigens zal de maatwerkvoorziening in de vorm van een financiële tegemoetkoming ogenschijnlijk als subsidie in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) aangemerkt moeten worden.1 De subsidietitel van de Awb is dan van toepassing nu deze niet expliciet buiten toepassing is verklaard zoals voor het pgb. Kern van de subsidietitel is dat subsidie moet worden verstrekt op basis van een wettelijke grondslag en een beschikking. De subsidietitel voorziet in een instrumentarium om de (financiële) relatie tussen de cliënt en het college goed te regelen. Hiermee moet rekening gehouden worden bij het verstrekken van een financiële tegemoetkoming onder de wet. Artikel 3 (tot en met 6). Procedureregels Op grond van artikel 2.1.3, tweede lid, onder a, van de Wmo 2015 moeten gemeenten onder meer regelen op welke wijze wordt vastgesteld of een cliënt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang in aanmerking komt. Ter uitvoering hiervan zijn twee varianten uitgewerkt.

Variant A: De raad delegeert het vaststellen van de procedure – met minimale kaderstelling – aan het college. Het kader en de te stellen procedureregels kunnen gezamenlijk gezien worden als de op grond van artikel 2.1.3, tweede lid, aanhef en onder a, van de wet verplichte uitwerking hiervan. Voordeel van deze variant is dat de procedure sneller gewijzigd kan worden; de vraag is wel of dit wenselijk en noodzakelijk is. Nadeel is dat de raad hier verder weinig directe controle over heeft. Wel is het zo dat de wet zelf – in de artikelen 2.3.1 tot en met 2.3.5 – al de nodige zaken regelt, waarbij het opstellen van de nadere regeling rekenschap van moet worden gegeven. Ook als het college de procedure vaststelt, ligt een inhoudelijke regeling in lijn met variant B naar ons idee voor de hand. Variant B: De raad legt de procedure zelf vast in de verordening. Voordeel hiervan is dat de regeling minder snel aangepast zal worden, waardoor burgers uit kunnen gaan van een bestendige procedure. Doordat de procedure in de verordening van de raad vastgelegd wordt, kent variant B meerdere artikelen (3 tot en met 6).

Als voor variant B wordt gekozen, wordt de raad tevens voor de keuze gesteld of de betreffende facultatieve procesbepalingen worden overgenomen (te weten: de artikelen 3, tweede lid, tweede deel van de eerste volzin en tweede volzin, en derde lid, 4, tweede lid, en 6, eerste lid, tweede volzin, en tweede lid) en welke termijn in artikel 5 gehanteerd wordt. Met uitzondering van artikel 6 kan kortweg opgemerkt worden dat deze bepalingen als facultatief zijn aangemerkt vanwege het feit dat ze inhoudelijk niets toevoegen aan de regeling van deze onderwerpen in de wet. Een reden om het desondanks toch op te nemen, kan liggen in de wens in de verordening een meer volledig beeld te 1 Subsidie wordt in de Awb gedefinieerd als de aanspraak op financiële middelen, door een bestuursorgaan

verstrekt met het oog op bepaalde activiteiten van de aanvrager, anders dan betaling voor aan het bestuursorgaan geleverde goederen of diensten (artikel 4:21, eerste lid, van de Awb). Iedere financiële verstrekking die voldoet aan deze omschrijving valt onder de reikwijdte van titel 4.2 van de Awb, ook wanneer de verstrekking anders wordt aangeduid (bijvoorbeeld als een tegemoetkoming). De financiële tegemoetkoming onder de wet lijkt aan deze omschrijving te voldoen. Bijlage 8/9 bij VNG ledenbrief, april 2019

schetsen van het proces en de rechten en plichten van de cliënt. In lijn met Igr 11.3 van de 100 Ideeën voor de gemeentelijke regelgever wordt dit niet zonder meer aangeraden (dat geldt evenzeer voor de overige keren dat een dergelijke optie wordt geboden). Andere (echte) communicatiemiddelen lenen zich hier beter voor. Artikel 6. Aanvraag Gemeenten die de voorkeur geven om te werken met een aanvraagformulier kunnen de facultatieve toevoeging aan het eerste lid overnemen. Aangeraden wordt om het aanvraagformulier dan summier te houden, opdat er niet standaard onnodig persoonsgegevens verwerkt worden. Een voordeel van het werken met een formulier is dat aanvragen die langs andere wegen binnenkomen niet in behandeling genomen hoeven te worden. Dit kan gelijk ook het nadeel zijn. Ook als er gekozen wordt om wel met een formulier te werken, kan er nog bepaald worden dat een aanvraag (daarnaast) kan worden gedaan door een ondertekend gespreksverslag aan te merken als aanvraag (zie het tweede deel van de facultatieve bepaling). Artikel 7. Criteria voor een maatwerkvoorziening Eerste lid: Dit lid is als facultatief aangemerkt vanwege het feit dat het inhoudelijk niets toevoegt aan de regeling van dit onderwerp van de wet.

Een reden om het desondanks toch op te nemen kan liggen in de wens om in de verordening een meer volledig beeld te schetsen van het proces en de rechten en plichten van de cliënt. Vierde lid: Dit lid is als facultatief aangemerkt, omdat het niet noodzakelijk is. Er kan voor worden gekozen om het overnemen, om de inzet van financiële maatwerkvoorzieningen te beperken tot die gevallen waar ze een duidelijke meerwaarde hebben of waar geen alternatief in natura voorhanden is. NB Zie voor een uitgebreide toelichting de artikelsgewijze toelichting bij de Model Verordening Wmo 2015. Vijfde lid: Dit lid is als facultatief aangemerkt, omdat het niet noodzakelijk is en tevens het daarin opgenomen criterium ‘voorzienbaarheid’ niet letterlijk in de wettekst van de wet wordt genoemd en in de jurisprudentie op basis van de huidige wet nog geen eenduidigheid bestaat over de exacte reikwijdte en het toepassingsbereik van dit criterium. De grondslag voor deze bepaling is artikel 2.1.3, tweede lid, aanhef en onder a, van de wet, waarin is bepaald dat de raad in de verordening bepaalt op basis van welke criteria wordt vastgesteld of een cliënt voor een maatwerkvoorziening in aanmerking komt. In de memorie van toelichting wordt bij artikel 2.3.5, derde lid, van de wet (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, p.

