07 Regels en Toelichting Binnenterrein BM Singel - Vlaardingsekade_vastgesteld_1.pdf
Tekst van het document
Binnenterrein BM Singel - Vlaardingsekade
bestemmingsplan Binnenterrein BM Singel - Vlaardingsekade
Inhoudsopgave
Toelichting
5
Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding en doelstelling 1.2 Begrenzing bestemmingsplan 1.3 Vigerend bestemmingsplan 1.4 Planproces en procedure 1.5 Leeswijzer
6 6 6 7 8 8
Hoofdstuk 2 Planbeschrijving 2.1 Geschiedenis van het plangebied 2.2 Bestaande situatie 2.3 Toekomstige situatie
9 9 9 10
Hoofdstuk 3 Beleidskader 3.1 Inleiding 3.2 Rijksbeleid 3.3 Provinciaal beleidskader 3.4 Gemeentelijk beleidskader
14 14 14 16 19
Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten 4.1 Bodem 4.2 Archeologie 4.3 Cultuurhistorie 4.4 Flora & Fauna 4.5 Stikstofdepositie 4.6 Geluid 4.7 Luchtkwaliteit 4.8 Geur 4.9 Bedrijven- en milieuzonering 4.10 Kabels en leidingen 4.11 Externe veiligheid 4.12 Water 4.13 Verkeer en parkeren
22 22 23 25 26 28 29 30 33 34 35 36 38 40
Hoofdstuk 5 Juridische planbeschrijving 5.1 Inleiding 5.2 Opbouw van de regels 5.3 Planregels 5.4 Overgangsrecht 5.5 Handhaafbaarheid
43 43 43 43 44 45
Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid 6.1 Economische uitvoerbaarheid 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
46 46 46
Bijlagen bij Toelichting Bijlage 1 Bodemonderzoek Bijlage 2 QS Flora & Fauna / Stikstofonderbouwing Bijlage 3 Watersleutel Bijlage 4 Verslag informatieavond Bijlage 5 Nota Zienswijzen
47 48 49 50 51 50
Regels
54
Hoofdstuk 1 Artikel 1 Artikel 2
2
Inleidende regels Begrippen Wijze van meten
55 55 58
(vastgesteld)
bestemmingsplan Binnenterrein BM Singel - Vlaardingsekade Hoofdstuk 2 Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5 Artikel 6 Artikel 7 Artikel 8 Artikel 9
Bestemmingsregels Bedrijf Gemengd Maatschappelijk Tuin Wonen Waarde - Hoge archeologische waarde Waterstaat - waterkering
59 59 61 64 65 66 68 70
Hoofdstuk 3 Artikel 10 Artikel 11 Artikel 12 Artikel 13 Artikel 14 Artikel 15 Artikel 16 Artikel 17
Algemene regels Hoogteaanduiding Gebruik van gronden en bouwwerken Percentages en dubbeltelbepaling Overschrijding bouwgrenzen Uitsluiting aanvullende werking bouwverordening Algemene afwijkingsregels Algemene wijzigingsregels Werking wettelijke regelingen
71 71 72 73 74 75 76 77 78
Hoofdstuk 4 Artikel 18 Artikel 19
Overgangs- en slotregels Overgangsrecht Slotregel
79 79 80
Bijlagen bij regels Bijlage 1 Staat van bedrijfsactiviteiten Binnenterrein BM Singel Bijlage 2 Staat van horeca-activiteiten
82 83 84
(vastgesteld)
3
bestemmingsplan Binnenterrein BM Singel - Vlaardingsekade
4
(vastgesteld)
bestemmingsplan Binnenterrein BM Singel - Vlaardingsekade
Toelichting
(vastgesteld)
5
bestemmingsplan Binnenterrein BM Singel - Vlaardingsekade
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding en doelstelling
In het centrum van het dorp Schipluiden bevindt zich tussen de Burgemeester Musquetiersingel en Vlaardingsekade een binnenterrein met een bedrijvenbestemming. Het gebied is omsloten door woningen. De gemeente heeft in een eerder stadium dit gebied al onderzocht op de mogelijkheden voor woningbouw. Een aantal bewoners/ondernemers heeft plannen voor de bouw van woningen, en eventueel een klein bedrijf. Dit sluit goed aan bij de beleidsdoeleinden van de gemeente. Gebleken is dat individuele initiatieven niet van de grond komen omdat de inmiddels achterhaalde bestemming 'Bedrijven' met een milieucategorie 2 dit verhindert vanwege de 'hindercirkels'. Voor andere bestaande functies zoals een praktijk voor fysiotherapie, een telefooncentrale en een rioolgemaal blijft de situatie ongewijzigd, behalve dat met dit bestemmingsplan een meer passende milieucategorie wordt bestemd, die qua milieuhinder niet conflicteert met de gewenste woningbouw.
1.2
Begrenzing bestemmingsplan
Het plangebied bestaat uit 8 percelen, gelegen naast elkaar in de dorpskern van Schipluiden. Het plangebied wordt globaal door de volgende straten en percelen begrensd: Aan de noordkant: de achterzijde van de percelen Vlaardingsekade 13 - 27; aan de oostkant: aan de achterzijde van de percelen Keenenburgweg 10a en Vlaardingsekade 11 en 12; aan de zuidkant: aan de achterkant van de percelen Burgemeester Musquetiersingel 6 - 36; aan de westkant: aan de achterzijde van de percelen aan de Kerkstraat. In de onderstaande afbeeldingen is de globale ligging en zijn de grenzen van het plangebied weergegeven:
6
(vastgesteld)
bestemmingsplan Binnenterrein BM Singel - Vlaardingsekade Afbeelding 1 Globale ligging plangebied in Schipluiden
Afbeelding 2 Grenzen plangebied
1.3
Vigerend bestemmingsplan
Het plangebied ligt binnen het vigerende bestemmingsplan 'Kern Schipluiden 2007' dat is vastgesteld op 27 januari 2009 door de gemeenteraad van de gemeente Midden-Delfland. In het plangebied vigeert de bestemming 'Bedrijf'. Het plangebied kent de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie hoge archeologische waarde' en een deel van het plangebied kent de dubbelbestemming 'Waterstaat'. In afbeelding 3 is een uitsnede van de verbeelding weergegeven.
(vastgesteld)
7
bestemmingsplan Binnenterrein BM Singel - Vlaardingsekade
Afbeelding 3 Uitsnede verbeelding vigerend bestemmingsplan
1.4
Planproces en procedure
Voordat dit bestemmingsplan rechtskracht verkrijgt dient de procedure te zijn doorlopen, zoals vastgelegd in de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Op grond van artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening wordt overleg gepleegd met andere overheden. Door de gemeente Midden-Delfland wordt ook de betreffende dorps- of wijkraad in de gelegenheid gesteld op het voorontwerpbestemmingsplan te reageren. De binnengekomen reacties worden verwerkt in het ontwerpbestemmingsplan. Het ontwerpbestemmingsplan wordt zes weken ter inzage gelegd. Tijdens de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan kan een ieder schriftelijk of mondeling een zienswijze kenbaar maken. De ingediende zienswijzen worden afgewogen bij de vaststelling van het bestemmingsplan. Het vastgestelde bestemmingsplan wordt ook ter inzage gelegd. Gedurende deze terinzagelegging kan beroep worden ingesteld bij de Raad van State.
1.5
Leeswijzer
Het bestemmingsplan bestaat uit regels, een verbeelding en gaat vergezeld van deze toelichting. De toelichting is als volgt opgezet: In hoofdstuk 2 wordt ten eerste ingegaan op de bestaande situatie van het gebied. Daarna wordt ingegaan op de diverse planontwikkelingen. In hoofdstuk 3 worden de relevante beleidskaders van zowel het rijk, de provincie als regio en gemeente beschreven. In hoofdstuk 4 worden de planologische en milieutechnische randvoorwaarden voor de ontwikkeling van het gebied behandeld. Vervolgens wordt in hoofdstuk 5 de juridische planopzet voor het bestemmingsplan beschreven. De uitgangspunten voor de bestemmingsregeling worden hier toegelicht. Tot slot worden in hoofdstuk 6 de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid beschreven.
