07 Ovz Was-wordt definitief
Tekst van het document
Wat Artikel 1
Was In deze verordening wordt verstaan onder: a. belanghebbende: belanghebbende in de zin van 1:2 van de Awb; b. bezwaarmaker: indiener van een bezwaarschrift; c. college: het college van burgemeester en wethouders; d. commissie: adviescommissie als bedoeld in artikel 7:13 van de Awb belast met de advisering van het bestuursorgaan aangaande ingediende bezwaarschriften; e. coördinatieregeling: de coördinatie van samenhangende besluiten zoals bedoeld in afdeling 3.5 van de Awb; f. dagelijks bestuur: het bestuur van de commissie; g. verwerend bestuursorgaan: bestuursorgaan dat het bestreden besluit heeft genomen; h. voorzitter: fungerend voorzitter van de commissie; i. wet: Algemene wet bestuursrecht.
Wordt In deze verordening wordt verstaan onder: a. Awb: Algemene wet bestuursrecht; b. belanghebbende: belanghebbende in de zin van 1:2 van de Awb; c. bezwaarmaker: indiener van een bezwaarschrift; d. college: het college van burgemeester en wethouders; e. commissie: adviescommissie als bedoeld in artikel 7:13 van de Awb belast met de advisering van het bestuursorgaan aangaande ingediende bezwaarschriften; f. coördinatieregeling: de coördinatie van samenhangende besluiten zoals bedoeld in afdeling 3.5 van de Awb; g. verwerend bestuursorgaan: bestuursorgaan dat het bestreden besluit heeft genomen.
Artikel 3
1. De commissie bestaat uit ten minste drie leden. 2. Alle leden van de commissie worden tevens als voorzitter benoemd. Er is geen vaste voorzitter van de commissie. Per hoorzitting wordt een voorzitter aangewezen, volgens een door de commissie te bepalen roulatiesysteem. 3. De leden van de commissie worden door het college benoemd, geschorst en ontslagen. 4. Het college kan overeenkomstig het eerste lid plaatsvervangende leden benoemen. 5. De leden van de commissie mogen geen deel uitmaken van of werkzaam zijn onder verantwoordelijkheid van het gemeentelijk bestuursorgaan en mogen voorts niet woonachtig zijn in de gemeente Midden-Delfland.
1. De commissie bestaat uit ten minste drie leden. 2. Alle leden van de commissie worden tevens als voorzitter benoemd. Per hoorzitting wordt bepaald welk lid van de commissie optreedt als voorzitter. Dit gebeurt volgens een door de commissie te bepalen roulatiesysteem. 3. De leden van de commissie worden door het college benoemd, geschorst en ontslagen. 4. De leden van de commissie mogen geen deel uitmaken van of werkzaam zijn onder verantwoordelijkheid van het gemeentelijk bestuursorgaan en mogen voorts niet woonachtig zijn in de gemeente Midden-Delfland. 5. Aan de commissie kunnen plaatsvervangende leden worden toegevoegd. Het derde en vierde lid zijn daarop van overeenkomstige toepassing.
Artikel 6
1. Het bestuursorgaan registreert het ingediende bezwaarschrift met de datum van ontvangst. 2. Het bezwaarschrift met de daarbij overlegde (digitale) stukken wordt in handen van de commissie gesteld.
1. Het bestuursorgaan registreert het ingediende bezwaarschrift met de datum van ontvangst. 2. Het bezwaarschrift met de daarbij overgelegde (digitale) stukken wordt in handen van de commissie gesteld.
