CConstaterende datMidden-Delfland
Koppel je AI →
Document · PDF

05 c rb Verordening Jeugdhulp

Gemeenteraad 27 januari 2026, gemeente Midden-DelflandBij agendapunt: Aanpassing Verordening Jeugdhulp vanaf 202612.379 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Midden-Delfland 2024 te herzien: a. op de gronden vermeld in die verordening;

b. indien uit een heronderzoek blijkt dat toepassing van de ten tijde van het

onderzoek geldende verordening tot een ander besluit zou hebben geleid;

c. indien de cliënt wenst te veranderen van aanbieder of verstrekkingsvorm. 5. Het college heeft de bevoegdheid om een pgb dat is verstrekt onder de

Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Midden-Delfland 2024 terug te vorderen op de in deze verordening genoemde gronden.

6. De Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Midden-Delfland 2024 wordt ingetrokken.

Artikel 12.4 Inwerkingtreding en citeertitel

1. De verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Midden-Delfland 2024 wordt ingetrokken op het moment dat deze verordening in werking treedt. 2. Deze verordening jeugdhulp treedt in werking op de dag na publicatie. 3. Deze verordening jeugdhulp wordt aangehaald als: Verordening jeugdhulp Midden-Delfland 2026. Ondertekening

Aldus besloten door de raad in zijn openbare vergadering van 27 januari 2026, de griffier,

de voorzitter,

A. de Vos

F.I. Noordermeer-van Slageren

Bijlage 1 Overzicht van ontwikkelingstaken, opvoedingsopgaven en ‘normale’ uitdagingen. Onderstaand levensloopmodel uit ‘Opgroeien en opvoeden’ van het NJI, is niet uitputtend maar geeft voorbeelden van ontwikkelingstaken en opvoedingsopgaven die kenmerkend zijn voor de verschillende leeftijdsgroepen. Vaak begint de ontwikkeling al in een eerdere fase, maar staat het in het schema in de fase waarin dit het meeste speelt.

Leeftijd

Belangrijkste milieus

Ontwikkelingstaken

Opvoedingsopgaven

Normale uitdagingen

0–2 jaar

- Gezin - Opvang

- Veilige hechting; - Lichaamsbeheersing; - Expolratie & spelen; - Autonomie en individuatie

- Soepele verzorging; - Sensitief en responsief reageren op gedrag van het kind; - Letterlijk beschikbaar zijn; - Structuur bieden; - Ruimte geven voor exploratie; - Spelen en praten; - Ontwikkeling stimuleren.

- Voedingsproblemen; - Slaapproblemen; - Scheidingsangst; - Angst voor vreemden, donker, geluiden en onbekende situaties; - Incidenteel huilen.

2–4 jaar

- Gezin - Buurt - Opvang - Media

- Representationele vaardigheid; - Taalvaardigheid en denkontwikkeling; - Zelfsturing (enige mate kunnen beheersen van emoties en gedrag); - Constructieve omgang met leeftijdgenootjes; - Socialisatie; - Zelfredzaamheid; - Sekserolidentificatie

- Sensitiviteit voor cognitief niveau (praten, informatie en uitleg geven, ontwikkeling stimuleren); - Respect voor autonomie én grenzen stellen; - Bevorderen zelfsturing (impulscontrole).

- Angst voor vreemden, donker, geluiden en onbekende situaties; - Koppigheid; - Driftbuien; - Agressie; - Ongehoorzaamheid; - Druk gedrag; - Niet zindelijk zijn; - Zeuren/ driftbuien om beeldschermgebruik.

4–6 jaar

- Gezin - Basisschool - Opvang -Verenigingen Mediaomgevin g

- Schoolse vaardigheden; - Taal- en denkontwikkeling; - Executieve vaardigheden (zelfsturing);

- Aanmoedigen sociaal gedrag; - Gelegenheid geven voor omgang met leeftijdsgenootjes;

- Niet gegronde angsten; - Ruzies met leeftijdgenoten; - Zindelijkheid; - Schoolweigering;

- Gezinsnormen eigen maken, houden aan regels; - Vriendschappen sluiten; - Ontwikkeling gewetensontwikkeli ng / schaamtegevoelens; - Digitale vaardigheden (apparaten gebruik beheersen/ besturen).

