CConstaterende datMidden-Delfland
Koppel je AI →
Document · PDF

06 Ruimtelijke Onderbouwing project Harnaschmolen fase 2 Den Hoorn.pdf

Gemeenteraad 18 april 2023, gemeente Midden-DelflandBij agendapunt: Voorstel afgeven verklaring van geen bedenkingen voor het realiseren van 30 woningen aan de Woudselaan te Den Hoorn.15.716 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. De bescherming van cultuurhistorische elementen is vastgelegd in de Erfgoedwet. Deze wet is vooral gericht op het behouden van historische elementen voor latere generaties. 4.1.3 Situatie plangebied Archeologie De gemeente Midden-Delfland beschikt sinds 2010 over een vastgestelde archeologische beleidsnota. Een belangrijk onderdeel hiervan vormt de gemeentelijk archeologische verwachtings- en beleidskaart. Deze kaart is gebruikt als basis voor het huidige bestemmingsplan 'Harnaschpolder – Noord'. De gemeentelijke beleidskaart is gebaseerd op gedetailleerde kennis van de lokale landschapsontwikkeling, cultuurhistorie en het bodemarchief. In het kader van de gebiedsontwikkeling van de Harnaschpolder heeft er vanaf eind jaren '90 grootschalige archeologisch onderzoek plaatsgevonden in zowel het Delftse als het Midden-Delflandse deel van de Harnaschpolder. Het overgrote deel van plangebied is destijds vrijwel geheel onderzocht. Dit onderzoek heeft

datum referentie

9 maart 2023 190489_AdB_RAP_0001_v3_RO

P 20/47

geleid tot een lage archeologische verwachtingswaarde ter hoogte van het overgrote deel van het plangebied. De voorgenomen bodemingrepen zijn hiermee vrijgesteld van de verplichting tot archeologisch onderzoek. Een kleine strook in het westen en noorden van het plangebied is nog niet onderzocht en heeft nog wel een archeologische waarde en heeft in het huidige bestemmingsplan de dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie 2'. Deze omvat de hoge verwachtingszone die gekoppeld is aan de geulafzettingen van de Gantel Laag. In deze zone zijn bodemingrepen tot 50 m2 en 40 cm –maaiveld vrijgesteld van archeologisch onderzoek. Het betreft een oppervlakte van circa 750 m2. Ter hoogte van deze archeologische verwachtingswaarde zijn geen woningen beoogd, enkel openbaar groen en openbare verharding. De bodemingrepen gaan hiermee niet dieper dan 40 cm. De eventueel aanwezig archeologische waarden blijven hiermee geborgd. Cultuurhistorie De provincie Zuid-Holland beschikt over een cultuurhistorische kaart. Deze kaart geeft een overzicht van cultuurhistorische kenmerken en waarden in deze provincie. Uit de provinciale Cultuurhistorische kaart blijkt dat in het plangebied geen cultuurhistorische waardevolle elementen aanwezig zijn. 4.1.4 Conclusie Op basis van bovenstaande vormt archeologie en cultuurhistorie geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.

4.2 Bedrijven en Milieuzonering In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen: 1. 2.

Ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd; Rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven.

Ten behoeve van de milieuzonering rond bedrijven is door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) het systeem 'Bedrijven en milieuzonering' (2009) ontwikkeld in de vorm van een bedrijvenlijst. Bedrijven zijn hierin ingedeeld in milieucategorieën, waarbij per bedrijf is aangegeven wat de richtafstand is tussen een milieugevoelige functie en milieubelastende functie. Hierbij wordt onderscheid gemaakt naar richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. Naast de gegeven richtafstanden hanteert de VNG-publicatie twee omgevingstypen, namelijk: een rustige woonwijk/buitengebied en een gemengd gebied. In een rustige woonwijk of buitengebied (omgevingstype 1) wordt functiescheiding nagestreefd. Tussen milieuhinder gevoelige functies en bedrijven dient de minimaal aan te houden 'richtafstand' in acht te worden genomen. In geval van een gemengd gebied (omgevingstype 2), waar sprake is van functiemenging, kan een verkleinde richtafstand worden gehanteerd. In tegenstelling tot rustige woongebieden worden in dergelijke levendige gebieden milieubelastende activiteiten op kortere afstand van milieuhinder gevoelige functies acceptabel geacht. De richtafstand mag in deze gebieden met één afstandsstap worden verkleind. Milieu categorie

Richtafstand tot ‘rustige woonwijk’ of ‘rustig buitengebied’ in meters

Richtafstand tot ‘gemengd gebied’ in meters

1

10

0

2

30

10

3.1

50

30

3.2

100

50

4.1

200

100

4.2

300

200

datum referentie

9 maart 2023 190489_AdB_RAP_0001_v3_RO

P 21/47

4.2.1 Situatie plangebied Met voorgenomen ontwikkeling, waarbij de functie wonen wordt gerealiseerd, is er geen sprake van een milieubelastende activiteit. Van enige vorm van aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden als gevolg van deze functie is dan ook geenszins sprake. Woningen worden wel gekenmerkt als een milieuhinder gevoelige bestemming. Dit betekent dat de woningen hinder kunnen ondervinden van milieubelastende bestemmingen in de directe omgeving van het plangebied. Bovendien kunnen de woningen een belemmering vormen voor in de omgeving liggende milieubelastende bestemmingen. Ten oosten en westen van het plangebied zijn woningen gelegen. Ten noorden en zuiden van het plangebied zijn bedrijven gelegen. Daarnaast grenst het plangebied aan een belangrijke ontsluitingsweg Harnaschdreef. Hierdoor kan het gebied niet worden beschouwd als een rustig woongebied. Door de afwisseling van functies is sprake van een 'gemengd gebied' waardoor de richtafstanden met één stap verkleind kunnen worden. Omliggende bedrijven In figuur 4.1 zijn de omliggende bedrijven weergegeven, de nummers in het figuur worden hierna toegelicht.

