CConstaterende datMidden-Delfland
Koppel je AI →
Document · PDF

09 B 058 bijlage 2.docx

Gemeenteraad 14 december 2021, gemeente Midden-DelflandBij agendapunt: Voorstel vaststellen verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp 202211.158 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Een zorgvuldig onderzoek vereist het op enigerlei wijze doorlopen van de volgende stappen: Een zorgvuldig onderzoek vereist het op enigerlei doorlopen van de volgende stappen: Stap 1 - inventariseer de hulpvraag Uit artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in samenhang met de artikelen 2.3.2 en 2.3.5 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna: wet) vloeit voort dat het college voldoende kennis dient te vergaren over de voor het nemen van een besluit over maatschappelijke ondersteuning van belang zijnde feiten en omstandigheden en af te wegen belangen. Dit brengt met Bijlage 2/9 bij VNG ledenbrief, april 2019

zich dat wanneer bij het college melding wordt gedaan van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning het college allereerst moet vaststellen wat de hulpvraag is. Stap 2 - breng de onderliggende problematiek minutieus en onderbouwd in kaart Vervolgens zal het college moeten vaststellen welke problemen worden ondervonden bij de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie, dan wel het zich kunnen handhaven in de samenleving. Stap 3 - stel de aard en de omvang van de noodzakelijke hulp vast Als de problemen voldoende concreet in kaart zijn gebracht, kan worden bepaald welke ondersteuning naar aard en omvang nodig is om een passende bijdrage te leveren aan de zelfredzaamheid of participatie van de ondersteuningsvrager, onderscheidenlijk het zich kunnen handhaven in de samenleving. Stap 4 - kijk wat de discrepantie tussen noodzaak en de eigen mogelijkheden zijn Uit artikel 2.3.2, vierde lid, aanhef en onder b, c en f, van de wet in samenhang met het derde en vierde lid van artikel 2.3.5 van de wet vloeit voort dat het onderzoek er vervolgens op gericht moet zijn of en in hoeverre de eigen mogelijkheden, gebruikelijke hulp, mantelzorg, ondersteuning door andere personen uit het sociale netwerk en voorliggende (algemene) voorzieningen de nodige hulp en ondersteuning kunnen bieden.

Stap 5 - stel vast welke voorziening de geconstateerde discrepantie adequaat oplost Slechts voor zover die eigen mogelijkheden ontoereikend zijn dient het college een maatwerkvoorziening te verlenen. Ook artikel 6 (oud) / 5 (nieuw), dat ziet op de verslaglegging, is aangepast. Hieraan ligt onder meer ten grondslag dat een verslag geen volledige weergave van de in het kader van het onderzoek gevoerde gesprekken dient te bevatten. Alleen gegevens die noodzakelijk zijn voor om te kunnen voorzien in de behoefte van de jeugdige of zijn ouders worden opgenomen. [Naast enkele redactionele aanpassingen is aan artikel 8 (oud) / 7 (nieuw) een lid toegevoegd, met als doel specifieke criteria vast te stellen om de inzet van financiële maatwerkvoorzieningen te beperken tot die gevallen waar ze een duidelijke meerwaarde hebben of waar geen alternatief in natura voorhanden is. Dit, in aanvulling op hetgeen al bepaald is, ter uitvoering van artikel 2.1.3, tweede lid, onder a, van de wet. Daarin is bepaald dat de raad bij verordening moet aangeven op basis van welke criteria het college kan vaststellen of een cliënt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang in aanmerking komt.

Dat het ook om een financiële maatwerkvoorziening kan gaan staat inmiddels vast (zie de uitspraken van de CRvB van 12 februari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:395 en 396).] [De toevoeging van het artikel over het inwinnen van een specifiek deskundig oordeel en advies houdt net als de uitwerking van het onderzoek (artikel 5) direct verband met de jurisprudentie van de CRvB (zie wederom de uitspraak van 21 maart 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:819). Voor zover het onderzoek naar de nodige hulp, dan wel jeugdhulp specifieke deskundigheid vereist zal een specifiek deskundig oordeel en advies niet mogen ontbreken. De verschillende stadia van onderzoek vragen op die stadia aangepaste deskundigheid. Het college dient ervoor zorg te dragen dat die deskundigheid gewaarborgd is en dat deze naar discipline van deskundigheid concreet kenbaar is voor de hulpvrager.] Bijlage 2/9 bij VNG ledenbrief, april 2019