Artikel 7
1. Het bestuursorgaan onderzoekt of het bezwaarschrift informeel kan worden afgehandeld alvorens het verder in
1. Het bestuursorgaan onderzoekt of het bezwaarschrift informeel kan worden afgehandeld alvorens het verder in
Artikel 8
behandeling te nemen. 2. De informele aanpak start door kort na binnenkomst van het bezwaarschrift hierover contact op te nemen met de bezwaarmaker en de voorbereider van het primaire besluit. 3. Als het bezwaar in der minne wordt geschikt, legt het bestuursorgaan de gemaakte afspraken schriftelijk vast en neemt het zo nodig een nieuw besluit.
behandeling te nemen. 2. Om te bezien of een informele oplossing mogelijk is neemt de secretaris kort na ontvangst van het bezwaarschrift contact op met bezwaarmaker en de ambtenaar die namens het verwerend bestuursorgaan het primaire besluit heeft voorbereid. 3. Zodra er een minnelijke oplossing is bereikt, verzoekt de secretaris bezwaarmaker om het bezwaarschrift in te trekken.
1. De bevoegdheden ingevolge de hierna genoemde artikelen van de wet worden voor de toepassing van deze verordening uitgeoefend door de secretaris van de commissie namens de fungerend voorzitter: artikel 2:1, tweede lid; artikel 6:6, wat betreft het de indiener stellen van een termijn; artikel 6:17, voor zover het de verzending van stukken betreft tijdens de behandeling door de commissie; artikel 7:4, tweede lid; 2. De bevoegdheden ingevolge de hierna genoemde artikelen van de wet worden voor de toepassing van deze verordening uitgeoefend door de fungerend voorzitter van de commissie: artikel 7:6, tweede en vierde lid.
1. De volgende bevoegdheden uit de Awb worden voor de toepassing van deze Verordening uitgeoefend door de secretaris van de commissie namens de fungerend voorzitter: a. Het verzoeken om een schriftelijke machtiging aan een gemachtigde, zoals bedoeld in artikel 2:1, derde lid, van de Awb. b. Het stellen van een termijn aan de bezwaarmaker voor het herstellen van een verzuim, zoals bedoeld in artikel 6:6 van de Awb. c. Het verzenden van stukken aan een gemachtigde tijdens de behandeling door de commissie, zoals bedoeld in artikel 6:17 van de Awb. d. Het ter inzage leggen van het bezwaarschrift en de op de zaak betrekking hebbende stukken, dan wel toezending daarvan aan een belanghebbende als bedoeld in artikel 7:4, tweede lid. 2. De volgende bevoegdheden uit de Awb worden voor de toepassing van deze Verordening uitgeoefend door de fungerend voorzitter van de commissie: a. Het afzien van het horen van een belanghebbende, zoals bedoeld in artikel 7:3 van de Awb. b. Het ambtshalve of op verzoek van een belanghebbende afzonderlijk horen van belanghebbenden, als aannemelijk is dat gezamenlijk horen een zorgvuldige behandeling zal belemmeren of dat tijdens het horen feiten of omstandigheden bekend zullen worden waarvan geheimhouding om gewichtige redenen is geboden, zoals bedoeld in artikel 7:6, tweede lid, van de Awb.
c.
Het al dan niet op verzoek van een belanghebbende afzien van het op de hoogte stellen van het verhandelde tijdens een hoorzitting van een andere belanghebbende, voor zover geheimhouding om gewichtige redenen is geboden, zoals bedoeld in artikel 7:6, vierde lid, van de Awb.
Artikel 10
1. De secretaris van de commissie bepaalt namens de fungerend voorzitter plaats en tijdstip van de zitting waarin de bezwaarmaker, eventuele andere belanghebbenden en het verwerend bestuursorgaan in de gelegenheid worden gesteld zich door de commissie te laten horen. 2. De fungerend voorzitter beslist over de toepassing van artikel 7:3 van de wet. 3. Indien de fungerend voorzitter op grond van het tweede lid besluit af te zien van het horen, doet hij daarvan mededeling aan de bezwaarmaker, eventuele andere belanghebbenden en het verwerend bestuursorgaan.
1. De secretaris van de commissie bepaalt namens de fungerend voorzitter plaats en tijdstip van de zitting waarin de bezwaarmaker, eventuele andere belanghebbenden en het verwerend bestuursorgaan in de gelegenheid worden gesteld zich door de commissie te laten horen. 2. Indien de fungerend voorzitter op grond van artikel 8, tweede lid, onder a, van deze verordening besluit af te zien van het horen, doet de secretaris daarvan namens de voorzitter mededeling aan de bezwaarmaker, eventuele andere belanghebbenden en het verwerend bestuursorgaan.
