06 Ruimtelijke onderbouwing Bijlage 4 - 190489_AdB_RAP_0001_v2.0_Watertoets Harnasmolen fase 2 Den Hoorn
Tekst van het document
Harnasmolen planologische procedure Watertoets
datum
5 juni 2023
projectnummer
08172810
Rapport
Aveco de Bondt BV Holten - Amstelveen - Breda - Eindhoven - Nieuwegein
Postbus 64, 7450 AB Holten T +31 548 85 33 33 info@avecodebondt.nl avecodebondt.nl
Watertoets Harnasmolen fase 2 Den Hoorn project projectnummer projectleider
opdrachtgever postadres
contactpersoon
status versie fase auteur
Harnasmolen - planologische procedure 08172810 Juul Osinga
datum referentie
5 juni 2023 08172810_AdB_RAP_0001_v.2.0
Gebiedsontwikkeling Harnaschpolder cv Postbus 9034 3430 RA NIEUWEGEIN M. Stuiver Definitief 2.0 VO Huub Kuipers
paraaf gecontroleerd
datum referentie
ir. Thijs Visser
5 juni 2023 08172810_AdB_RAP_0001_v.2.0
P 1/28
Inhoudsopgave 1 1.1 1.2 1.3 1.4
Inleiding Doel Betrouwbaarheid en bruikbaarheid gegevens Plangebied Beoogde ontwikkeling
4 4 4 5 5
2 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6 2.7 2.8 2.9
Beleidskader Generiek beleid Waterbeleid voor de 21e eeuw Waterwet Nationaal Waterplan Watertoets Provincie Zuid-Holland Hoogheemraadschap van Delfland Gemeente Midden-Delfland Samenvatting beleid wateropgave
6 6 6 6 6 6 7 7 9 10
3 3.1 3.2
Gebiedseigenschappen Hoogteligging Bodemopbouw
11 11 11
4 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6
Bestaand watersysteem Waterveiligheid Oppervlaktewater en waterberging Peilgebieden Afvoer hemel- en afvalwater Grondwater Waterkwaliteit en ecologie
12 12 12 14 14 15 15
5 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6 5.7 5.8 5.9
Toekomstig watersysteem Waterveiligheid Oppervlaktewater en waterberging Verhard oppervlak Waterbergingsopgave Extreme neerslag Afvoer hemel- en vuilwater Ontwerphoogten en infiltratiemogelijkheid Beheer en onderhoud Vergunningen
16 16 17 20 20 21 21 22 23 23
6
Conclusie en aanbevelingen
24
Bijlage 1 Ontwikkeling Harnaschmolen
25
Bijlage 2 Boorprofielen en peilbuisdata met situatieschets
26
datum referentie
5 juni 2023 08172810_AdB_RAP_0001_v.2.0
P 2/28
Bijlage 3 Rioleringstekening (toekomstige situatie)
28
Bijlagen Bijlage 1 Ontwikkeling Harnaschmolen Bijlage 2 Boorprofielen en peilbuisdata met situatieschets Bijlage 3 Rioleringstekening (toekomstige situatie)
datum referentie
5 juni 2023 08172810_AdB_RAP_0001_v.2.0
P 3/28
1
Inleiding
Voor de ontwikkeling van 30 woningen in Den Hoorn wordt in opdracht van Gebiedsontwikkeling Harnaschpolder C.V. een bestemmingsplan opgesteld. Onderdeel van dit bestemmingsplan is de waterparagraaf. De waterparagraaf komt tot stand door het doorlopen van het watertoetsproces. Het plan is onderdeel van de herontwikkeling van de Harnaschpolder met de indeling volgens Bijlage 1 en waarin tevens de fases van de ontwikkelingen in Den Hoorn staan aangegeven. Het plangebied waar in deze rapportage op wordt ingegaan is met rood omlijnd. 1.1 Doel Het doel van deze rapportage is om inzichtelijk te maken of de waterhuishoudkundige situatie gaat veranderen naar aanleiding van de ontwikkeling en welke maatregelen genomen kunnen worden om een eventuele verslechtering van de waterhuishoudkundige situatie te voorkomen en/of de waterhuishouding te verbeteren. 1.2 Betrouwbaarheid en bruikbaarheid gegevens De beschikbare informatie die door de opdrachtgever is aangeleverd gelden als uitgangspunt voor deze watertoets en bestaat uit het voorlopig ontwerp “2022-06-17” en het verkennend bodemonderzoek “Het Schanier te Den Hoorn”. Om een goed ontwerp te kunnen maken zijn tevens bepaalde gegevens over de omgeving benodigd. In dit onderzoek zijn data voor verschillende toepassingen gebruikt, maar voor enkele onderwerpen zijn (in een volgende fase) aanvullende en betrouwbaardere data vereist.
Tabel 1-1 geeft per onderdeel aan in hoeverre data bruikbaar zijn en waar in volgende fasen aanvullende data vereist zijn. Tabel 1-1: Geschiktheid van gegevens per onderdeel met een toelichting als aanvullende data vereist zijn voor een volgende fase. Onderdeel
Huidige bron
Geschikt t/m fase
Grondwaterstand
DINOloket
VO
Bodemdoorlatendheid Verk. Bodem-onderzoek VO
Toelichting aanvullende data
Grondwaterstandmetingen vereist t.b.v. bepaling GHG om het minimale bouwpeil te bepalen. Infiltratiemetingen middels veldproeven zijn benodigd.
Bodemopbouw
Verk. Bodem-onderzoek VO
Hoogteligging
AHN3
VO
Verharding
VO-ontwerp
VO
Verhardingstoename berekenen o.b.v. het DO-ontwerp t.b.v. watercompensatie
Riolering
Gemeente tekening
VO
Afstemming met gemeente nodig over aansluitingen.
datum referentie
5 juni 2023 08172810_AdB_RAP_0001_v.2.0
P 4/28
1.3 Plangebied Het plangebied betreft een herontwikkelingslocatie en is gelegen aan de Woudselaan te Den Hoorn. Het betreft een binnenstedelijke ontwikkeling en rondom het plangebied liggen bestaande woningen en infrastructuur. Aan de oostzijde grenst het terrein aan de Harnaschdreef. Het gebied bestaat in de huidige situatie uit een onverhard braakliggend terrein (zie Figuur 1-1).
Figuur 1-1: Ligging van het plangebied.