8
(vastgesteld)
bestemmingsplan Binnenterrein BM Singel - Vlaardingsekade
Hoofdstuk 2 2.1
Planbeschrijving
Geschiedenis van het plangebied
De kern Schipluiden is ontstaan rond de valbrug over de Gaag. Deze brug verbond de noordelijke oever (Dorpsstraat) en de zuidelijke oever (Vlaardingsekade en Singel) en de Keenenburgweg. In 1561 was er al sprake van een dorpskern met centraal gelegen ongeveer veertig huizen. De meeste Schipluidenaren leefden van de landbouw. Verder waren er timmerlieden, een molenmaker, metselaar, twee smeden, bakkers en chirurgijns. Ook de scheepvaart werd een belangrijk middel van bestaan. Schippers vervoerden in de 19e eeuw grote hoeveelheden tuingrond, mest, aardappelen en veevoeder. Ten oosten van het plangebied heeft de burcht met een gracht van Kasteel Keenenburg gestaan. Het werd in de 15de eeuw gebouwd door Philips de Blote. In de jaren 1572-1574 werd de voorburcht van het kasteel volledig verwoest. In 1798 werd het kasteel gesloopt. In de jaren '90 is een deel van het muurwerk weer opgemetseld, waardoor de geschiedenis van Keenenburg levend wordt gehouden. Door de eeuwen heen heeft de van oorsprong agrarische bebouwing aan de Gaag plaatsgemaakt voor meer stedelijke panden. Schipluiden maakt sinds 2004, samen met de kernen Maasland, Den Hoorn en 't Woudt deel uit van de nieuwe gemeente Midden-Delfland. Schipluiden ligt centraal in het open gebied van Midden-Delfland. Op circa 1 kilometer naar het oosten ligt de stad Delft.
2.2
Bestaande situatie
Het plangebied is in de bestaande situatie een gemengd gebied, waar verschillende functies met elkaar samengaan. Ten oosten van het plangebied is de Keenenburgweg gelegen. Deze weg vormt de belangrijkste (noord-zuid) verkeersverbinding door het dorp naar de Zouteveenseweg. Aan de noordzijde van het plangebied bevindt zich de Vlaardingsekade, een oud dorpslint gelegen aan de Gaag. In de huidige situatie fungeert de bestaande bebouwing als bedrijventerrein voor kleine bedrijvigheid.
Afbeelding 4 Begrenzing plangebied (in rood) vanaf zuidzijde bezien Binnen het plangebied bevinden zich momenteel (van links naar rechts) een rioolgemaal, een opslag voor antiek, een timmerbedrijf, een praktijk voor fysiotherapie, enkele garageboxen, en een nutsgebouw (telefooncentrale).
(vastgesteld)
9
bestemmingsplan Binnenterrein BM Singel - Vlaardingsekade
2.3
Toekomstige situatie
Binnen het plangebied is sprake van enkele ontwikkelingen verspreid over meerdere percelen met meerdere eigenaren die o.a. een woonfunctie en lichte bedrijfsvoering binnen het gebied mogelijk zullen maken. Voor de bedrijven geldt dat de focus hier net als in de bestaande situatie zal liggen op lokale en kleinschalige bedrijvigheid. De eigenaren van drie percelen zijn van plan te zijner tijd woningeenheden op hun perceel te realiseren. De volgende ontwikkelingen krijgen een vertaling in het bestemmingsplan: De beoogde realisatie van vijf niet-zelfstandige wooneenheden, de realisatie van één woning (inpandig), en het vestigen van een opslag ten behoeve van een timmermansbedrijf aan de Burgemeester Musquetiersingel 8, op perceel 2840 (paragraaf 2.3.1); de beoogde realisatie van twee woningen ter plaatse van de loods waar nu een antiekopslag gevestigd is, aan de Vlaardigsekade 26, op perceel 2594 en 2595 (paragraaf 2.3.2); De beoogde realisatie van 2 woningen ter plaatse van de garageboxen op het perceel aan de Burgemeester Musquetiersingel 4c t/m m, op perceel 1683 en 2952 (2.3.3); Overige percelen binnen het plangebied, zoals weergegeven in afbeelding 2, zullen herbestemd worden. Dit betreft (relatief) kleine wijzigingen en zullen daarom niet separaat genoemd worden. Deze wijzigingen zijn in de verbeelding behorend bij dit bestemmingsplan juridisch verankerd.
Voor de eerste drie hierboven genoemde ontwikkelingen volgt een korte toelichting.
2.3.1
Burgemeester Musquetiersingel 8, perceel 2840
Het bestemmingsplan voorziet in de juridisch planologische verankering van de ontwikkeling van 6 woningen op het perceel 2840, ter plaatse van de Burgemeester Musquetiersingel 8. Het betreft een gebied dat momenteel ingericht is voor een bedrijfsfunctie. Momenteel is het perceel ingericht naar de werkzaamheden voor een timmerwerkplaats. Echter zullen de werkzaamheden die hier plaatsvinden niet gecontinueerd worden. De loods gelegen aan de westkant van het perceel zal deels worden gebruikt voor het realiseren van vijf niet-zelfstandige wooneenheden en deels als opslag. Deze opslag wordt binnen de bestemming 'Gemengd' aangeduid als bedrijf voor bedrijven tot en met de categorie A. Verder zal er één zelfstandige woning worden gerealiseerd in het pand grenzend aan deze loods, gelegen in het noorden van het perceel.
10
(vastgesteld)
bestemmingsplan Binnenterrein BM Singel - Vlaardingsekade
Afbeelding 5 Ligging perceel 2840 (in rood)
(vastgesteld)
11
bestemmingsplan Binnenterrein BM Singel - Vlaardingsekade 2.3.2
Vlaardingsekade 26, perceel 2594 en 2595
Ter plaatse van de Vlaardingsekade 26, op het perceel 2594 en 2595 zullen twee woningen gerealiseerd worden in een pand (gelegen in het oosten van het perceel) waar tot op heden een antiekopslag gevestigd zat.
Afbeelding 6 Ligging percelen 2594 en 2595 (in rood)
12
(vastgesteld)
bestemmingsplan Binnenterrein BM Singel - Vlaardingsekade 2.3.3
Burgemeester Musquetiersingel 4c t/m m, perceel 1683 en 2952
De Burgemeester Musquetiersingel 4c t/m m zal de bestemming 'Gemengd' krijgen. Ter plaatse van de garageboxen gelegen in het noorden van dit perceel zullen mogelijk in de toekomst twee woningen gerealiseerd worden.
Afbeelding 7 Ligging percelen 1683 en 2952 (in rood)
(vastgesteld)
13
bestemmingsplan Binnenterrein BM Singel - Vlaardingsekade
Hoofdstuk 3 3.1
Beleidskader
Inleiding
In dit hoofdstuk wordt het bestemmingsplan 'Binnenterrein BM Singel - Vlaardingsekade' getoetst aan het rijks-, provinciaal- en gemeentelijk beleid dat van belang is voor de functionele en ruimtelijke aspecten die in het plan worden vastgelegd.
3.2
Rijksbeleid
3.2.1
Nationale omgevingsvisie
De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) 'Duurzaam perspectief voor onze samenleving' komt voort uit de Omgevingswet, die naar verwachting in 2022 in werking treedt. Uitgangspunt is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Zo worden in gebieden betere, meer geïntegreerde keuzes gemaakt. Vier prioriteiten hierin zijn: 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; 2. Duurzaam economisch groeipotentieel; 3. Sterke, gezonde steden en regio's; 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Binnen deze prioriteiten worden drie afwegingsprincipes gehanteerd, die helpen om beleidskeuzes te maken. Dit zijn: 1. Combinaties van functies hebben voorrang op enkelvoudige functies; 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; 3. Afwentelen wordt voorkomen. Tot het moment dat de Omgevingswet in werking treedt (naar verwachting op 1 juli 2022) geldt de omgevingsvisie als structuurvisie en zijn ruimtelijke belangen gewaarborgd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro, zie §3.1.2). In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is het Rijksbelang opgenomen dat verstedelijking op duurzame wijze plaatsvindt. Wanneer een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt moet er getoetst worden aan de 'Ladder voor duurzame verstedelijking'.
