CConstaterende datMidden-Delfland
Koppel je AI →
Document · PDF

06 Ruimtelijke onderbouwing BIjlage 6 - Rapport verkennend natuuronderzoek Den Hoorn

Gemeenteraad 26 september 2023, gemeente Midden-DelflandBij agendapunt: Voorstel definitieve Verklaring van Geen Bedenkingen Harnasmolen fase 23.992 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Actualisatie verkennend natuuronderzoek locatie Harnasmolen Den Hoorn Onderzoek naar de mogelijke effecten van de voorgenomen ontwikkeling op beschermde soorten flora en fauna en beschermde natuurgebieden

Datum: 22-07-2023 Auteur: D. Tuitert Opdrachtgever: Aveco de Bondt Rapportnummer: VKNO/2023/22.07 Versie: D1

Inhoud Inhoud ................................................................................................................................. 2 1 Inleiding ........................................................................................................................ 3 1.1 Aanleiding............................................................................................................ 3 1.2 Doelstelling .......................................................................................................... 3 1.3 Onderzoeksgebied .............................................................................................. 3 2 Wettelijk kader ............................................................................................................. 6 2.1 Wet natuurbescherming; Natura 2000 ................................................................ 6 2.2 Wet natuurbescherming; Soortenbescherming ................................................... 6 2.3 Beleid ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland ....................................... 7 3 Gebiedsbescherming ................................................................................................... 8 3.1 Natura 2000-gebieden ........................................................................................

8 3.2 Natuurnetwerk Nederland ................................................................................... 8 4 Soortenbescherming .................................................................................................. 10 4.1 Verkennend veldbezoek .................................................................................... 10 4.2 Flora .................................................................................................................. 10 4.3 Vogels ............................................................................................................... 10 4.4 Zoogdieren ........................................................................................................ 12 4.4.1 Vleermuizen .................................................................................................. 12 4.4.2 Overige zoogdiersoorten ............................................................................... 12 4.5 Vissen, amfibieën en reptielen .......................................................................... 13 4.6 Ongewervelden ................................................................................................. 13 5 Conclusie ...................................................................................................................

14 5.1 Wet natuurbescherming; Natura 2000 .............................................................. 14 5.2 Wet natuurbescherming; soortenbescherming ................................................. 14 5.3 Natuurnetwerk Nederland ................................................................................. 14

2

1

Inleiding

1.1 Aanleiding Ten noorden en zuiden van de Woudselaan in Den Hoorn liggen twee percelen die worden herontwikkeld tot woningbouwlocatie. Hiervoor is in 2019 door Aveco de Bondt een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Omdat deze quickscan inmiddels gedateerd is, is gevraagd om deze te actualiseren. Voorliggend rapport bevat de uitkomsten van deze actualisatie van de quickscan flora en fauna uit 2019.

Figuur 1.1: Locatie onderzoeksgebied (rood omlijnd).

1.2 Doelstelling De doelstelling van dit onderzoek is om duidelijkheid te verkrijgen over de vraag of door de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming worden overtreden ten aanzien van beschermde soorten flora en fauna of Natura 2000-gebieden of uit de Omgevingsverordening van de provincie Overijssel ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland. Indien sprake is van effecten op beschermde soorten flora en fauna, dan is voor de ingreep mogelijk een ontheffing vereist op grond van de Wet natuurbescherming. Indien sprake is van significante gevolgen voor Natura 2000gebieden, dan is voor de ingreep mogelijk een vergunning vereist op grond van de Wet natuurbescherming. Aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland is alleen onder voorwaarden toegestaan binnen de ruimtelijke procedures. 1.3 Onderzoeksgebied Het onderzoeksgebied betreft twee percelen aan de noord- en zuidzijde van de Woudselaan in Den Hoorn. Beide percelen zijn graslandpercelen die momenteel in gebruik zijn als schapenweide. Langs de randen van het onderzoeksgebied lopen enkele watergangen, maar deze vallen buiten de begrenzing van het onderzoeksgebied. Langs de randen van het onderzoeksgebied is ook begroeiing in de vorm van dichte heggen en hagen en struweelbeplanting aanwezig.