1.4 Beoogde ontwikkeling In het plan wordt het gehele terrein ingericht voor woningbouw. In Figuur 1-2 is de verbeelding weergegeven van de beoogde ruimtelijke ontwikkeling. In totaal worden op het terrein 30 woningen gebouwd, waarvan 6 rijwoningen, 14 twee-onder-één-kapwoningen en 10 vrijstaande woningen. De woningen worden aangelegd in twee delen die verbonden zijn middels een nieuw aan te leggen straat.
Figuur 1-2: Verbeelding van de beoogde ruimtelijke ontwikkeling.
datum referentie
5 juni 2023 08172810_AdB_RAP_0001_v.2.0
P 5/28
2
Beleidskader
In dit hoofdstuk is het beleid van de betrokken instanties voor de waterhuishoudkundige aspecten kort uiteengezet. Het hieronder beschreven beleid geeft het kader waarin de toekomstige situatie moet worden ingepast. 2.1 Generiek beleid Op rijksniveau en Europees niveau zijn meerdere plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan. 2.2 Waterbeleid voor de 21e eeuw In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd: • Voorkeurstrits vasthouden, bergen, afvoeren: Deze strategie houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Indien vasthouden niet mogelijk is wordt het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden. Pas als vasthouden en bergen niet voldoende opleveren wordt het water afgevoerd. • Voorkeurstrits schoonhouden, scheiden en zuiveren: Bij deze strategie gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Indien dit niet mogelijk is worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden. Is ook dit niet mogelijk, dan dient het vuile water gezuiverd te worden. 2.3 Waterwet Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’.
Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. 2.4 Nationaal Waterplan Op basis van de Waterwet wordt elke zes jaar een Nationaal Waterplan vastgesteld. Het Nationaal Waterplan is het Rijksplan voor het waterbeleid in Nederland. Op 22 december 2015 is het Nationaal Waterplan 2016-2021 vastgesteld. Het Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Het Nationaal Waterplan 2016-2021 wordt opgevolgd door het Nationaal Water Programma 2022-2027. Hierin wordt het Nationaal Waterplan en het Beheer- en ontwikkelplan integraal opgepakt, zodat het Rijk zich voor kan bereiden op de komst van de Omgevingswet. 2.5 Watertoets In het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en Besluit ruimtelijke ordening dient het watertoetsproces doorlopen te worden. De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is niet een toets achteraf, maar een proces dat de gemeente en waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium.
De inzet daarbij is om in elk afzonderlijk plan met maatwerk het reeds bestaande waterhuishoudkundige en ruimtelijke beleid goed toe te passen en uit te voeren. Het watertoetsproces voor deze ontwikkeling is in gang gezet op 21-10-2021 via mailcontact met de gemeente en het waterschap. Waterschap Delfland is via deze weg door de initiatiefnemer van de ruimtelijke ontwikkeling op de hoogte gebracht van de plannen.
datum referentie
5 juni 2023 08172810_AdB_RAP_0001_v.2.0
P 6/28
2.6 Provincie Zuid-Holland Op grond van de verplichting in de Waterwet om een regionaal waterplan op te stellen heeft de provincie ZuidHolland het Ontwerp regionaal waterprogramma Zuid-Holland (februari 2021) opgesteld. Daarnaast zijn de Omgevingsverordening Zuid-Holland (2020) en het Convenant Klimaatadaptief Bouwen Zuid-Holland (2019) van toepassing. In het convenant staan regels en uitgangspunten voor het klimaatbestendig ontwikkelen binnen de provincie. De belangrijkste eisen voor water, hitte, bodemdaling en biodiversiteit zijn in Figuur 2-1 weergegeven.
Figuur 2-1: Eisen vanuit Convenant Klimaatadaptief Bouwen Zuid-Holland.
Planspecifiek • • • •
Het plangebied ligt buiten het Natuurnetwerk Nederland (NNN), voorheen EHS. Het plangebied bevindt zich niet in een grondwaterbeschermingsgebied of waterwingebied. Het plangebied heeft geen natuurfunctie. Het plangebied ligt niet nabij KRW wateren.
2.7 Hoogheemraadschap van Delfland Het waterbeheer in het plangebied is in handen van hoogheemraadschap van Delfland. Het waterschap heeft haar beleid vastgelegd in het Waterbeheerplan 2016-2021. Bij ruimtelijke ontwikkelingen maakt Delfland gebruik van de watersleutel (versie 07-2020) om de benodigde watercompensatie te bepalen. Als het gaat over normen en criteria, dan zijn de Keur en de Legger van het waterschap belangrijke uitgangspunten voor de waterhuishouding. In de Keur staan onder andere gebodsbepalingen en verbodsbepalingen en regels voor functies en activiteiten langs watergangen en waterkeringen.
datum referentie
5 juni 2023 08172810_AdB_RAP_0001_v.2.0
P 7/28
In het waterbeheerplan 2016-2021 zijn de onderstaande doelen geformuleerd die relevant zijn voor het bebouwde gebied in relatie tot het watersysteem: • • • • •
Een zelfvoorzienend en schoon watersysteem Interactie tussen watersysteem en waterketen Voorkomen van wateroverlast door het vasthouden van water en het aanpakken van knelpunten in polders en boezems Uiterlijk 2050 klimaatadaptief zijn conform de Deltabeslissing Ruimtelijke Adaptatie. Delfland gaat in nauwe samenwerking met gemeenten en andere belanghebbenden de Deltabeslissing Ruimtelijke Adaptatie nader uitwerken en uitdragen, waardoor de sponswerking in ons sterk verharde gebied toeneemt en bij ruimtelijke ontwikkelingen klimaatadaptief wordt gehandeld.
Bij nieuwbouw adviseert Delfland een drooglegging van 120 cm te hanteren om grondwaterproblemen en wateroverlast nu maar ook voor de toekomst te voorkomen. Bij het dempen van watergangen geldt de beleidsregel 'Dempen en graven' en bij het aanbrengen van kunstwerken is de beleidsregel ‘Kunstwerken in wateren’ van toepassing. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet altijd worden aangetoond dat wordt voldaan aan de uitgangspunten van goed waterbeheer. Met de invoering van de beleidsnota ‘Beperken en voorkomen van wateroverlast’, zijn de ABC-bergingsnormen komen te vervallen en hanteert Delfland het stand-still beginsel. De watersleutel geeft invulling aan het stand-still principe zoals benoemd in de Beleidsnota beperken en voorkomen wateroverlast (2014). De Watersleutel berekent de benodigde berging om negatieve effecten van de ontwikkeling op het hele peilgebied te beperken. Delfland hanteert als voorkeursvolgorde: • • •
Compenseren binnen het plangebied Compenseren binnen het peilvak waar de ontwikkeling plaatsvindt Compenseren in een ander peilvak, waar de ontwikkeling op afwatert. Indien het niet mogelijk is om te compenseren in het peilvak waar de ontwikkeling plaatsvindt, mag dus gecompenseerd worden door water te graven in een lager gelegen peilvak.