Doorwerking planinitiatief De met dit bestemmingsplan gepaarde gebiedsontwikkeling heeft wel raakvlakken met de NOVI, met name waar het gaat om het waarborgen van de kwaliteit van de leefomgeving. Het abstractieniveau van de NOVI is echter dusdanig hoog, dat er geen directe opgaven voor het bestemmingsplan gelden.
3.2.2
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening
In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) staat een aantal onderwerpen waarvoor het Rijk uit het oogpunt van de nationale belangen in de structuurvisie Infrastructuur en Ruimte regels stelt. De 14 nationale belangen van het Barro zijn: Rijksvaarwegen; Mainportontwikkelingen Rotterdam; Kustfundament; Grote rivieren; Waddenzee en waddengebied; Defensie; Hoofdwegen en hoofdspoorwegen; Elektriciteitsvoorziening; Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen; Natuurnetwerk Nederland;
14
(vastgesteld)
bestemmingsplan Binnenterrein BM Singel - Vlaardingsekade
Primaire waterkeringen buiten het kustfundament; IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte); Erfgoed van uitzonderlijke universele waarde; Ruimtereservering voor de parallelle Kaagbaan.
Doorwerking planinitiatief Het Barro bevat geen verplichtingen voor het plangebied waar dit bestemmingsplan betrekking op heeft. Het Barro vormt derhalve geen belemmering voor het bestemmingsplan.
3.2.3
Besluit ruimtelijke ordening (Bro)
Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) geeft regels waar concrete ruimtelijke projecten aan moeten voldoen. Zo is in het Bro de Ladder voor duurzame verstedelijking verankerd. Het doel van de Ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Met de Ladder wordt er een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten nagestreefd. In de praktijk werd de toepassing van de Ladder voor duurzame verstedelijking als lastig ervaren. Daarom is op 1 juli 2017 het Bro gewijzigd, waarbij een nieuwe Laddersystematiek geldt. De derde trede is geschrapt en de eerste twee treden zijn samengevoegd. Hiermee is de 3-trapsstructuur losgelaten. Ook zijn de termen 'actueel' en 'regionaal' geschrapt die waren opgenomen in de voormalige eerste trede. De Ladder voor duurzame verstedelijking bestaat nu uit twee onderdelen. Het tweede lid van artikel 3.1.6. Bro omvat de Ladder voor duurzame verstedelijking.
Deze luidt: De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Het begrip 'stedelijke ontwikkeling' is nader gespecificeerd in de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State op 23 april 2014. De afdeling noemt in de uitspraak de uitgangspunten, die zij hanteert voor de beoordeling of een voorziene ontwikkeling voldoende substantieel is om als stedelijke ontwikkeling te kunnen gelden. Op 28 juni 2017 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een overzichtsuitspraak gedaan over de Ladder voor duurzame verstedelijking. Ook hier is het begrip 'stedelijke ontwikkeling' nader gespecificeerd. Indien het om en woningbouwlocatie gaat, geldt het volgende uitgangspunt: Wanneer een ruimtelijke ontwikkeling voorziet in niet meer dan 11 woningen die gelet op hun onderlinge afstand als één woningbouwlocatie als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, Bro, kunnen worden aangemerkt, kan deze ontwikkeling in beginsel niet als een stedelijke ontwikkeling worden aangemerkt.
Doorwerking planinitiatief Met onderliggend bestemmingplan zullen er maximaal 10 woningen gerealiseerd worden binnen het plangebied. Omdat de ruimtelijke ontwikkeling voorziet in minder dan 11 woningen, waardoor de Ladder voor duurzame verstedelijking niet doorlopen hoeft te worden.
(vastgesteld)
15
bestemmingsplan Binnenterrein BM Singel - Vlaardingsekade
3.3
Provinciaal beleidskader
3.3.1
Omgevingsvisie Zuid-Holland
Het Omgevingsbeleid van de provincie Zuid-Holland bestaat uit twee kaderstellende instrumenten: de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening. De Omgevingsvisie is op 1 april 2019 vastgesteld door de provincie Zuid-Holland en is opgesteld in het kader van de Omgevingswet die naar waarschijnlijkheid in 2022 in werking treedt. In tussentijd zijn er enkele wijzigingen van de Omgevingsvisie Zuid-Holland doorgevoerd, waarvan de meest recente op 7 augustus 2021 in werking is getreden. Het beleid is gericht op het realiseren van maatschappelijke belangen en het bereiken en in stand houden van een goede omgevingskwaliteit. De provincie stelt in het document 'inleiding' dat onderdeel is van de Omgevingsvisie, de visie, ambities en opgaven voor de provincie. Het omvat 6 richtinggevende ambities in de fysieke leefomgeving: naar een klimaatbestendige delta; naar een nieuwe economie: the next level; naar een levendige meerkernige metropool; energievernieuwing; best bereikbare provincie; gezonde en aantrekkelijke leefomgeving. Naast de 6 ambities benoemd de provincie 12 provinciale 'Opgaven Omgevingskwaliteit' in de Omgevingsvisie die vanuit provinciaal belang zijn ontwikkeld. De provincie werkt bij deze opgaven samen met andere overheden en maatschappelijke partners.
De 12 provinciale 'Opgaven Omgevingskwaliteit' zijn als volgt: landschap en cultuurhistorie; gezondheid en veiligheid; natuur en recreatie; ruimte en verstedelijking; wonen; bodem en ondergrond; cultuurparticipatie en bibliotheken; klimaatadaptatie; zoetwater en drinkwater; bereikbaarheid; regionale economie; energievoorziening. Het 'Programma Ruimte' en de 'Kwaliteitskaart' zijn belangrijke onderdelen van de Omgevingsvisie. Het 'Programma Ruimte' bevat een nadere invulling en operationalisering van ruimtelijke relevante onderdelen van de Omgevingsvisie. Daarbij gaat het dan om locatiespecifieke of programmatische invulling van beleidsbeslissingen uit de Omgevingsvisie. De kwaliteitskaart is weergegeven in de 'bijlage ruimtelijke kwaliteit' bij de Omgevingsvisie, waarin vier kaartlagen afzonderlijk zijn opgenomen en toegelicht. De kwaliteitskaart bevat de volgende lagen: laag van de ondergrond. Deze laag betreft de grondslag van de provincie en de natuurlijke (landschapsvormende) processen; laag van de cultuur- en natuurlandschappen. Het betreft de laag van het zichtbare landschap en (grondgebonden) nut; laag van de stedelijke occupatie. Deze laag gaat in op de steden en dorpen en hun onderlinge netwerken; laag van de beleving. Hierbij gaat het over identiteit en (recreatieve) beleving. Deze lagen hebben een onderlinge relatie met elkaar.
De lagen bevatten richtpunten die de bestaande kenmerken en waarden beschrijven. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moeten deze kenmerken en waarden een rol spelen bij de overweging, de plaatsing en de vormgeving van het initiatief.
16
(vastgesteld)
bestemmingsplan Binnenterrein BM Singel - Vlaardingsekade Doorwerking planinitiatief De voorgenomen ontwikkeling betreft een gebiedsontwikkeling in de dorpskern van Schipluiden. Het plangebied doet tot op heden onder aan het aantrekkelijke, historische centrum van Schipluiden. De ambitie is om het plangebied verder te ontwikkelen om meer deel te laten maken van een bruisend centrum. Het plan speelt hiermee in op de opgaven 'ruimte en verstedelijking' en 'wonen' van de Omgevingsvisie Zuid-Holland, door zorgvuldig ruimtegebruik van een compact, samenhangend en kwalitatief hoogwaardig bebouwd gebied, het bevorderen van een aantrekkelijke leefomgeving, en in te spelen op de behoeften van verschillende doelgroepen. In de paragrafen 3.4.2 en 3.4.3 zal verder worden ingegaan op de woonopgaven van de gemeente Midden-Delfland.