Artikel 15
1. Het verslag van de hoorzitting als bedoeld in artikel 7:7 van de Awb bestaat uit een digitale geluidsopname, die op verzoek aan de bezwaarmaker en eventuele andere belanghebbenden ter beschikking wordt gesteld. 2. De secretaris maakt op basis van de geluidsopname een schriftelijk verslag wanneer: a. het bestuursorgaan dat nodig acht voor zijn besluitvorming, of b. de bezwaarmaker dan wel eventuele andere belanghebbenden daar vanwege moverende redenen om verzoekt, of c. een gerechtelijke instantie daar om verzoekt in geval van een (hoger) beroepsprocedure. 3. Het schriftelijk verslag bevat de namen van de aanwezigen en hun hoedanigheid en houdt een zakelijke vermelding in van wat over en weer is gezegd en wat verder ter zitting is voorgevallen. 4. Het schriftelijke verslag wordt ondertekend door de secretaris van de commissie. 1. De commissie stelt na de beraadslaging en haar beslissing een advies op. 2. De commissie beraadslaagt en beslist achter gesloten
1. Het schriftelijk verslag als bedoeld in artikel 7:7 van de Awb maakt onderdeel uit van het advies dat de commissie overeenkomstig artikel 17 en 18 van deze verordening opstelt en uitbrengt. 2. Het schriftelijke verslag bevat de namen van de aanwezigen en hun hoedanigheid en houdt een beknopte, zakelijke vermelding in van wat ter zitting is gezegd en voorgevallen. 3. Tijdens de hoorzitting kan een geluidsopname worden gemaakt die dient als hulpmiddel voor de uitwerking van het verslag. Als dat het geval is stelt de fungerend voorzitter bij aanvang van de hoorzitting vast of geen van de aanwezige partijen bezwaar heeft tegen het maken van een geluidsopname. 4. Als een geluidsopname is gemaakt, wordt deze vernietigd op het moment dat de commissie advies uitbrengt.
Artikel 17
1. De commissie stelt na de beraadslaging en haar beslissing een advies op. 2. De commissie beraadslaagt en beslist achter gesloten
deuren over het door haar uit te brengen advies. 3. De commissie beslist bij meerderheid van stemmen over het uit te brengen advies. Indien bij een stemming de stemmen staken, beslist de stem van de fungerend voorzitter. Van een minderheidsstandpunt wordt bij het advies melding gemaakt indien die minderheid dat verlangt. 4. Het advies is gemotiveerd en omvat een voorstel voor de te nemen beslissing op het bezwaarschrift. 5. Het advies wordt digitaal door de voorzitter en de secretaris ondertekend.
deuren over het door haar uit te brengen advies. 3. De commissie beslist bij meerderheid van stemmen over het uit te brengen advies. In het geval dat advisering plaatsvindt door een even aantal leden en bij een stemming de stemmen staken, dan is de stem van de fungerend voorzitter doorslaggevend. 4. Het advies is gemotiveerd en omvat een voorstel voor de te nemen beslissing op het bezwaarschrift. 5. Het advies wordt (digitaal) door de voorzitter en de secretaris ondertekend.
Artikel 18
1. Het advies wordt, onder medezending van eventueel door de commissie ontvangen nadere informatie en nader verslag, tijdig uitgebracht aan het bestuursorgaan dat op het bezwaarschrift dient te beslissen. 2. Indien naar het oordeel van de secretaris van de commissie de termijn van 12 weken, als bedoeld in artikel 7:10, eerste lid, van de wet, ontoereikend is voor achtereenvolgens het uitbrengen van een advies en het nemen van een beslissing, verdaagt hij - voor zover het bezwaarschrift nog in behandeling is bij de commissie tijdig de termijn voor het nemen van de beslissing. 3. Van een besluit tot verdaging ontvangt het verwerend bestuursorgaan, de bezwaarmaker en eventuele andere belanghebbenden een afschrift.