Voor het ruimtelijke plan is per thema het relevante artikel en Algemene regels uit de Keur Delfland weergegeven. Handelingen in het watersysteem Vanwege het werk in en nabij een primaire watergang zijn de volgende algemene regels van toepassing: • Artikel 3.1: vergunningsplicht met betrekking tot werkzaamheden in de beschermingszone van een waterstaatswerk • Artikel 3.2: vergunningsplicht water brengen in of onttrekken aan oppervlaktewaterlichamen. • Artikel 3.3: vergunningsplicht voor (mogelijk) infiltreren van grondwater.
datum referentie
5 juni 2023 08172810_AdB_RAP_0001_v.2.0
P 8/28
2.8 Gemeente Midden-Delfland In de planperiode 2007-2011 werden de 'Wet gemeentelijke watertaken' en de Waterwet van kracht. Met deze wetten zijn de gemeentelijke watertaken verbreed en hebben gemeenten de zorgtaak gekregen voor het: • • •
Doelmatig inzamelen en transporteren van stedelijk afvalwater (Wet milieubeheer, artikel 10.33); Inzamelen en verwerken van hemelwater dat redelijkerwijs niet op particulier terrein kan worden verwerkt (Waterwet, artikel 3.5); Treffen van doelmatige maatregelen tegen structurele grondwateroverlast en verwerking van ingezameld grondwater (Waterwet, artikel 3.6).
De beleidsmatige invulling van deze (verbrede) gemeentelijke watertaken wordt vastgelegd in het wettelijke verplichte gemeentelijke rioleringsplan (Wet milieubeheer, artikel 4.22). Bij de gemeente Midden-Delfland is dit het “Verbreed Gemeentelijk RioleringsPlan (vGRP) Midden-Delfland” 2016-20201. In verband met bezuinigingen is de looptijd van het vGRP uitgesteld tot 2024. Bij nieuwe ontwikkelingen dient geen negatieve invloed te ontstaan op zowel de grondwaterstand als de grondwaterkwaliteit. In het vGRP zijn de volgende minimale ontwateringsdiepten vastgesteld om (grond)wateroverlast te voorkomen: • • • •
openbaar groen 0,50 m; secundaire wegen 0,70 m; woningen zonder kruipruimte 0,50 m. woningen met kruipruimte 0,70 m;
In het vGRP geeft de gemeente de volgende zaken aan: • • •
• •
•
Bij nieuwbouw in de bebouwde kom wordt vrijverval rioolstelsel aangelegd, waarbij afvalwater gescheiden wordt afgevoerd van hemelwater. Bij nieuwbouw in buitengebied wordt afvalwater ingezameld via drukriolering en indien dit niet doelmatig is met een lokaal behandelingssysteem (IBA). De perceeleigenaar draagt de eerste verantwoordelijkheid om overtollig hemelwater te bergen op eigen perceel. De gemeente heeft vervolgens een inspanningsverplichting om, als dit niet mogelijk is, het overtollige hemelwater te ontvangen en af te voeren. Daarin kent de gemeente een zekere beleidsvrijheid. Dit houdt in dat, afhankelijk van de lokale situatie, de meest doelmatige oplossing zal worden gekozen voor de inzameling en verdere verwerking van het hemelwater. Conform de Waterwet hoeft de gemeente geen hemelwater te accepteren, tenzij er echt geen andere mogelijkheid is voor degene die er van af wil. De gemeente streeft bij nieuwbouw naar een volledig gescheiden inzameling en verwerking van afval- en hemelwater, zolang de lokale situatie dit toelaat. 1. Zoveel mogelijk verwerken hemelwater op eigen terrein; 2. Overtollig hemelwater gescheiden aanleveren van het vuilwater; 3. Hemelwater waar mogelijk terugbrengen in de bodem, in het watersysteem óf in de riolering.
Bij rioleringsberekeningen van nieuwe stelsels en nieuwe gebieden wordt gerekend met intensievere neerslagsituaties om rekening te houden met de effecten van klimaatsverandering (bui 08, T = 2 jaar). Daarnaast toetst de gemeente op eventuele knelpunten aan de hand van zwaardere controlebuien (Bui 09
datum referentie
5 juni 2023 08172810_AdB_RAP_0001_v.2.0
P 9/28
•
• • •
• • •
en Bui 10 conform de Leidraad Riolering). Bij een belasting met Bui 09 mag er niet langer dan 30 minuten water op straat staan. Het hemelwaterbeleid van Delfland gaat uit van het stand-still beginsel voor uitleggebieden. Dit betekent dat de kans op wateroverlast niet mag toenemen als gevolg van een ingreep in het watersysteem of een handeling die invloed heeft op het functioneren van het watersysteem, zoals versnelde hemelwaterafvoer ten gevolge van nieuwbouw. In gescheiden gerioleerde wijken en bij nieuwbouw zal de particulier het hemelwater gescheiden van het afvalwater moeten aanbieden. In drukrioleringsgebieden en bij gebruik van een IBA dient de particulier het hemelwater op zijn perceel zelf te verwerken. Bij nieuwbouw zal, waar mogelijk, het hemelwater worden aangesloten op een regenwaterriolering, infiltreren in de bodem of afgevoerd worden naar het oppervlaktewater. Ook worden aspecten als droogte, veilige bouwhoogte en drooglegging beschouwd. Voorzieningen zijn aanwezig om grondwaterstanden te beïnvloeden waar te hoge grondwaterstanden in de openbare ruimte leiden tot structureel nadelige effecten. Perceeleigenaar is primair verantwoordelijk voor tegen gaan van grondwaterlast op eigen terrein. Dit geldt ook voor funderingsproblemen. De eigenaar moet zorgen dat voldaan wordt aan de bouwkundige regelgeving, o.a.
zodat ondergrondse gebruiksruimtes van panden, zoals een kelder of een souterrain, volgens de bouwregelgeving vochtdicht zijn.