148) vervolgens aangegeven dat de maatwerkvoorziening nadrukkelijk een hekkensluiter is: “Alleen wanneer iemand echt niet zelf of met hulp van zijn omgeving in staat is tot zelfredzaamheid of participatie en ook een algemene voorziening geen uitkomst biedt, is er een rol voor het college. Dat is niet het geval wanneer het gaat om diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen of andere maatregelen die naar hun aard gebruikelijk zijn (fiets, schoonmaakmiddelen, wandelstok, eenvoudige rollator). Wanneer iemand beschikt over algemeen gebruikelijke zaken, maar deze in verband met zijn beperking of problemen niet Bijlage 8/9 bij VNG ledenbrief, april 2019

meer afdoende zijn, kan aanleiding bestaan om een voorziening te treffen. Dat is ook niet het geval als de aanvrager zijn hulpvraag redelijkerwijs van te voren had kunnen voorzien en met zijn beslissing had kunnen voorkomen, bijvoorbeeld: indien iemand is aangewezen op een rolstoel en een huis koopt waarin veel dure aanpassingen moeten worden aangebracht, had het in de rede gelegen dat de aanvrager in een al aangepast huis zou zijn gaan wonen.” De memorie van toelichting biedt dus aanknopingspunten om het begrip ‘voorzienbaarheid’ in individuele gevallen een rol te laten spelen bij de afwijzing van een voorziening. Uit de nadere memorie van antwoord (Kamerstukken I 2013/14, 33 841, nr. J, p. 18) blijkt verder dat de wetgever ook heeft willen aansluiten bij de eerdere rechtspraak op dit punt. We gaan er dan ook vanuit dat de wetgever heeft beoogd dat het begrip ‘voorzienbaarheid’ in individuele omstandigheden een rol kan spelen. De CRvB heeft bovendien in diens uitspraak van 22 augustus 2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:2603) geoordeeld dat de Wmo 2015, evenals de Wmo deed, ruimte biedt om van burgers te eisen dat zij bij het doen van een aanschaf of bij een verhuizing rekening houden met de al aanwezige beperkingen en de redelijkerwijs te verwachten ontwikkeling hiervan.

De wet biedt echter evenmin als de Wmo ruimte, zo stelt de CRvB verder, om van de burger te eisen dat hij preventief maatregelen treft en investeringen doet die tot doel hebben te voorkomen dat toekomstige onzekere gebeurtenissen in zijn gezondheidstoestand als gevolg van het ouder worden leiden tot een beroep op deze wet. De op deze uitleg gebaseerde overwegingen in het bestreden besluit zijn daarom ondeugdelijk. Willen gemeenten de mogelijkheid hebben om ‘voorzienbaarheid’ mee te laten wegen bij het al dan niet verlenen van een maatwerkvoorziening, dan is het gelet op artikel 2.1.3, tweede lid, aanhef onder a, van de wet, de genoemde wetsgeschiedenis en de huidige jurisprudentie noodzakelijk een expliciete grondslag te hebben voor afwijzing van een maatwerkvoorziening waarbij de ‘voorzienbaarheid’ een rol speelt. Het vierde lid voorziet in een dergelijke grondslag. Gelet op de noodzaak tot een individuele beoordeling is het lid als ‘kan-bepaling’ vormgegeven. Een categorale afwijzingsgrond is niet mogelijk. Evenmin is een (verkapte) inkomenstoets mogelijk, immers eenieder kan in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening. Inkomen en vermogen kunnen alleen een rol spelen bij de vaststelling van de bijdrage in de kosten, en dan enkel in bepaalde gevallen. Artikel 9.

Inhoud beschikking Het eerste lid is als facultatief aangemerkt vanwege het feit dat het inhoudelijk niets toevoegt aan de regeling van dit onderwerp van de wet. Een reden om het desondanks toch op te nemen, kan liggen in de wens in de verordening een meer volledig beeld te schetsen van het proces en de rechten van de cliënt. Als het eerste lid wordt overgenomen, dan dient in het tweede en derde lid ook het woord ‘tevens’ overgenomen te worden. Artikel 10. Regels voor pgb Eerste lid: Dit lid is als facultatief aangemerkt vanwege het feit dat het inhoudelijk niets toevoegt aan de regeling van dit onderwerp van de wet (zie artikel 2.3.6). Een reden om het desondanks toch op te nemen kan liggen in de wens in de verordening een meer volledig beeld te schetsen van het proces en de rechten en plichten van de cliënt.

