06 Ruimtelijke onderbouwing Bijlage 9 - 190489_AdB_RAP_0002_V1_AanmeldnotitieMER
Tekst van het document
Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling Harnaschmolen fase 2 Den Hoorn
datum projectnummer
14 december 2022 190489
Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.beoordeling
Aveco de Bondt BV Holten - Amstelveen - Breda - Eindoven - Nieuwegein
Postbus 64, 7450 AB Holten T +31 548 85 33 33 info@avecodebondt.nl
Harnaschmolen fase 2 Den Hoorn Harnasmolen Den Hoorn 190489 projectleider Rianne Arendsen project
projectnummer
opdrachtgever
Gebiedsontwikkeling Harnaschpolder CV
1 Rianne Arendsen gecontroleerd Juul Osinga versie
auteur
www.avecodebondt.nl
datum 14 december 2022 referentie 190489_AdB_RAP_0002_v1_AanmeldnotitieMER
Inhoudsopgave 1 1.1 1.2 1.3
Inleiding Aanleiding en doel Toetsingskader Leeswijzer
1 1 1 1
2 2.1 2.1.1 2.1.2 2.1.3 2.2 2.2.1 2.2.2
Procedurele en inhoudelijke aspecten Toetsing aan de m.e.r.-verplichtingen Is er sprake van een directe m.e.r.-plicht? Is er sprake van een (formele) m.e.r.-beoordelingsplicht? Is er sprake van een (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsplicht? Procedure en betrokken partijen Betrokken partijen Procedure
2 3 3 3 4 4 4 4
3 3.1 3.2 3.2.1 3.2.2 3.2.3 3.2.4 3.2.5 3.2.6 3.3
De vormvrij m.e.r.-beoordeling De plaats en kenmerken van het project Kenmerken van het potentiële effect Bodem Water Geluid Luchtkwaliteit Flora en Fauna Externe veiligheid Samenvatting milieueffecten
5 5 8 8 8 9 9 9 10 11
4
Beoordeling van de effecten en conclusies
12
datum referentie
14 december 2022 190489_AdB_RAP_0002_v1_AanmeldnotitieMER
1
Inleiding
1.1 Aanleiding en doel Het voornemen is om ter hoogte van de Woudselaan in Den Hoorn in totaal 30 grondgebonden woningen te realiseren. Middels uitwerkingsregels in het huidige bestemmingsplan 'Harnaschpolder – Noord' is het mogelijk om enkel vrijstaande woningen te realiseren. Het voornemen bestaat naast vrijstaande woningen uit andere typologie woningen (twee-onder-één-kap woningen en drie-onder-één-kap woningen), waardoor er geen gebruik gemaakt kan worden van de uitwerkingsregels en het daarbij opstellen van een uitwerkingsplan. Om de verschillende typologie woningen mogelijk te maken is het noodzakelijk om een omgevingsvergunning aan te vragen waarmee van het vigerende bestemmingsplan 'Harnaschpolder – Noord' kan worden afgeweken. 1.2 Toetsingskader In deze notitie is de toetsing aan het Besluit milieueffectrapportage (m.e.r.) opgenomen. Het Besluit m.e.r. is essentieel om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit een m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. In het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten wanneer m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn.
Deze aanmeldnotitie betreft de (vormvrije) m.e.r.-beoordeling op basis waarvan het bevoegd gezag kan besluiten of het mogelijk maken van de ontwikkeling al dan niet leidt tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu die noodzaken tot het doorlopen van een m.e.r.-procedure (waaronder het opstellen van een milieueffectrapportage). 1.3 Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt in gegaan op de huidige wet- en regelgeving omtrent milieueffectrapportages. Vervolgens wordt het beoogde plan getoetst aan deze wetgeving. Hoofdstuk 3 bevat de (vormvrije) m.e.r.-beoordeling. In hoofdstuk 4 worden de conclusies van de (vormvrije) m.e.r.-beoordeling verwoord in een advies aan het bevoegd gezag.
datum referentie
14 december 2022 190489_AdB_RAP_0002_v1_AanmeldnotitieMER
P 1/12
2
Procedurele en inhoudelijke aspecten
De m.e.r.-procedure is bedoeld om het milieubelang volwaardig en vroegtijdig in plan- en besluitvorming in te brengen, om zo belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu te voorkomen. Een m.e.r. is altijd gekoppeld aan een plan of besluit, bijvoorbeeld een structuurvisie, bestemmingsplan of omgevingsvergunning. De wettelijke eisen ten aanzien van de m.e.r. zijn vastgelegd in de Wet milieubeheer en in het Besluit m.e.r. Voor plannen en besluiten die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu (kunnen) hebben wordt de m.e.r.toets doorlopen. Er zijn drie gradaties in de zwaarte van de m.e.r.-toets. Onderstaande figuur geeft schematisch twee drempelwaarden weer die van belang zijn hiervoor.