3.3.1.1 De Kwaliteitskaart De voorgestelde ontwikkeling is aan de verschillende lagen van de kwaliteitskaart getoetst. 1. Laag van de ondergrond Het plangebied valt binnen de contouren van 'Rivierdeltacomplex'. Ontwikkelingen dragen bij aan het behoud van ruimte voor dynamische natuurlijke processen en zoet-zoutovergangen in de Deltawateren en natuurlijke buitendijkse gebieden. 2. Laag van de cultuur- en natuurlandschappen Het plangebied valt binnen de contouren van 'Veen(weide)landschap'. De structuur van dit landschap is sterk bepaald door de rivieren en veenstromen, op enige afstand daarvan aangelegde weteringen en andere ontginningsbasissen. Loodrecht daarop staan de (regelmatige) verkavelingspatronen. Het landschap is tussen deze structuren weids met lange zichtlijnen. Andere kenmerken zijn de smalle kavels, vele sloten met hoog waterpeil en overwegend grasland als bodemgebruik. Het agrarisch gebruik overheerst. Belangrijke richtpunten zijn dat ontwikkelingen bijdragen aan verkavelingspatronen, rekening houden met het behoud van kenmerkende landschapselementen, bijdragen aan de maat en weidsheid van de poldereenheden. Nieuwe bebouwing wordt geplaatst binnen de bestaande structuren/linten en niet in de veenweidepolders.
Nieuwe agrarische bedrijven liggen aan de ruilverkavelingslinten of op een zeer goed bereikbare locatie voor zwaar verkeer; ze vormen visuele eilanden in het veenweidelandschap door stevige, passende beplanting en een ligging op ruime afstand van elkaar. 3. Laag van de stedelijke occupatie Het plangebied kent verschillende lagen van stedelijke occupatie: Het plangebied valt binnen de contouren van 'steden en dorpen'. Belangrijk richtpunt is dat ontwikkelingen bijdragen aan de karakteristieke kenmerken/identiteit van stad, kern of dorp. Het plangebied valt binnen de contouren van 'bouwwerken voor energie-opwekking'. Nieuwe vormen van energie zullen steeds meer het landschap beïnvloeden. Diverse nieuwe energiedragers zijn bouwwerken die, afhankelijk van locatie, vorm en grootte, matige tot grote invloed op het landschap kunnen hebben. 4. Laag van de beleving Voor het plangebied is er geen laag van de beleving opgenomen. Rondom het plangebied is er een netwerk van fiets- en wandelroutes. Dit netwerk is bedoeld als ontsluiting, maar ook als middel om stad en landschap van Zuid-Holland te ervaren.
Doorwerking planinitiatief De opzet van het plangebied houdt rekening met de verschillende lagen van de kwaliteitskaart. Belangrijk is dat het oorspronkelijke karakteristieke karakter van het dorp Schipluiden gewaarborgd blijft. Onderhavige ontwikkeling betreft het ontwikkelen van een klein en oud bedrijventerrein zonder karakteristieke waarden. In de stedenbouwkundige opzet van het plangebied is er ruimte voor ontwikkeling van het dorpshart, maar door de beperkte bouwhoogtes zal dit niet af doen aan de karakteristieke uitstraling van de oude Vlaardingsekade, die het hart van het oude dorp vormt.
(vastgesteld)
17
bestemmingsplan Binnenterrein BM Singel - Vlaardingsekade 3.3.2
Omgevingsverordening Zuid-Holland
De Omgevingsverordening Zuid-Holland is gelijktijdig vastgesteld met de Omgevingsvisie ZuidHolland op 1 april 2019. Ook de Omgevingsverordening heeft wijzigingen ondergaan die zijn gewaarborgd in de meest recente versie, in werking getreden op 7 augustus 2021. Ook dit beleidsdocument is in het kader van de Omgevingswet opgesteld. De inhoud van de Omgevingsvisie is daarbij voor een groot deel leidend voor de inhoud van de omgevingsverordening. De verordening stelt regels over de volgende aspecten: activiteiten door burgers en bedrijven; tot het openbaar bestuur gerichte regels over het ambitieniveau voor de leefomgevingskwaliteit; onderlinge taakverdeling; doorwerking provinciaal beleid naar andere bestuursorganen via instructieregels; financiële bepalingen; procedures van voorbereiding; handhaving; schade; monitoring en informatie; adviesorganen; overgangsrecht. De Omgevingsverordening stelt bepalingen over het voorzien van een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling in een bestemmingsplan. Het stelt dat de ruimtelijke ontwikkeling binnen de bestaande gebiedsidentiteit moet passen. Ook moet het geen wijziging op structuurniveau inhouden. Daarnaast moet de ruimtelijke ontwikkeling passen bij de aard en schaal van gebied. Bovendien moet de ruimtelijke ontwikkeling voldoen aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart in de Omgevingsvisie.
Bij deze bepalingen stelt de Verordening nadere regels als niet aan één van de bepalingen wordt voldaan. De nadere regels zijn niet van toepassing voor dit bestemmingsplan. De beoogde ontwikkelingen voldoen aan de reeds genoemde bepalingen. Daarnaast stelt de Omgevingsverordening eisen aan een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt. Omdat de ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt binnen dit bestemmingsplan voorziet in het realiseren van minder dan 11 woningen is er geen sprake van nieuwe stedelijke ontwikkeling. Dit is reeds toegelicht in paragraaf 3.2.3. Ook bevat de Omgevingsverordening bepalingen over hoe lokale overheden rekening moeten houden met de omgevingsaspecten. Met name de regels omtrent archeologische waarden zijn van belang voor dit bestemmingsplan. Het plangebied ligt namelijk volledig in een gebied met (zeer) hoge archeologische waarden. Voor de in de Cultuurhistorische Hoofdstructuur (CHS) opgenomen terreinen met hoge en zeer hoge bekende archeologische waarde geldt dat bescherming van groot provinciaal belang is. Deze gebieden, die minder dan 1% van het grondoppervlak van de provincie Zuid-Holland beslaan, zijn daarom ook beschermd via deze verordening. Voor de gronden met (zeer) hoge archeologische waarden geldt een verbod op werken of werkzaamheden waarbij de bodem tot meer dan 30 centimeter onder het maaiveld wordt geroerd.
Een archeologisch onderzoek dient aan de tonen dat de archeologische waarden bij werken of werkzaamheden niet worden aangetast.
Doorwerking planinitiatief De beoogde ontwikkelingen passen bij de aard en schaal van het gebied en ze voldoen aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart uit de Omgevingsvisie. De identiteit en beleving, alsmede het netwerk en de lagen van het zichtbare landschap en het (grondgebonden) nut, en de grondslag van de provincie van de natuurlijke (landschapsvormende) processen worden in stand gehouden en zo mogelijk versterkt. Het plangebied ligt grotendeels binnen archeologisch waardevol gebied. De omgang hiermee wordt nader toegelicht in paragraaf 4.2.
18
(vastgesteld)
bestemmingsplan Binnenterrein BM Singel - Vlaardingsekade
3.4
Gemeentelijk beleidskader
3.4.1
Omgevingsvisie Midden-Delfland 1.0
Op 26 oktober 2021 heeft de gemeente Midden-Delfland haar meest recente Omgevingsvisie vastgesteld. Deze Omgevingsvisie biedt een vooruitblik op de fysieke leefomgeving tot het jaar 2040. Het is een volwaardige visie die gebaseerd is op bestaand beleid en bestaande beleidsvisies, aangevuld met een aantal grote ontwikkelingen die op de gemeente afkomen en opgaven waar de gemeente voor staat. Voor de regio Midden-Delfland zijn de volgende integrale ambities opgesteld: Omgevingskwaliteit en leefbaarheid Duurzaamheid Gebruikswaarde Cultureel erfgoed Voor de dorpen binnen Midden-Delfland zijn afzonderlijke ambities opgesteld, welke als volgt luiden: Wonen en leefbare dorpen Binnenstedelijk verdichten Openbare ruimte in de dorpen Functies in de dorpen Sociale binding en samenhorigheidsgevoel Energietransitie Accentverschillen per dorp (in Schipluiden: cultuurhistorie) Onderstaande afbeelding geeft de kenmerken en kwaliteiten van het dorp Schipluiden weer.