Figuur 4.1: omliggende bedrijven

Bedrijventerrein ten noorden van het plangebied Direct grenzend aan het plangebied zijn kantoren en bedrijven (nummer 1 in figuur 4.1) met een maximale milieucategorie 2 toegestaan, hiervoor geldt een richtafstand van 10 meter in een gemengd gebied. Het plangebied is op circa 10,7 meter en daarmee op voldoende afstand van de van deze percelen gelegen. Ten noorden van deze percelen is een bedrijventerrein gesitueerd waar bedrijven met een milieucategorie 2 (nummer 2 en 5 in figuur 4.1), 3.1 (nummer 3 in figuur 4.1) en 3.2 (nummer 4 in figuur 4.1) zijn toegestaan. De afstand van dit bedrijventerrein tot aan het plangebied bedraagt circa 56 meter. De richtafstand bij een milieucategorie 3.2 bedrijf in een gemengd gebied bedraagt 50 meter. Hiermee is er voldoende afstand tussen de toekomstige woningbouw binnen het plangebied en het bedrijventerrein. Een goed woon- en leefklimaat is hiermee geborgd en de bedrijven worden niet belemmerd in de ontwikkelingsmogelijkheden.

datum referentie

9 maart 2023 190489_AdB_RAP_0001_v3_RO

P 22/47

Verder ten noorden van het plangebied ligt AWZI Harnaschpolder op een afstand van circa 360 meter. Op basis van de VNG-brochure geldt voor AWZI's (milieucategorie 5.1) met een i.e. (inwoner equivalent) van meer dan 300.000 een richtafstand van 300 meter vanwege het aspect geur in een gemengd gebied. Vanwege de grotere afstand van meer dan 300 meter en de overheersende windrichting in Nederland (zuidwest) is het zeer aannemelijk dat aan een goed woon- en leefklimaat voldaan kan worden. Bedrijventerrein ten zuiden van het plangebied Middels het bestemmingsplan 'Harnaschpolder Zuid' is ten zuiden van de planlocatie een bedrijventerrein gevestigd. Op dit bedrijventerrein is bedrijvigheid met milieucategorie 2 (nummer 6 in figuur 4.1), 3.1 (nummer 7 in figuur 4.1) en 3.2 (nummer 8 in figuur 4.1) toegestaan, met een richtafstand van 10, 30 en 50 meter bij gemengd gebied. In navolgende figuur zijn de toegestane milieucategorieën 3.1 en 3.2 en de daarbij behorende richtafstanden, welke gemeten zijn vanaf de perceelsgrenzen, weergegeven.

Figuur 4.2: Richtafstanden milieucategorieën omgeving

Hieruit blijkt dat er voldoende afstand is tussen de perceelsgrens van dit bedrijventerrein tot de situering van de gevel van de toekomstige woningen. Een goed woon- en leefklimaat is hiermee geborgd en de bedrijven worden niet belemmerd in de ontwikkelingsmogelijkheden. 4.2.2 Conclusie Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat bij de beoogde woningen en de beoogde woningen zullen bovendien geen bedrijvigheid belemmeren in diens bedrijfsvoering. 4.3 Bodem Ten aanzien van de bodemkwaliteit geldt de Wet bodembescherming (Wbb) en het (bijbehorende) Besluit bodemkwaliteit. Gestreefd wordt naar een duurzaam gebruik van de bodem. Bij een ruimtelijk plan moet de bodemkwaliteit van het betreffende gebied inzichtelijk worden gemaakt. Hierbij is van belang te weten of er bodemverontreiniging is die de functiedoelen kan frustreren, of er gezondheidsrisico's of ecologische risico's

datum referentie

9 maart 2023 190489_AdB_RAP_0001_v3_RO

P 23/47

daardoor zijn en wat de mogelijkheden zijn om er tijdig iets aan te doen. Hiervoor is wettelijk verplichte informatie over de bodemkwaliteit nodig. Het uitgangspunt wat betreft de bodem in het plangebied is, dat de kwaliteit ervan zodanig dient te zijn dat er geen risico's zijn voor de volksgezondheid bij het gebruik van het plangebied voor de voorgenomen functie. 4.3.1 Situatie plangebied Naar aanleiding van de voorgenomen ontwikkeling van woningbouw is in het plangebied een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Dit rapport is opgenomen als bijlage 2. Uit het verkennend bodemonderzoek is het volgende gebleken: Zintuiglijke waarnemingen In de bovengrond van het noordelijke en zuidelijke terreindeel zijn overwegend bijmengingen met baksteen aangetroffen. Daarnaast is in de bovengrond ter plaatse van boringen 02, 03, 10, 25 en 31 kolengruis aangetroffen. De ondergrond ter plaatse van boring 18 is matig plastic houdend, terwijl de ondergrond bij boring 33 piepschuim bevat. Tijdens het verrichten van de handboringen zijn geen bijzonderheden waargenomen die kunnen wijzen op de aanwezigheid van een bodemverontreiniging. Tevens zijn op het maaiveld of in de opgeboorde grond zintuiglijk geen asbestverdachte materialen aangetroffen.