Figuur 2.1: soorten milieueffectrapportage
Onderstaand zijn de drie vormen van een milieueffectrapportage nader toegelicht: •
•
•
m.e.r-plicht: voor activiteiten die zijn opgenomen op de C-lijst van het Besluit m.e.r. en de drempelwaarde daarvan overschrijden geldt de directe m.e.r.-plicht. Naast de C-lijst zijn ook plannen waarvoor een passende beoordeling1 opgesteld moet worden m.e.r.-plichtig en kunnen provincies in een provinciale verordening m.e.r.-plichtige activiteiten aanwijzen. Voor deze activiteiten moet een milieueffectrapportage worden opgesteld om de milieugevolgen van de activiteit op de leefomgeving in beeld te brengen zodat het bevoegd gezag in staat wordt gesteld om de milieugevolgen bij haar afwegingen te betrekken. Voor een zorgvuldige afweging bevat het rapport bovendien alternatieve oplossingen met bijbehorende milieueffecten. m.e.r.-beoordelingsplicht of plan-m.e.r.: voor activiteiten die zijn opgenomen op de D-lijst van het Besluit m.e.r. en de drempelwaarde overschrijden geldt de (formele) m.e.r. beoordelingsplicht. Indien de activiteit waarvan de drempelwaarde op de D-lijst wordt overschreden mogelijk wordt gemaakt door middel van een plan (kolom 3), dan geldt altijd en direct de plan-m.e.r. vormvrije m.e.r.-beoordeling: voor activiteiten die zijn opgenomen op de D-lijst van het Besluit m.e.r. maar niet de drempelwaarde overschrijden geldt de (vormvrije) m.e.r. beoordelingsplicht.
De procedure en inhoud van de ‘vormvrije’ versie is nagenoeg gelijk aan de (formele) m.e.r.-beoordeling. Dat betekent dat voorafgaand aan de activiteit een besluit genomen moet worden of het doorlopen van een m.e.r.-procedure (opstellen milieueffectrapportage) al dan niet noodzakelijk is. Dit besluit moet worden onderbouwd door middel van een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling die aantoont dat de activiteit geen belangrijke nadelige gevolgen kan hebben voor het milieu c.q. leefomgeving. De inhoud van de beoordeling dient te voldoen aan de criteria zoals opgenomen in ‘bijlage III van de Europese MER richtlijn’.
1 Op basis van artikel 3 lid 1 Besluit m.e.r. geldt voor onder meer bestemmingsplannen niet meer automatisch een m.e.r.-plicht als er
een passende beoordeling moet worden gemaakt. Het gaat om plannen die het gebruik bepalen van kleine gebieden (lid 1 sub a) en voor kleine wijzigingen (lid 1 sub b) van plannen. Voor die plannen kan in eerste instantie worden volstaan met een plan-m.e.r.beoordeling.
datum referentie
14 december 2022 190489_AdB_RAP_0002_v1_AanmeldnotitieMER
P 2/12
2.1
Toetsing aan de m.e.r.-verplichtingen
2.1.1 Is er sprake van een directe m.e.r.-plicht? De eerste vraag die beantwoord moet worden is of voor het project activiteiten plaats vinden waarvoor sprake is van een directe m.e.r.-plicht. Onderhavige activiteit behoort niet tot één van de activiteiten op de C-lijst. Op basis daarvan is derhalve geen m.e.r.-procedure noodzakelijk. Wettelijke plannen, waarvoor een Passende Beoordeling op grond van de Wet Natuurbescherming nodig is, zijn m.e.r.-plichtig (artikel 7.2a Wet milieubeheer eerste lid). Op basis van het onderzoek naar flora en fauna (soortenbescherming en gebiedsbescherming) blijkt dat het opstellen van een Passende Beoordeling op grond van de Wet Natuurbescherming niet benodigd is (zie paragraaf 3.2). Op basis van artikel 7.2.a lid 1 Wet milieubeheer is er derhalve geen sprake van een m.e.r.-plicht. Door Provinciale Staten kunnen aanvullend op het Besluit m.e.r. activiteiten worden aangewezen die kunnen leiden tot m.e.r.-plicht. De provincie Zuid-Holland heeft een dergelijke aanvulling niet ingevuld. Het provinciaal beleid leidt derhalve niet tot m.e.r.-plicht. 2.1.2 Is er sprake van een (formele) m.e.r.-beoordelingsplicht? Er is geen sprake van een directe m.e.r.-plicht, maar mogelijk wel van (formele) m.e.r.-beoordelingsplicht. Hiervoor is de D-lijst van het Besluit m.e.r. het toetsingskader.