1. Het advies wordt, onder medezending van eventueel door de commissie ontvangen nadere informatie en nader verslag, tijdig uitgebracht aan het bestuursorgaan dat op het bezwaarschrift dient te beslissen. 2. Indien naar het oordeel van de secretaris van de commissie de termijn van 12 weken, als bedoeld in artikel 7:10, eerste lid, van de Awb, ontoereikend is voor achtereenvolgens het uitbrengen van een advies en het nemen van een beslissing, verdaagt hij - voor zover het bezwaarschrift nog in behandeling is bij de commissie tijdig de termijn voor het nemen van de beslissing. 3. Van een besluit tot verdaging ontvangen het verwerend bestuursorgaan, de bezwaarmaker en eventuele andere belanghebbenden een afschrift.
Artikel 19
Deze verordening wordt in 2024 geëvalueerd.
Vervalt
Artikel 21
Deze verordening treedt in werking op de dag na bekendmaking daarvan op de wijze zoals voorgeschreven in artikel 3:42 van de wet.
Deze verordening treedt in werking op de dag na bekendmaking daarvan op de wijze zoals voorgeschreven in artikel 3:42 van de Awb.
Nummering artikel 20, 21 en 22
20, 21, 22
19, 20, 21
Toelichting op
Ingevolge artikel 7:13 Awb beslist de commissie over onder
Ingevolge artikel 7:13 Awb beslist de commissie over onder
artikel 8
andere de toepassing van artikel 7:4, zesde lid, en 7:5, tweede lid. Dit uitdrukkelijke voorschrift maakt het niet mogelijk dat deze bevoegdheid door de fungerend voorzitter (of een ander lid) van de commissie wordt uitgeoefend. De hiervoor aangehaalde bepalingen zijn in dit artikel dan ook niet genoemd.
andere de toepassing van artikel 7:4, zesde lid, en 7:5, tweede lid. Dit uitdrukkelijke voorschrift maakt het niet mogelijk dat deze bevoegdheid door de fungerend voorzitter (of een ander lid) van de commissie wordt uitgeoefend. De hiervoor aangehaalde bepalingen zijn in dit artikel dan ook niet genoemd.
De in dit artikel aangehaalde artikelen of artikelleden van de Awb luiden als volgt:
De in dit artikel aangehaalde artikelen of artikelleden van de Awb luiden als volgt:
Artikel 2:1, tweede lid
Artikel 2:1, tweede lid
Een bestuursorgaan kan van een gemachtigde een schriftelijke machtiging verlangen. Deze bepaling is facultatief geformuleerd: de secretaris – namens de fungerend voorzitter - is dan ook vrij al dan niet van deze bevoegdheid gebruik te maken.
Een bestuursorgaan kan van een gemachtigde een schriftelijke machtiging verlangen. Deze bepaling is facultatief geformuleerd: de secretaris – namens de fungerend voorzitter - is dan ook vrij al dan niet van deze bevoegdheid gebruik te maken.
Artikel 6:6
Artikel 6:6
Indien niet is voldaan aan artikel 6:5 of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar of beroep, kan dit niet-ontvankelijk worden verklaard, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.
Indien niet is voldaan aan artikel 6:5 of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar of beroep, kan dit niet-ontvankelijk worden verklaard, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.