Afbeelding 8 Kenmerken en kwaliteiten van Schipluiden (plangebied in rood) (bron: Omgevingsvisie Midden-Delfland 1.0)
(vastgesteld)
19
bestemmingsplan Binnenterrein BM Singel - Vlaardingsekade Doorwerking planinitiatief De Omgevingsvisie Midden-Delfland stelt dat ontwikkelingen in de regio Schipluiden waar mogelijk binnenstedelijk plaats dienen te vinden. Onderhavig planinitiatief betreft het doorontwikkelen van de dorpskern van het dorp Schipluiden, waardoor er meer ruimte ontstaat voor een goed woonklimaat en binnenstedelijke uitbreiding. Verder waarborgt de beoogde ontwikkeling het karakter van Schipluiden door de cultuurhistorische waarden van het dorp intact te laten. Onderhavig planinitiatief past daarmee binnen de Omgevingsvisie van Midden-Delfland en versterkt de beoogde ontwikkeling van Schipluiden.
3.4.2
Woonvisie Midden-Delfland 2010-2025
De woonvisie Midden-Delfland 2010-2025 is opgesteld in juni 2010 en het is gebaseerd op de woningmarktanalyse Midden-Delfland 2009-2025. De woonvisie stelt dat het aansluiting heeft gezocht op gemeentelijk beleid ten aanzien van duurzaam bouwen en op regionaal woonbeleid en afspraken. Het beleid op hoofdlijnen samengevat: inzetten op het versterken van de biodiversiteit van de bevolking; vergroten van de kansen voor starters en jonge (potentiële) gezinnen; een gevarieerd woonaanbod, met name meer betaalbare woningen in de 'start- en tussensegmenten'; inspelen op de vergrijzing door een goed aanbod van en afstemming tussen wonen, zorg en welzijn; aandacht voor duurzaamheid en energiebesparing op het gebied van wonen en bouwen; kwetsbare groepen op de woningmarkt niet uit het oog verliezen.
Specifiek voor Schipluiden geeft de gemeente Midden-Delfland in de Woonvisie de volgende opmerkingen en richtlijnen: het aantal inwoners in Schipluiden neemt richting 2025 licht af, maar het aantal huishoudens groeit; de gemeente wil het dorpse karakter van Schipluiden behouden; schaarse locaties benutten voor het vergroten van de mogelijkheden voor aandachtsgroepen zoals starters en ouderen; inzetten op variatie in nieuwbouw met nultredenwoningen voor ouderen en inzetten op doorstroming met het oog op het vergroten van kansen voor starters; woningbouw hoofdzakelijk realiseren op vervangingslocaties binnen het bebouwd gebied; het stimuleren van alternatieve woonvormen op kleine schaal; kleinschalige nieuwbouw realiseren met een dorpse uitstraling. Bij kleinschalige nieuwbouw wordt hoofdzakelijk gericht op grondgebonden woningen en in beperkte mate op appartementen. De gemeente Midden-Delfland beschrijft in de woonvisie in totaal tussen de 640 en 840 woningen te willen toevoegen in de gemeente. Daarvan vallen 70 à 80 woningen onder de vrije-huursector die de gemeente wil toevoegen.
Doorwerking planinitiatief Door het herontwikkelen van enkele bedrijfspanden in het centrum van Schipluiden zal het bestaand stedelijk gebied niet verder uitgebreid worden. Door de kleinschalige nieuwbouw zal het dorpse karakter van Schipluiden behouden worden. De voorgenomen ontwikkeling sluit aan op de Woonvisie Midden-Delfland 2010-2025.
20
(vastgesteld)
bestemmingsplan Binnenterrein BM Singel - Vlaardingsekade 3.4.3
Woonagenda Midden-Delfland 2016-2022
De gemeente Midden-Delfland heeft de 'Woonagenda Midden-Delfland 2016-2020' opgesteld in maart 2016, waarmee een nadere invulling en actualisatie wordt gegeven aan de doelstellingen van de 'Woonvisie Midden-Delfland 2010-2015'. In het beleidsdocument stelt de gemeente dat er sprake is van vergrijzing en ontgroening in Midden-Delfland, met name in de dorpen Maasland en Schipluiden. De gemeente wil met het woonbeleid sturen op een meer evenwichtige bevolkingsopbouw met voldoende gezinnen. Dit houdt het toevoegen van eengezinswoningen aan de woningvoorraad in, met name eengezinswoningen in de sociale huursector. De gemeente wil met het toevoegen van eengezinswoningen het doorstromen uit bestaande eengezinswoningen stimuleren. Verder stelt de gemeente in de woonagenda dat er een tekort is aan gelijkvloerse woningen dat de senioren en empty-nesters (huishoudens waarvan de kinderen het ouderlijk huis hebben verlaten) bediend. Het is belangrijk volgens de gemeente Midden-Delfland om bij nieuwbouw de juiste keuzes te maken. De mogelijkheden voor nieuwbouw zijn in Schipluiden namelijk het meest beperkt, zonder dat het landschap verstoord wordt. De gemeente wil de woonbehoefte van Schipluidenaren zo goed mogelijk faciliteren. Wanneer er bouwmogelijkheden zijn, wil de gemeente die benutten voor de lokale behoefte.
De gemeente Midden-Delfland stelt prioriteit aan de volgende doelgroepen in Schipluiden: gelijkvloerse woningen voor empty-nesters en senioren, koop of vrije sector huur; eengezinswoningen in de sociale huur voor (startende) gezinnen; eengezinswoningen in de koopsector voor startende gezinnen; eengezinswoningen in de koopsector voor opstromende gezinnen. Doorwerking planinitiatief Binnen de gemeente Midden-Delfland en Schipluiden is er behoefte aan nieuwbouw. De mogelijkheden zijn beperkt: de gemeente ziet niet graag uitbereiding van het bestaand stedelijk gebied van Schipluiden. Onderhavig planinitiatief voorziet in het realiseren van nieuwe woningen binnen bestaand stedelijk gebied. De voorgenomen ontwikkeling sluit aan bij de 'Woonagenda Midden-Delfland 2016-2020'.
(vastgesteld)
21
bestemmingsplan Binnenterrein BM Singel - Vlaardingsekade
Hoofdstuk 4
Omgevingsaspecten
De diverse milieuaspecten vormen een belangrijke afweging bij de ontwikkelingsmogelijkheden van ruimtelijke functies. Bij de afweging van het al dan niet toelaten van een bepaalde ruimtelijke ontwikkeling in het bestemmingsplan dient onderzocht te worden welke milieuaspecten daarbij een rol kunnen spelen.
4.1
Bodem
4.1.1
Beleidskader
Een verontreinigde bodem kan zorgen voor gezondheidsproblemen en tast te kwaliteit van het natuurlijk leefmilieu aan. Daarom is het belangrijk om bij ruimtelijke plannen de bodemkwaliteit mee te nemen in de overwegingen. De Wet bodembescherming (Wbb), het Besluit bodemkwaliteit en de Woningwet stellen grenzen aan de aanvaardbaarheid van verontreinigingen. Indien bij planvorming blijkt dat (ernstige) verontreinigingen in het plangebied aanwezig zijn, wordt op basis van de aard en omvang van de verontreiniging én de aard van de ruimtelijke plannen beoordeeld welke gevolgen dit heeft.