Toetsing aan D-lijst De beoogde ontwikkeling komt voor als activiteit in kolom 1 van de D-lijst van het Besluit m.e.r. (zie tabel 2.1): •
Onderdeel D.11.2: De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.
Tabel 2.1: D-lijst, bijlage, besluit Milieueffectrapportage
D11.2
Kolom 1 Activiteiten
Kolom 2 Gevallen
Kolom 3 Plannen
Kolom 4 Besluiten
De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.
In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: 1°. een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2°. een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of 3°. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.
De structuurvisie, bedoeld in de artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening, en het plan, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van die wet.
De vaststelling van het plan, bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onderdelen a en b, van de Wet ruimtelijke ordening dan wel bij het ontbreken daarvan van het plan, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van die wet.
De drempelwaarden in kolom 2 worden door onderhavig plan niet overschreden. Er is derhalve geen sprake van een (formele) m.e.r.-beoordelingsplicht.
datum referentie
14 december 2022 190489_AdB_RAP_0002_v1_AanmeldnotitieMER
P 3/12
2.1.3 Is er sprake van een (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsplicht? Het onderhavige plan komt als activiteit voor in kolom 1 van de D-lijst en de drempelwaarden in kolom 2 worden niet overschreden. De drempelwaarde gaat uit van 2.000 of meer woningen. Onderhavig plan voorziet in de realisatie van 30 eengezinswoningen. De omgevingsvergunning ‘handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening’ is te beschouwen als een 'besluit' in de zin van het Besluit m.e.r. (kolom 4). Op basis van het vorengaande wordt geconcludeerd dat een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling moet worden opgesteld. Uit de vormvrije m.e.r.-beoordeling zal blijken of niet alsnog een m.e.r.-procedure op grond van het Besluit m.e.r. moet worden doorlopen. De (vormvrije) m.e.r. beoordeling wordt aangevraagd door middel van een aanmeldnotitie. 2.2 Procedure en betrokken partijen 2.2.1 Betrokken partijen Bij deze m.e.r.-beoordelingsprocedure is de gemeente Midden-Delfland aan te merken als bevoegd gezag. Gebiedsontwikkeling Harnaschpolder CV is initiatiefnemer. 2.2.2 Procedure Op basis van de aanmeldnotitie kan het bevoegd gezag een besluit nemen over de noodzakelijkheid tot het doorlopen van een m.e.r.-procedure. Het bevoegd gezag beslist binnen zes weken na ontvangst van deze aanmeldingsnotitie of er al of niet een m.e.r.-procedure doorlopen moet worden.
Het (vormvrije) m.e.r.beoordelingsbesluit vormt een bijlage bij het uiteindelijk te nemen besluit: omgevingsvergunning ‘handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening’. Er staat bij een m.e.r.-beoordeling geen direct beroep en bezwaar open. Beroep en bezwaar vindt plaats in het kader van de procedure van de omgevingsvergunning.
datum referentie
14 december 2022 190489_AdB_RAP_0002_v1_AanmeldnotitieMER
P 4/12
3
De vormvrij m.e.r.-beoordeling
De (vormvrije) m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te bepalen of er bij de voorgenomen activiteit mogelijke belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. De beoordeling dient te worden uitgevoerd op grond van de criteria uit bijlage III van de Europese Richtlijn Milieueffectrapportage. Hierbij gelden drie thema’s: • • •
de kenmerken van het project; de plaats van het project; de kenmerken van de potentiële effecten.