Ook deze vallen buiten de begrenzing van het onderzoeksgebied. In het noordelijke perceel is een verhoogd grondlichaam aanwezig dat be-

3

groeid is met een grasvegetatie. Ten noorden van dit grondlichaam bevindt zich een ondiepe slenk. Tijdens het veldbezoek stond deze droog, maar uit luchtfoto’s blijkt dat hier in de winter en het vroege voorjaar waarschijnlijk wel een laagje water in kan staan. In het onderzoeksgebied is geen bebouwing aanwezig en bevinden zich geen bomen of struweel. Ten opzichte van de situatie in 2019 ten tijde van de quickscan flora en fauna van Aveco de Bondt is het onderzoeksgebied niet wezenlijk gewijzigd. Destijds was het zanddepot op het perceel aan de noordzijde van de Woudselaan net aangelegd en was hier nog sprake van een overwegend zandig substraat. Inmiddels heeft zich hier een grazige vegetatie gevestigd die wordt begraasd door schapen. Onderstaande foto’s gemaakt tijdens het veldbezoek op 4 juli 2023 geven een actuele indruk van het onderzoeksgebied.

4

Foto 1 t/m 13: Indruk onderzoeksgebied.

5

2

Wettelijk kader

2.1 Wet natuurbescherming; Natura 2000 Het gebiedsbeschermingsdeel van de Wet natuurbescherming heeft als doel het beschermen van Natura 2000-gebieden (Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijngebieden) in Nederland. Projecten die significante gevolgen voor deze gebieden kunnen hebben, zijn in beginsel – zonder vergunning – niet toegestaan. Ook het vaststellen van plannen zoals een bestemmingsplan of een inpassingsplan is niet toegestaan, indien het betreffende plan significante gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden. Naast directe effecten (bijv. ruimtebeslag), dient ook gekeken te worden naar indirecte effecten als gevolg van externe werking (bijv. door geluid, licht en stikstofdepositie). De eerste stap in de toetsing is vaak een voortoets. Als significante gevolgen in de voortoets niet op voorhand met zekerheid kunnen worden uitgesloten, dan is een passende beoordeling noodzakelijk. In dat geval is voor een project een vergunning noodzakelijk op grond van artikel 2.7 Wet natuurbescherming. 2.2 Wet natuurbescherming; Soortenbescherming In de Wet natuurbescherming is de soortenbescherming in Nederland geregeld. In de wet zijn lijsten opgenomen met beschermde soorten.

In de Wet natuurbescherming worden drie verschillende beschermingsregimes gehanteerd waaraan verschillende verbodsbepalingen zijn gekoppeld: Soorten Vogelrichtlijn (artikel 3.1 e.v.): • lid 1) Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen; • lid 2) Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen; • lid 3) Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben; • lid 4) Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen; • lid 5) Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.

Soorten Habitatrichtlijn (artikel 3.5 e.v.); • lid 1) Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen; • lid 2) Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren; • lid 3) Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen; • lid 4) Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen; • lid 5) Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Andere Soorten (artikel 3.10 e.v.) • lid 1) Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: ❖ onderdeel a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen;

6

❖ onderdeel b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of ❖ onderdeel c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Ten aanzien van de andere beschermde soorten geldt dat het bevoegd gezag (provincies c.q. ministerie van LNV) de vrijheid hebben om soorten binnen deze categorie vrij te stellen van de verbodsbepalingen uit ontheffingsplicht artikel 3.10 uit de Wet natuurbescherming. Voor beschermde soorten die niet zijn vrijgesteld dient bij overtreding van de verbodsbepalingen uit de Wnb een ontheffing te worden aangevraagd. Voor vogels geldt in afwijking hierop dat voor verstoring geen ontheffing nodig is, indien de gunstige staat van instandhouding niet in het geding is. Het is ook mogelijk om voor beide categorie soorten te werken volgens een goedgekeurde gedragscode die is afgestemd op de Wet natuurbescherming. Er is dan geen ontheffing nodig.