- Respectvol omgaan met verschillen in etniciteit en gender; - Mediaopvoeding; - Regels en grenzen uitleggen en stellen (bv. Gedrag, mediagebruik,

- Gebrek zelfsturing.

televisie); - Loslaten en vertrouwen geven.

6 – 12 jaar

- Gezin - Opvang - School - Verenigingen - Peergroep - Mediaomgeving

- Vergroten zelfstandigheid; - Gebruik infrastructuren (geld, vervoer, vrijetijdsvoorziening en sociale media); - Schoolse vaardigheden; - Internet en sociale media vaardigheden; - Acceptatie door leeftijdgenoten; - Sociaal gedrag: Samenwerken, conflicten oplossen.

- Bevorderen zelfsturing (taakgerichtheid); - Bewust leren omgaan met media (tijd, inhouden, contacten); - Gelegenheid geven voor omgang met leeftijdgenootjes; - Respectvol omgaan met verschillen in etniciteit en gender; - Ondersteunen bij onderwijs; waardering voor schoolprestaties.

- Ruzies, pesten; - Concentratie problemen; - Laag prestatieniveau; - Niet naar school willen; - Incidenteel stelen of vandalisme; - Overmatig gamen/ televisie/ Netflix; - Cyberpesten.

12 – 16 jaar

- Gezin - School - Verenigingen - Peergroep - Mediaomgeving - Werkkring

- Emotionele en praktische zelfstandigheid; - Ontwikkeling waardensysteem; - Afstand nemen van ouders peergroep wordt referentiekader; - Sociale contacten en vriendschappen leggen en onderhouden; - Seksualiteit; - Omgang met sociale media en

- Ruimte bieden om te experimenteren en zich seksueel te kunnen ontwikkelen; - Toezicht houden; - Emotionele beschikbaarheid; - Tolerantie voor experimenten; - leeftijdsadequaat structuur bieden

- Onzekerheid over bijvoorbeeld uiterlijk; - Onderschatting of soms overschatting van zichzelf; - Wisselend humeur; - Incidenteel spijbelen; - Incidenteel gebruik van alcohol en drugs;

16 – 23 jaar

- Gezin - School - Verenigingen - Peergroep - Internetgroep - Werkkring

gevaren onderkennen; - Onderwijs en beroepsvoorbereidin g.

en grenzen stellen; - Voorbeeldfunctie vervullen m.b.t. leefstijl en gedrag.

- Twijfels over identiteit of toekomst; - Problemen met autoriteiten; - Overmatig gamen/mediagebr uik, cyberpesten, sexting (dader en slachtoffer).

- Overgang van jeugd naar volwassenheid; - Loskomen van ouderlijk gezag; - Ontwikkeling eigen waarden en normen; - Onafhankelijkheid; - Duurzame relaties aangaan.

- Meer symmetrische relatie aan gaan met de jongere; - Emotionele, financiële en praktische steun; - Eigen keuzes en beslissingen laten maken; - Accepteren seksuele keuzes.

- Stemmingswisselingen; - Incidenteel gebruik van alcohol en drugs; - Twijfels over identiteit of toekomst; - Problemen met autoriteiten.

TOELICHTING VERORDENING JEUGDHULP GEMEENTE MIDDEN-DELFLAND 2026 Algemeen

Deze verordening geeft uitvoering aan de Jeugdwet. Er wordt bekeken wat redelijkerwijs

verwacht mag worden van de jeugdige en zijn sociale netwerk, vervolgens zal waar nodig de gemeente in aanvulling hierop hem in staat stellen gebruik te maken van een algemene

voorziening of – als dat niet volstaat – een individuele voorziening. Voor de Jeugdwet geldt

dat de ondersteuning niet alleen de jeugdige zelf ondersteunt maar er ook zorg voor draagt dat het probleemoplossend vermogen van het gezin wordt versterkt.