3.1 De plaats en kenmerken van het project Bij het kenmerk van het project moet in het bijzonder in overweging worden genomen: A. B. C. D. E. F. G.
de omvang van het project; de cumulatie met andere projecten; het gebruik van natuurlijke hulpbronnen; de productie van afvalstoffen; verontreiniging en hinder; het risico van zware ongevallen en/of rampen, waaronder rampen door klimaatverandering; risico’s voor de menselijke gezondheid (bijvoorbeeld als gevolg van waterverontreiniging of luchtvervuiling).
Bij de mate van kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop het project van invloed kan zijn moet in het bijzonder in overweging worden genomen: H. het bestaande grondgebruik, I. relatieve rijkdom aan en beschikbaarheid, kwaliteit en regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen (met inbegrip van bodem, land, water en biodiversiteit) van het gebied, J. het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor de volgende typen gebieden: − wetlands, oeverformaties, riviermondingen − kustgebieden − berg- en bosgebieden − natuurreservaten en -parken − gebieden die in de nationale wetgeving zijn aangeduid of door die wetgeving worden beschermd; Natura 2000-gebieden die door de lidstaten zijn aangewezen krachtens Richtlijn 92/43/EEG en Richtlijn 2009/147/EG; − gebieden waar de milieukwaliteitsnormen al niet worden nagekomen − gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid − landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang
datum referentie
14 december 2022 190489_AdB_RAP_0002_v1_AanmeldnotitieMER
P 5/12
A. de omvang van het project Het plangebied is gelegen aan de Woudselaan in Den Hoorn. Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 16.500 m2. Het plangebied betreft een braakliggend terrein. B. de cumulatie met andere projecten Het gebied rond de Woudselaan heeft drie deelgebieden; het deel “Oost” is in de afgelopen jaren ontwikkeld en gerealiseerd onder de naam “buurtschap Harnasmolen”. Het deel “West” wordt op dit moment ontwikkeld en het plangebied valt onder het deelgebied “Midden”. In de omgeving van het projectgebied zijn verder geen grootschalige ontwikkelingen bekend die kunnen leiden tot een stapeling (cumulatie) van milieueffecten. C. het gebruik van natuurlijke hulpbronnen Onder natuurlijke hulpbronnen worden onder andere niet vernieuwbare bronnen, zoals fossiele brandstoffen verstaan, maar ook hernieuwbare bronnen, zoals hout, zon, rubber, drinkwater en zuurstof. Naast de reguliere materialen en hulpbronnen ten behoeve van realisatie en onderhoud van de gebouwde omgeving worden geen natuurlijke hulpbronnen gebruikt in het onderhavige plan. De woningen worden bovendien niet meer aangesloten op aardgas (fossiele brandstof) en kennen een hoge energieprestatie. Het gebruik van afvalstoffen vormt naar aard en omvang geen aanleiding voor het opstellen van een milieueffectrapportage. D.
de productie van afvalstoffen De productie van afvalstoffen is beperkt tot de bouwafvalstoffen tijdens de realisatie van onderhavig plan en toekomstige huishoudelijke afvalstoffen afkomstig van de woningen. De productie van afvalstoffen vormen naar aard en omvang geen aanleiding voor het opstellen van een milieueffectrapportage. E. verontreiniging en hinder In de aanlegfase kan tijdelijk sprake zijn van verkeers- en geluidhinder van bouwverkeer en bouwwerkzaamheden op locatie. Deze situatie is tijdelijk en leidt niet tot mogelijk belangrijke milieugevolgen. In de gebruiksfase worden ten gevolge van de activiteiten geen belangrijke nadelige effecten verwacht. Verder leidt dit project niet tot onevenredige aantasting van beschermde natuurgebieden. F. het risico van zware ongevallen en/of rampen, waaronder rampen door klimaatverandering De realisatie en ingebruikname van de woningen betreft geen risicovolle inrichting. G. risico’s voor de menselijke gezondheid (bijvoorbeeld als gevolg van waterverontreiniging of luchtvervuiling) Bij de functie welke mogelijk worden gemaakt bij voorgenomen ontwikkeling (wonen) ontstaat er geen relevante emissie van gevaarlijke/verontreinigende stoffen die schadelijk zijn voor de menselijke gezondheid. H. het bestaande grondgebruik Het plangebied kent binnen het bestemmingsplan ‘Harnaschpolder - Noord.’ de bestemming ‘Wonen -Uit te werken 1’.