Artikel 10 (oud) / 9 (nieuw) zijn enkele redactionele aanpassingen doorgevoerd. Deels echter ook om de praktijk nadrukkelijker te sturen naar een uitvoering die in lijn is met de uitspraak van de CRvB van 8 oktober 2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:3241), waaruit volgt dat een beschikking voldoende geconcretiseerd moet zijn. In het gewijzigde tweede lid van artikel 11 (oud) / 10 (nieuw) is de wijze waarop de hoogte van een pgb door het college wordt vastgesteld vastgelegd (zoals verplicht op grond van artikel 2.1.3, tweede lid, onder b, van de wet). Het betreft de substantiële materiële norm- en kaderstelling, in de vorm van een berekeningswijze voor het bepalen van de hoogte van pgb’s, die iedere keer als uitgangspunt genomen wordt. Een op basis van deze berekeningswijze vastgesteld budget moet de cliënt in staat stellen de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren van derden te betrekken (artikel 2.3.6, eerste lid, van de wet). Met dien verstande dat het college een pgb kan weigeren voor zover de kosten hiervan hoger zijn dan de kosten van de maatwerkvoorziening in natura (artikel 2.3.6, vijfde lid, aanhef en onder a, van de wet).

Dit alles laat onverlet dat het college bevoegd is om een lager tarief te hanteren dan het gehanteerde tarief voor zorg in natura, mits dat tarief de cliënt maar in staat stelt om tijdig de noodzakelijke kwalitatief goede maatschappelijke ondersteuning van derden te betrekken. Een grond om een lager tarief te hanteren zou bijvoorbeeld kunnen zijn dat de maatschappelijke ondersteuning zal worden betrokken van een solistisch (zelfstandig) werkende aanbieder met aanzienlijk lagere overheadkosten dan grotere aanbieders die namens het college de zorg in natura verlenen. Het is telkens aan het college om (cijfermatig) te onderbouwen hoe in de betreffende situatie de hoogte van het pgb is bepaald en om te onderzoeken of – en te onderbouwen dat – het budget inderdaad toereikend is om de benodigde maatschappelijke ondersteuning tijdig van derden te kunnen betrekken. Met andere woorden, de bewijslast met betrekking tot de ‘toereikendheid’ ligt bij de gemeente. Het is evenwel aan de betrokkenen om eventuele bijzonderheden aan te kaarten. Er is bewust gekozen geen ‘harde’ vaststaande tarieven op te nemen.

Het hanteren hiervan zou er immers toe kunnen leiden dat weliswaar gehandeld wordt overeenkomstig de berekeningswijze en tarieven van de verordening, maar dat de uitkomst een pgb-hoogte is waarmee de cliënt niet in staat is de benodigde maatschappelijke ondersteuning van derden te betrekken. Om ‘schijnzekerheid’ te voorkomen kiest de gemeente er in plaats daarvan voor om de raad hier de essentialia vast te laten leggen en zo de pgb-verstrekkingsbevoegdheid van het college nader vorm te geven. Hoe het college voornemens is uitvoering te geven aan deze bevoegdheid, hoe zij de beoordelings- en beleidsruimte interpreteert en invult, dat zet het college uit het oogpunt van transparantie en duidelijkheid uiteen in een beleidsregel. Met het hanteren van de in de verordening neergelegde berekeningswijze wordt de hoogte van een pgb in belangrijke mate bepaald door wat het de gemeente zou kosten als het de betreffende maatwerkvoorziening in natura zou verstrekken (‘de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate maatwerkvoorziening in natura’). De tarieven die de gemeente hiervoor overeen is gekomen met aanbieders – evenals de tariefdifferentiatie – kunnen opgenomen worden en de beleidsregel, maar uitdrukkelijk als uitgangspunt. Niet als ‘harde’ vaststaande tarieven.