De Jeugdwet en deze verordening leggen veel bevoegdheden bij het college. De uitvoering hiervan zal echter in de regel namens het college gedaan worden (in mandaat) door

deskundige consulenten, ambtenaren of bijvoorbeeld aanbieders. Waar in deze verordening en in de Jeugdwet ‘het college’ staat, kan het college deze bevoegdheid namelijk

mandateren aan ondergeschikten dan wel niet-ondergeschikten op grond van de algemene regels van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Artikel 1 Begripsbepalingen

Geen nadere toelichting.

Artikel 2 Vormen van jeugdhulp

Allereerst komen de algemene voorzieningen aan bod. Dit zijn laagdrempelige vormen van ondersteuning waarvoor geen beschikking nodig is. Ze zijn bedoeld om problemen

vroegtijdig te signaleren, lichtere hulp te bieden en zo mogelijk te voorkomen dat zwaardere jeugdhulp nodig is. Voorbeelden hiervan zijn de jeugdgezondheidszorg, opvoedcursussen, trainingen en advies. Ook scholen spelen een rol, doordat de gemeente soms collectieve ondersteuning organiseert binnen het onderwijs. Verder is er onafhankelijke

clientondersteuning, zodat ouders en jongeren hulp krijgen bij het vinden van de juiste zorg. Deze voorzieningen zijn breed toegankelijk, gericht op preventie en het versterken van

gezinnen, en vormen vaak de eerste stap voordat er overgegaan wordt op een individuele voorziening.

Artikel 2.1 regelt de individuele voorzieningen wanneer algemene voorzieningen niet

toereikend zijn. Dit zijn vormen van jeugdhulp die speciaal worden afgestemd op de situatie van een jeugdige en/of gezin en waarvoor altijd een besluit van de gemeente nodig is. Het gaat bijvoorbeeld om (hoog)specialistische hulp bij complexe problemen of om ambulante begeleiding en opvoedondersteuning thuis en in de omgeving. Daarnaast zijn er

voorzieningen die ingrijpen in acute of ernstige situaties, zoals crisishulp, crisisopvang en intramurale voorzieningen. Ook worden meer specialistische of aanvullende vormen van zorg geboden, zoals vaktherapie, dyslexiezorg en, via landelijke afspraken, landelijke

specialistische jeugdhulp. Voor toegang tot dyslexiezorg is er een Poortwachter die de dossiers beoordeelt.

Artikel 3 Toegang tot jeugdhulp

In artikel 2.6, eerste lid, onderdeel g, van de Jeugdwet is geregeld dat, naast de gemeentelijk georganiseerde toegang tot jeugdhulp, ook de directe verwijzingsmogelijkheid door de

huisarts, medisch specialist en jeugdarts naar de jeugdhulp blijft bestaan. Dit laatste geldt zowel voor de vrij- toegankelijke (overige) voorzieningen als de niet vrij- toegankelijke

(individuele) voorzieningen. Met een dergelijke verwijzing kan de jeugdige rechtstreeks aankloppen bij de jeugdhulpaanbieder. In de praktijk zal het de jeugdhulpaanbieder (bijvoorbeeld de jeugdpsychiater, de gezinswerker of orthopedagoog) zijn die na de

verwijzing (stap 1) beoordeelt welke jeugdhulp precies nodig is. Deze bepaalt in overleg met de jeugdige of ouder daadwerkelijk de concrete inhoud, vorm, omvang en duur van de

benodigde jeugdhulp. Deze aanbieder stelt dus feitelijk vast wat naar zijn oordeel de inhoud van de benodigde voorziening dient te zijn en hij zal zijn oordeel mede baseren op de

protocollen en richtlijnen die voor een professional de basis van zijn handelen vormen (stap 2). Als de jeugdige of zijn ouders dit wensen òf in het uitzonderlijke geval dat het college

een besluit neemt dat afwijkt van het oordeel van de jeugdhulpaanbieder, legt het college de te verlenen maatwerkvoorziening (in de Jeugdwet genoemd: individuele voorziening), dan wel het afwijzen daarvan, vast in een beschikking aan de jeugdige of zijn ouders. Op die manier wordt de jeugdige en zijn ouders de benodigde rechtsbescherming geboden en

wordt voorkomen dat het college talloze beschikkingen moet afgeven die hetzelfde luiden als hetgeen de jeugdige of zijn ouders naar het oordeel van de jeugdhulpaanbieder nodig hebben.