Het plangebied betreft een braakliggend terrein, er is geen bebouwing aanwezig binnen het plangebied. I.
relatieve rijkdom aan en beschikbaarheid, kwaliteit en regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen (met inbegrip van bodem, land, water en biodiversiteit) van het gebied Het plangebied en de omgeving hebben geen bijzondere rijkdom aan natuurlijke hulpbronnen, waardoor maar beperkt sprake is van kwaliteit en regeneratievermogen van natuurlijke hulpbronnen. In paragraaf 3.2 is nader ingegaan op de (potentieel) aanwezige natuurwaarden.
datum referentie
14 december 2022 190489_AdB_RAP_0002_v1_AanmeldnotitieMER
P 6/12
J. Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu Het plangebied maakt ook geen deel uit van een natuur- of groengebied met een beschermde status. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is Solleveld & Kapittelduinen op ca. 8,5 km afstand van het plangebied. Op de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart van de Gemeente Midden-Delfland ligt het plangebied in een zone met grotendeels een lage archeologische verwachtingswaarde. Een kleine strook in het westen en noorden van het plangebied heeft een archeologische waarde en heeft in het huidige bestemmingsplan de dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie 2'. Deze omvat de hoge verwachtingszone die gekoppeld is aan de geulafzettingen van de Gantel Laag. In deze zone zijn bodemingrepen tot 50 m2 en 40 cm –maaiveld vrijgesteld van archeologisch onderzoek. Het betreft een oppervlakte van circa 750 m2. Ter hoogte van deze archeologische verwachtingswaarde zijn geen woningen beoogd, enkel openbaar groen en openbare verharding. De bodemingrepen gaan hiermee niet dieper dan 40 cm. De eventueel aanwezig archeologische waarden blijven hiermee geborgd.
datum referentie
14 december 2022 190489_AdB_RAP_0002_v1_AanmeldnotitieMER
P 7/12
3.2 Kenmerken van het potentiële effect Bij de potentiële aanzienlijke effecten van het project moeten in samenhang met de criteria die besproken zijn onder paragraaf 3.1 (de plaats en kenmerken van het project) in het bijzonder in overweging worden genomen: • • • • • • • •
de orde van grootte en het ruimtelijk bereik van de effecten; de aard van het effect; het grensoverschrijdend karakter van het effect; de intensiteit en de complexiteit van het effect; de waarschijnlijkheid van het effect; de verwachte aanvang, de duur, de frequentie en de omkeerbaarheid van het effect; de cumulatie van effecten met de effecten van andere projecten; de mogelijkheid om de effecten doeltreffend te verminderen.
De mogelijke milieueffecten worden, indien aan de orde, aan de hand van de verschillende relevante thema’s beschreven. 3.2.1 Bodem Potentiële effecten ten aanzien van bodem zijn op voorhand niet te verwachten. Er wordt geen activiteit mogelijk gemaakt die een mogelijk bodemrisico met zich mee brengt. Binnen het plangebied is bodemonderzoek uitgevoerd (Verkennend bodemonderzoek ‘Het Schanier’ te Den Hoorn, Aveco de Bondt, d.d. 26 september 2019). Hieruit kan de conclusie worden getrokken dat gezien de vastgestelde bodemkwaliteit er geen risico’s zijn voor de volksgezondheid en/of het milieu. Voor geen van de gemeten stoffen wordt de interventiewaarde overschreden. Conclusie Geconcludeerd wordt dat ten aanzien van bodem geen belangrijke nadelige gevolgen zijn te verwachten voor het milieu en/of de omgeving. 3.2.2 Water Extreme weersomstandigheden zoals extreme temperaturen en veel neerslag komen steeds vaker voor door de klimaatverandering. Dit geeft aanleiding tot o.a. meer overstromingen op meer verschillende plaatsen, een hoger waterpeil van oppervlaktewateren en aanhoudende periodes van extreme droogte. Voor de voorgenomen ontwikkeling is een watertoetsproces doorlopen. Met de voorgenomen ontwikkeling is er sprake van een toename aan verhard oppervlak. Voor deze toename is reeds gecompenseerd in het algehele ontwerp van de Harnaschpolder.