Grond Uit het uitgevoerde bodemonderzoek is gebleken dat de boven- en ondergrond van zowel het noordelijke alsmede het zuidelijke terreindeel lichte verontreinigingen aan zware metalen, PAK, hexachloorbenzeen en bestrijdingsmiddelen (DDE (som), DDD (som), DDT (som) en Drins) bevat. Grondwater In het ondiepe grondwater zijn lichte verontreinigingen aan barium en molybdeen gemeten. Resumé Gezien de vastgestelde bodemkwaliteit zijn er geen risico's voor de volksgezondheid en/of het milieu. Voor geen van de gemeten stoffen wordt de interventiewaarde overschreden. 4.3.2 Conclusie Gegeven de in dit rapport beschreven onderzoeksresultaten, wordt de grond vanuit milieuhygiënisch oogpunt geschikt geacht voor het huidige en toekomstige gebruik. 4.4 Geluid Bij het doorlopen van een procedure op grond van artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening geldt een onderzoeksplicht voor geluid. Dit onderzoek richt zich op woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen die binnen een geluidszone van een weg, een spoorweg of een industrieterrein zijn gelegen. 4.4.1 Situatie plangebied Naar aanleiding van de voorgenomen ontwikkeling van woningbouw is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Dit rapport is opgenomen als bijlage 3. Het plan is gelegen binnen de wettelijke geluidzone van de Rijksweg A4 en Harnaschdreef.

Daarnaast bevindt het plan zich in de nabijheid van een drietal niet-zoneplichtige 30 km/uur-wegen (Lookwatering, Vrij-Harnasch en Woudselaan). In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn de geluidbelastingen van deze nietzoneplichtige wegen ook beoordeeld. Doel van het onderzoek is te toetsen of voor het aspect geluid bij de nieuwe woningen wordt voldaan aan de grenswaarden uit de Wet geluidhinder, het geluidbeleid van de gemeente en een goede ruimtelijke ordening.

datum referentie

9 maart 2023 190489_AdB_RAP_0001_v3_RO

P 24/47

Uit de resultaten blijkt dat de geluidbelasting vanwege de Rijksweg A4 en de Harnaschdreef hoger is dan de voorkeurswaarde. Het treffen van bron- en/of overdrachtsmaatregelen is niet mogelijk. Het verzoek aan het bevoegd gezag is om voor dit plan de onderstaande hogere waarde vast te stellen. Tabel 4.1: Vast te stellen hogere waarden en gecumuleerde geluidbelasting Woning

Vast te stellen hogere waarde [dB]

Lcum

Rijksweg A4

Harnaschdreef

Zonder aftrek art. 110g Wgh

01

52

nvt

55

02

51

nvt

55

03

51

nvt

55

04

51

nvt

55

05

50

nvt

55

06

50

nvt

55

07

50

nvt

55

08

49

nvt

56

09

49

49

56

10

50

51

57

11

49

53

58

12

49

57

62

13

nvt

57

62

14

nvt

51

56

17

49

nvt

54

18

nvt

59

64

30

50

56

61

29

50

56

61

28

49

56

61

27

49

56

61

26

49

57

62

25

49

57

62

24

49

57

62

23

49

57

62

22

49

57

62

21

nvt

58

63

20

nvt

58

63

19

nvt

59

64

Bij het borgen van de binnenwaarde van 33 dB volgens het Bouwbesluit, dient voor de geluidwering van de gevelrekening te worden gehouden met de gecumuleerde geluidbelasting zonder toepassing aftrek artikel 110g Wgh. Hierbij wordt opgemerkt dat, in het kader van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, op de perceelsgrens van de meest zuidoostelijk gelegen woning (rekenpuntnr. 18) een geluidscherm, in de vorm van een nog nader uit te werken tuinmuur/schutting (gedacht kan worden aan een begroeide kokos schutting of schanskorf) met een hoogte van 1,8 meter wordt geplaatst. Dit om op de begane grond aan de noordzijde tenminste één geluidluwe zijde te realiseren. Voor het betreffende plan wordt voldaan aan criterium c uit het geluidbeleid: de woningen vullen een open plaats op tussen bestaande bebouwing.

datum referentie

9 maart 2023 190489_AdB_RAP_0001_v3_RO

P 25/47

De gecumuleerde geluidbelasting, zonder aftrek van 5 dB volgens artikel 110g Wgh toegepast, bedraagt ten hoogste 64 dB. Aangezien deze niet hoger is dan de maximale ontheffingswaarde, waarbij de aftrek van 5 dB volgens artikel 110g Wgh ook niet is toegepast, van 68 dB, kan worden gesteld dat er sprake is van een aanvaardbare geluidbelasting. Bij het borgen van de binnenwaarde van 33 dB volgens het Bouwbesluit, dient voor de geluidwering van de gevel rekening te worden gehouden met de gecumuleerde geluidbelasting zonder aftrek artikel 110g Wgh. De geluidbelasting vanwege de niet-zoneplichtige wegen (Lookwatering, Vrij-Harnasch en Woudselaan) voldoet aan de voorkeurswaarde van 48 dB. Gesteld kan worden dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. 4.4.2 Conclusie Om de voorgenomen ontwikkeling mogelijk te maken dienen er hogere waarden te worden vastgesteld. Er is sprake van een aanvaardbare geluidbelasting voor de toekomstige woningen. 4.5 Luchtkwaliteit Op 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden. De wet is enerzijds bedoeld om de negatieve effecten op de volksgezondheid aan te pakken, als gevolg van te hoge niveaus van luchtverontreiniging. Anderzijds heeft de wet tot doel mogelijkheden te creëren voor ruimtelijke ontwikkeling, ondanks overschrijdingen van de Europese grenswaarden voor luchtkwaliteit.

Op grond van de Wet mogen nieuwe ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de normen (grenswaarden) die aan een aantal verontreinigende stoffen zijn gesteld. Met betrekking tot luchtkwaliteit moet rekening worden gehouden met het gestelde in de Wet milieubeheer (Wm), hoofdstuk 5, titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen en de bijbehorende bijlagen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: • • •

•

er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; een plan leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; een plan draagt 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging (meer dan 3%) ten opzichte van de grenswaarde (een grenswaarde van 3% staat gelijk aan de bouw van circa 1.500 woningen of 100.000 m2 kantoorruimte met één ontsluitingsweg); een plan past binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL), of binnen een regionaal programma van maatregelen.