Verder kan verwezen worden naar jeugdhulp via een besluit van de rechter of een andere

justitiële instantie (bijvoorbeeld bij een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering). In die gevallen is de gemeente alleen verantwoordelijk voor de financiering van de hulp die valt binnen de contracten of subsidies die met jeugdhulpaanbieders zijn afgesproken. De Gecertificeerde Instelling (GI) overlegt in alle gevallen samen met het sociaal team om de

uitvoering van de hulp goed af te stemmen. Bij spoedhulp (via het Crisis Interventie Team)

legt het maatschappelijke team het besluit over de hulp binnen maximaal vier weken vast in een beschikking.

Tot slot kunnen ouders en/of jeugdigen zich zelf melden bij de gemeente voor jeugdhulp. Zij kunnen dit doen via een vast aanvraagformulier (ook digitaal). Het sociaal team

onderzoekt dan samen met het gezin wat er speelt, welke hulp nodig is en wat ouders en

jeugdige zelf of met hun netwerk kunnen doen. Als er professionele hulp nodig blijkt, wordt eerst gekeken of een algemene voorziening voldoende is. Mocht zwaardere hulp nodig zijn, dan beslist het sociaal team namens de gemeente over een individuele voorziening. Zij

bepalen de aard, de duur en de omvang van de hulp en verwijzen door naar een passende jeugdhulpaanbieder. Dit besluit wordt altijd vastgelegd in een beschikking.

Artikel 4 Onderzoek

Wanneer een jeugdige of ouder een hulpvraag heeft, doet het sociaal team onderzoek. Dit gebeurt in gesprekken waarin samen met het gezin wordt gekeken: wat is precies de

hulpvraag, wat is de onderliggende problematiek, welke hulp is nodig en in welke omvang? Daarbij wordt ook bekeken wat het gezin zelf kan doen (eigen kracht), of er algemene voorzieningen passend zijn, of dat een individuele voorziening nodig is.

Tijdens het onderzoek wijst de gemeente op de mogelijkheid van een vertrouwenspersoon

en gratis cliëntondersteuning. Ook wordt uitgelegd hoe het proces verloopt, welke rechten en plichten er zijn en of de hulp in natura of met een persoonsgebonden budget (pgb) kan

worden geleverd. Soms kan de gemeente een deskundige om advies vragen. Belangrijk is dat degene die de hulp uitvoert, nooit ook beslist of de hulp moet worden toegekend. Daarnaast geldt dat eerst gekeken wordt naar de eigen mogelijkheden en

probleemoplossend vermogen van ouders en jeugdigen. Ouders hebben een wettelijke zorgplicht en worden geacht zoveel mogelijk zelf voor hun kinderen te zorgen, ook bij

ziekte of beperkingen. Van ouders wordt verwacht dat zij hun mogelijkheden benutten,

bijvoorbeeld door werktijden aan te passen, verlof op te nemen, kinderopvang te gebruiken of het sociale netwerk in te zetten.

Een individuele voorziening wordt alleen verstrekt als eigen kracht onvoldoende is. Dat kan bijvoorbeeld als ouders overbelast raken. Overbelasting kan zich uiten in klachten zoals spanning, depressie, lichamelijke of emotionele klachten of gedragsproblemen. De

gemeente onderzoekt dan of de overbelasting vooral te maken heeft met de zwaarte van de zorg of met de draagkracht van de ouder zelf. Soms kan kortdurende hulp worden ingezet om overbelasting te voorkomen of te verminderen. Artikel 5 Plan van aanpak

Geen nadere toelichting.