Bijlage 8/9 bij VNG ledenbrief, april 2019

Tweede lid: Op grond van artikel 2.1.3, tweede lid, onder b, van de wet moeten gemeenten regelen op welke wijze de hoogte van een pgb wordt vastgesteld.2 Dit is in het tweede lid vastgelegd. Het betreft de substantiële materiële norm- en kaderstelling, in de vorm van een berekeningswijze voor het bepalen van de hoogte van pgb’s, die iedere keer als uitgangspunt genomen wordt. Een op basis van deze berekeningswijze vastgesteld budget moet de cliënt in staat stellen de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren van derden te betrekken (artikel 2.3.6, eerste lid, van de wet).3 Er is bewust gekozen geen ‘harde’ vaststaande tarieven op te nemen. Het hanteren hiervan zou er immers toe kunnen leiden dat weliswaar gehandeld wordt overeenkomstig de berekeningswijze en tarieven van de verordening, maar dat de uitkomst een pgb-hoogte is waarmee de cliënt niet in staat is de benodigde maatschappelijke ondersteuning van derden te betrekken. Om ‘schijnzekerheid’ te voorkomen kiest de gemeente er in plaats daarvan voor om de raad hier de essentialia vast te laten leggen en zo de pgb-verstrekkingsbevoegdheid van het college nader vorm te geven.

Hoe het college voornemens is uitvoering te geven aan deze bevoegdheid, hoe zij de beoordelings- en beleidsruimte interpreteert en invult, zet het college uit het oogpunt van transparantie en duidelijkheid uiteen in een beleidsregel. NB Zie voor een uitgebreide toelichting de artikelsgewijze toelichting bij de Model Verordening Wmo 2015. Derde lid: Op grond van artikel 2.3.6, vierde lid, van de wet kunnen gemeenten bepalen onder welke voorwaarden betreffende het tarief de persoon aan wie een pgb wordt verstrekt, de ondersteuning kan inkopen van een persoon die behoort tot het sociaal netwerk.4 Gemeenten hoeven dit echter niet te doen. Desondanks is de regeling van dit onderwerp niet als facultatief aangemerkt, omdat niet goed denkbaar is dat gemeenten geen voorwaarden zullen stellen gelet op de taakstelling van de wet. Immers, als een gemeente afziet van een regeling, dan gelden er geen nadere voorwaarden voor het inkopen van de ondersteuning van een persoon die behoort tot het sociaal netwerk.

2 In de memorie van toelichting bij de wet is in dit verband het volgende opgemerkt (Kamerstukken II 2013/14,

33 841, nr. 3, p. 39): “De gemeente moet in de verordening opnemen op welke wijze de hoogte van het persoonsgebonden budget in de gemeente wordt vastgesteld. Zo kan de gemeente bijvoorbeeld bepalen dat het persoonsgebonden budget niet hoger mag zijn dan een percentage van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan het verlenen van adequate ondersteuning in natura. Gemeenten hebben daarmee ook de mogelijkheid om differentiatie aan te brengen in de hoogte van het persoonsgebonden budget. Gemeenten kunnen verschillende tarieven hanteren voor verschillende vormen van ondersteuning en voor verschillende typen hulpverleners. Gemeenten kunnen bij het vaststellen van tarieven in de verordening bijvoorbeeld onderscheid maken tussen ondersteuning die wordt geleverd door het sociale netwerk, door hulpverleners die werken volgens de kwaliteitsstandaarden en hulpverleners die dat niet doen (zoals werkstudenten, zzp’ers zonder diploma’s e.d.). Op grond van artikel [2.3.6] is het college wel gehouden een tarief voor een persoonsgebonden budget vast te stellen dat redelijkerwijs noodzakelijk is te achten om de cliënt in staat te stellen tot zelfredzaamheid of participatie.” 3 Zie in dit verband ook bijvoorbeeld de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 1 juni 2018 (ECLI:NL:RBROT:2018:4386).

4 In de memorie van toelichting is hierover het volgende opgemerkt: "Zo kan bijvoorbeeld worden bepaald dat het persoonsgebonden budget alleen ingezet kan worden als de informele hulp goedkoper is dan formele hulp. De te stellen voorwaarden kunnen niet zover gaan dat het inschakelen van informele hulp geheel wordt uitgesloten." (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 153.). Bijlage 8/9 bij VNG ledenbrief, april 2019

Derde lid, onderdeel a: Hier is als uitgangspunt genomen dat het tarief voor maatschappelijke ondersteuning verleent door een derde, niet zijnde op onverplichte basis verleende maatschappelijke ondersteuning door een hulp uit het sociale netwerk als bedoeld in artikel 2 van de Uitvoeringsregeling Wmo 2015, het wettelijk minimumloon wordt gehanteerd. Er kan echter voor een hoger tarief gekozen worden. Lager is niet mogelijk. Op grond van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan arbeid worden verricht op grond van diverse contractvormen, echter in de wet is vastgelegd dat de budgethouder verplicht is om een vooraf bepaalde modelovereenkomst te gebruiken. Deze modelovereenkomst biedt de keuze tussen een arbeidsovereenkomst, een overeenkomst van opdracht en een overeenkomst van vervoer. Op de budgethouder rusten de verplichtingen die het BW en ook andere wetten, zoals de belasting-, arbeidsomstandigheden- en sociale verzekeringswetten aan de budgethouder als werkgever, opdrachtgever of wederpartij van de vervoerder stelt. Sinds 1 januari 2018 is de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (hierna: Wml) onverkort van toepassing op alle overeenkomsten van opdracht die zijn gesloten buiten beroep of bedrijf.

Voor overeenkomsten met niet-professionele hulpen uit het sociaal netwerk koos men tot nog toe vaak het model van de overeenkomst van opdracht, waarbij men dan echter ook vergoedingen kon overeenkomen die beneden het minimumloon lagen. Doordat in VWS-wetgeving is voorgeschreven dat er een overeenkomst (van opdracht of vervoer) tegen beloning moet worden afgesproken om uit het pgb te putten en hierdoor een arbeidsrelatie ontstaat, moet aan de Wml voldaan worden, ook in situaties die zich meer kenmerken als vrijwillige hulp in familieverband. Derde lid, onderdeel b: Bovenstaande laat onverlet dat er voor sommige vormen van hulp uit het sociaal netwerk behoefte is aan continuering van de voor 1 januari 2018 bestaande mogelijkheid om minder dan het minimumloon te vergoeden uit het pgb voor informele zorgrelaties (hulp hoofdzakelijk vanuit morele en sociale overwegingen). Bij niet-professionele hulp uit het sociaal netwerk gaat het om hulp of ondersteuning die op basis van sociale en morele overwegingen wordt verleend. In de uitvoeringspraktijk van het pgb is het gewenst dat deze hulpen bedragen ontvangen uit het pgb (los van het bestaande jaarlijkse mantelzorgcompliment ex artikel 2.1.6 van de wet).