Wet bodembescherming De Wet bodembescherming (Wbb) regelt zaken rond bodembescherming en bodemsanering. Uitgangspunt van de Wbb is dat in het merendeel van de gevallen van bodemverontreiniging, de daadwerkelijke bodemsanering wordt meegenomen in de ontwikkeling dan wel herontwikkeling van het plangebied of de projectlocatie. De wettelijke doelstelling is functiegericht saneren. De wet houdt rekening met het gebruik van de bodem en de (im)mobiliteit van de verontreiniging. De volgende uitgangspunten overheersen: a. het geschikt maken van de bodem voor het voorgenomen gebruik; b. het beperken van blootstelling aan de verspreiding van de verontreiniging; c. het wegnemen van de risico's. Saneringsplichten zijn gekoppeld aan ontoelaatbare risico's die samenhangen met het huidige en toekomstige gebruik van de bodem. Het is niet altijd nodig de hele locatie aan te pakken. Er kan ook sprake zijn van deelsaneringen of een gefaseerde aanpak.
Bodemkwaliteitsgegevens De locatie is opgenomen in de bodemfunctiekaart van de gemeente Midden-Delfland. De locatie ligt in de zone 'Wonen'. Op de locatie zijn meerdere bedrijven bekend. Hier is onvoldoende recent (<5 jaar) bodemonderzoek uitgevoerd. Mochten deze bedrijven beëindigd worden dan dient conform de Wet Milieubeheer/Activiteitenbesluit gehandeld te worden. Alvorens kan worden overgegaan tot de aanvraag van een omgevingsvergunning voor het onderdeel bouwen c.q. functiewijziging.
4.1.2
Doorwerking planinitiatief
Er is reeds een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd voor het gehele plangebied. Hierin is geen bodemverontreiniging aangetoond. Daarmee is aangetoond dat het aspect bodem geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling. Het volledige onderzoek is toegevoegd als Bijlage 1.
22
(vastgesteld)
bestemmingsplan Binnenterrein BM Singel - Vlaardingsekade
4.2
Archeologie
4.2.1
Beleidskader
Het nationale beleid voor archeologie is afkomstig uit Europees beleid. Het Verdrag van Valletta (of wel: 'Verdrag van Malta') regelt hoe er omgegaan moet worden met het Europees archeologisch erfgoed. Nederland heeft het verdrag in 1992 ondertekend. De uitgangspunten van dit Europese verdrag zijn in de Nederlandse wet- en regelgeving verankerd. Dit is gegaan in de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz). De Wamz is in werking getreden op 1 september 2007. Hiermee zijn een aantal wetten gewijzigd. Dit zijn onder andere de Monumentenwet (1988), de Ontgrondingenwet (Ow), de Wet milieubeheer (Wm), de Woningwet (Ww) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Sinds de Wamz hebben gemeenten een zorgplicht voor het archeologisch erfgoed. Dit is ook verwerkt in de Erfgoedwet sinds 1 juli 2016. In de toekomst zal de zorgplicht verwerkt worden in de Omgevingswet. Tot de Omgevingswet in werking treedt gelden voor onderdelen, die gaan over de fysieke leefomgeving, de bepalingen uit de Monumentenwet. Dit is opgenomen in de overgangsregeling van de Erfgoedwet. De gemeente Midden-Delfland beschikt sinds 2010 over de vastgestelde archeologische beleidsnota. Een belangrijk onderdeel hiervan vormt de gemeentelijke archeologische beleidskaart, dit wordt gebruikt als basis voor bestemmingsplannen. Deze kaart is gebaseerd op een uitgebreid archeologisch bureauonderzoek (Kerkhof, M., E.J.
Bult & B. Penning, 2010: Midden-Delfland, een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart. Deltse Archeologische Rapporten 100; raadpleegbaar via www.archeologie-delft.nl). Op de beleidskaart worden verschillende verwachtingen vertaald naar verwachtingszones en gekoppeld aan concrete vrijstellingsgrenzen. Bodemverstorende werkzaamheden die deze vrijstellingsgrenzen niet overschrijden zijn bij voorbaat vrijgesteld van onderzoek. Door middel van het hanteren van vrijstellingsgrenzen wordt binnen de gehele gemeente gezocht naar een goede balans tussen de verwachte aanwezigheid van archeologische resten en de voorwaarden die worden verbonden aan bodemverstorende activiteiten. Wettelijk gezien geldt landelijk een vrijstellingsgrens van 100 m2, gemeentes mogen echter zowel naar beneden als naar boven afwijken van deze grens als dat goed onderbouwd wordt. Voor de in de Cultuurhistorische Hoofdstructuur (CHS) opgenomen terreinen het hoge en zeer hoge bekende archeologische waarde geldt dat de bestemming van groot provinciaal belang is. Voor de gronden met (zeer) hoge archeologische waarden geldt een verbod op werken of werkzaamheden waarbij de bodem tot meer dan 30 centimeter onder het maaiveld wordt geroerd. Een archeologisch onderzoek dient aan te tonen dat de archeologische waarden bij werken of werkzaamheden niet worden aangetast.
Op de gemeentelijke archeologische beleidskaart valt het plangebied in een zone met een hoge archeologische verwachting.
4.2.2
Doorwerking planinitiatief
Uit de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart van de gemeente Midden-Delfland blijkt dat het plangebebied een hoge archeologische verwachtingswaarde heeft. Hieraan is een vrijstellingsgrens van 50m2 en 40 centimeter onder het maaiveld gekoppeld, welke daarmee iets afwijkt van de vrijstellingsgrenzen als gegeven in de provinciale verordening. Echter is deze archeologische verwachtingskaart gebaseerd op de meest actuele kennis waardoor de vrijstellingsgrenzen genoemd in deze verwachtingskaart aangehouden dienen te worden. De aanvrager van de omgevingsvergunning voor bouwen moet met een nader onderzoek aantonen dat eventuele archeologische waarden voldoende beschermd zijn.
(vastgesteld)
23
bestemmingsplan Binnenterrein BM Singel - Vlaardingsekade
Afbeelding 9 Uitsnede archeologische verwachting- en beleidskaart Midden-Delfland (plangebied in geel) Verder archeologisch onderzoek zal plaatsvinden wanneer er in het plangebied gebouwd wordt. Ten aanzien van eventuele toekomstige bodemingrepen en/of graafwerkzaamheden, wordt de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' opgenomen ter bescherming van de archeologische verwachtingswaarden. Het aspect archeologie vormt derhalve geen belemmering voor de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan.
24
(vastgesteld)
bestemmingsplan Binnenterrein BM Singel - Vlaardingsekade
4.3
Cultuurhistorie
4.3.1
Beleidskader
In de ruimtelijke ordening moet de cultuurhistorie worden afgewogen. Het rijk heeft in 2009 hiervoor een aanzet gegeven in de Modernisering Monumentenzorg (MoMo). Het Rijk stelt dat de cultuurhistorie moet worden verantwoord in structuurvisies, bestemmingsplannen en milieueffectrapportages. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken. Op 5 juli 2011 is een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gepubliceerd. Vanaf 1 januari 2012 moet ieder nieuw bestemmingsplan een analyse van cultuurhistorische waarden bevatten. De Bro is samen met andere wetten al eerder toegepast op 17 juni 2011. Zo zijn ook het Besluit omgevingsrecht (Bor) en het Besluit archeologische Monumentenzorg (Bamz) aangepast. Dit sluit aan op de vaststelling van de Wijzigingswet Monumentenzorg 1988. Ook sluit het aan op de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in 2011. Door een wijziging van het Bro moeten cultuurhistorische waarden voortaan vooraf in het proces van ruimtelijke ordening worden meegenomen. Dit is met name bij de voorbereiding en vaststelling van bestemmingsplannen. Het Bro bevat eisen waar de voorbereiding van een bestemmingsplan aan moet voldoen. Zo wordt er onder meer een beschrijving verlangd.