Plan specifiek • Voor het plangebied is een ontwikkelingsovereenkomst opgesteld, in bijlage 4 Civieltechnisch document ‘Het Scharnier’ uit 9 december 2010 staan de civieltechnische randvoorwaarden die de ontwikkelaar dient door te leggen aan de bouwer. In dit document staan randvoorwaarden voor de kwaliteit en kwantiteit van het oppervlaktewater, de drooglegging, ontwatering, drainage en de riolering. 2.9 Samenvatting beleid wateropgave Als het beleid wordt beoordeeld, dan blijkt dat het beleid van het waterschap bepalend is voor de wateropgave, omdat deze het strengst is. Dit houdt in dat de watersleutel ingevuld moet worden om de waterbergingsopgave te bepalen. In dit plan is echter reeds oppervlaktewater gecompenseerd bij het aanleggen van de nieuwe structuur van de Harnaschpolder. Het Hoogheemraadschap van Delfland geeft aan dat maximaal 50% van het plangebied als verhard oppervlak mag bestaan, omdat hier destijds rekening mee is gehouden. Bij een groter aandeel verhard oppervlak moet gecompenseerd worden door extra waterberging te realiseren.
datum referentie
5 juni 2023 08172810_AdB_RAP_0001_v.2.0
P 10/28
3
Gebiedseigenschappen
In dit hoofdstuk staat de hoogteligging en de bodemopbouw beschreven. Gebiedseigenschappen m.b.t. water staan in hoofdstuk 4 beschreven. 3.1 Hoogteligging De hoogteligging van het plangebied varieert over het algemeen tussen circa -0,60 m NAP en -1,1 m NAP, met in de noordoostelijke hoek een verhoging naar +1,85 m NAP. Het gemiddelde maaiveldniveau is circa -0,70 m NAP (zie Figuur 3-1). Aan de noordzijde is een primaire watergang aanwezig met parallel hieraan een regionale waterkering op +0,00 m NAP. Ten oosten van het plangebied ligt de omgeving circa 0,50 m hoger dan het plangebied. Het aanliggende bestaande straatpeil ligt op circa -0,70 m NAP en dit ligt op gelijke hoogte als het plangebied.
Figuur 3-1: Hoogteligging van het plangebied en t.o.v. de directe omgeving o.b.v. de AHN3 (0,5m resolutie).
3.2 Bodemopbouw Op 26 september 2019 is door Aveco de Bondt verkennend bodemonderzoek verricht op de projectlocatie. Boorlocaties en boorprofielen zijn weergegeven in Tabel 3-1. Hieruit blijkt dat de toplaag tot circa 1,5 m onder maaiveld bestaat uit klei, met daaronder een laag zand. Op basis van de beschrijvingen van de boorprofielen is de doorlatendheid van dit pakket slecht. Tabel 3-1: Beschrijving lokale bodemopbouw o.b.v. het verkennend bodemonderzoek. Bodemlaag Hoofdnaam
Toevoeging
Kleur
0,0 - 0,5
Klei
Matig zandig, zwak humeus
Neutraalbruin
0,5 – 1,0
Klei
Matig zandig, zwak humeus
Neutraalbruin
1,0 – 1,5
Klei
Matig fijn, zwak siltig
Neutraalbruin
1,5 – 2,5
Zand
Zeer fijn, sterk siltig
Neutraalgrijs
datum referentie
5 juni 2023 08172810_AdB_RAP_0001_v.2.0
P 11/28
4
Bestaand watersysteem
In dit hoofdstuk is het bestaande watersysteem beschreven, met betrekking tot waterveiligheid, oppervlaktewater, waterberging, afvoer, grondwater, waterkwaliteit en ecologie. 4.1 Waterveiligheid Het noordelijke deel van het plangebied overlapt voor een gedeelte met het waterstaatswerk en de beschermingszone van de regionale waterkering Harnaschpolder, met code POL109 (zie Figuur 4-1). Dit houdt in dat wijzigingen in de waterstaatszone vergunningplichtig zijn en in de beschermingszone is dit afhankelijk van de hoogteligging ten opzichte van het verticale leggerprofiel. In de legger is geen extra profiel van vrije ruimte weergegeven, dus er wordt uitgegaan van de beschermingszone om de waterkerende functie voor de toekomst te waarborgen.
Figuur 4-1: Legger Waterkeringen (plangebied zwart omlijnd).
4.2 Oppervlaktewater en waterberging Een beschrijving van de watergangen en de waterpeilen staan in de volgende paragrafen beschreven. 4.2.1 Watergangen Binnen de plangebiedsgrenzen bevinden zich primaire en secundaire watergangen (zie Figuur 4-2). Het plangebied grenst aan de noordkant met de primaire watergang met leggercode 140HL32 1300 (Figuur 4-3 links). Aan de westkant ten zuidwesten van de Woudselaan bevindt zich een primaire watergang met de leggercode POL10902140 (Figuur 4-3 rechts). Er zijn vijf secundaire watergangen aanwezig, met de leggercodes POL10901750, POL10902150, POL10903100, POL20903350 en POL10902090. De watergangen zijn veelal met elkaar verbonden middels duikers. De beschermingszones van primaire watergangen waar rijdend onderhoud plaatsvindt is 4 m aan weerszijden, gemeten van de insteek van de watergang. Bij de secundaire watergangen is de beschermingszone 1 m. Bij varend onderhoud (zoals de primaire watergang langs de noordzijde) is de breedte van de beschermingszone ook 1 m.
datum referentie
5 juni 2023 08172810_AdB_RAP_0001_v.2.0
P 12/28
Figuur 4-2: Watergangen en beschermingszones (indicatief) van Hoogheemraadschap van Delfland.
Figuur 4-3: Watergangen langs het plangebied (links: 140HL32 1300, rechts: POL10902140).
datum referentie
5 juni 2023 08172810_AdB_RAP_0001_v.2.0
P 13/28
4.2.2 Waterberging Hemelwater wordt geborgen in de watergangen langs het plangebied, maar volgens de legger is er geen aangewezen waterbergingsgebied in de buurt aanwezig. 4.3 Peilgebieden Het plangebied ligt volledig in peilgebied GPG2014HAR I, met een streefpeil van -1,8 m NAP (zie Figuur 4-4). Bij een gemiddelde maaiveldhoogte van -0,70 m NAP bedraagt het verschil tussen het maaiveld en het streefpeil (drooglegging) hierdoor circa 1,1 m. Binnen het peilgebied is er een peilafwijking (GPG2014HAR 2 f), met een bekend waterpeil van -2,10 m NAP. De primaire watergang aan de noordzijde van het plangebied ligt in het peilgebied GPG2019BZM 1, met een streefpeil van -0,43 m NAP (zie Figuur 4-4). Ten noorden van de primaire watergang is het peilgebied GPG2014HAR 2, met een streefpeil van -2,85 m NAP.