4.5.1 Situatie plangebied Binnen het plangebied worden 30 grondgebonden woningen gebouwd. Dit aantal woningen valt ruim binnen de grenswaarde van 3% en zal derhalve niet in betekenende mate bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Naast de effecten van de voorgenomen ontwikkeling op de luchtkwaliteit, moet worden bezien of er voor de te realiseren woningen voldaan kan worden aan een goed woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit. Om te bepalen of de plaatselijke luchtkwaliteit voldoet aan de normen voor een goed woon- en leefklimaat is gebruik gemaakt van de RIVM kaarten welke weergeven staan op www.atlasleefomgeving.nl. Indien uit de monitoring blijkt dat de doelstellingen van het NSL niet worden gehaald, kunnen extra maatregelen worden getroffen. Op basis van de 'Atlas Leefomgeving' blijkt dat de achtergrondconcentraties in 2020 aan fijn stof PM10, PM2,5 en stikstofdioxide NO2 ter plaatse van het plangebied respectievelijk maximaal 17 µg/m³, 9 µg/m³ en 22 µg/m³ bedraagt. De achtergrondbelastingen liggen ruimschoots onder de grenswaarde van 40 µg/m³ voor PM10 en NO2 en ruimschoots onder de grenswaarde van 20 µg/m³ voor PM2,5.

datum referentie

9 maart 2023 190489_AdB_RAP_0001_v3_RO

P 26/47

4.5.2 Conclusie Op basis van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling. 4.6 Water In het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en Besluit ruimtelijke ordening dient het watertoetsproces doorlopen te worden. De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is niet een toets achteraf, maar een proces dat de gemeente en waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. De inzet daarbij is om in elk afzonderlijk plan met maatwerk het reeds bestaande waterhuishoudkundige en ruimtelijke beleid goed toe te passen en uit te voeren. 4.6.1 Situatie plangebied In bijlage 4 is de uitgevoerde watertoets te vinden. Het watertoetsproces voor deze ontwikkeling is in gang gezet op 21-10-2021 via mailcontact met de gemeente en het waterschap. Waterschap Delfland is via deze weg door de initiatiefnemer van de ruimtelijke ontwikkeling op de hoogte gebracht van de plannen. In de uitgevoerde watertoets is ingegaan op onder andere het beleid, de gebiedseigenschappen, het bestaand watersysteem en het toekomstige watersysteem.

Om (grond)wateroverlast te voorkomen en te voldoen aan het vigerend beleid dient rekening gehouden te worden met het volgende: •

•

• • •

• •

•

In het plangebied is sprake van een toename van verhard oppervlak, maar hiervoor is reeds gecompenseerd in het algehele ontwerp van de Harnaschpolder. Dit is onderbouwd in het “geactualiseerd waterhuishoudkundig plan voor 2017 en verder” dat is opgesteld door TAUW in 2018. De verharding in de toekomstige situatie bedraagt 43% van het plangebied en ligt onder de grens van 50% waar rekening mee is gehouden in het algehele waterstructuurplan van de regio. Het plangebied leent zich slecht voor infiltratie van hemelwater vanwege een slecht doorlatende bodem. Daarom zal het hemelwater afwateren naar de omliggende watergangen die hiervoor reeds zijn aangelegd. Aangeraden wordt om de afvoercapaciteit van de watergangen te toetsen om de toename aan afstromend hemelwater te kunnen verwerken. Bij het dempen van oppervlaktewater is watercompensatie vereist dat moet voldoen aan de “beleidsregels dempen en graven” van HHD . Nieuwe duikers moeten voldoen aan het beleidsdocument “Kunstwerken in wateren”. Het afvalwater van het nieuw aan te leggen vuilwaterriool vanuit de nieuwe woningen moet worden aangesloten op het bestaande persriool onder de Woudselaan. Dit zal in een volgende fase verder moeten worden onderzocht en bepaald in overleg met de gemeente. Aangetoond moet worden dat het bestaande riool voldoende capaciteit heeft om het extra vuilwater te kunnen verwerken.

Wanneer hemelwater oppervlakkig wordt afgevoerd dienen eventuele negatieve gevolgen voor de waterkwaliteit en ecologie te worden voorkomen. Gebaseerd op de beschikbare gegevens is de verwachting dat de gebouwen op een hoger niveau gebouwd moeten worden om boven het leggerprofiel van de waterkering te bouwen, de gewenste ontwateringsdiepte te behalen en (grond)wateroverlast te voorkomen. Een ophoging van het terrein wordt aangeraden. Hoeveel de ophoging precies moet zijn, hangt af van de uitkomst uit de vervolgonderzoeken. Voor verschillende onderdelen is een watervergunning nodig. Het gaat hier om: − Het werken in een regionale waterkering en de beschermingszones; − Het permanent of tijdelijk verhogen of verlagen van het maaiveld in de zone waterstaatswerk (waterkering) of bijbehorende beschermingszone; − Voor het werken in de beschermingszone van de A-watergang is een watervergunning benodigd; − Het dempen van B-watergangen en het aanleggen van dammen met duikers in B-watergangen;

datum referentie

9 maart 2023 190489_AdB_RAP_0001_v3_RO

P 27/47

− −

Het graven van nieuw oppervlaktewater ter compensatie van de te dempen B-watergangen; Het afvoeren van hemelwater vanaf nieuw verhard oppervlak, nieuwe lozingen van afgekoppelde verharding en het aanleggen van waterbergingen.