Artikel 6 Criteria voor een individuele voorziening

Artikel 6 beschrijft de voorwaarden waaronder een jeugdige of ouder(s) in aanmerking

kunnen komen voor een individuele voorziening. De kern is dat individuele jeugdhulp alleen

wordt ingezet wanneer lichtere vormen van hulp (zoals eigen mogelijkheden, sociaal netwerk of algemene voorzieningen) onvoldoende zijn. Het college beoordeelt steeds of de hulp noodzakelijk, passend en effectief is.

Artikel 6.1 bepaalt dat een voorziening alleen wordt toegekend als er daadwerkelijk

jeugdhulp nodig is, andere voorzieningen niet passend zijn, en de gekozen hulp effectief bijdraagt aan de oplossing. Daarbij kiest het college voor de goedkoopst adequate

voorziening. Kosten voorafgaand aan een melding worden niet vergoed, behalve bij spoed.

Verder bepaalt artikel 6.2 dat ouders in principe zelf verantwoordelijk zijn voor het vervoer

van hun kind. Alleen als dit door medische of psychosociale redenen echt niet mogelijk is en het netwerk dit niet kan overnemen, kan het college een vervoersvoorziening toekennen, onder voorwaarden (zoals afstand en beschikbaarheid OV).

Artikel 6.3 gaat in op de voorwaarden voor dyslexie behandeling. Bij ernstige dyslexie, vastgesteld volgens het landelijke protocol, vergoedt de gemeente diagnostiek en

behandeling via gecontracteerde aanbieders, mits aan alle voorwaarden is voldaan. Als geen ernstige dyslexie blijkt, worden alleen de onderzoekskosten vergoed. In artikel 6.4 gaat het over vaktherapie en wanneer dit ingezet kan worden. Dit is alleen wanneer ze aantoonbaar bijdragen aan de behandeling en geen alternatief beschikbaar is. Verder moet vaktherapie altijd plaatsvinden onder verantwoordelijkheid van een regiebehandelaar en door een gekwalificeerd therapeut.

Artikel 6.6 gaat in op jeugdhulp bij complexe scheidingsproblematiek. Deze behandeling

kan worden toegekend als de ontwikkeling van een kind ernstig wordt bedreigd door een

scheiding. Alleen erkende of evidence-informed programma’s komen in aanmerking, met als doel het verminderen van de problemen bij het kind, niet omgangsbemiddeling tussen ouders.

Tot slot wordt het afstemmen met andere voorzieningen geregeld in artikel 6.7. Het college zorgt dat jeugdhulp goed aansluit op andere wettelijke regelingen (zoals Wmo, passend onderwijs, Zvw, Wlz). Daarbij staat continuïteit van zorg en het voorkomen van overlap

centraal. Ook wordt nadrukkelijk gekeken naar de overgang naar volwassenenzorg rond de 18e verjaardag.

Artikel 7 Inhoud beschikking

Dit artikel beschrijft wat er altijd in een beschikking moet staan wanneer een jeugdige of ouder(s) een individuele voorziening krijgen toegewezen. Een beschikking geeft duidelijkheid over de vorm, inhoud en voorwaarden van de hulp. Artikel 8 Persoonsgebonden budget (pgb)

Het persoonsgebonden budget (pgb) geeft jeugdigen en ouders de mogelijkheid om zelf

jeugdhulp in te kopen in plaats van gebruik te maken van zorg in natura via een aanbieder

die door de gemeente is gecontracteerd. Het biedt keuzevrijheid en maatwerk, maar vraagt ook verantwoordelijkheid.