Figuur 4-4: Peilgebied met streefpeilen plangebied (zwarte lijn)2.
4.4 Afvoer hemel- en afvalwater In de omgeving van het plangebied is een verbeterd gescheiden rioolstelsel aanwezig. Het is onbekend waar het hemelwater uit het plangebied op afwatert. Onder de Woudselaan binnen het plangebied ligt een persleiding waarop de woningen aan de Woudselaan lozen. Aan de noordzijde van het plangebied ligt een hoofdgemaal. Voor een schematische weergave zie Figuur 4-5.
2 https://www.arcgis.com/apps/webappviewer/index.html?id=0278b4d958fd4cceba74bb8d1dbce308
datum referentie
5 juni 2023 08172810_AdB_RAP_0001_v.2.0
P 14/28
Figuur 4-5: De huidige ligging en het type riolering in het plangebied en de omgeving.
4.5 Grondwater In of nabij het plangebied zijn geen actuele en langlopende metingen beschikbaar m.b.t. grondwaterstanden. Verder is er ook geen representatieve peilbuis aanwezig in het DINOloket in of nabij het plangebied. Tijdens het uitgevoerde bodemonderzoek op 03-09-2019 zijn gegevens verzameld aangaande de grondwatersituatie die een indicatie geven van de grondwaterstand ter plaatse van het plangebied op een bepaald moment. Er zijn drie peilbuizen aanwezig in het plangebied met de filterdiepte op 1,5 tot 2,5 m onder maaiveld. De freatische grondwaterstand ten opzichte van het maaiveld ligt op het moment van meten bij peilbuis 19 (westkant) op 1,17 m -mv, bij peilbuis 20 (noordkant) op 1,30 m -mv en peilbuis 35 (zuidkant) op 1,78 m -mv. De locaties van de peilbuizen zijn weergeven in Bijlage 1. De meting is gedaan aan het eind van de zomer, waardoor de GHG hoger ligt. Het plangebied wordt aangeduid als wegzijgingsgebied (0,1 á 0,5 mm per dag). 4.6 Waterkwaliteit en ecologie In en nabij het plangebied zijn geen KRW-wateren en grondwaterbeschermingsgebieden aanwezig. Tevens liggen geen groene ontwikkelzones of natuurgebieden in of nabij het plangebied. Het plangebied ligt ook niet in een oppervlaktewaterbeschermingszone.
datum referentie
5 juni 2023 08172810_AdB_RAP_0001_v.2.0
P 15/28
5
Toekomstig watersysteem
In dit hoofdstuk is een voorstel uitgewerkt voor het toekomstige watersysteem, waarin de effecten van de beoogde ontwikkeling op de waterhuishouding inzichtelijk zijn gemaakt. 5.1 Waterveiligheid Volgens https://nederland.risicokaart.nl/ ligt het plangebied in een gebied wat een middelgrote kans (overschrijdingskans van eens in de honderd jaar) heeft tot overstroming tot gemiddeld minder dan 0,5 m en een kleine kans (overschrijdingskans van eens in de duizend jaar) om 0,5 tot 1,0 m te overstromen. Zoals in hoofdstuk 4.1 is aangegeven ligt een deel (circa 15 m) van het plangebied in de beschermingszone van een regionale waterkering. Als er werkzaamheden plaatsvinden in de beschermingszone moet de waterkering nog steeds aan de technische eisen en voorschriften voor waterkeringen voldoen. Hierbij moet vooral gelet worden op stabiliteit. Verder moeten zettingsgevoeligheid en kwelgevoeligheid meegenomen worden, maar risico op erosie is niet aan de orde. Aangezien een deel van de toekomstige bebouwing binnen de beschermingszone valt, is de bouwhoogte van belang. De gebouwen moeten hoog genoeg worden aangelegd om boven het leggerprofiel te blijven (ook rekening houdend met zettingen). In Figuur 5-1 is een dwarsdoorsnede gegeven van het waterstaatswerk met het leggerprofiel waarbinnen niet gegraven dient te worden.
Dit geldt niet voor funderingspalen, want deze mogen zich wel binnen het leggerprofiel bevinden. Tevens dient na een ontgraving een afdichtende kleilaag ter hoogte van het leggerprofiel van tenminste 0,5 m dikte behouden te blijven. Bij een eventuele ontgraving die dieper is dan 0,5 m of waar de klei wordt afgegraven dient in een geotechnisch rapport aangetoond te worden dat de stabiliteit gewaarborgd blijft. De voorwaarden staan uitgebreider beschreven in het document “Beleidsregel medegebruik Waterkeringen” van het Hoogheemraadschap van Delfland. De bouwhoogte dient 0,5 m boven het polderpeil van -1,80 m NAP te liggen. Dit betekent dat hier niet dieper ontgraven mag worden dan -1,30 m NAP. Het huidige maaiveld ligt op -0,70 m NAP, waardoor hier rekening mee gehouden dient te worden bij ontgravingen.
Figuur 5-1: Voorbeeld van dwarsprofiel van de regionale waterkering POL109 met ontgravingen buiten het leggerprofiel.
datum referentie
5 juni 2023 08172810_AdB_RAP_0001_v.2.0
P 16/28
5.2 Oppervlaktewater en waterberging In de toekomstige situatie zal nieuw oppervlaktewater worden aangelegd ter compensatie van dempingen van watergangen ten behoeve van toegangswegen. Ter plaatse van de dempingen moeten duikers worden aangebracht die voldoen aan de beleidsregels van het hoogheemraadschap (zie Figuur 5-2). Er dient rekening gehouden te worden dat voldoende waterberging aanwezig is en dat het hemelwater niet voor wateroverlast zorgt tijdens extreme neerslagsituaties. Dit wordt gedaan conform de watersleutel van het Hoogheemraadschap van Delfland.
Figuur 5-2: Huidige watergangen en duikers en watergangen die worden gedempt in de toekomstige situatie.
