04 Vragen fractie VVD met antwoorden
Tekst van het document
COMMISSIE 11 oktober 2023 Onderwerp: resultaat onderzoek naar de mogelijkheid van Flexwonen en opvang in Midden-Delfland. Indiener: De heer J. van der Eijk (VVD) Het AZC en de flexwoningen: o Uit de Bestuursovereenkomst: 50% van flexwoningen moeten worden ingezet als tussenvoorziening voor statushouders. En daarna moeten die statushouders binnen 24 maanden permanente huisvesting binnen de gemeente aangeboden krijgen Als daarnaast het beheer van de flexwoningen door Wonen Midden-Delfland wordt gedaan, verlopen de toewijzingen via Woonnet Haaglanden en gaat van wat over is (15 woningen) maximaal 50% naar lokale gegadigden (7 woningen). Waarom spreekt het college over flexwoningen voor eigen inwoners als minimaal de helft wordt geclaimd voor statushouders, die daarna binnen 24 maanden ook de woningen uit de reguliere huurvoorraad claimen? Waarom schrijft het college dat er direct 30 wooneenheden beschikbaar zijn voor lokale doelgroepen? Hoe kan het college blijven stellen dat de wooneenheden voor lokale doelgroepen beschikbaar komen? De taakstelling die de gemeente heeft op het gebied van statushouders verandert niet met de realisatie van een eventuele opvang. De taakstelling blijft dus dezelfde. Deze 30 woningen vormen dus een aanbod boven op het huidige aanbod. Met de wijze van toewijzing die in het raadsvoorstel staat genoemd kunnen deze woningen lokaal worden ingezet.
Er worden 66 wooneenheden voor asielzoekers neer gezet, Het COA huisvest gemiddeld 8 personen in de oppervlakte van zo’n wooneenheid. Deze wooneenheden worden in het geval van Midden-Delfland gevuld met 3-4 personen. Klopt onze berekening dat er dus een capaciteit wordt neergezet van tenminste 528 (66x8) opvangplekken die maar voor maximaal 50% wordt gebruikt? Begrijpen wij goed dat de bij de beoogde vullingsgraad wij tussen de 198 (66x3) en de 264 (66x4) personen in de opvang krijgen? De norm van 8 komt voort uit de standaardunits die het COA neerzet. De flexwoningen waar nu op wordt ingezet zijn niet geschikt voor die aantallen bewoning. Er passen geen 8 bedden in deze woningen. Het betreft appartementen waar 1 tot 4 personen in kunnen overnachten. Er mogen op basis van de overeenkomst 275 bedden in worden geplaatst. Er mogen 225 van deze bedden worden benut. Het verschil van 50 is “snijverlies”, dit ontstaat bijvoorbeeld als in een woning met 4 bedden een gezin met drie personen komt te wonen. Er komen dus niet meer dan 225 mensen in de opvang. o
o
Hoe denkt het college de samenstelling van de doelgroep ook op de langere termijn af te kunnen dwingen? In de bestuursovereenkomst staat namelijk dat de instoom leidend is voor het COA bij plaatsing.
De meest concrete afspraken (25, 100 en 100) zijn leidend. Het COA maakt die afspraken met de gemeente Midden-Delfland. De juridische afdeling van het COA heeft lang gedacht over de verwoording in de overeenkomst. Nu bouwt het qua tekst zo op dat eerst wordt benoemd dat de instroom er simpelweg is, dan wordt benoemd dat uit die groep de AMV hier ook welkom is en vandaar worden de specifieke afspraken over de gezinnen en de werkenden genoemd. Het COA meent op deze wijze een juridisch gezien houdbare logica op te bouwen. Op basis hiervan kan dan toch de door ons gewenste sturing op doelgroepen worden afgesproken. De
controle vind plaats door het geregeld en desgevraagd delen van de opvangcijfers. Het afdwingen gebeurt op basis van de overeenkomst waar als ultieme sanctie het opzeggen van de overeenkomst staat benoemd. o Hoe houdt het college toezicht op het aantal gehuisveste asielzoekers? Het college ontvangt rapportages en het college kan deze elk moment opvragen. o
Op 6 juni 2023 is er een brief verzonden door Minister van der Burg met het onderwerp “dringende oproep op het terrein van asiel opvang” (brief hebben wij als PDF bijgevoegd). Op pagina 4 van deze brief staan bij de laatste bullits opmerkingen over kleine opvanglocaties en doelgroepen beperkingen. Deze opmerkingen zijn in tegenspraak met wat er ons in de uitkomsten van het onderzoek wordt voorgesteld. Is het college het met ons eens dat het COA ook kleinere locaties kan realiseren en dat dat passender is bij de omvang van onze gemeente?