2.3 Beleid ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is het ruimtelijk beleid op rijks-, provinciaal, en gemeentelijk niveau vastgesteld, waarin onder andere de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) (voorheen Ecologische Hoofdstructuur, EHS) is verankerd. De EHS werd officieel geïntroduceerd in het Natuurbeleidsplan en is daarna opgenomen in de Nota Ruimte, welke inmiddels vervangen is door de Structuurvisie infrastructuur en ruimte (SVIR). Kaderstellende regels ten aanzien van o.a. NNN zijn opgenomen in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Bij geplande ingrepen die binnen het NNN vallen moet het belang van de natuurbescherming worden afgewogen tegen andere belangen, indien de voorgenomen ingreep negatief uitwerkt op de aanwezige natuurwaarden. De kern van de afweging vormt het 'nee, tenzij'-principe. Dit wil zeggen dat schadelijke ingrepen niet zijn toegestaan, tenzij er andere belangen zijn die de ingreep rechtvaardigen. In dat geval zijn compenserende maatregelen voorgeschreven. Concrete beleidsregels ten aanzien van de NNN in Zuid-Holland zijn opgenomen in de vigerende Omgevingsverordening van de provincie Zuid-Holland.

7

3

Gebiedsbescherming

3.1 Natura 2000-gebieden Het onderzoeksgebied maakt geen onderdeel uit van de begrenzing van een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is Solleveld & Kapittelduinen op ca. 9 km afstand van het onderzoeksgebied. Andere Natura 2000-gebieden liggen op grotere afstand (> 10 km) van het onderzoeksgebied.

Figuur 3.1: Ligging Natura 2000-gebieden ten opzichte van het onderzoeksgebied (rode stip). Bron: Atlas van Zuid-Holland.

Het onderzoeksgebied ligt op relatief grote afstand van omliggende Natura 2000gebieden (> 9 km) en is niet direct zichtbaar vanuit omliggende Natura 2000-gebieden. Van optische verstoring van soorten in Natura 2000-gebieden is derhalve geen sprake. Gelet op relatief grote afstand tot Natura 2000, de besloten ligging in stedelijk gebied en de beperkte impact van de ingreep (reguliere bouwwerkzaamheden), kan verstoring van soorten in Natura 2000-gebieden door licht en geluid op voorhand worden uitgesloten. Het onderzoeksgebied heeft ook geen ecologische binding met omliggende Natura 2000gebieden. Zo vormt het onderzoeksgebied geen optimaal geschikt foerageergebied voor soorten die in omliggende Natura 2000-gebieden slapen of rusten. Van een significante verstoring van kwalificerende soorten is geen sprake. Significante gevolgen door oppervlakteverlies, verstoring door licht of geluid of optische verstoring zijn op voorhand met zekerheid uitgesloten. Omliggende Natura 2000-gebieden zijn stikstofgevoelige gebieden. Als gevolg van de aanlegwerkzaamheden en tijdens de gebruiksfase komen tijdelijk extra stikstofemissies vrij die zouden kunnen leiden tot een toename aan stikstofdepositie op omliggende stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden.

Aan de hand van een stikstofberekening zal moeten worden vastgesteld of de voorgenomen herontwikkeling tijdens de aanleg kan leiden tot een toename aan stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden. Als dit het geval is, dan is voor de projectfase mogelijk een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming nodig voor het aspect stikstofdepositie. 3.2 Natuurnetwerk Nederland Het onderzoeksgebied ligt niet binnen de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) en maakt geen onderdeel uit van de begrenzing van een belangrijk weidevogelgebied. Aangezien de Omgevingsverordening van Zuid-Holland geen bepalingen ten aanzien van externe werking kent, is nadere toetsing aan de bepalingen uit de Omgevingsverordening van de provincie Zuid-Holland ten aanzien van het NNN niet aan de orde.

8

Gelet op de kleinschaligheid van de voorgenomen ingreep (reguliere bouwwerkzaamheden) en de relatief grote afstand tot omliggende NNN-gebieden, wordt een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN overigens ook niet verwacht.