5.2.1 Dempen oppervlaktewater In het “geactualiseerd waterhuishoudkundig plan voor 2017 en verder” is geen rekening gehouden met het dempen van oppervlaktewater in het plangebied. Het gaat om de watergang aan de noordzijde van de Woudselaan (code POL10902150) waar 6 m2 wordt gedempt en de watergang aan de zuidzijde van de Woudselaan (code OWV10900095) waar 18 m2 wordt gedempt (zie Figuur 5-3). Dit oppervlak van in totaal 24 m2 secundaire oppervlaktewater dient één-op-één gecompenseerd te worden in hetzelfde peilgebied. Bij het
datum referentie
5 juni 2023 08172810_AdB_RAP_0001_v.2.0
P 17/28
dempen van watergangen geldt de beleidsregel 'Dempen en graven'. Het dempen van dit oppervlaktewater is nodig ten behoeve van de aanleg van de toegangsweg naar de zuidelijk gelegen woningen en de aanliggende parkeerplaatsen in de definitieve situatie. In het te dempen oppervlaktewater komen geen afvoerleidingen uit. De afvoer verloopt in westelijke richting naar het gemaal en dit verloopt in beide watergangen via een duiker.
Figuur 5-3: Het te dempen oppervlaktewater en het voorstel voor het te graven oppervlaktewater.
5.2.2 Graven oppervlaktewater De watergang aan de noordzijde van de Woudselaan (POL10902150) is maximaal 1 m breed op de waterlijn met een waterdiepte van naar schatting 20 cm. Door deze watergang 30 cm te verbreden wordt het te dempen secundair oppervlaktewater van 24 m2 gecompenseerd met 26 m2 nieuw open water in hetzelfde peilgebied. Een schematisch dwarsprofiel van het huidige leggerprofiel en de verbreding is weergegeven in Figuur 5-4. De watergang dient tevens verdiept te worden met 6 cm om de verhouding waterdiepte staat tot waterbreedte van 1:5 te behouden. Door de aanpassingen wordt de bergingscapaciteit en de afvoercapaciteit van het gebied ten noorden van de Woudselaan vergroot.
Figuur 5-4: Schematisatie van het dwarsprofiel van de bestaande watergang en de verbreding en verdieping (oranje deel).
datum referentie
5 juni 2023 08172810_AdB_RAP_0001_v.2.0
P 18/28
5.2.3 Ondergrondse waterbouwkundige objecten In het plangebied worden enkele ondergrondse waterbouwkundige objecten in het watersysteem aangebracht. Dit betreffen twee duikers ter plaatse van de watergangen die worden gedempt. Bij het aanbrengen van duikers geldt de beleidsregel ‘Kunstwerken in wateren’. Een weergave van de watergangen is te zien in Figuur 5-5. Deze duikers worden verlengd over het gedeelte van de watergangen die gedempt gaan worden. Het betreft duiker code 10900075 (ten zuiden van de Woudselaan) en duiker code 10900076 (ten noorden van de Woudselaan). Voor de zuidelijke watergang gaat het om 13 m en voor de noordelijke watergang om 5 m dempen. De wateraan- en afvoer van de watergangen blijft geborgd door eerst de duiker in de watergang te verlengen en daarna het water te dempen.
Figuur 5-5: Watergangen met links de watergang ten zuiden van de Woudselaan
Duiker 10900075 heeft een diameter van 400 mm, ligt horizontaal op -1,85 m NAP (B.O.B.) en is 8,95 m lang. Deze duiker wordt in de tijdelijke situatie verlengd met circa 13 m naar in totaal circa 22 m. De verlengde betonnen duiker krijgt een diameter van 400 mm en komt horizontaal op -1,85 m NAP te liggen (zie Figuur 5-6). De beschoeiing in de zuidelijk gelegen watergang wordt ter plaatse van het te dempen water verwijderd. Het bestaande deel ligt grotendeels op particulier terrein. De noordelijk gelegen duiker 10900076 heeft een diameter van 300 mm, ligt horizontaal op -1,91 m NAP (B.O.B.) en is 18,16 m lang. Deze duiker wordt verlengd met 5 m naar in totaal circa 23 m. De verlengde betonnen duiker krijgt een diameter van 300 mm en komt horizontaal op -1,91 m NAP te liggen. Het bestaande deel ligt op particulier terrein. Voor deze duiker geldt hetzelfde principe als voor duiker 10900075, zoals weergegeven in Figuur 5-6.
Figuur 5-6: Schematische lengtedoorsnede van de bestaande en de nieuwe (tijdelijke) situatie waarbij duiker 10900076 wordt verlengd ter plaatse van de voorbelasting.
datum referentie
5 juni 2023 08172810_AdB_RAP_0001_v.2.0
P 19/28
5.3 Verhard oppervlak Het verhard oppervlak in het plangebied van de bestaande situatie is vergeleken met die in het ontwerp. Uitgangspunt hiervoor is de tekening zoals weergeven in Figuur 1-2. Hieruit is het verschil in verhard oppervlak afgeleid en opgedeeld in categorieën voor verharde en onverharde delen (zie Tabel 5-1). Volgens de watersleutel dient voor tuinen als vuistregel 50 m2 per tuin gerekend te worden. Bij alle bestratingen en parkeerplaatsen is uitgegaan van volledig verhard. Uit de analyse blijkt dat het verharde oppervlak in de toekomstige situatie 7.024 m2 zal zijn. Dit is een toename van 6.518 m2 ten opzichte van de huidige situatie. Tabel 5-1: Toename verhard oppervlak tussen huidige en toekomstige situatie.