Artikel 8.1 regelt welke voorwaarden verbonden zijn aan een pgb. Zo moet er een

budgetplan opgesteld worden waar duidelijk in moet staan hoe de taken rond het pgb

verantwoord worden uitgevoerd, welke hulp wordt ingekocht, bij wie en tegen welke kosten, en hoe de kwaliteit is gewaarborgd. Hierin is ook opgenomen dat bepaalde kosten

uitgesloten zijn uit het pgb zoals bemiddeling, administratie, reiskosten van de hulpverlener en crisishulp. Verder kan de hulp ook bij iemand worden ingekocht uit het sociaal netwerk

(informele hulp), maar daarbij gelden extra voorwaarden, zoals een VOG en de garantie dat de hulpverlener niet overbelast raakt.

Artikel 8.2 gaat in op de pgb-vaardigheden. Het pgb vraagt van de budgethouder

(jeugdige/ouders) dat hij of zij in staat is het pgb goed te beheren. Dat betekent onder meer dat er overzicht is van de hulpvraag, dat men de administratie kan voeren, afspraken kan

vastleggen, kwaliteit kan beoordelen en zorgverleners kan aansturen. Wanneer er sprake is van bijvoorbeeld schulden, verslaving, fraude, ernstige psychische of verstandelijke

problematiek, of onvoldoende taalvaardigheid, dan kan het college besluiten dat iemand niet pgb-vaardig is. Het uitgangspunt is dat het pgb alleen verstrekt wordt als de budgethouder het verantwoord kan beheren, eventueel met hulp vanuit het netwerk of via een budgetbeheerder.

Artikel 8.4 regelt de kwaliteitseisen bij een pgb. Iedere uitvoerder van jeugdhulp via een pgb

moet voldoen aan basis-kwaliteitseisen: juiste deskundigheid, administratie, respecteren van privacy, werken volgens een plan, melding van incidenten en samenwerking met toezicht. Voor formele hulpverleners gelden daarnaast extra eisen zoals het werken volgens

professionele standaarden, kwaliteitsbewaking en de meldcode huiselijk

geweld/kindermishandeling. Informele hulp mag alleen worden ingezet als deze

verantwoord en passend is, en niet als de situatie vraagt om formele professionele hulp. Tot slot regelt artikel 8.5 de hoogte van het pgb voor formele en informele hulp. Voor

formele hulp: 100% van het laagste passende tarief dat de gemeente in natura betaalt. Voor informele hulp: vergoeding op basis van het wettelijk minimumloon inclusief vakantiegeld. De tarieven worden jaarlijks geïndexeerd (meestal met loon- en prijsontwikkeling) en

kunnen worden aangepast als de hulp goedkoper kan worden ingekocht. De gemeente legt de tarieven jaarlijks vast in nadere regels en maakt ze openbaar. Artikel 9 Herziening en bestrijding misbruik

Het college van houdt toezicht op het gebruik van individuele voorzieningen en

persoonsgebonden budgetten (pgb) om te zorgen dat deze rechtmatig, doelmatig en kwalitatief goed worden ingezet. Zowel formele als informele zorgverleners moeten meewerken aan aangekondigde en onaangekondigde controles.

Gebruikers van voorzieningen of pgb’s zijn verplicht om het college te informeren over

feiten of omstandigheden die van invloed kunnen zijn op de toekenning. Het college kan een beschikking wijzigen, herzien of intrekken als blijkt dat onjuiste of onvolledige informatie is

verstrekt, de voorziening niet langer nodig of toereikend is, de jeugdige in een zorginstelling verblijft, of de voorwaarden niet worden nageleefd. Bij opzettelijk verkeerd gebruik kan het

ten onrechte ontvangen budget geheel of gedeeltelijk worden teruggevorderd, en betalingen via de Sociale Verzekeringsbank tijdelijk worden opgeschort.

Daarnaast neemt het college maatregelen om fraude te voorkomen en de kwaliteit van

voorzieningen en pgb’s te waarborgen. Dit omvat samenwerking met andere organisaties, onderzoek bij aanbieders, afspraken over facturatie en accountantscontroles, periodieke controles van indicaties, bezoeken aan cliënten, monitoring van pgb-gebruik en een grondige toetsing vooraf bij de verstrekking van een pgb.