4.6.2 Conclusie Wanneer bij de verdere uitwerking rekening gehouden wordt met de resultaten uit de watertoets vormt het aspect water geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling. Externe veiligheid Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's voor de omgeving bij productie, gebruik, opslag en vervoer van gevaarlijke stoffen, zoals vuurwerk, aardgas of LPG. Het aandachtsveld van externe veiligheid richt zich op zowel inrichtingen (bedrijven) waar gevaarlijke stoffen aanwezig zijn als het transport van gevaarlijke stoffen. Dit vervoer kan plaatsvinden over weg, water en spoor en door buisleidingen. Het beleid is er op gericht te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden. Dit is verankerd in diverse wet- en regelgeving, zoals het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (Activiteitenbesluit). Binnen de externe veiligheid worden twee normstellingen gehanteerd: • •

het Plaatsgebonden Risico (PR) richt zich vooral op de te realiseren basisveiligheid voor burgers; het Groepsrisico (GR) stelt beperkingen aan de maatschappelijke ontwrichting als gevolg van calamiteiten met gevaarlijke stoffen.

Kwetsbare objecten, zoals woningen en functies met veel bezoekers, zijn niet toegestaan binnen de 10-6-contour van het PR rond inrichtingen waarin opslag en productie van gevaarlijke stoffen plaatsvindt en langs transportroutes (weg, spoor, water, buisleiding) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. 4.6.3 Situatie plangebied In navolgende afbeelding is een uitsnede van de risicokaart weergegeven.

Figuur 4.3: Uitsnede risicokaart (plangebied rood omlijnd)

datum referentie

9 maart 2023 190489_AdB_RAP_0001_v3_RO

P 28/47

Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van de volgende twee risicobronnen: • •

Aardgastransportleiding (rode stippellijn in figuur 4.3) Vervoer op de A4 (lichtblauwe lijn)

Daarnaast vindt er over de Wippolderlaan vervoer van LNG plaats (niet weergegeven in figuur 4.3). De LNGtankstation aan de Peuldreef 2 wordt bevoorraad via de Wippolderlaan. Deze route ligt meer dan 200 meter van het plangebied waardoor een risicoberekening conform het Bevt niet is voorgeschreven. De route ligt wel minder dan 355 meter van het plangebied waardoor de aspecten zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid wel moeten worden behandeld. Aan de Woudselaan in Den Hoorn vinden meerdere ontwikkelingen plaats. In 2021 is een onderzoek externe veiligheid uitgevoerd waarbij de voorgenomen ontwikkeling ook is meegenomen. Het onderzoek is als bijlage 5 bijgevoegd. Uit dit onderzoek is het volgende gebleken: A4 Het plaatsgebonden risico vormt geen belemmering voor de ruimtelijke ontwikkeling. In de huidige situatie ligt het groepsrisico meer dan een factor 5 onder de oriëntatiewaarde. Door de ruimtelijke ontwikkeling neemt het groepsrisico niet toe en blijft deze meer dan een factor 5 onder de oriëntatiewaarde. De volledige verantwoording van het groepsrisico is daarom niet noodzakelijk. Wel dient het bestuur van de veiligheidsregio in de gelegenheid te worden gesteld om advies uit te brengen. Aardgasleidingen Gasunie Het plaatsgebonden risico vormt geen belemmering voor de ruimtelijke ontwikkeling. In de huidige situatie is het groepsrisico kleiner dan de oriëntatiewaarde.

Door de ruimtelijke ontwikkeling blijft het groepsrisico gelijk bij een factor 0.998 onder de oriëntatiewaarde. Het is daarom niet nodig de volledige verantwoording van het groepsrisico uit te voeren. Wel dient het bevoegd gezag de veiligheidsregio in de gelegenheid stellen advies uit te brengen over de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchten. Bij het scenario van een toxische stof is het van belang dat de aanwezigen in het effectgebied binnen blijven of zo snel mogelijk naar binnen gaan. Een mogelijkheid tot verkleinen van de risico’s is bewoners bij de sleuteloverdracht worden gewezen op de wijze van vluchten cq. zelfredzaamheid in geval van een calamiteit. Bij het scenario van een explosie is het van belang dat de aanwezigen in het effectgebied de mogelijkheid geboden wordt om zo veilig mogelijk te vluchten en de gevolgen van een explosie waar mogelijk te verkleinen. Doordat er meerdere ontsluitingen zijn in het plangebied is het voor bewoners en bezoekers mogelijk om het plangebied snel te verlaten. In de directe omgeving van het plangebied zijn er verschillende vluchtroutes aanwezig direct van de risicobron af.

Wat betreft de bevoorrading van het LNG-tankstation is het niet mogelijk om vanuit het plangebied via de Harnaschdreef noordelijk te vluchten via de A4. De beoogde ontwikkeling resulteert niet in een dermate hogere verkeersbewegingen. Het is voor bewoners en bezoekers in dit geval mogelijk om te vluchten via de Woudselaan, en dan in zuidelijke richting de Harnaschdreef. Wat betreft bestrijdbaarheid kunnen hulpdiensten via A4 de afslag ten zuiden van het plangebied nemen en rechtstreeks de Harnaschdreef op rijden. Het plangebied is goed bereikbaar voor hulpdiensten. De kans op overlijden ten gevolge van een incident met gevaarlijke stoffen binnen het plangebied is zeer klein. Er bestaan geen feitelijke mogelijkheden om middels deze ruimtelijke procedure de mogelijkheden tot voorbereiding

datum referentie

9 maart 2023 190489_AdB_RAP_0001_v3_RO

P 29/47

van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp direct te beïnvloeden. De bestrijding vindt voor zover mogelijk plaats bij de risicobron en het plangebied bij eventuele calamiteiten over het algemeen goed bereikbaar is voor de hulpdiensten. 4.6.4 Conclusie Op basis van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het aspect externe veiligheid geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van voorgenomen ontwikkeling. 4.7 Ecologie De Wet natuurbescherming vormt het voornaamste beleidsmatige toetsingskader op het gebied van de ecologische soortenbescherming en ecologische gebiedsbescherming. Bij een ruimtelijke ingreep moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling voor ecologische waarden in beeld worden gebracht, zodat aannemelijk kan worden gemaakt of de ontwikkeling voldoet aan de op grond van de Wet natuurbescherming gestelde regels. 4.7.1 Gebiedsbescherming Natura 2000 Het gebiedsbeschermingsdeel van de Wet natuurbescherming heeft als doel het beschermen van Natura 2000gebieden (Europese Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijngebieden) in Nederland. Projecten of andere handelingen en plannen die negatieve effecten op deze beschermde gebieden kunnen hebben, zijn in beginsel (zonder vergunning) niet toegestaan. Naast directe effecten (bijv. ruimtebeslag), dient ook gekeken te worden naar indirecte effecten als gevolg van externe werking (bijv.