Huidig [m2]
Toekomstig [m2]
Verschil [m2]
Openbare bestrating
489
2.539
+2.050
Openbaar parkeren
0
345
+345
Gebouwen
9
2.632
+2.623
Tuinen verhard aandeel
0
1.500*
+1.500
Totaal verhard
498
7.016
+6.518
Tuinen onverhard deel*
402
6.991
+6.589
Openbaar groen
15.284
2.201
-13.083
Oppervlaktewater
140
116
-24
Totaal onverhard
15.826
9.308
-6.518
Totaal plangebied
16.324
Omschrijving Verharde oppervlakken
Onverharde oppervlakken
* Uitgangspunt verharding per tuin is 50 m2
5.4 Waterbergingsopgave In het algehele ontwerp van de Harnaschpolder is reeds oppervlaktewater gegraven om te voldoen aan de toekomstige wateropgave als gevolg van de toename aan verhard oppervlak. Dit is onderbouwd in het “geactualiseerd waterhuishoudkundig plan voor 2017 en verder” dat is opgesteld door TAUW in 2018. In dit plan is als uitgangspunt genomen dat maximaal 50% van het plangebied wordt verhard. Uit bovenstaande berekening blijkt 7.016 m2 verharding te worden aangebracht op een totaal oppervlak van het plangebied van 16.324 m2. Dit is 43% van het plangebied en ligt daarmee onder het uitgangspunt van 50%. Daardoor is geen aanvullende watercompensatie als gevolg van toename van verhard oppervlak benodigd. In het plan wordt tevens 24 m2 oppervlaktewater (categorie B-Water) gedempt en deze wordt volledig gecompenseerd in het plangebied.
datum referentie
5 juni 2023 08172810_AdB_RAP_0001_v.2.0
P 20/28
5.5 Extreme neerslag Volgens het convenant ‘klimaatadaptief bouwen’ staat dat geen schade op mag treden bij gebouwen en voorzieningen bij extreme neerslag (90 mm/uur). In het plangebied is hier invulling aan gegeven doordat rondom het plangebied voldoende open water is aangelegd die voorziet in de waterberging. Doordat tevens voldoende drooglegging aanwezig is leidt ook een peilstijging in het open water niet tot water-op-maaiveld. De vloerpeilen liggen minimaal 15 cm hoger dan het aanliggende straatpeil, zodat het water dat tijdelijk op maaiveld (groenstroken en verhardingen) wordt geborgen niet leidt tot schade aan gebouwen en voorzieningen. Het gebied kent ook weinig hoogteverschil, waardoor het water zich gelijkmatig over het plangebied verdeeld en bij calamiteiten oppervlakkig kan afstromen van het maaiveld naar het open water. 5.6 Afvoer hemel- en vuilwater De afvoer van hemelwater en vuilwater zal in de nieuwe situatie goed moeten aansluiten op de omgeving. Hiervoor is contact opgenomen met het waterschap en de gemeente. In Bijlage 3 is de tekening met het toekomstige vuilwaterriool en het hemelwaterriool opgenomen. 5.6.1 Hemelwaterafvoer Onder de straten komt een hemelwaterriool dat uitstroompunten heeft op het bestaande oppervlaktewater binnen het plangebied.
De uitstroompunten dienen gepositioneerd te worden op watergangen met voldoende bergings- en afvoercapaciteit die in hetzelfde peilgebied gelegen zijn. De uitstroompunten van het hemelwaterriool komen in de secundaire watergangen langs de Woudselaan en in de watergangen aan de westzijde van het plangebied en zijn alle gelegen in hetzelfde peilgebied. Bij de uitstroompunten van het hemelwaterriool wordt oeverbescherming aangebracht om uitspoeling tegen te gaan. 5.6.2 Vuilwaterafvoer Binnen het plangebied wordt het vuilwater vanuit de woningen aangesloten op een nieuw aan te leggen vuilwaterriool. De vervuilingseenheden van het vuilwater in de nieuwe situatie bedraagt naar schatting 75 vervuilingseenheden. Voor alle 30 woningen geldt het uitgangspunt van 2,5 inwoners (vervuilingseenheden) per woning. In het Civieltechnisch document ‘Het Schanier’ staat vermeld dat de persleiding vanaf gemalen waarop vrijverval riolering is aangesloten kan worden aangesloten op de bestaande riolering. Er dient in een vervolgfase te worden aangetoond dat het bestaande drukrioleringssysteem voldoende capaciteit heeft. Bij voorkeur vindt de afvoer onder vrij-verval plaats.
datum referentie
5 juni 2023 08172810_AdB_RAP_0001_v.2.0
P 21/28
5.7 Ontwerphoogten en infiltratiemogelijkheid Bij nieuwe ontwikkelingen dient geen negatieve invloed te ontstaan op zowel de grondwaterstand als de grondwaterkwaliteit. 5.7.1 Ontwerphoogten In het plangebied wordt voldoende drooglegging en ontwateringsdiepte behaald door het gebied op te hogen. In Figuur 5-7 is een schematische weergave gegeven. Het bouwpeil dient minimaal 1,20 m boven het waterpeil van -1,80 m NAP te liggen (minimaal -0,60 m NAP). Om wateroverlast in de woningen bij extreme neerslag te voorkomen dienen de vloerpeilen minimaal 15 á 20 cm boven de as van de weg te worden aangelegd. Bij een wegashoogte van -0,60 m NAP, komen de vloerpeilen op circa -0,40 m NAP.
Vloerpeil: -0,40 m NAP Straatpeil: -0,60 m NAP
Vast streefpeil: -1,80 m NAP
GHG: n.t.b. 1,20 m GLG: n.t.b.
Figuur 5-7: Schematische weergave hydrologische situatie.
5.7.2 Infiltratie van hemelwater De infiltratiecapaciteit van de ondergrondse waterberging wordt bepaald door de bodemeigenschappen en de grondwaterstand. Uitgaande van een bodem bestaande uit klei is het infiltreren van hemelwater in het plangebied beperkt mogelijk. Regenwater wordt afgevoerd en geborgen in het oppervlaktewatersysteem. 5.7.3 Waterkwaliteit en ecologie In het ontwerp van het plan dient met een aantal zaken rekening te worden gehouden om de waterkwaliteit en ecologie niet negatief te beïnvloeden en waar dit mogelijk is te verbeteren. • Wanneer regenwater oppervlakkig wordt afgevoerd dient rekening te worden gehouden met mogelijke vervuiling afkomstig van verharde oppervlakken die in de primaire watergang kunnen komen. • Voor de nieuwbouw is een zorgvuldige materiaalkeuze van belang. Vermijd het toepassen van uitlogende (bouw)materialen (o.a. zink of koper). Bij gebruik van uitlogende materialen mag het dakwater niet direct op de sloten zijn aangesloten. 5.7.4 Bodemdaling Het bodemtype in het plangebied is gevoelig voor bodemdaling als gevolg van ophoging (bron: klimaateffectatlas.nl). Het gebied wordt aangegeven als matig gevoelig met 3 tot 10 cm bodemdaling tussen 2020 en 2050 als gevolg van 1 m ophoging (zetting). Hier dient rekening mee te worden gehouden met ophogingen en de voorbelasting van het terrein.