Toelichting:
Toelichting:
De termijn waarbinnen het verzuim dient te worden hersteld, wordt vastgesteld door de secretaris namens de fungerend voorzitter. Er is van afgezien in de verordening een vaste termijn daarvoor op te nemen omdat het niet goed mogelijk is in algemene zin voor alle gevallen aan te geven hoe lang deze termijn zou moeten zijn. Uitgangspunt is wel dat er sprake moet zijn van een redelijke termijn (in de meeste gevallen kan met een termijn van twee weken na het einde van de bezwaartermijn worden volstaan). Enerzijds moet de indiener een reële mogelijkheid worden geboden het geconstateerde verzuim te herstellen; anderzijds moet het niet zo zijn dat door een langere termijn de procedure wordt vertraagd. Ten slotte wordt hier gewezen op artikel 7:10 van de Awb waarin
De termijn waarbinnen het verzuim dient te worden hersteld, wordt vastgesteld door de secretaris namens de fungerend voorzitter. Er is van afgezien in de verordening een vaste termijn daarvoor op te nemen omdat het niet goed mogelijk is in algemene zin voor alle gevallen aan te geven hoe lang deze termijn zou moeten zijn. Uitgangspunt is wel dat er sprake moet zijn van een redelijke termijn (in de meeste gevallen kan met een termijn van twee weken na het einde van de bezwaartermijn worden volstaan). Enerzijds moet de indiener een reële mogelijkheid worden geboden het geconstateerde verzuim te herstellen; anderzijds moet het niet zo zijn dat door een langere termijn de procedure wordt vertraagd. Ten slotte wordt hier gewezen op artikel 7:10 van de Awb waarin
voorschriften zijn opgenomen voor de termijn waarbinnen op een ingediend bezwaarschrift dient te worden beslist. De beslistermijn wordt namelijk opgeschort met ingang van de dag waarop de indiener is verzocht een verzuim als bedoeld in artikel 6:6 Awb te herstellen, tot de dag waarop het verzuim is hersteld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.
voorschriften zijn opgenomen voor de termijn waarbinnen op een ingediend bezwaarschrift dient te worden beslist. De beslistermijn wordt namelijk opgeschort met ingang van de dag waarop de indiener is verzocht een verzuim als bedoeld in artikel 6:6 Awb te herstellen, tot de dag waarop het verzuim is hersteld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.
Artikel 6:17
Artikel 6:17
Indien iemand zich laat vertegenwoordigen, zendt het bestuursorgaan dat bevoegd is op het bezwaar te beslissen, de op de zaak betrekking hebbende stukken in elk geval aan de gemachtigde.
Indien iemand zich laat vertegenwoordigen, zendt het bestuursorgaan dat bevoegd is op het bezwaar te beslissen, de op de zaak betrekking hebbende stukken in elk geval aan de gemachtigde.
Toelichting:
Toelichting:
Deze bepaling spreekt voor zich.
Deze bepaling spreekt voor zich.
Artikel 7:4, tweede lid
Artikel 7:4, tweede lid
Het bestuursorgaan legt het bezwaarschrift en alle verder op de zaak betrekking hebbende stukken voorafgaand aan het horen gedurende ten minste één week voor de bezwaarmaker en eventuele andere belanghebbenden ter inzage.
Het bestuursorgaan legt het bezwaarschrift en alle verder op de zaak betrekking hebbende stukken voorafgaand aan het horen gedurende ten minste één week voor de bezwaarmaker en eventuele andere belanghebbenden ter inzage.
Toelichting:
Toelichting:
Het inzagerecht is als een van de fundamentele waarborgen voor een goed verlopende bezwaarschriftprocedure te beschouwen. Het maakt het principe van hoor en wederhoor mogelijk. Het is gekoppeld aan de hoorzitting: wordt er niet gehoord, dan is er ook geen sprake van een verplichte terinzage-legging.
Het inzagerecht is als een van de fundamentele waarborgen voor een goed verlopende bezwaarschriftprocedure te beschouwen. Het maakt het principe van hoor en wederhoor mogelijk. Het is gekoppeld aan de hoorzitting: wordt er niet gehoord, dan is er ook geen sprake van een verplichte terinzage-legging.
Artikel 7:6, tweede lid
Artikel 7:3
Ambtshalve of op verzoek kunnen de bezwaarmaker of eventuele andere belanghebbenden afzonderlijk worden gehoord, indien aannemelijk is dat gezamenlijk horen een
Dit artikel geeft aan in welke gevallen van het horen van belanghebbenden kan worden afgezien. Voor een ingediend bezwaarschrift is dat indien:
zorgvuldige behandeling zal belemmeren of dat tijdens het horen feiten of omstandigheden bekend zullen worden waarvan geheimhouding om gewichtige redenen is geboden
a. b. c.