Dit is onderbouwd in het “geactualiseerd waterhuishoudkundig plan voor 2017 en verder” dat is opgesteld door TAUW in 2018. De verharding in de toekomstige situatie bedraagt 43% van het plangebied en ligt onder de grens van 50% waar rekening mee is gehouden in het algehele waterstructuurplan van de regio. Het plangebied leent zich slecht voor infiltratie van hemelwater vanwege een slecht doorlatende bodem. Daarom zal het hemelwater afwateren naar de omliggende watergangen die hiervoor reeds zijn aangelegd. Het hemelwater wordt hiermee niet meer op het bestaande riool aangesloten. De haaksparkeerplaatsen in het openbaar gebied worden aangelegd in een open verharding (zoals TTE systeem, grasbetonsteen of vergelijkbaar) waardoor het groene karakter versterkt wordt. Conclusie Geconcludeerd wordt dat ten aanzien van water geen belangrijke nadelige gevolgen zijn voor het milieu.
datum referentie
14 december 2022 190489_AdB_RAP_0002_v1_AanmeldnotitieMER
P 8/12
3.2.3 Geluid Met voorgenomen ontwikkeling wordt er geen functie gerealiseerd welke geluidsoverlast veroorzaakt. Met voorgenomen ontwikkeling treedt er geen hinder wat betreft geluid op voor de omgeving. Conclusie Geconcludeerd wordt dat ten aanzien van geluid geen belangrijke nadelige gevolgen zijn te verwachten voor het milieu en/of de omgeving. 3.2.4 Luchtkwaliteit Potentiële effecten ten aanzien van luchtkwaliteit zijn met name gerelateerd aan de toename van het aantal verkeersbewegingen die het plan met zich mee brengt. Daarnaast dient de luchtkwaliteit in het gebied in beschouwing te worden genomen. Aangezien de voorgenomen ontwikkeling een gevoelige functie betreft is in het kader van een goede ruimtelijke ordening met behulp van de RIVM kaarten gekeken of de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied voldoet aan de gestelde normen. Uit die monitor blijkt dat nabij het plangebied in het peiljaar 2020 geen overschrijding van een grenswaarde bestaat. De waarden voor stikstofdioxide, fijn stof en zeer fijn stof blijven ruim onder de geldende normwaarden. Gebleken is dat de voorgenomen ontwikkeling geen significante verslechtering van de luchtkwaliteit veroorzaakt. Binnen het plangebied worden 30 eengezinswoningen gerealiseerd.
Dit aantal woningen valt ruim binnen de grenswaarde van 3% en zal derhalve niet in betekenende mate bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. De bestaande luchtkwaliteit voldoet ruimschoots aan de normen in het kader van een goed woon- en leefklimaat. Conclusie Geconcludeerd wordt dat ten aanzien van luchtkwaliteit geen belangrijke nadelige gevolgen zijn te verwachten voor het milieu en/of de omgeving. 3.2.5 Flora en Fauna Potentiële effecten ten aanzien van flora en fauna zijn met name gerelateerd aan soortenbescherming binnen en direct rondom het plangebied en gebiedsbescherming van natuurgebieden. Effecten ontwikkeling op gebiedsbescherming Het plangebied behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000-gebied. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties, omdat de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland geen externe werking kent. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is Solleveld & Kapittelduinen op ca. 8,5 km afstand van het plangebied. Gelet op de aard en omvang van de voorgenomen activiteiten, en de ligging van het plangebied ten opzichte van Natura 2000- gebied Solleveld & Kapittelduinen, kan een negatief effect op de instandhoudingsdoelen van het Natura 2000-gebied op voorhand uitgesloten worden.
Voor de voorgenomen ontwikkeling is een AERIUS-calculatie uitgevoerd. De stikstofemissie als gevolg van de verkeersgeneratie welke ontstaat van en naar de toekomstige woningen is in beeld gebracht. Uit deze AERIUScalculatie blijkt dat de stikstofemissie in de gebruiksfase en realisatiefase niet leidt tot stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden (niet hoger dan 0,00 mol/ha/jaar).