Voor deze categorie wordt in de Uitvoeringsregeling Wmo 2015 een nieuwe mogelijkheid geïntroduceerd om met een verklaring (niet zijnde een arbeidsovereenkomst of overeenkomst van opdracht) bedragen te ontvangen. Het gaat dan om hulp en bijstand in de particuliere sfeer waarbij geen aanspraak op beloning wordt gemaakt, maar waarvoor de budgethouder een kleine (symbolisch) bedrag wenst te verstrekken. De Wml geldt namelijk niet in situaties zoals een vriendendienst of vrijwillige hulp in familieverband. In die situaties is er namelijk geen sprake van een juridische afdwingbare verbintenis om tegen beloning arbeid te verrichten.5 5 De hier bedoelde relatie met de hulp is geen arbeidsovereenkomst of overeenkomst van opdracht of vervoer.

Van een arbeidsovereenkomst is sprake indien een werknemer zich verbindt om in dienst van de andere partij, de werkgever, gedurende een zekere periode tegen loon arbeid te verrichten (art. 7:610 BW). De overeenkomst van opdracht is de overeenkomst ‘waarbij de ene partij, de opdrachtnemer, zich jegens de andere partij, de opdrachtgever, verbindt anders dan op grond van een arbeidsovereenkomst werkzaamheden te verrichten die in iets anders bestaan dan het tot stand brengen van een werk van stoffelijke aard, het bewaren van zaken, het uitgeven van werken of het vervoeren of doen vervoeren van personen of zaken’ (art. 7:400 BW). In de begrippen ‘zich verbinden’ en ‘arbeid’ of ‘werkzaamheden’ ligt besloten dat er bij beide overeenkomsten sprake is van een verplichting jegens een ander om arbeid te verrichten. Er wordt met andere woorden een juridische verbintenis aangegaan die in beginsel moet worden nagekomen. Dit verplichtende element (en dus ook de mogelijkheid om nakoming af te dwingen, alsmede de andere verplichtingen die uit de overeenkomst voortvloeien) is niet aanwezig bij hulp in familieverband, burenhulp, vriendendiensten en Bijlage 8/9 bij VNG ledenbrief, april 2019

Om van deze mogelijkheid gebruik te kunnen maken dient deze via de verordening bestendigd te worden. Daarbij kan gekozen worden voor de variant dat een tegemoetkoming van € 141 per kalendermaand ten laste van het pgb mag worden verstrekt aan een hulp uit het sociale netwerk.6 De gemeente kan ook een lager bedrag hanteren en dit in de verordening vastleggen. Daarnaast óf in plaats daarvan kan ook worden gekozen voor de variant dat een ten laste van het pgb een forfaitaire tegemoetkoming kan worden verstrekt ten behoeve van schoonmaakmiddelen, levensmiddelen, kleding of reiskosten ten behoeven van de hulp, overeenkomstig de door het college daarvoor vastgestelde bedragen. Let op! In de verordening van veel gemeenten staat – net als voorheen in de Model Verordening Wmo 2015 – dat onverminderd artikel 2.3.6, tweede en vijfde lid, van de wet geen pgb verstrekt voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die voorafgaand aan de indiening van de aanvraag zijn gemaakt en waarvan niet meer is na te gaan of de ingekochte voorziening noodzakelijk was. Op zich heel redelijk, maar strikt genomen hebben gemeenten geen verordenende bevoegdheid om aanvullende weigeringsgronden vast te stellen. Een ‘aanvullende’ weigeringsgrond als deze kan mogelijk nog gerechtvaardigd worden door aan te voeren dat het impliciet volgt uit de wet.

Wat uiteraard in ieder geval wel kan is de bestaande ‘verstrekkingsvoorwaarden’ (artikel 2.3.6, tweede lid, van de wet) en de wettelijke weigeringsgronden (artikel 2.3.6, vijfde lid, van de wet) in beleid uitwerken (wat wordt bijvoorbeeld verstaan onder veilig, doeltreffend en cliëntgericht). Onder andere is bijvoorbeeld gebleken dat diverse gemeenten zich zorgen maken over de ondersteuning door vertegenwoordigers of personen uit het sociale netwerk, geboden aan cliënten die niet op eigen kracht voldoende in staat zijn hun pgb te beheren. Desgewenst kan het college in een beleidsregel uiteenzetten hoe en op grond waarvan zij beoordelen wanneer een cliënt, met hulp uit zijn sociale netwerk of van zijn vertegenwoordiger, in staat kan worden geacht de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren (een vereiste om in aanmerking te komen voor een pgb in het geval dat de cliënt naar het oordeel van het college niet op eigen kracht voldoende in staat is tot een redelijke waardering van zijn belangen (artikel 2.3.6, tweede lid, aanhef en onder a)).