door geluid, licht en stikstofdepositie). Natuurnetwerk Nederland (NNN) De Wet Natuurbescherming draagt Gedeputeerde Staten op om te zorgen voor de instandhouding van het binnen de eigen provincie gelegen deel van een landelijk ecologisch netwerk; het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het NNN is een samenhangend netwerk van bestaande en nog te ontwikkelen belangrijke natuurgebieden in Nederland, dat voldoende robuust is voor een duurzame verbetering van de omstandigheden voor de wilde flora en fauna en voor natuurlijke leefgemeenschappen. De begrenzing en ruimtelijke bescherming van de provinciale NNN is voor Zuid-Holland uitgewerkt in de Omgevingsverordening Zuid-Holland. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij' - principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. 4.7.2 Soortenbescherming Soortenbescherming is onder de Wet natuurbescherming geregeld op basis van een drietal verschillende beschermingsregimes, namelijk voor vogelrichtlijnsoorten, habitatrichtlijnsoorten en overige soorten. Voor al deze soorten geldt dat het verboden is ze opzettelijk te doden, te vangen of te verstoren, om eventuele eieren opzettelijk te vernielen, om de vaste voortplantings- of rustplaatsen te beschadigen en om beschermde plantensoorten opzettelijk te ontwortelen of te vernielen.

Hiervan kan onder andere sprake zijn bij het kappen van bomen, het slopen van gebouwen of het storten en afgraven van gronden. 4.7.3 Situatie plangebied In 2019 is een Quickscan flora en fauna uitgevoerd voor de voorgenomen ontwikkeling. De quickscan flora en fauna beschrijft in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb) en het Natuurnetwerk Nederland, de raakvlakken en mogelijke effecten van de voorgenomen ingreep op soortenbescherming en gebiedsbescherming (Natura 2000 en Natuurnetwerk Nederland). De quickscan is als bijlage 6 bijgevoegd. Aangezien er de afgelopen jaren geen wijzigingen hebben plaatsgevonden in het plangebied wordt de quickscan nog actueel geacht. Onderstaand de resultaten van de effecten van de voorgenomen bestemming op de soortenbescherming en gebiedsbescherming.

datum referentie

9 maart 2023 190489_AdB_RAP_0001_v3_RO

P 30/47

Soortenbescherming • Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde soorten vaatplanten aangetroffen. Ook ontbreken verspreidingsgegeven van beschermde soorten planten. Beschermde plantensoorten stellen doorgaans specifieke eisen aan de standplaats, voedselarme en/of kalkrijke situaties, kwelsystemen, enz. Geschikte groeiomstandigheden zijn binnen het plangebied niet aanwezig waardoor de aanwezigheid van beschermde vaatplanten wordt uitgesloten. • Binnen het plangebied bevinden zich geen bebouwing of bomen waardoor de aanwezigheid van verblijfplaatsen van gebouw- of boombewonende soorten vleermuizen kan worden uitgesloten. Daarnaast vormt het plangebied een beperkte functie als foerageergebied doordat het een open weidegebied is met weinig potentie tot foerageren. • Binnen het plangebied ontbreken bomen, bebouwing of andere geschikte verblijfsmogelijkheden. Op basis hiervan, wordt de aanwezigheid van een vast rust- of verblijfplaats van boommarters en steenmarters uitgesloten. Het voorkomen van overige beschermde soorten grondgebonden zoogdieren in het plangebied kan ook met voldoende zekerheid worden uitgesloten. • Tijdens het veldbezoek zijn de volgende vogelsoorten aangetroffen: kauw, ekster, boerengans meerkoet, merel en houtduif. In het plangebied zijn geen bomen of gebouwen aanwezig.

Om die reden is het uit te sluiten dat jaarrond beschermde vogelsoorten een nestlocaties hebben in het plangebied. • Voor alle vogelsoorten geldt dat werkzaamheden die uitgevoerd worden tijdens het broedseizoen kunnen leiden tot verstoring. Geadviseerd wordt de werkzaamheden uit te voeren of te starten buiten het broedseizoen. Gebiedsbescherming • Het plangebied ligt op circa 8,5 kilometer van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied. Het betreft het Natura 2000-gebied Solleveld & Kapittelduinen. Gezien de afstand en de aard van de ingrepen is er geen sprake van directe aantasting, zoals effecten door geluid of optische verstoring van instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. Indirecte effecten door stikstofemissie zijn mogelijk wel aan de orde. De stikstofemissie in de gebruiksfase en realisatiefase is in beeld gebracht middels een AERIUS-calculatie, zie bijlage 7. Uit de berekening is gebleken dat de stikstofemissie in de gebruiksfase en realisatiefase niet leidt tot stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden. • Gebieden behorend tot de NNN liggen op ongeveer 925 meter afstand ten noordwesten van het plangebied. Gezien de ligging buiten het NNN en het ontbreken van externe werking zijn vervolg stappen in het kader van het NNN niet noodzakelijk.