Dat strookt immers enerzijds niet met het karakter van de beleidsregel en anderzijds niet met het uitgangspunt dat er telkens maatwerk geleverd moet worden. Als in een individueel geval aantoonbaar is dat berekeningswijze van de verordening – met toepassing van deze tarieven – leidt tot een pgb-hoogte Bijlage 2/9 bij VNG ledenbrief, april 2019

waarmee de cliënt niet in staat is de benodigde maatschappelijke ondersteuning van derden te betrekken, dan wordt er in dat geval van de tarieven afgeweken. Uiteraard nog steeds met de kanttekening dat het college een pgb kan weigeren voor zover de kosten van het betrekken van de maatschappelijke ondersteuning van derden hoger zijn dan de kosten van de maatwerkvoorziening in natura. Uit artikel 2.3.6, vierde lid, van de wet volgt dat bij verordening kan worden bepaald onder welke voorwaarden betreffende het tarief, de persoon aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, de mogelijkheid heeft om diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen te betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk. De te stellen voorwaarden kunnen niet echter zover gaan dat het inschakelen van informele hulp geheel wordt uitgesloten. Hieraan is in het derde lid invulling gegeven. Daarbij is van belang dat in de nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 34) de regering heeft aangegeven dat onder dit sociale netwerk ook mantelzorgers kunnen vallen. Wel is de regering van mening dat de beloning van het sociale netwerk in elk geval beperkt moet blijven tot die gevallen waarin het de gebruikelijke hulp overstijgt en dit aantoonbaar tot betere en effectievere ondersteuning leidt en aantoonbaar doelmatiger is.

Overeenkomstig de bestaande Wmopraktijk wordt hierbij in ieder geval gedacht aan diensten (bijvoorbeeld zorg van mantelzorgers). Informele hulp bij hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen is minder goed denkbaar. Ingeval ook hiervoor een pgb wordt aangevraagd is voor gemeenten van belang dat slechts een pgb wordt verstrekt indien naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de in te kopen diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen veilig, doeltreffend en cliëntgericht worden verstrekt (artikel 2.3.6, tweede lid, onder c, van de wet). Bij het beoordelen van de kwaliteit als bedoeld in artikel 2.3.6, tweede lid, onder c, van de wet weegt het college mee of de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen in redelijkheid geschikt zijn voor het doel waarvoor het persoonsgebonden budget wordt verstrekt (artikel 2.3.6, derde lid, van de wet). NB Individuele gemeenten dienen naar aanleiding van de gekozen invulling van het derde lid deze toelichting zelf aan te vullen. De tekst van de implementatiehandleiding kan daarbij als inspiratie dienen. In het bijzonder waar het betreft het facultatieve onderdeel b. Artikel I, onderdeel E, van het wijzigingsbesluit De wijziging van artikel 12 (oud) / 11 (nieuw) betreft enkel redactionele aanpassingen.

[Artikel I, onderdeel F, van het wijzigingsbesluit […]] NB Individuele gemeenten dienen naar aanleiding van de gekozen invulling deze toelichting zelf uit te werken. Artikel I, onderdeel G, van het wijzigingsbesluit

Bijlage 2/9 bij VNG ledenbrief, april 2019

Ten behoeve van een doorlopende nummering van de verordening worden hier enkele artikelen vernummerd. Artikel I, onderdeel H, van het wijzigingsbesluit De wijziging van artikel 15a (oud) / 16 (nieuw) betreft enkel redactionele aanpassingen. [Artikel I, onderdeel I, van het wijzigingsbesluit […]] NB Individuele gemeenten dienen naar aanleiding van de gekozen oorspronkelijke en nieuwe invulling deze toelichting zelf uit te werken. Artikel I, onderdeel J, van het wijzigingsbesluit In artikel 18 (oud) / 20 (nieuw) zijn enkele redactionele aanpassingen doorgevoerd. [Artikel I, onderdeel K, van het wijzigingsbesluit De toevoeging van ‘verzoeken’ ziet op de verzoeken om ondersteuning bij het verhelderen van de ondersteuningsbehoefte (artikel 3) [en bij het opstellen van een familiegroepsplan].] [Artikel I, onderdeel L, van het wijzigingsbesluit In het toegevoegde tweede lid wordt gespecificeerd welke informatie systematisch verzameld moet worden door het college, ten behoeve van de evaluatie bedoeld in het eerste lid.] Artikel I, onderdeel M, van het wijzigingsbesluit […] NB Individuele gemeenten dienen naar aanleiding van de gekozen invulling deze toelichting zelf uit te werken.

Bijlage 2/9 bij VNG ledenbrief, april 2019

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=middendelfland&id=b5ef328c-cd75-468f-9d1c-2f3b31280e27