Zie in dit verband ook de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 10 september 2018 (ECLI:NL:RBGEL:2018:3911)7, waarin de rechtbank oordeelde dat een pgb in redelijkheid geweigerd kon worden omdat de gemeente ervan uit mocht gaan dat onvoldoende vaststond dat de cliënt met hulp van zijn hulpverlener het pgb op verantwoorde wijze kon beheren, omdat de hulpverlener de persoon was die vanuit het pgb werd bekostigd. Artikel 11. Bijdrage in de kosten van algemene voorzieningen en Artikel 12. maatwerkvoorzieningen en pgb’s

activiteiten in de sfeer van ‘heitje voor een karweitje’. Dit sluit aan bij wat in het maatschappelijk verkeer gebruikelijk is. Er is dus in die gevallen geen sprake van een overeenkomst van opdracht, noch van een arbeidsovereenkomst, noch van een andere overeenkomst in de zin van Boek 7 van het BW zoals de overeenkomst voor vervoer. 6 Onder een hulp uit het sociale netwerk wordt verstaan een natuurlijke persoon die maatschappelijke ondersteuning verleent die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen hem en de cliënt bestaande sociale relatie, tenzij de maatschappelijke ondersteuning tevens beroeps- of bedrijfsmatig wordt verleend (artikel 2 van de Uitvoeringsregeling Wmo 2015). 7 De rechtbank verwijst hierbij naar jurisprudentie van de CRvB ten aanzien van AWBZ-pgb’s (te weten de uitspraken van 21 augustus 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:1488) en 11 januari 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:232)). Bijlage 8/9 bij VNG ledenbrief, april 2019

Bijdrage in de kosten: Op grond van artikel 2.1.4, eerste en tweede lid, van de wet kunnen gemeenten bepalen dat cliënten voor algemene voorzieningen, niet zijnde cliëntondersteuning, en maatwerkvoorzieningen een bijdrage verschuldigd zijn en dat de hoogte van de bijdrage voor de verschillende soorten van voorzieningen, ook wanneer de cliënt de ondersteuning zelf inkoopt met een pgb, verschillend worden vastgesteld. Hierbij kan tevens worden bepaald dat op de bijdrage in de kosten voor een algemene voorziening een korting wordt gegeven voor personen die behoren tot daarbij aan te wijzen groepen en dat de bijdrage afhankelijk is van het inkomen en het vermogen van de cliënt en zijn echtgenoot. Daarnaast kunnen gemeenten op grond van artikel 2.1.4, zevende lid, van de wet bepalen dat de bijdragen voor opvangvoorzieningen door een andere instantie dan het CAK worden vastgesteld en geïnd. Verder kunnen gemeenten op grond van artikel 2.1.5, eerste lid, van de wet bepalen dat in geval van een minderjarige cliënt die niet zelf de eigenaar is van de woning, de bijdrage wordt opgelegd aan diens onderhoudsplichtige ouders en degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag over de cliënt uitoefent. Gemeenten hoeven dit echter niet – of niet allemaal – te bepalen, desondanks is de regeling van de bijdrage en de korting niet als facultatief aangemerkt.

Het wordt namelijk onwaarschijnlijk geacht dat gemeenten geen eigen bijdragen zullen willen hanteren. Het is namelijk een vereiste – om een passende bijdrage te kunnen leveren aan de zelfredzaamheid of participatie van een cliënt – dat een algemene voorziening financieel toegankelijk is voor de cliënt. In individuele gevallen is het mogelijk dat dit niet het geval is ondanks de geldende kortingsregeling (bijvoorbeeld vanwege schulden of andere hoge kosten). In dat geval is verwijzing naar de bijzondere bijstand niet mogelijk en komt de cliënt – als de ondersteuning noodzakelijk is – in aanmerking voor een maatwerkvoorziening. De hoogte van de eigen bijdrage voor een maatwerkvoorziening wordt door het CAK vastgesteld en opgelegd op basis van het individuele inkomen en vermogen. De regeling is uitgewerkt in twee artikelen, artikel 11 voor de bijdrage in de kosten van algemene voorzieningen en artikel 12 voor de bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen en pgb’s. Er zijn bovendien twee varianten uitgewerkt voor de regeling van de korting op de bijdrage in de kosten voor maatwerkvoorzieningen. Bijdrage in de kosten van algemene voorzieningen: Artikel 11 geeft uitvoering aan artikel 2.1.4, eerste lid, aanhef en onder a, van de wet.

Hierbij wordt gebruik gemaakt van de in artikel 2.1.4, tweede lid, aanhef, van de wet geboden mogelijkheid om de hoogte van de bijdrage voor de verschillende soorten van voorzieningen verschillend vast te stellen (eerste lid). De bijdragen in de kosten van algemene voorzieningen mag de gemeente bepalen en deze mogen kostendekkend zijn. In de nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 34, blz. 95) staat hierover dat de regering gemeenten beleidsruimte geeft door hen de mogelijkheid te bieden om in de verordening te bepalen welke eigen bijdrage een cliënt verschuldigd is voor een algemene voorziening. Bij het bieden van deze beleidsruimte gaat de regering ervan uit dat gemeenten hier verstandig mee omgaan en voorzieningen, zoals laagdrempelige informatievoorziening, uit zal sluiten van eigen bijdragen. Gemeenten hebben er zelf belang bij om een algemene voorziening (financieel) laagdrempelig te maken, zodat de druk op vaak duurdere maatwerkvoorzieningen wordt beperkt. Verder wordt gebruik gemaakt van de in artikel 2.1.4, tweede lid, aanhef en onder a, van de wet geboden mogelijkheid om te bepalen dat voor bepaalde groepen een korting op de bijdrage van toepassing is (tweede lid).