4.7.4 Conclusie Op basis van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het aspect ecologie geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling. 4.8 Verkeer en Parkeren De nieuwe ontwikkelingen zullen leiden tot een parkeerbehoefte. Bij het bepalen van de parkeerbehoefte van nieuwe ontwikkelingen dient gebruik te worden gemaakt van de parkeernormen uit de parkeernota van de gemeente Midden-Delfland. Het gemeentelijke beleid is erop gericht om het verkeer in de dorpskernen zoveel mogelijk te beperken en de kwaliteit van leven en openbare ruimte te bevorderen. Hierin past een actief beleid om de groei van de automobiliteit te beperken en een overmaat aan parkeeraanbod te voorkomen. 4.8.1 Parkeren Het parkeren wordt grotendeels op eigen terrein opgelost en gedeeltelijk in de openbare ruimte (bezoekersparkeren en parkeren ten behoeve van de drie-onder-één-kap woningen) waarbij de parkeernormen van de Nota parkeernormen 2020 van de gemeente Midden-Delfland worden aangehouden. Deze Nota

datum referentie

9 maart 2023 190489_AdB_RAP_0001_v3_RO

P 31/47

parkeernormen is gebaseerd op parkeerkencijfers van het CROW (Toekomstbestendig parkeren, Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie, CROW 381). In navolgende tabel is de parkeernorm voor Den Hoorn weergegeven en vindt er een doorvertaling plaats naar hoeveel parkeerplaatsen er met de voorgenomen ontwikkeling benodigd zijn. Tabel 4.2: Parkeernormen Woning

Norm bewoners Norm bezoekers

Vrijstaand / 2-onder-1 kap

1,4

0,3

Eengezinswoning (rij/hoek) koop, huur vrije sector en sociaal 1,2

0,3

Tabel 4.2: benodigde parkeerplaatsen bewoners Parkeernorm Woning bewoners

Aantal wooneenheden

Vrijstaand / 2-onder-1 kap

1,4

24

33,6

Eengezinswoning (rij/hoek) koop, huur vrije sector en sociaal

1,2

6

7,2

Totaal aantal parkeerplaatsen bewoners

De benodigde parkeerplaatsen voor bewoners worden voor de vrijstaande en twee-onder-één-kap woningen op eigen terrein opgelost. De parkeerplaatsen op eigen terrein kunnen bij het bepalen van de parkeereis niet volledig worden meegeteld.

In navolgende tabel is weergegeven welke parkeereis er geldt voor parkeerplaatsen op eigen terrein. Tabel 4.3: aandeel waarmee parkeerplaatsen op eigen terrein meetellen Parkeervoorziening

Berekeningsaantal Aantal woningen Totaal aantal parkeervoorzieningen op eigen terrein

Garage met lange oprit

1,3

2

2,6

Garage met dubbele oprit 1,8

22

39,6

Totaal

42,2

Met de voorgenomen ontwikkeling is er ruimte voor 42,2 parkeerplaatsen op eigen terrein. Er worden hiermee voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein gerealiseerd om aan de parkeernorm van bewoners van de vrijstaande en twee-onder-één-kap woningen (33,6 parkeerplaatsen bewoners) te voldoen. In het openbaar gebied dient er ruimte te zijn voor 9 parkeerplaatsen voor bezoekers (0,3 x 30 woningen) en 7,2 parkeerplaatsen voor de bewoners van de drie-onder-één-kap woningen. In plan worden er 19 parkeerplaatsen in het openbaar gebied gerealiseerd, welke zijn verdeeld binnen het plangebied. In de voorgenomen ontwikkeling worden voldoende parkeerplaatsen gerealiseerd om te voldoen aan de Nota parkeernormen. 4.8.2 Verkeer Binnen het plangebied wordt een nieuwe interne ontsluitingsstructuur aangelegd om de woningen te ontsluiten. Parkeren vindt grotendeels op eigen terrein plaats en gedeeltelijk in de openbare ruimte (bezoekersparkeren en parkeren ten behoeve van de drie-onder-één-kap woningen). De Woudselaan is een verbindingsroute tussen Delft en Den Haag. Van oudsher is de Woudselaan al een verbinding tussen buurtschap Sion en de Harnaschwatering. In de huidige situatie fungeert de weg met name als ontsluiting voor de aangrenzende woningen, is het onderdeel van het fietsroutenetwerk en wordt het soms als

datum referentie

9 maart 2023 190489_AdB_RAP_0001_v3_RO

P 32/47

sluiproute gebruikt bij grote drukte op de A4. De Woudselaan is een smalle weg ingesloten tussen een watergang en bomenrijen (laanstructuur). De capaciteit van de Woudselaan is daarom erg beperkt. Rondom de Woudselaan zijn er verschillende bouwontwikkelingen gepland, waaronder de voorgenomen ontwikkeling. Gezien de vormgeving van de Woudselaan is extra verkeer verwerken een uitdaging en wordt bij voorkeur de Woudselaan in haar huidige vorm zo veel mogelijk ontlast. Er is door Antea in opdracht van de gemeente Midden-Delfland een verkeersonderzoek uitgevoerd welke inzicht geeft in de verwachte verkeerstoename van het gebied en laat zien op welke wijze dit extra verkeer ontsloten kan worden. Dit onderzoek is als bijlage 8 bijgevoegd. Opgemerkt wordt dat het programma waarmee is gerekend in dit onderzoek niet geheel actueel is. De afwijking heeft echter geen significante invloed op de verkeersaantrekkende werking die is berekend. De voorgenomen ontwikkeling genereerd circa 252 motorvoertuigbewegingen per etmaal. Er zijn verschillende mogelijkheden om de toekomstige woningbouwontwikkelingen aan de Woudselaan te ontsluiten. In alle varianten wordt de voorgenomen ontwikkeling ontsloten met nieuwe infrastructuur die direct aansluit op de Harnaschdreef. Hierdoor gaan 252 mvt/etm van de totale verwachte verkeersgeneratie (539) niet over de Woudselaan.