Figuur 3.2: Ligging NNN en belangrijk weidevogelgebied ten opzichte van het onderzoeksgebied (rode stip). Bron: Atlas van Zuid-Holland.

9

4

Soortenbescherming

4.1 Verkennend veldbezoek Op 4 juli 2023 heeft een verkennend veldbezoek in het onderzoeksgebied plaatsgevonden tijdens de daglichtperiode (ochtend). Het onderzoeksgebied is te voet onderzocht op de aanwezigheid en potentiële aanwezigheid van beschermde flora- en faunawaarden. Tijdens het veldbezoek is gebruik gemaakt van een verrekijker en een zaklamp en met een camera zijn de in dit rapport opgenomen afbeeldingen gemaakt. Het onderzoeksgebied is bekeken op aanwezigheid van (sporen van) beschermde soorten en potentie voor aanwezigheid van beschermde soorten planten en dieren. Er is gekeken naar potentieel geschikte verblijfplaatsen en sporen die op de aanwezigheid van beschermde soorten kunnen duiden, zoals holen, nesten, graaf-, krab- en bijtsporen, haren, prooiresten, pootafdrukken en uitwerpselen. Voorafgaand aan het veldbezoek is de NDFF geraadpleegd. Er zijn in de NDFF diverse waarnemingen van niet-vrijgestelde beschermde soorten uit het onderzoeksgebied en de directe omgeving daarvan uit de afgelopen 5 jaar. Het betreft met name waarnemingen van vogelsoorten, te weten blauwe reiger, braamsluiper, ekster, grote bonte specht, halsbandparkiet, heggenmus, houtduif, kauw, kleine mantelmeeuw, kleine plevier, knobbelzwaan, putter, ringmus, scholekster, sperwer, spreeuw, turkse tortel, waterhoen, zilvermeeuw en zwarte kraai.

Ook is een waarneming gedaan in 2021 van een foeragerende dwergvleermuis langs de Harnaschdreef net buiten het onderzoeksgebied. Verder ontbreken waarnemingen van beschermde soorten in de NDFF van het onderzoeksgebied. 4.2 Flora Er zijn geen verspreidingsgegevens van beschermde plantensoorten bekend uit het onderzoeksgebied. Het onderzoeksgebied bevat ook geen geschikt biotoop voor beschermde plantensoorten. Het betreft een intensief beheerd grasland dat wordt gebruikt als schapenweide. Hier ontbreken geschikte standplaatseisen voor beschermde plantensoorten. Tijdens het veldbezoek zijn ook geen beschermde soorten vaatplanten in het onderzoeksgebied aangetroffen. Aanwezigheid van beschermde plantensoorten in het onderzoeksgebied kan derhalve op voorhand worden uitgesloten. Nader onderzoek naar planten of het aanvragen van een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming is niet aan de orde. 4.3 Vogels Er zijn diverse waarnemingen van vogels bekend in de NDFF uit het onderzoeksgebied of de directe omgeving. Van de waargenomen vogelsoorten is alleen de sperwer een soort met een jaarrond beschermde nestplaats. Er is eenmaal een jagende sperwer waargenomen in de omgeving van het onderzoeksgebied. Er zijn geen nestindicerende waarnemingen van de soort bekend uit de directe omgeving. De overige aangetroffen soorten zijn vogels waarvan het nest niet jaarrond is beschermd.

In een zienswijze op het ontwerp-bestemmingsplan is aangegeven dat in woningen buiten het onderzoeksgebied huismussen broeden en dat deze gebruik maken van het onderzoeksgebied om te foerageren. Tijdens het veldbezoek dat heeft plaatsgevonden tijdens het broedseizoen van de huismus zijn geen foeragerende huismussen waargenomen in het onderzoeksgebied. Dat neemt echter niet weg dat het onderzoeksgebied op andere momenten wel gebruikt kan worden als foerageergebied voor de huismus. Leefgebied (foerageergebied) van de huismus is in beginsel niet beschermd op grond van de Wet natuurbescherming. De Wet natuurbescherming kent alleen verbodsbepalingen ten aanzien van vaste rust- of voortplantingsplaatsen (nestplaatsen) van een beschermde soort. Op grond van vaste jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de