Bijlage 8/9 bij VNG ledenbrief, april 2019

Let op! Of overname van de genoemde voorzieningen voor de hand ligt, hangt namelijk af van of de betreffende voorziening in de gemeente als maatwerkvoorziening/pgb en/of als algemene voorziening wordt aangeboden. Zie in dit verband tevens het rapport Wmo 2015 in uitvoering: passend en onderbouwd (lokaal) beleid voor hulp bij het huishouden, waarin de vereisten uiteengezet worden om hulp bij het huishouden als algemene voorziening in te kunnen richten. Ook ten aanzien van andere mogelijke algemene voorzieningen kan hier les uit getrokken worden. Verder is ook niet ondenkbaar dat ten aanzien van bepaalde voorzieningen een gedetailleerdere regeling wenselijk wordt geacht (bijvoorbeeld een instaptarief voor collectief vervoer, een bepaalde prijs per kilometer tot 25 kilometer en een hoger tarief daarboven). Ook moeten hier ten aanzien van het benoemen van de groepen nog enige keuzes worden gemaakt, zal bepaald moeten worden wat het percentage van de korting is en is het mogelijk om in afwijking van de in de modelverordening uitgewerkte regeling te kiezen voor een andere groepsindeling. Bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen en pgb’s: Artikel 12 heeft betrekking op maatwerkvoorzieningen en pgb’s en geeft uitvoering aan de artikelen 2.1.4, eerste lid, aanhef en onder b, tweede lid, aanhef en onder b, en het derde en zevende lid, en 2.1.5, eerste lid, van de wet.

Het totaal van de bijdragen in de kosten van maatwerkvoorzieningen dan wel pgb’s is als aangegeven gelimiteerd tot een bedrag van maximaal € 17,50 per periodebijdrage. Artikel 3.8, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 biedt bovendien de ruimte om voor bepaalde categorieën personen geen of een lagere bijdrage te vragen. Gemeenten die hiertoe willen overgaan, moeten dit bij verordening regelen. Er zijn twee varianten uitgewerkt. Variant A: Voor als het de wens is om de bijdrage voor de in artikel 3.8, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 genoemde categorieën personen op nihil te stellen (de inkomensbedragen dienen nog ingevuld te worden). Variant B: Voor als het de wens is om de bijdrage voor al de in artikel 3.8, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 genoemde categorieën personen in gelijke mate lager vast te stellen (de hoogte van de lagere bijdrage dient nog ingevuld te worden). In het zesde lid moet ook nog worden opgenomen welke instantie belast wordt met de vaststelling en inning van de bijdrage voor opvangvoorzieningen. Artikel 13. Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning Op grond van artikel 2.1.3, tweede lid, onder c, van de wet moeten gemeenten regelen welke eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, inclusief eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten.

De regering benadrukt in de memorie van toelichting op artikel 2.1.3, tweede lid, onder c, van de wet (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3) dat de kwaliteitseisen die zijn vervat in de artikelen 3.1 e.v. van de wet en die zich rechtstreeks tot aanbieders richten, daarbij uitgangspunt zijn. De raad legt in ieder geval de hoofdregel vast in de verordening; detailafspraken kunnen daarnaast desgewenst vormgegeven worden via de contracten en afspraken met aanbieders. In het artikel in de modelverordening is een aantal eisen opgenomen, dit zijn uitdrukkelijk allemaal suggesties. Gemeenten zijn vrij om deze over te nemen, aan te vullen, of andere eisen hiervoor in de plaats te stellen. Ter inspiratie kan desgewenst ook gekeken worden naar hoofdstuk 3 van de wet. Bijlage 8/9 bij VNG ledenbrief, april 2019

Artikel 14. Meldingsregeling calamiteiten en geweld Dit artikel betreft een uitwerking van de verordeningsplicht die in het oorspronkelijke wetsvoorstel in artikel 2.1.3, tweede lid, onder f, was opgenomen en waarin stond dat in de verordening in ieder geval bepaald moest worden welke eisen gelden voor het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een voorziening. Bij amendement (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 83) is deze bepaling (kennelijk onbedoeld) geschrapt. De regeling is echter onverminderd van belang; omdat de wet dus niet langer verplicht een regeling te treffen, is dit artikel desondanks als facultatief aangemerkt. Als overname wenselijk wordt geacht, kan eventueel worden volstaan met het eerste en derde lid (het tweede lid voegt inhoudelijk niets toe aan de regeling van dit onderwerp in de wet). Artikel 15. Voorkoming en bestrijding ten onrechte ontvangen maatwerkvoorzieningen en pgb’s en misbruik of oneigenlijk gebruik van de Wmo 2015 Het tweede, derde en vijfde lid zijn als facultatief aangemerkt vanwege het feit dat ze inhoudelijk grotendeels niets toevoegen aan de regeling van dit onderwerp van de wet (zie de artikelen 2.3.8, 2.3.10 en 2.4.1). Een reden om deze leden desondanks toch op te nemen kan liggen in de wens in de verordening een meer volledig beeld te schetsen van de rechten en plichten van de cliënt.

De rest van het artikel geeft uitvoering aan de verplichte verordenende bevoegdheid van artikel 2.1.3, vierde lid, van de wet. Op grond daarvan moeten gemeenten regels stellen voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening of een pgb, en van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. In het vierde lid moeten gemeenten nog de periode invullen. NB Zie voor een uitgebreide toelichting de artikelsgewijze toelichting bij de Model Verordening Wmo 2015. Artikel 16. Opschorting betaling uit pgb In bepaalde gevallen is (tijdelijke) opschorting van een betaling uit het pgb naar aanleiding van een declaratie een beter instrument dan beëindiging of weigering (op grond van artikel 2, vierde lid, van de Uitvoeringsregeling Wmo 2015) of zelfs intrekken of herzien van het verleningsbesluit (op grond van artikel 2.3.10 van de wet). Door opschorting kan ruimte worden geboden voor herstelmaatregelen of nader onderzoek. Bijvoorbeeld als het gaat om de overeenkomsten die de budgethouder is aangegaan of bij herziening van de toekenningbeschikking. Het is aan de Sociale verzekeringsbank (hierna: SVB) om te beslissen om over te gaan tot opschorting. Dit kan echter ook op verzoek van het college, mits dit met toepassing van bij de verordening gestelde regels gebeurt (artikel 2, vierde lid, aanhef en onder e, van de Uitvoeringsregeling Wmo 2015).