Op deze manier ondervinden de huidige bewoners aan de Woudselaan het minste overlast van de verkeersgeneratie welke ontstaat met de voorgenomen ontwikkeling. Er is sprake van een overzichtelijke op de Harnaschdreef. 4.8.3 Conclusie In de voorgenomen ontwikkeling worden voldoende parkeerplaatsen gerealiseerd om te voldoen aan de Nota parkeernormen. Daarnaast kan het verkeer goed afgewikkeld worden en is er sprake van een overzichtelijke ontsluiting op de Harnaschdreef. 4.9 Besluit milieueffectrapportage De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: • •

•

Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten).

Een belangrijk element in het Besluit m.e.r. is het indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd.

datum referentie

9 maart 2023 190489_AdB_RAP_0001_v3_RO

P 33/47

4.9.1 Situatie plangebied De voorgenomen ontwikkeling maakt een toevoeging van 30 woningen binnen de bebouwde kom mogelijk. Dat betekent dat er een activiteit mogelijk wordt gemaakt, zoals dat is bedoeld in categorie D.11.2 van onderdeel D van de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage. Deze activiteit betreft de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen. Een stedelijk project valt onder een m.e.r.-beoordelingsplicht in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: • • •

een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.

Aangezien deze drempelwaarden niet worden overschreden geeft het Besluit milieueffectrapportage aanleiding om een vormvrije m.e.r.-beoordeling uit te voeren. Bij de vormvrije m.e.r.-beoordeling wordt nagegaan of er sprake kan zijn van belangrijke nadelige milieueffecten. Voor voorgenomen ontwikkeling is een aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling (zie bijlage 9) opgesteld. Gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten, zullen geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden. Wanneer er geen 'belangrijke nadelige gevolgen' zijn voor het milieu is het conform de wetgeving en de vigerende praktijk niet noodzakelijk om een volledige m.e.r.procedure te doorlopen. 4.9.2 Conclusie Het voorstel is om de gemeente Midden-Delfland op basis van deze notitie te laten besluiten dat geen milieueffectrapportage nodig is.

datum referentie

9 maart 2023 190489_AdB_RAP_0001_v3_RO

P 34/47

5

Uitvoerbaarheid

5.1 Maatschappelijke uitvoerbaarheid In artikel 3.10 Wabo is bepaald dat op de voorbereiding van een omgevingsvergunning, zoals bedoeld in artikel 2.12, lid 1, onder a, onder 3 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), afdeling 3.4 Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing is. In afdeling 3.4 Awb is bepaald dat het ontwerp van de omgevingsvergunning gedurende 6 weken ter visie zal liggen. Tijdens deze periode kan eenieder schriftelijk of mondeling zienswijzen kenbaar maken aan burgemeester en wethouders omtrent hun voornemen om medewerking te verlenen aan de onderhavige omgevingsvergunning. Participatie Op 22 augustus 2022 en 6 december 2022 hebben inloopavonden plaatsgevonden over de beoogde plannen, waarbij aandacht is besteed aan onder meer de verkavelingen, de profielen, beelden en architectuur van het plan. In bijlage 10 zijn de verslagen van deze avonden opgenomen. 5.2 Economische uitvoerbaarheid Bij nieuwe ontwikkelingen moet onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro), een exploitatieplan worden vastgesteld, tenzij het kostenverhaal anderszins is verzekerd, bijvoorbeeld door middel van gemeentelijke gronduitgifte of een anterieure overeenkomst. De gemeente heeft hierbij de onderzoek verplichting om de financieel-economische uitvoerbaarheid van het plan te toetsen.

Daarnaast kan de gemeente aan de hand van de kostensoortenlijst van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) kosten verhalen op de ontwikkelaar. Het bouwplan is aan te merken als bouwplan in de zin van artikel 6.2.1 van het Besluit omgevingsrecht. Met de initiatiefnemer is een anterieure overeenkomst afgesloten waarin kostenverhaal plaatsvindt. Hierdoor zijn de kosten anderszins verzekerd en kan worden afgezien van een exploitatieplan.

datum referentie

9 maart 2023 190489_AdB_RAP_0001_v3_RO

P 35/47

6

Bijlagen

datum referentie

9 maart 2023 190489_AdB_RAP_0001_v3_RO

P 36/47

Bijlage 1 Stedenbouwkundige opzet

datum referentie

9 maart 2023 190489_AdB_RAP_0001_v3_RO

P 37/47

Bijlage 2 Verkennend bodemonderzoek

datum referentie

9 maart 2023 190489_AdB_RAP_0001_v3_RO

P 38/47

Bijlage 3 Akoestisch onderzoek

datum referentie

9 maart 2023 190489_AdB_RAP_0001_v3_RO

P 39/47

Bijlage 4 Watertoets

datum referentie

9 maart 2023 190489_AdB_RAP_0001_v3_RO

P 40/47

Bijlage 5 Externe veiligheid

datum referentie

9 maart 2023 190489_AdB_RAP_0001_v3_RO

P 41/47

Bijlage 6 Quickscan flora en fauna

datum referentie

9 maart 2023 190489_AdB_RAP_0001_v3_RO

P 42/47

Bijlage 7 AERIUS-calculatie

datum referentie

9 maart 2023 190489_AdB_RAP_0001_v3_RO

P 43/47

Bijlage 8 Verkeersonderzoek

datum referentie

9 maart 2023 190489_AdB_RAP_0001_v3_RO

P 44/47

Bijlage 9 Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling

datum referentie

9 maart 2023 190489_AdB_RAP_0001_v3_RO

P 45/47

Bijlage 10 Verslag participatieavonden

datum referentie

9 maart 2023 190489_AdB_RAP_0001_v3_RO

P 46/47

datum referentie

9 maart 2023 190489_AdB_RAP_0001_v3_RO

P 47/47

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=middendelfland&id=bf1605f5-c5f8-4361-b209-84f472022234