10

Raad van State is foerageergebied van een beschermde soort echter ook beschermd als dit van essentieel belang is voor het functioneren van de nestplaats(en) van de soort. Er is dan sprake van essentieel leefgebied dat bepalend is voor de functionaliteit van de nestplaats. Er is pas sprake van een overtreding van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming wanneer zodanig veel foerageergebied van de huismus verloren gaat dat daardoor de functionaliteit van de buiten het plangebied gelegen nestplaatsen van de soort in het geding komt. Dat is hier niet aan de orde. Ten tijde van het veldbezoek tijdens het broedseizoen van de huismus zijn geen foeragerende huismussen in het onderzoeksgebied waargenomen. Dat betekent dat huismussen (ook) elders in de omgeving van hun nestplaatsen foerageren. Uit een omgevingscheck blijkt dat in de directe omgeving van de woningen waarin de huismussen (kunnen) broeden veel geschikt foerageergebied met voldoende dekking in de vorm van struweel en hagen aanwezig is in de vorm van groene tuinen en groene buitenruimtes rondom bedrijfsgebouwen. Het voortbestaan van mogelijke nestplaatsen buiten het onderzoeksgebied komt niet in het geding door de voorgenomen herontwikkeling van het onderzoeksgebied.

Figuur 4.3: Voor huismus geschikt leefgebied (blauw omlijnd) in de omgeving van het onderzoeksgebied (rood omcirkeld).

Voor de in het noordelijk deel van het onderzoeksgebied gelegen slenk geldt dat deze in nattere delen van het jaar kan worden gebruikt als foerageergebied voor steltlopers en watervogels. Omdat deze slenk gedurende het broedseizoen van vogels (grotendeels) droog valt, is geen sprake van essentieel foerageergebied voor broedende vogels. Voor niet-broedvogels geldt dat leefgebied niet is beschermd op grond van de Wet natuurbescherming onder de bepalingen ten aanzien van soortenbescherming. In het onderzoeksgebied is geen bebouwing aanwezig waarin gebouwbewonende vogels met een jaarrond beschermde nestplaats zoals huismus, gierzwaluw, kerkuil en steenuil kunnen broeden. In het onderzoeksgebied zijn ook geen oudere bomen aanwezig waarin boombewonende vogels met een jaarrond beschermde nestplaats zoals roofvogels, ransuil en roek kunnen broeden. Aanwezigheid van jaarrond beschermde vogelnesten in het onderzoeksgebied kan daarom op voorhand worden uitgesloten.

11

Wel kunnen diverse algemeen voorkomende (zang)vogels in en langs de randen van het onderzoeksgebied broeden. Hier zijn enkele dichte heggen en hagen en begroeide oeverzones van watergangen aanwezig. Nesten van dergelijke algemeen voorkomende (zang)vogels zijn niet jaarrond beschermd. Tijdens het broedseizoen dient wel rekening gehouden te worden met de aanwezigheid van broedende (zang)vogels hier. Vogels mogen niet zodanig worden verstoord dat dit van invloed is op de gunstige staat van instandhouding van de betreffende soorten. Werkzaamheden waarbij broedende vogels kunnen worden verstoord dienen daarom buiten het broedseizoen van vogels te worden uitgevoerd of er moeten van tevoren maatregelen worden getroffen waardoor vogels niet in het werkgebied zullen gaan broeden. Nader onderzoek naar vogels of het aanvragen van een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming is niet aan de orde, indien voldoende rekening wordt gehouden met aanwezige broedende vogels waarvan het nest niet jaarrond is beschermd. 4.4