Artikel 10 Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en uitvoerders kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering

Dit artikel borgt dat de gemeente bij de inkoop en subsidiering van voorzieningen op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en de Jeugdwet zorgt voor een goede verhouding tussen prijs en kwaliteit, en dat de geleverde ondersteuning voldoet aan duidelijke en toetsbare kwaliteitseisen.

Een reële prijs is een wettelijke verplichting en volgt uit artikel 2.12 Jeugdwet en de

algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Tarieven moeten zodanig worden vastgesteld dat aanbieders in staat zijn om kwalitatief goede ondersteuning te leveren en aan alle

wettelijke en contractuele eisen te voldoen. Bij de bepaling van tarieven houdt het college daarom rekening met de aard en omvang van de te verrichten taken, cao-schalen,

overheadkosten, non-productieve uren (zoals ziekte, scholing en verlof), bijscholing,

cliëntgebonden en niet-cliëntgebonden kosten en indexering. Door deze kostprijselementen structureel mee te wegen, wordt voorkomen dat tarieven worden vastgesteld onder de

feitelijke kostprijs. Dit is cruciaal voor het waarborgen van continuïteit, stabiliteit en professionaliteit van de ondersteuning.

Het college verlangt daarnaast dat aanbieders bij onderaanneming of uitbesteding eveneens

een reële prijs hanteren. Hiermee wordt voorkomen dat werkzaamheden worden doorgelegd tegen onrealistisch lage tarieven die de kwaliteit en arbeidsvoorwaarden onder druk zetten.

Deze bepaling sluit aan bij landelijke inkoopkaders en de jurisprudentie over reële tarieven. Naast de prijs-kwaliteitverhouding bevat dit artikel ook bepalingen over

de kwaliteitseisen waaraan aanbieders en voorzieningen moeten voldoen. Het college contracteert of subsidieert alleen aanbieders die voldoen aan de wettelijke en

sectorspecifieke kwaliteitseisen en, waar van toepassing, beschikken over een keurmerk of certificering. Wanneer aanbieders onderaannemers inzetten, blijft de hoofdaanbieder

volledig verantwoordelijk voor de naleving van deze eisen. Ook moet de aanbieder ervoor zorgen dat personeel en vrijwilligers over de vereiste deskundigheid, vaardigheden en bevoegdheden beschikken.

Het college houdt actief toezicht op de naleving van deze kwaliteitseisen, onder andere via

periodieke en steekproefsgewijze onderzoeken. Zo kan tijdig worden ingegrepen wanneer de kwaliteit onder de norm dreigt te komen. Daarnaast kan het college kwaliteitseisen stellen aan hulpverleners die ondersteuning leveren via een pgb, zodat ook daar veiligheid, doelmatigheid en kwaliteit worden geborgd.

Met dit artikel wordt uitvoering gegeven aan de gemeentelijke verantwoordelijkheid voor

het borgen van kwalitatief verantwoorde, doelmatige en duurzame ondersteuning, en wordt invulling gegeven aan de wettelijke verplichting tot het hanteren van reële tarieven. De bepalingen dragen bij aan een stabiele en transparante zorgmarkt, eerlijke arbeidsvoorwaarden en betrouwbare ondersteuning voor inwoners. Artikel 11 Klachten en medezeggenschap

Geen nadere toelichting.

Artikel 12 Overgangsrecht en slotbepalingen

Het gemeentebestuur evalueert jaarlijks het gevoerde beleid door de uitkomsten van de

monitoring te delen met de gemeenteraad, bij voorkeur ieder tweede kwartaal na afloop van het betreffende kalenderjaar. Daarnaast kan het college jaarlijks per 1 januari de in deze verordening genoemde bedragen aanpassen door indexering.

Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van de verordening als strikte toepassing zou leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Tot slot behouden jeugdigen en ouders hun lopende voorzieningen die waren toegekend op basis van de vorige verordening (2024) totdat het college een nieuw besluit heeft genomen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=middendelfland&id=5897e5f3-ec3a-4a43-b2d1-5f8d10b43095