Gemeenten die deze mogelijkheid wenselijk achten, moeten dit artikel (of enig artikel ter uitvoering van artikel 2, vierde lid, aanhef en onder e, van de Uitvoeringsregeling Wmo 2015) in de verordening opnemen. Voor de termijn van dertien weken is gekozen na overleg met het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (hierna: VWS) en op verzoek van de SVB (VWS en SVB wijzen erop dat een uniforme regeling bij gemeenten de praktische uitvoerbaarheid voor de SVB zeer ten goede komt). Artikel 17. Onderzoek naar kwaliteit en recht- en doelmatigheid maatwerkvoorzieningen en pgb’s Bijlage 8/9 bij VNG ledenbrief, april 2019

Op grond van artikel 2.3.9 van de wet moet het college periodiek onderzoeken of er aanleiding is om een besluit tot verstrekking van een maatwerkvoorziening of toekenning van een pgb te heroverwegen. Soms bestaat er echter twijfel over de kwaliteit, doelmatigheid en rechtmatigheid van geleverde ondersteuning, en biedt het onderzoek in het kader van artikel 2.3.9 van de wet onvoldoende houvast. In het bijzonder bij individuele begeleiding en beschermd wonen. Door opname van artikel 17 wordt een extra instrument gecreëerd om hier goed naar te kunnen kijken. Op grond van deze bepaling moet het college in aanvulling op het onderzoek ex artikel 2.3.9 van de wet ook periodiek, al dan niet steekproefsgewijs, onderzoeken of de verstrekte maatwerkvoorzieningen in natura en pgb’s worden gebruikt, respectievelijk besteed ten behoeve van het doel waarvoor ze zijn verstrekt, of de besteding op een rechtmatige manier gebeurt en of de geleverde ondersteuning van goede kwaliteit is. Een onderzoek kan zowel betrekking hebben op het handelen van een cliënt of pgb-houder als op de ondersteuningsverlening door een aanbieder. Het onderzoek kan onder meer bestaan uit: dossieronderzoek, bezoek aan de cliënt, bezoek aan de locatie waar de cliënt ondersteuning krijgt en uit gesprekken met de aanbieder.

Het artikel is als facultatief aangemerkt, omdat de wet niet verplicht om een dergelijke onderzoeksverplichting op te nemen in de verordening en er ogenschijnlijk niet in alle gemeenten behoefte aan is. Zo het artikel niet wordt overgenomen, dient er wel voor gezorgd te worden dat op andere wijze voldoende uitvoering wordt gegeven aan de verordeningsplicht van artikel 2.1.3, vierde lid, van de wet. Daarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval regels moeten worden gesteld voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening of een pgb, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. Artikel 18. Jaarlijkse waardering mantelzorgers Op grond van artikel 2.1.6 van de wet moeten gemeenten regelen op welke wijze het college zorg draagt voor een jaarlijks blijk van waardering voor de mantelzorgers van cliënten in de gemeente. Bij verordening moet in ieder geval voorzien worden in een procedure die waarborgt dat alle mantelzorgers die aan de overige voorwaarden voldoen voor het ontvangen van een blijk van waardering in aanmerking kunnen worden gebracht. De basis voor deze procedure wordt gelegd in het eerste lid (een melding).8 Het college kan op grond van het derde lid – bij nadere regeling – nadere regels stellen.

Gedacht kan worden aan: de wijze van melding (een formulier of niet), de periode waarbinnen melding gedaan moeten worden, welke gegevens overgelegd moeten worden (als er niet met een formulier gewerkt wordt) en wanneer de jaarlijkse blijk van waardering wordt uitgereikt. De wijze waarop bepaald wordt waaruit de jaarlijkse blijk van waardering bestaat kan op verschillende manieren worden geregeld. Er zijn twee varianten uitgewerkt. Variant A: In de verordening wordt vastgelegd waaruit de jaarlijkse blijk van waardering bestaat. Voordeel hiervan is dat de raad hier zelf over kan beslissen. Nadeel hiervan is dat een latere keuze voor een andere blijk van waardering een wijziging van de raadsverordening vergt.

8 De gemeente krijgt op grond van de onderzoeken die zij moet verrichten op grond van artikel 2.3.2 van de

wet de beschikking over gegevens van de mantelzorgers die hulp verlenen aan personen die zich voor het verkrijgen van ondersteuning tot de gemeente hebben gewend en al dan niet een maatwerkvoorziening hebben gekregen. Deze ‘bekende’ mantelzorgers kan de gemeente desgewenst ook op eigen initiatief melden of als gemeld beschouwen. Bijlage 8/9 bij VNG ledenbrief, april 2019

Variant B: De raad stelt een maximumwaarde vast in de verordening en laat het verder aan het college om te bepalen waaruit de jaarlijkse blijk van waardering bestaat. Desgewenst kan – door overname van de facultatieve zinsnede (die nog wel ingevuld moet worden) – voorgeschreven worden dat het college pas na overleg met aangewezen partijen de jaarlijkse blijk van waardering kan bepalen. Uit ‘na overleg’ volgt enkel dat er serieus overleg moet plaatsvinden, niet noodzakelijk dat er overeenstemming bereikt moet worden. Uiteindelijk is de keuze aan het college. Met betrekking tot variant A wordt hier nog opgemerkt dat de wijze waarop de jaarlijkse blijk van waardering wordt gegeven nog ingevuld dient te worden. De bepaling bevat een niet-uitputtende opsomming van suggesties. Er kan desgewenst (bijvoorbeeld) ook onderscheid gemaakt worden tussen (bijvoorbeeld) jongeren en volwassenen. Artikel 19. Tegemoetkoming meerkosten personen met een beperking of chronische problemen Op grond van artikel 2.1.7 van de wet kunnen gemeenten bepalen dat personen met een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen met daarmee verband houdende aannemelijke meerkosten, een tegemoetkoming wordt verstrekt ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en de participatie. Gemeenten hoeven dit echter niet te bepalen, vandaar dat dit artikel als facultatief is aangemerkt.