Zoogdieren

4.4.1 Vleermuizen Er zijn geen waarnemingen van beschermde soorten vleermuizen bekend uit het onderzoeksgebied zelf. Net buiten het onderzoeksgebied is een waarneming van een foeragerende gewone dwergvleermuis gedaan langs de Harnaschdreef volgens de NDFF. Er staan geen gebouwen in het onderzoeksgebied waarin gebouwbewonende vleermuizen kunnen verblijven. In het onderzoeksgebied zijn ook geen oudere bomen aanwezig waarin boombewonende vleermuizen kunnen verblijven. Aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen in het onderzoeksgebied kan daarom op voorhand worden uitgesloten. Het onderzoeksgebied is relatief open, maar vormt met name langs de randen wel geschikt foerageergebied voor in stedelijk gebied voorkomende vleermuissoorten als gewone en ruige dwergvleermuis en laatvlieger. Van essentieel foerageergebied dat van wezenlijk belang is voor de functionaliteit van omliggende verblijfplaatsen is gezien het open karakter van het onderzoeksgebied geen sprake. In de directe omgeving is veel groen en open water aanwezig dat geschikt is als foerageergebied voor vleermuizen. Van een essentiële vliegroute van vleermuizen is geen sprake, omdat lijnvormige landschapselementen die door vleermuizen als vliegroute kunnen worden gebruikt ontbreken in het onderzoeksgebied.

Nader onderzoek naar vleermuizen of het aanvragen van een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming is niet aan de orde. 4.4.2 Overige zoogdiersoorten Er zijn geen waarnemingen van niet-vrijgestelde beschermde soorten overige zoogdieren bekend uit het onderzoeksgebied. Het onderzoeksgebied is grotendeels ongeschikt als leefgebied voor beschermde niet-vrijgestelde aan water gebonden soorten zoals otter, bever en waterspitsmuis vanwege het ontbreken van oppervlaktewater. Ook voor aan bos gebonden soorten zoals eekhoorn en boommarter ontbreekt geschikt leefgebied. Het grasland is geschikt als foerageergebied voor de das, maar deze soort komt niet in dit deel van het land voor. Tijdens het veldbezoek zijn ook geen sporen (snuitputjes, graafsporen, latrineputjes) van das aangetroffen in het onderzoeksgebied. Voor kleine marterachtigen is het onderzoeksgebied ook niet optimaal geschikt als leefgebied vanwege het ontbreken van voldoende dekking in een groot deel van het onderzoeksgebied. Van essentieel leefgebied voor kleine marterachtigen is daarom geen sprake. Aanwezigheid van niet-vrijgestelde beschermde soorten overige zoogdieren in het onderzoeksgebied kan op voorhand worden uitgesloten.

12

Nader onderzoek naar overige zoogdieren of het aanvragen van een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming is niet aan de orde. 4.5 Vissen, amfibieën en reptielen Er zijn geen waarnemingen van beschermde soorten vissen, amfibieën en reptielen bekend uit het onderzoeksgebied. In het onderzoeksgebied zelf zijn geen watergangen of plassen met oppervlaktewater aanwezig. Langs de randen van het onderzoeksgebied bevinden zich wel permanent watervoerende watergangen, maar deze vallen buiten het onderzoeksgebied. Aan de noordzijde van het noordelijke deel van het onderzoeksgebied is een ondiepe slenk aanwezig. Tijdens het veldbezoek stond deze droog. Op luchtfoto’s is te zien dat hier in de winterperiode en het vroege voorjaar soms water in staat. Er is geen oever- of onderwaterbegroeiing aanwezig in deze slenk. Dat maakt dat deze ongeschikt is als leefgebied voor de aan water gebonden ringslang. Er zijn ook waarnemingen bekend van ringslangen in de directe omgeving (NDFF). De combinatie van water en zandig substraat maakt het onderzoeksgebied in potentie geschikt voor de rugstreeppad. Tijdens de voorplantingsperiode van de soort (mei-juli) staat er echter geen water in de betreffende slenk. De watergangen rondom het plangebied bevatten vis en steilere oevertaluds waardoor deze niet optimaal geschikt zijn als voortplantingsplaats voor de rugstreeppad.