Het toepassen van drainage wordt afgeraden vanwege de kleibodem. Bodemdaling als gevolg van veenoxidatie is niet aan de orde.
datum referentie
5 juni 2023 08172810_AdB_RAP_0001_v.2.0
P 22/28
5.8 Beheer en onderhoud Bij het inrichten van de watergang(en) en waterberging(en) is het van belang om tevens over het beheer en onderhoud na te denken. Dit is van belang om ook in de toekomst te garanderen dat het watersysteem naar behoren blijft functioneren, dat er geen waterproblemen ontstaan en dat onderhoud eenvoudig en tegen beheersbare kosten kan plaatsvinden. De verantwoordelijkheid voor het beheer en onderhoud van de DWA en HWA ligt bij de gemeente MiddenDelfland. Het waterschap is verantwoordelijk voor het beheer en onderhoud van de hoofdwatergang. Het beheer en onderhoud van de secundaire watergang wordt door aanliggende eigenaren gedaan, net als voor de polderwaterloop aan de zuidzijde van het plangebied. Voor het aansluiten van nieuwe woningen op het rioolstelsel dient contact opgenomen te worden met de gemeente Midden-Delfland, zodat dit goed is afgestemd (https://www.middendelfland.nl/rioolaansluiting-aanvragen). 5.9 Vergunningen Conform de Keur en regels van het waterschap zijn de volgende werkzaamheden die plaats gaan vinden vergunningsplichtig: • • • • • •
Het werken in een regionale waterkering en de beschermingszones; Het permanent of tijdelijk verhogen of verlagen van het maaiveld in de zone waterstaatswerk (waterkering) of bijbehorende beschermingszone; Voor het werken in de beschermingszone van de A-watergang is een watervergunning benodigd; Het dempen van B-watergangen en het aanleggen van dammen met duikers in B-watergangen; Het graven van nieuw oppervlaktewater ter compensatie van de te dempen B-watergangen; Het afvoeren van hemelwater vanaf nieuw verhard oppervlak, nieuwe lozingen van afgekoppelde verharding en het aanleggen van waterbergingen. In het algehele ontwerp van de Harnaschpolder is oppervlaktewater gegraven om te voldoen aan de toekomstige wateropgave als gevolg van de toename aan verhard oppervlak. Dit is onderbouwd in het “geactualiseerd waterhuishoudkundig plan voor 2017 en verder” dat is opgesteld door TAUW in 2018.
datum referentie
5 juni 2023 08172810_AdB_RAP_0001_v.2.0
P 23/28
6
Conclusie en aanbevelingen
De beoogde ontwikkeling omvat meerdere ruimtelijke aanpassingen in het plangebied, waaronder het realiseren van woningen en bestratingen. Om (grond)wateroverlast te voorkomen en te voldoen aan het vigerend beleid dient rekening gehouden te worden met het volgende: •
•
• • •
• •
•
In het plangebied is sprake van een toename van verhard oppervlak, maar hiervoor is reeds gecompenseerd in het algehele ontwerp van de Harnaschpolder. Dit is onderbouwd in het “geactualiseerd waterhuishoudkundig plan voor 2017 en verder” dat is opgesteld door TAUW in 2018. De verharding in de toekomstige situatie bedraagt 43% van het plangebied en ligt onder de grens van 50% waar rekening mee is gehouden in het algehele waterstructuurplan van de regio. Het plangebied leent zich slecht voor infiltratie van hemelwater vanwege een slecht doorlatende bodem. Daarom zal het hemelwater afwateren naar de omliggende watergangen die hiervoor reeds zijn aangelegd. Aangeraden wordt om de afvoercapaciteit van de watergangen te toetsen om de toename aan afstromend hemelwater te kunnen verwerken. Bij het dempen van oppervlaktewater is watercompensatie vereist dat moet voldoen aan de “beleidsregels dempen en graven” van HHD . Nieuwe duikers moeten voldoen aan het beleidsdocument “Kunstwerken in wateren”. Het afvalwater van het nieuw aan te leggen vuilwaterriool vanuit de nieuwe woningen moet worden aangesloten op het bestaande persriool onder de Woudselaan. Dit zal in een volgende fase verder moeten worden onderzocht en bepaald in overleg met de gemeente. Aangetoond moet worden dat het bestaande riool voldoende capaciteit heeft om het extra vuilwater te kunnen verwerken.
Wanneer hemelwater oppervlakkig wordt afgevoerd dienen eventuele negatieve gevolgen voor de waterkwaliteit en ecologie te worden voorkomen. Gebaseerd op de beschikbare gegevens is de verwachting dat de gebouwen op een hoger niveau gebouwd moeten worden om boven het leggerprofiel van de waterkering te bouwen, de gewenste drooglegging en ontwateringsdiepte te behalen om daarmee (grond)wateroverlast te voorkomen. Een ophoging van het terrein wordt aangeraden. Hoeveel de ophoging precies moet zijn, hangt af van de uitkomst uit de vervolgonderzoeken. Voor verschillende onderdelen is een watervergunning nodig. Het gaat hier om: − Het werken in een regionale waterkering en de beschermingszones; − Het permanent of tijdelijk verhogen of verlagen van het maaiveld in de zone waterstaatswerk (waterkering) of bijbehorende beschermingszone; − Voor het werken in de beschermingszone van de A-watergang is een watervergunning benodigd; − Het dempen van B-watergangen en het aanleggen van dammen met duikers in B-watergangen; − Het graven van nieuw oppervlaktewater ter compensatie van de te dempen B-watergangen; − Het afvoeren van hemelwater vanaf nieuw verhard oppervlak, nieuwe lozingen van afgekoppelde verharding en het aanleggen van waterbergingen.
datum referentie
5 juni 2023 08172810_AdB_RAP_0001_v.2.0
P 24/28
Bijlage 1 Ontwikkeling Harnaschmolen
datum referentie
5 juni 2023 08172810_AdB_RAP_0001_v.2.0
P 25/28
Bijlage 2 Boorprofielen en peilbuisdata met situatieschets
Locaties van deze boringen en peilbuizen.
datum referentie
5 juni 2023 08172810_AdB_RAP_0001_v.2.0
P 26/28
Boorprofielen waar ook een peilbuis is geplaatst.
datum referentie
5 juni 2023 08172810_AdB_RAP_0001_v.2.0
P 27/28
Bijlage 3 Rioleringstekening (toekomstige situatie)
datum referentie
5 juni 2023 08172810_AdB_RAP_0001_v.2.0
P 28/28