Het college is het met u eens dat het COA ook kleinere locaties kan realiseren. De voorwaarden waaronder dat gebeurt zijn dan echter niet passend binnen onze randvoorwaarden. o
Is het college van mening dat je nog van vrijwilligerswerk mag spreken als dit een voorwaarde is om aanspraak te maken op een flexwoning?
Als voorbeeld van een voorwaarde voor woningtoewijzing is dit genoemd. Het kan zijn dat deze voorwaarde helemaal niet in de praktijk zal worden toegepast. In welke mate een voorwaarde die iemand accepteert vrijwillig is, is waarschijnlijk discutabel. Locatie en de grond: o Wat is voor het college de reden om de aankoop van de grond los van het nu voorliggende voorstel te behandelen? Het is toch onlosmakelijk met elkaar verbonden? U moet het toch met ons eens zijn dat een ja tegen het azc een ja tegen de grondaankoop betekent? Het college meent dat het wel kiezen voor de opvang en het niet aankopen van de grond een bijzondere combinatie is. Het kan zo zijn dat het niet instemmen met de opvang er door de raad wel gekozen wordt voor de aankoop van de grond. Er ligt nog een motie met die strekking. De stukken zijn overigens nu gelijktijdig en op tijd voor een gezamenlijke behandeling aangeleverd. De wijze van behandelen is een keuze van de raad. Kan het college aangeven wat de reden is dat er persé voor 1 november aanstaande een besluit moet zijn genomen over de grond? Dit heeft te maken met de termijn waarop de GR van het bedrijvenschap kan worden opgeheven. o
In de berekeningen van mogelijke kosten wordt constant gesproken over een 30/96 verdeling. Waarom is dat? Het AZC omvat naast de wooneenheden toch ook nog voorzieningen, kantoren en werkruimten voor het COA? Dit klopt de verdeling 30/96 is dus een “veilige”. o
Kan het college aangeven waarom de oost-west zichtlijn (Gantel) niet wordt gerespecteerd? Er zit nu een impressie bij de stukken. Dit is niet de daadwerkelijke uitwerking. De bebouwing zal er in principe vijf jaar staan. Dan is er meer ruimte om (tijdelijk) iets toe te staan. Als het proportioneel is dan kan met een zichtlijn rekening worden gehouden. o
Kan het college aangeven waarom er een directe ontsluiting voor personenauto’s op de Harnachdreef komt? De definitieve inrichting voor bedrijven stuurt aan op ontsluiting via de te verlengen Kleyweg. Dit onderdeel van de impressie zal voordat de tekening definitief wordt zeker veranderen. o
Opvang statushouders: o In de media lezen wij dat de gemeente Delft worstelt met de opvang van statushouders en waarschijnlijk niet het gewenste aantal voor 2023 gaat halen. Staat Delft hierin alleen of hebben meerdere buurgemeenten problemen hiermee? Hoe verhoudt zich dat tot de toezeggingen vanuit andere gemeenten aan de burgemeester dat andere gemeenten een deel van onze taakstelling gaan overnemen? Heeft het college concrete toezeggingen op papier met betrekking tot de overname van onze taakstelling statushouders door andere gemeenten en zo ja kunnen wij die inzien? Er zijn meerdere categorieën/doelgroepen waarover in regionaal verband afspraken kunnen worden gemaakt. Statushouders kunnen worden uitgewisseld met vluchtelingen. Dat is hetgeen wat Midden-Delfland in de regionale afspraken kan inbrengen als er ruim meer dan 97 vluchtelingen worden gehuisvest. Er zijn gemeenten die op het gebied van statushouders nu al meer kunnen leveren of die bereid zijn om meer te gaan leveren om het mogelijk te maken deze afspraken regionaal te maken. Deze afspraken staan nog niet op papier. Overig: o Er wordt op pagina 12 gesproken over een financiële regeling voor de restwaarde en een garantie ondersteuning exploitatie elders. Zijn deze regelingen er al daadwerkelijk en wat houden die dan in? Deze regeling betreft het:
Financiële herplaatsingsgarantie voor flexwoningen | Nieuwsbericht | Rijksoverheid.nl Kan het college aangeven of de AMA’s ook minimaal 6 maanden in de procedure zitten? Dit is niet concreet afgesproken. Het kan zijn dat deze groep korter in de procedure zit. Op deze groep is overigens wel continu begeleiding aanwezig. o
Het college heeft in haar werkprogramma aangegeven op zoek te gaan naar locaties (doorkijk naar 2030) voor permanente woningbouw. Nu geeft het college aan ook op zoek te gaan naar locaties waar flexwoningen naartoe kunnen. Waarom heeft het college opeens besloten op zoek te gaan naar locaties voor flexwoningen? Hoe gaat het college voorkomen dat deze zoektocht niet ten koste gaat van de reguliere, permanente woningbouw? Hoort de focus niet bij het realiseren van de bestaande woningbouwprojecten te liggen? De focus hoort zeker bij die realisatie te liggen. Dat er nu ook een uitdaging ligt op het gebied van opvang en dat dat gecombineerd kan worden met de realisatie van flexwoningen komt dus bovenop de mogelijkheden die we hebben. o
Kan het college aangeven in welke vorm invulling gaat worden gegeven aan het beleid van de afgelopen jaren voor spreiding van doelgroepen als er in de flexwoningen juist deze zelfde doelgroep bij elkaar worden gezet? Voor een periode van vijf jaar zal waarschijnlijk een groep jonge mensen aan het begin van de woon carrière gebruik maken van deze woningen. Jonge mensen verhuizen vaak nog enkele malen en deze woningen staan hier tijdelijk. De kans dat dit tot een situatie leidt waarbij na enkele jaren er sprake is van een eenzijdige wijk is erg gering. o
Kan het college aangeven waarom het COA niet zelf de contacten legt met SWMD voor inzet van vrijwilligers, maar dat de gemeente dit gaat doen? De gemeente legt het eerste contact. Het COA is zeer goed in staat om het vanaf dat punt verder op te pakken. o
o
Wat wordt door het college bedoeld met kwetsbaren uit spoor 2?
Dit betreft mensen uit een veilig land (spoor 2) voor wie het erg kwetsbaar of zelfs gevaarlijk is om in dat land te leven. Die kwetsbaarheid kan ontstaan door politieke overtuiging, geaardheid of religie. o Op welke datum heeft het COA schriftelijk gereageerd op het eindbod van 6 juli? In het eindbod stond het nadrukkelijke verzoek om voor 3 augustus te reageren. Zoals eerder al aan u gemeld is dat niet gebeurd. Met het COA is op 17 en 24 augustus overleg gevoerd. Bij dit overleg is het eindbod doorgenomen. Aan het einde van die overleggen was er mondelinge overeenstemming. Dat is daarna in de conceptovereenkomst verwerkt die nu bij het raadsvoorstel is gevoegd. In de bestuursovereenkomst staat niet geborgd dat alle kosten voor jeugdzorg worden vergoed door het Rijk of COA. Betekent dit dat de gemeente de kosten voor jeugdzorg zelf moet betalen als deze kosten boven de uitkering vanuit het Faciliteitenbesluit uitgaan? De regelingen zouden kostendekkend moeten zijn. Het COA gaf aan dat als de gemeente kan aantonen dat er een tekort is dat het verschil dan wordt vergoed. Hoe eenvoudig (of complex) dit werkt is niet bekend. o