Artikel 7:6, vierde lid
d.
Het bestuursorgaan kan, al dan niet op verzoek van de bezwaarmaker of eventuele andere belanghebbenden, toepassing van het derde lid achterwege laten, voor zover geheimhouding om gewichtige redenen is geboden [...].
het bezwaarschrift kennelijk niet-ontvankelijk is; het bezwaar kennelijk ongegrond is; de belanghebbenden verklaard hebben geen gebruik te willen maken van het recht te worden gehoord, of aan het bezwaar volledig tegemoet wordt gekomen en andere belanghebbenden daardoor niet in hun belangen kunnen worden geschaad.
Artikel 7:6, tweede lid Ambtshalve of op verzoek kunnen de bezwaarmaker of eventuele andere belanghebbenden afzonderlijk worden gehoord, indien aannemelijk is dat gezamenlijk horen een zorgvuldige behandeling zal belemmeren of dat tijdens het horen feiten of omstandigheden bekend zullen worden waarvan geheimhouding om gewichtige redenen is geboden Artikel 7:6, vierde lid Het bestuursorgaan kan, al dan niet op verzoek van de bezwaarmaker of eventuele andere belanghebbenden, toepassing van het derde lid achterwege laten, voor zover geheimhouding om gewichtige redenen is geboden [...].
Toelichting op artikel 10
Voor het bepaalde in het eerste lid: zie de toelichting op artikel 11 van deze verordening.
Voor het bepaalde in het eerste lid: zie de toelichting op artikel 11 van deze verordening.
Artikel 7:3 van de Awb geeft aan in welke gevallen van het horen van belanghebbenden kan worden afgezien. Voor een ingediend bezwaarschrift is dat indien: f. het bezwaarschrift kennelijk niet-ontvankelijk is; g. het bezwaar kennelijk ongegrond is; h. de belanghebbenden verklaard hebben geen gebruik te willen maken van het recht te worden gehoord, of i. aan het bezwaar volledig tegemoet wordt gekomen en andere belanghebbenden daardoor niet in hun belangen kunnen worden geschaad. Toelichting op artikel 12
Advisering moet geschieden door de fungerend voorzitter en ten minste twee andere leden. Uitgangspunt is dat het horen ook door de fungerend voorzitter en ten minste twee andere
Advisering moet geschieden door de fungerend voorzitter en ten minste twee andere leden. Uitgangspunt is dat het horen ook door de fungerend voorzitter en ten minste twee andere
Toelichting op artikel 15
leden, in dezelfde samenstelling, geschiedt. Er is geen wettelijk bezwaar tegen het horen in het kader van de bezwaarprocedure door de fungerend voorzitter en één ander lid van de commissie, mits advisering door de fungerend voorzitter en ten minste twee andere leden van de commissie heeft plaatsgevonden. Dit moet echter beperkt blijven tot bijzondere gevallen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan verhindering van een lid om de hoorzitting bij te wonen wegens ziekte. Artikel 7:13, derde lid, van de wet bepaalt dat de commissie het horen kan opdragen aan de voorzitter. Uit een oogpunt van zorgvuldigheid moet daarvan echter zeer terughoudend gebruik worden gemaakt. Te denken valt daarbij aan een situatie waarin met spoed gehoord moet worden en geen andere leden beschikbaar zijn.
leden, in dezelfde samenstelling, geschiedt. Er is geen wettelijk bezwaar tegen het horen in het kader van de bezwaarprocedure door de fungerend voorzitter en één ander lid van de commissie, mits advisering door de fungerend voorzitter en ten minste twee andere leden van de commissie heeft plaatsgevonden. Dit moet echter beperkt blijven tot bijzondere gevallen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan verhindering van een lid om de hoorzitting bij te wonen wegens ziekte. Artikel 7:13, derde lid, van de Awb bepaalt dat de commissie het horen kan opdragen aan de voorzitter. Uit een oogpunt van zorgvuldigheid moet daarvan echter zeer terughoudend gebruik worden gemaakt. Te denken valt daarbij aan een situatie waarin met spoed gehoord moet worden en geen andere leden beschikbaar zijn.