In deze beschrijving moet worden aangegeven hoe er met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden wordt omgegaan. Ook moet het aangeven hoe er met de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan. De wetgever wil hiermee bereiken dat aandacht voor cultuurhistorische waarden voortaan in het planproces naar voren worden gehaald. De Erfgoedwet bundelt wet- en regelgeving op het gebied van het cultuurerfgoed in Nederland in één nieuwe wet. De wet is van kracht sinds 1 juli 2016 en gaat over het behoud en beheer van cultureel erfgoed. Een groot deel van de bestaande wet- en regelgeving is overgenomen in de Erfgoedwet. Dit betreffen de Monumentenwet en de Wet ruimtelijke ordening. Daarnaast is de aanwijzing van rijksmonumenten overgenomen. Ook is overgenomen wie welke verantwoordelijkheden heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. Voor het eerst is er nu één integrale wet over het cultureel erfgoed. Deze heeft betrekking op de museale objecten, musea, monumenten, en archeologie op het land en onder water. Voorheen was het behoud en beheer van ons erfgoed geregeld in zes verschillende wetten. Deze hadden elk hun eigen procedures en beschermingsmaatregelen. Het uitgangspunt is dat deze beschermingsniveaus worden gehandhaafd. Dit zijn de beschermingsniveaus zoals die in de eerdere wetten en regelingen golden.
Daarnaast worden aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Samen met de Omgevingswet wordt een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. De Omgevingswet wordt naar verwachting in 2022 ingevoerd.
4.3.2
Doorwerking planinitiatief
Historische linten In de Omgevingsvisie van de gemeente Midden-Delfland wordt het toenemend belang en interesse voor cultuurhistorie in de fysieke leefomgeving en beeldbepalende aspecten van gebiedsidentiteit genoemd als trend in het waarborgen van omgevingskwaliteit. Het behouden en beschermen van cultuurhistorische kwaliteiten en erfgoed behoort dan ook tot een belangrijke opgave. Het plangebied is gelegen achter het historische lint van de Vlaardingsekade. In het plangebied zelf bevinden zich geen cultuurhistorische waarden. Met de ontwikkeling zal ingezet worden op het behoud van de authentieke identiteit van Schipluiden door compact te bouwen zonder hoogbouw. Het omgevingsaspect 'cultuurhistorie' zal door de ontwikkeling van het plangebied niet aangetast worden.
(vastgesteld)
25
bestemmingsplan Binnenterrein BM Singel - Vlaardingsekade
4.4
Flora & Fauna
4.4.1
Beleidskader
Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. De Wet natuurbescherming vervangt drie actuele wetten: de Flora- en faunawet, de Boswet, en de Natuurbeschermingswet 1998. In de Wet natuurbescherming is de bescherming van soorten en gebieden vastgelegd.
Verantwoording soortenbescherming De toets aan de natuurwetgeving is een getrapte toets. Allereerst is een quickscan flora & fauna (natuurtoets) nodig. De resultaten van de quickscan bepalen of een vervolgonderzoek uitgevoerd moet worden. Een voorbeeld van een vervolgonderzoek is een onderzoek naar de aanwezigheid van vleermuizen of andere beschermde soorten. Het plan kan soms onder bepaalde voorwaarden worden uitgevoerd als er negatieve effecten worden verwacht. Een voorbeeld is door het nemen van maatregelen om negatieve effecten te voorkomen. Er is meestal een ontheffing nodig van de provincie als negatieve effecten niet voorkomen kunnen worden.
Verantwoording gebiedsbescherming Vanuit de Wet natuurbescherming (Wnb) zijn er natuurgebieden aangewezen die beschermd zijn. Het gaat daarbij om Natura 2000-gebieden. Deze gebieden zijn uitgesplitst in Habitatrichtlijngebieden en Vogelrichtlijngebieden. Binnen de diverse Natura 2000-gebieden komen een aantal stikstofgevoelige habitattypen voor. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied, Solleveld & Kapittelduinen, ligt op een afstand van circa 8,8 kilometer vanaf het plangebied. Het dichtstbijgelegen gebied dat deel uitmaakt van Natuurnetwerk Nederland ligt op circa 1,1 kilometer afstand van het plangebied. Vanwege de afstand kunnen effecten als areaalverlies, versnippering, verstoring en verandering van waterhuishouding van het Natura 2000-gebied op voorhand worden uitgesloten. Ten behoeve van (incidenteel) aanwezige algemene soorten dient de zorgplicht van artikel 1.11 Wet natuurbescherming in acht te worden genomen. Deze zorgplicht houdt in dat een ieder voldoende zorg dient te dragen voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden, in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. Het plangebied vormt geen onderdeel van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals een Natura 2000-gebied.
4.4.2
Doorwerking planinitiatief
Ter plaatse van het plangebied kunnen verschillende soorten flora en fauna voorkomen. Om dit te onderzoeken is er op 1 november 2021 een quickscan flora & fauna uitgevoerd door Micheal Moerman en Pieter van der Brugge, beiden experts op het gebied van ecologie en ruimtelijke planvorming van de gemeente Midden-Delfland. Daarnaast is een literatuurstudie gedaan naar de mogelijk aanwezige beschermde planten en dieren. Per soortgroep is aangegeven of het aannemelijk is dat soorten gebruik maken van het plangebied. Het rapport is in Bijlage 2 opgenomen bij dit bestemmingsplan. De conclusies worden hieronder beschreven.
Doorwerking soortenbescherming Door het veldbezoek en het literatuuronderzoek is een goed beeld ontstaan over de mogelijk aanwezige beschermde soorten in het gebied. Tuinen en openbaar groen bieden leefgebied voor verschillende soorten algemeen voorkomende amfibieën en landgebonden zoogdieren. Voor deze soorten geldt in Zuid-Holland een vrijstelling voor het uitvoeren van ruimtelijke ingrepen. Wel blijft de algemene zorgplicht van kracht. Veel van de oudere woningen en gebouwen in het gebied zijn mogelijk geschikt als voortplantingsplek voor vogels of bieden leefgebied voor vleermuizen. Een aantal van de vogelsoorten heeft nesten die het gehele jaar beschermd zijn. Het nieuwe bestemmingsplan biedt voor deze betreffende gebouwen dezelfde regelgeving als het huidige bestemmingsplan.
26
(vastgesteld)
bestemmingsplan Binnenterrein BM Singel - Vlaardingsekade
Voor de locatie van de schuur en de garageboxen biedt het nieuwe bestemmingsplan meer mogelijkheden dan het huidige. De schuur en de garageboxen bieden geen leefgebied aan vleermuizen of vogels met jaarronde beschermde nesten.
Doorwerking gebiedsbescherming Aan de hand van een stikstofberekening voor een direct naastgelegen gebied is aangetoond dat er geen effecten zijn op Natura 2000-gebieden. Het plangebied ligt niet in of nabij beschermde gebieden. De berekening is verder toegelicht in paragraaf 4.5.2.
Het bestemmingsplan heeft geen nadelige gevolgen voor beschermde soorten of beschermde natuurgebieden. Aanvullende onderzoeken zijn niet noodzakelijk geacht.
(vastgesteld)
27
bestemmingsplan Binnenterrein BM Singel - Vlaardingsekade
4.5
Stikstofdepositie
4.5.1
Beleidskader
Voorheen diende op grond van het Programma Aanpak Stikstof (PAS) - dat in juli 2015 van kracht werd - berekend te worden of een nieuwe (bouw)activiteit leidde tot een significante toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Onder het PAS golden enkele drempels- en grenswaarden die bepaalden of een toename van stikstofdepositie significant was en zo ja, of er dan een meldingsplicht of een vergunningplicht gold. Door te rekenen met het voorgeschreven rekenprogramma AERIUS Calculator werd automatisch met die drempelwaarden rekening gehouden In het geval van de meldingsplicht kon de planontwikkeling aanspraak maken op benutting van de ontwikkelingsruimte die voor een Natura 2000-gebied gold, totdat deze niet meer voorradig was. Als gevolg van de uitspraak van de Raad van State van 29 mei 2019 mag het PAS niet meer gebruikt worden als toestemmingskader voor ruimtelijke ontwikkelingen die leiden tot een toename van stikstofdepositie op (stikstofgevoelige habitattypen in) Natura 2000-gebieden. De drempel- en grenswaarden uit het PAS zijn daarmee ook niet meer van toepassing. Hiermee kan een project met een geringe depositietoename van 0,01 mol/ha/jaar al vergunningplichtig zijn (artikel 2.7 en 2.8 Wnb).