De soort komt bovendien ook niet voor in de directe omgeving van het onderzoeksgebied. Recente waarnemingen zijn gedaan in Delfgauw, Abtswoude en Honselersdijk, allemaal op grote afstand van het onderzoeksgebied. Aanwezigheid van de rugstreeppad wordt daarom niet verwacht in het onderzoeksgebied. In het onderzoeksgebied ontbreekt heide of andere schrale vegetaties als potentieel leefgebied voor hagedissen of slangen. Er ligt ook nauwelijks dood hout of ander organisch materiaal waar reptielen of amfibieën onder kunnen schuilen. Aanwezigheid van niet-vrijgestelde beschermde soorten amfibieën, reptielen en vissen in het onderzoeksgebied kan op voorhand worden uitgesloten. Nader onderzoek naar amfibieën, reptielen en vissen of het aanvragen van een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming is niet aan de orde. 4.6 Ongewervelden Er zijn geen waarnemingen van beschermde soorten ongewervelden bekend uit het onderzoeksgebied. Tijdens het verkennend veldbezoek is geconstateerd dat het onderzoeksgebied ongeschikt is als leefgebied voor beschermde soorten ongewervelden. Er zijn geen voor beschermde vlindersoorten geschikte waardplanten aanwezig en oppervlaktewater, moeras- en schrale vegetaties die geschikt leefgebied vormen voor beschermde soorten libellen en vlinders ontbreken.

In het onderzoeksgebied staat ook geen sleedoornstruweel dat geschikt is als leefgebied voor de sleedoornpage en in de watergangen langs het onderzoeksgebied is geen krabbenscheer aanwezig wat kan dienen als leefgebied voor de groene glazenmaker. In het onderzoeksgebied is geen oppervlaktewater aanwezig dat kan dienen als leefgebied voor de platte schijfhoren. De aanwezigheid van beschermde soorten ongewervelden in het onderzoeksgebied kan derhalve worden uitgesloten. Nader onderzoek naar ongewervelden of het aanvragen van een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming is niet aan de orde.

13

5

Conclusie

5.1 Wet natuurbescherming; Natura 2000 De voorgenomen herontwikkeling van het onderzoeksgebied leidt niet tot een overtreding van de verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming ten aanzien van Natura 2000. Nadere toetsing in de vorm van een passende beoordeling of het aanvragen van een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming is niet aan de orde. Het aspect stikstofdepositie wordt separaat getoetst aan de hand van een stikstofberekening. Indien blijkt dat sprake is van een toename aan stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden, dan is mogelijk een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming noodzakelijk. 5.2 Wet natuurbescherming; soortenbescherming Het onderzoeksgebied bevat geen bebouwing, dus aanwezigheid van verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen of vogels met een jaarrond beschermde nestplaats zoals huismus en gierzwaluw kan op voorhand kan worden uitgesloten. In het onderzoeksgebied zijn ook geen oudere bomen aanwezig die geschikt zijn als potentiële verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen of als nestplaats van eekhoorn of boombewonende vogels met een jaarrond beschermde nestplaats. Verder bevat het onderzoeksgebied geen groeiplaatsen, verblijfplaatsen, jaarrond beschermde vogelnesten, essentieel foerageergebied of essentiële vliegroutes van niet-vrijgestelde beschermde soorten flora en fauna.

Dit komt overeen met de uitkomsten van de quickscan flora en fauna van Aveco de Bondt uit 2019. Nader veldonderzoek of het aanvragen van een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming is niet aan de orde. Wel dient rekening gehouden te worden met aanwezigheid van broedvogels waarvan het nest niet jaarrond is beschermd in bomen, struweel en ruigtes op het terrein en in de oeverzones van aangrenzende watergangen. Dergelijke broedende vogels mogen niet verstoord worden tijdens het broeden indien dit van wezenlijke invloed kan zijn op de staat van instandhouding van de betreffende soort(en). 5.3 Natuurnetwerk Nederland De voorgenomen ingreep leidt niet tot een overtreding van de verbodsbepalingen uit de vigerende Omgevingsverordening van de provincie Zuid-Holland ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland. Verdere toetsing in de vorm van een “Nee, tenzij-toets” en het opstellen van een compensatieplan is niet aan de orde.

14

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=middendelfland&id=04c4c55f-7a02-4b65-958f-63abc2a3fde1