Artikel 7:7 Awb vereist zeer kort en bondig dat van het horen een verslag wordt gemaakt. De wijze waarop en de inhoudelijke vereisten aan het verslag worden niet door de Awb geregeld. Aan de plicht tot verslaglegging kan op verschillende wijzen vorm worden gegeven.
Artikel 7:7 van de Awb stelt dat van het horen een verslag wordt gemaakt. Dit verslag moet voor het nemen van de beslissing op bezwaar worden opgesteld. Als dat niet gebeurt, dan kleeft aan de beslissing op bezwaar een gebrek (Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 23 maart 2022, ECLI:NL:RVS:2022:868). Ook vereist artikel 7:13, zesde lid, van de Awb dat het schriftelijke advies van de commissie een verslag van het horen bevat.
Er is gekozen voor een digitaal audioverslag. Het digitale audioverslag wordt alleen op verzoek toegezonden aan de bezwaarmaker en eventuele andere belanghebbenden. Slechts in de volgende situaties wordt nog een afzonderlijk schriftelijk verslag gemaakt: • Als het bestuursorgaan het nodig acht voor de besluitvorming; • als de bezwaarmaker dan wel eventuele andere belanghebbenden daar vanwege moverende redenen om verzoekt; • als een gerechtelijke instantie daar om verzoekt in geval van een (hoger)beroepsprocedure. Het verslag speelt ook een rol in de raadkamer en bij het advies. Als een lid afwezig is geweest bij het horen en de stemmen staken in de adviescommissie, dan hoeft bij de hernieuwde behandeling in de commissie niet opnieuw gehoord te worden (CRvB, 2 april 1996, AB 1997/23). Er kan dan gebruik worden gemaakt van het audioverslag.
Artikel 7:7 Awb vereist verder alleen dat van het horen een verslag wordt gemaakt. De Awb stelt geen eisen aan de vorm en gedetailleerdheid van het verslag. De plicht tot verslaglegging kan daarom op verschillende wijzen worden vormgegeven. Gekozen is in beginsel geen afzonderlijk verslag op te stellen, maar om in het advies van de commissie weer te geven wat er op de zitting is gezegd en gebeurd. Dat gebeurt in beknopte vorm. Het verslag is namelijk niet bedoeld als letterlijke weergave van de zitting. Een korte en zakelijke weergave is meestal voldoende, zolang de kern van wat op de zitting naar voren is gekomen is vastgelegd. Ten behoeve van de uitwerking van het verslag kan tijdens de hoorzitting door de secretaris een geluidsopname worden gemaakt. De geluidsopname is alleen een intern hulpmiddel
voor het opstellen van het schriftelijke verslag. Deze geluidsopname wordt nooit aan partijen verstrekt. Als een geluidsopname wordt gemaakt vraagt de fungerend voorzitter bij aanvang van de hoorzitting aan de aanwezige partijen of zij daar bezwaar tegen hebben. Als een of meer aanwezigen daar bezwaar tegen hebben wordt er geen geluidsopname gemaakt. De secretaris legt het verhandelde tijdens de hoorzitting dan schriftelijk vast en stelt het verslag op basis van deze aantekeningen op. Als een geluidsopname wordt gemaakt, wordt deze vernietigd nadat de commissie het advies heeft uitgebracht. Het schriftelijke verslag speelt ook een rol in de raadkamer en bij het advies. Als een lid afwezig is geweest bij het horen en de stemmen staken in de adviescommissie, dan hoeft bij de hernieuwde behandeling in de commissie niet opnieuw gehoord te worden (CRvB, 2 april 1996, AB 1997/23). Er kan dan gebruik worden gemaakt van het verslag.