Oftewel, ook relatief kleinschalige projecten dienen zorgvuldig op hun stikstofdepositie getoetst te worden om aan Europese regelgeving te kunnen voldoen (en stand te houden bij de Raad van State in geval van een beroep). Per 1 juli 2021 is de nieuwe stikstofwet in werking getreden. Door deze wetgeving is het in principe niet langer noodzakelijk om ook de realisatiefase (lees: bouwfase) te betrekking in het onderzoek, alleen de gebruiksfase dient nog onderzocht te worden.
4.5.2
Doorwerking planinitiatief
Voor onderhavige ontwikkeling is geen Aeriusberekening uitgevoerd, maar is doorgeredeneerd vanuit een reeds uitgevoerde Aeriusberekening van een naastgelegen plangebied (Hof van Keenenburg). Deze berekening, verricht eind 2019, gaat uit van de bouw van 50 woningen. Twintig van deze woningen zijn per saldo nieuw, dat wil zeggen dat er geen bestaand gebruik is dat verdwijnt. De overige 30 woningen komen in de plaats van gebruik dat al enkele jaren niet meer plaats vindt. Qua woningtype en dus verkeersbewegingen is er met een worst-case scenario gerekend. De berekende stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden is nihil. De te verwachten emissie als gevolg van de onderhavige ontwikkeling is met 10 woningen nog veel geringer. In overige factoren zoals afstand, meteogegevens en ruwheid van het terrein is geen onderscheid. Alle relevante factoren zijn gelijk of gunstiger. Daarnaast zorgt de ruime afstand van bijna 9 kilometer tot relevante Natura 2000-gebieden, gecombineerd met de beperkte omvang van de ontwikkelingen ervoor dat negatieve effecten van de ruimtelijke ontwikkelingen op Natura 2000gebieden uitgesloten zijn. Op grond hiervan is onomstotelijk aangetoond dat onderhavige ontwikkeling geen significante negatieve effecten op Natura 2000-gebieden als gevolg van stikstofdepositie kan hebben.
28
(vastgesteld)
bestemmingsplan Binnenterrein BM Singel - Vlaardingsekade
4.6
Geluid
4.6.1
Beleidskader
Wegverkeer De Wet geluidhinder (Wgh) bepaalt de wettelijke grenswaarden van de toelaatbare geluidsbelasting. Het bevoegd gezag moet deze in acht nemen bij de vaststelling van een bestemmingsplan. Er moet getoetst worden aan de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van de Wet geluidhinder. Dit vindt plaats per weg. 30 km/h wegen zijn vrijgesteld van het onderzoek in de Wgh. Het geluidsniveau door het wegverkeer dient op de gevels van geluidsgevoelige objecten te voldoen aan de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting. Dit is van toepassing bij nieuwe of te wijzigen woningen in de geluidszone van een weg. De ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting werd voorheen voorkeursgrenswaarde genoemd. Deze bedraagt 48 dB. De gemeente kan een hoger geluidsniveau toestaan als deze wordt overschreden. Dit heet de zogenaamde "hogere waarde". De hogere waarde mag alleen worden verleend onder één voorwaarde. Uit akoestisch onderzoek moet blijken dat er geen bron-, overdrachts- of gevelmaatregelen mogelijk zijn. Dit zijn maatregelen om het geluidsniveau terug of onder het ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting terug te brengen. Aan de hogere waarde is een maximum verbonden. Voor de nieuwbouw van woningen in binnenstedelijke situaties is dit 63 dB en in buiten stedelijke situaties is dit 53 dB. Deze niveaus zijn na aftrek van de correctie volgens artikel 110g van de Wet geluidhinder.
Industrielawaai Op basis van artikel 40 van de Wet geluidhinder kunnen (delen van) industrieterreinen worden aangewezen als gezoneerd industrieterrein met een zonegrens. Dit betreft industrieterreinen waarop zich gronden bevinden die zijn aangewezen voor mogelijke vestiging van zogenaamde "zware lawaaimakers" als genoemd in artikel 41 lid 3 van de Wet geluidhinder en artikel 2.1 lid 3 van het Besluit omgevingsrecht. Buiten de zonegrens mag de geluidbelasting vanwege het industrieterrein de waarde van 50 dB niet te boven gaan. De op 1 januari 2007 geldende ten hoogste toelaatbare geluidsbelastingen voor woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en geluidsgevoelige terreinen - vastgelegd in eerder genomen besluiten - blijven gelden.
4.6.2
Doorwerking planinitiatief
In het bestemmingsplan zullen enkele nieuwe woningen gerealiseerd worden en zal er in het gebied kleinschalige bedrijvigheid blijven bestaan. In het kader van de Wet geluidhinder zijn woningen een gevoelig object, wat betekent dat de maximale geluidsbelasting op de gevel niet meer mag bedragen van 48 dB. Het plangebied ligt feitelijk op een binnenterrein, omsloten door woningen met een akoestisch afschermende werking. De omliggende wegen zijn 30 km/h-wegen. Op voorhand kan gesteld worden dat de voorkeursgrenswaarde ter plaatse van de nieuwe woningen niet wordt overschreden. Een akoestisch onderzoek verkeerslawaai is dan ook niet nodig. Het aspect wegverkeerlawaai vormt daarmee geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling van het plangebied. Tot op heden zit er in het plangebied wat kleine bedrijvigheid gevestigd. Met de ontwikkeling van het plangebied zal deze bedrijvigheid afgezwakt worden tot een maximale toegestane milieucategorie 1, of zelfs helemaal verdwijnen. In een gemengd gebied zal hierdoor geen akoestisch overlast ontstaan van deze geringe bedrijvigheid. Een nader akoestisch onderzoek is daarmee niet nodig geacht. Geconcludeerd kan worden dat het aspect industrielawaai geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling.
(vastgesteld)
29
bestemmingsplan Binnenterrein BM Singel - Vlaardingsekade
4.7
Luchtkwaliteit
4.7.1
Beleidskader
In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, artikel 5.2 van de Wet milieubeheer (ook wel Wet luchtkwaliteit genoemd, Wlk). Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveloxide, stikstofoxide, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs de wegen vooral de grenswaarden voor stikstofoxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 1 weergegeven. Stof
Toetsing van
Grenswaarde
Stikstofoxide (NO2)
Jaargemiddelde concentratie
40 µg/m³
Uurgemiddelde concentratie
Max. 18 keer p.j. Meer dan 200 µg/m³
Jaargemiddelde concentratie
40 µg/m³
24-uurgemiddelde concentratie
Max. 35 keer p.j. Meer dan 50 µg/m³
Jaargemiddelde concentratie
25 µg/m³
Fijnstof (PM10)
Fijnstof (PM2,5)
Tabel 1: grenswaarden maatgevende stoffen Wm Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit (zoals de vaststelling van een bestemmingsplan) uitoefenen indien: de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden (lid 1 onder a); de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof als gevolg van de uitoefening van die bevoegdheden per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft (lid 1 onder b1); bij een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof, door een met de uitoefening van de betreffende bevoegdheid samenhangende maatregel of een door die uitoefening optredend effect, de luchtkwaliteit per saldo verbetert (lid 1 onder b2); de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht (lid 1 onder c); het voorgenomen besluit is genoemd of past binnen het omschreven Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een vergelijkbaar programma dat gericht is op het bereiken van de grenswaarden (lid 1 onder d). In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van ruimtelijke plannen uit oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens tevens rekening gehouden met de luchtkwaliteit ter plaatse van het projectgebied.
Met grof stof wordt rekening gebouden bij de milieuzonering en wordt niet in het kader van luchtkwaliteit meegenomen.
Besluit niet in betekenende mate In het Besluit niet in betekenende mate (NIBM) is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden twee situaties onderscheiden: een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO 2 en PM10 (= 1,2 µg/m³); een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m2 bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 bij twee ontsluitingswegen.