Bovendien hebben gemeenten beleidsvrijheid met betrekking tot de besteding van de middelen voor het bieden van maatwerk aan cliënten met meerkosten vanwege een beperking of chronische ziekte. Het gevoerde beleid zal uiteengezet moeten worden in het beleidsplan.9 Gedacht kan worden aan inzet van de middelen via de individuele bijzondere bijstand, in een aanvullende collectieve ziektekostenverzekering met een ruimere dekking voor burgers met een laag inkomen of juist ook voor burgers met een hoger inkomen, of inzet op grond van artikel 2.1.7 van de wet. Eerste lid: De tegemoetkoming kan gebruikt worden om de aannemelijke meerkosten te compenseren van personen met een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen behorende tot een bepaalde inkomensgroep (nog in te vullen). Daarbij ligt het ogenschijnlijk voor de hand om deze nader te bepalen groep een vast bedrag per jaar te verstrekken (eveneens nog in te vullen), zonder dat er een specifieke, benoemde relatie is met een specifieke voorziening die daarmee gefinancierd moet worden. Tweede lid: Om te voorkomen dat voor iedere bijstelling van het bedrag de raadsverordening gewijzigd moet worden, kunnen het (dubbel)facultatieve tweede en derde lid worden overgenomen.10 Artikel 20.

Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden Het college kan de uitvoering van de wet, met uitzondering van de vaststelling van de rechten en plichten van de cliënt, door derden (aanbieders) laten verrichten (artikel 2.6.4, eerste lid, van de wet). Met het oog op gevallen waarin dit ten aanzien van een voorziening gebeurt, moeten bij 9 Wellicht ten overvloede, als een gemeente besluit een dergelijke regeling niet te treffen, dan zal ook dit in het

beleidsplan gemotiveerd moeten worden. 10 ‘Dubbelfacultatief’ in die zin dat heel artikel 19 facultatief is, maar dat aan overname van óók het tweede en derde lid weer een afzonderlijke afweging ten grondslag ligt. In plaats van werken met indexering kan er uiteraard ook voor gekozen om de raad telkens als zij daar aanleiding toe zien zelf de bedragen aan te laten passen (middels een wijziging van de verordening). Bijlage 8/9 bij VNG ledenbrief, april 2019

verordening regels worden gesteld ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een voorziening en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan (artikel 2.6.6, eerste lid, van de wet). Daarbij dient in ieder rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de arbeidsvoorwaarden en de op grond van artikel 2.6.6, tweede lid, van de wet in artikel 5.4 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 gestelde nadere regels. Dat artikel bepaalt aan welke eisen ten minste moet worden voldaan om een goede prijskwaliteitverhouding te borgen. Gemeenten kunnen meer zaken hieromtrent regelen; een uitputtende regeling is in het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 niet bedoeld. NB Zie voor een uitgebreide toelichting de artikelsgewijze toelichting bij de Model Verordening Wmo 2015. Artikel 21. Klachtregeling Eerste lid: Dit lid is als facultatief aangemerkt vanwege het feit dat het inhoudelijk niets toevoegt aan de regeling van dit onderwerp van de Wmo 2015. Een reden om het desondanks toch op te nemen kan liggen in de wens in de verordening een meer volledig beeld te schetsen. Tweede lid: Dit lid is verplicht op grond van artikel 2.1.3, tweede lid, onder e, van de wet, waarin staat dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald ten aanzien van welke voorzieningen een regeling voor de afhandeling van klachten van cliënten is vereist.

De aanbieder is ten aanzien van deze voorzieningen verplicht een klachtregeling op te stellen (artikel 3.2, eerste lid, onder a, van de wet). Dit kunnen alle voorzieningen zijn of enkel de hier aangegeven voorzieningen. Artikel 22. Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning Dit artikel geeft uitvoering aan artikel 2.1.3, tweede lid, onder f, van de wet, waarin staat dat de gemeente in ieder geval moet bepalen ten aanzien van welke voorzieningen een regeling voor medezeggenschap van cliënten is vereist. Dit kunnen alle voorzieningen zijn of enkel de in het eerste lid aan te geven voorzieningen. Artikel 23. Betrekken van ingezetenen bij het beleid Dit artikel geeft uitvoering aan artikel 2.1.3, derde lid, van de wet. Met het derde lid wordt aan het college overgelaten hoe het college hier invulling aan geeft. Een uitgebreide en/of algemene (breder dan wet) regeling kan uiteraard ook worden getroffen. Deze kan desgewenst in een aparte verordening worden gegoten. Artikel 24. Evaluatie Deze bepaling is als facultatief aangemerkt, omdat de wet hiertoe niet verplicht. Het is aan de raad om te bepalen of zij een evaluatie van de werking van de verordening in de praktijk wenst, en waarop deze dan dient te zien.

Bijlage 8/9 bij VNG ledenbrief, april 2019

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=middendelfland&id=f0eaf209-f395-43f8-b200-7ad21df44260