datum referentie
14 december 2022 190489_AdB_RAP_0002_v1_AanmeldnotitieMER
P 9/12
De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot een overtreding van de verbodsbepaling uit de Wet natuurbescherming ten aanzien van Natura 2000-gebieden. Verdere toetsing in de vorm van een verslechteringstoets of een passende beoordeling of het aanvragen van een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming is niet aan de orde. Effecten ontwikkeling op soortenbescherming In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is een Quickscan flora en fauna uitgevoerd. Uit de quickscan kan geconcludeerd worden dat het plangebied niet geschikt is voor beschermde soorten. Conclusie Geconcludeerd wordt dat ten aanzien van flora en fauna geen belangrijke nadelige gevolgen zijn te verwachten voor het milieu en/of de omgeving. 3.2.6 Externe veiligheid Potentiële effecten ten aanzien van externe veiligheid zijn met name gerelateerd aan de aanwezigheid van risicobronnen in de omgeving van het gebied en/of de realisatie van risicovolle inrichtingen binnen het plan. Binnen het plangebied wordt geen risicovolle inrichting mogelijk gemaakt. Het plangebied is enkel gelegen binnen het invloedgebied van de A4 en een aardgastransportleiding waar een beperkte verantwoordingsplicht (artikel 7 van het Bevt) voor geldt. Er zijn voldoende mogelijkheden voor zelfredzaamheid.
Er bestaan geen feitelijke mogelijkheden om middels de omgevingsvergunning de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp direct te beïnvloeden. De bestrijding vindt voor zover mogelijk plaats bij de risicobron en het plangebied bij eventuele calamiteiten over het algemeen goed bereikbaar is voor de hulpdiensten. Conclusie Geconcludeerd wordt dat ten aanzien van externe veiligheid geen belangrijke nadelige gevolgen zijn te verwachten voor het milieu en/of de omgeving
datum referentie
14 december 2022 190489_AdB_RAP_0002_v1_AanmeldnotitieMER
P 10/12
3.3 Samenvatting milieueffecten In tabel 3.1 zijn de conclusies van de beoordeling van de potentiële effecten van de ontwikkeling samengevat en is aangegeven of het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk is. Tabel 3.1 Milieueffecten (milieu)Thema
Conclusie beoordeling potentiële effecten Doorlopen m.e.r.-procedure noodzakelijk
Bodem
Geconcludeerd wordt dat ten aanzien van bodem geen belangrijke nadelige gevolgen zijn te verwachten voor het milieu en/of de omgeving.
Nee
Water
Geconcludeerd wordt dat ten aanzien van water geen belangrijke nadelige gevolgen zijn te verwachten voor het milieu en/of de omgeving.
Nee
Geluid
Geconcludeerd wordt dat ten aanzien van geluid geen belangrijke nadelige gevolgen zijn te verwachten voor het milieu en/of de omgeving.
Nee
Luchtkwaliteit
Geconcludeerd wordt dat ten aanzien van luchtkwaliteit geen belangrijke nadelige gevolgen zijn te verwachten voor het milieu en/of de omgeving.
Nee
Flora en Fauna
Geconcludeerd wordt dat ten aanzien van soortenbescherming en gebiedsbescherming (Natura 2000 en Natuurnetwerk Nederland) geen belangrijke nadelige gevolgen zijn te verwachten voor het milieu en/of de omgeving.
Nee
Externe veiligheid
Geconcludeerd wordt dat ten aanzien van externe Nee veiligheid geen belangrijke nadelige gevolgen zijn te verwachten voor het milieu en/of de omgeving.
datum referentie
14 december 2022 190489_AdB_RAP_0002_v1_AanmeldnotitieMER
P 11/12
4
Beoordeling van de effecten en conclusies
Het voornemen om woningbouw te realiseren binnen het plangebied heeft geen nadelige gevolgen voor het milieu. Wanneer er geen ‘nadelige gevolgen’ zijn voor het milieu is het conform de wetgeving en de vigerende praktijk niet noodzakelijk om een volledige m.e.r.-procedure te doorlopen. Op basis van de huidige kennis en uitgangspunten ten tijde van het uitvoeren van deze m.e.r.-beoordeling, kan voor alle aspecten worden uitgesloten dat onderhavig plan belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu oplevert. Geadviseerd wordt om de gemeente Midden-Delfland op basis van deze notitie te laten besluiten dat geen milieueffectrapportage nodig is.
datum referentie
14 december 2022 190489_AdB_RAP_0002_v1_AanmeldnotitieMER
P 12/12