CConstaterende datMidden-Groningen
Koppel je AI →
Document · PDF

GETEKEND Reglement van Orde gemeentraad Midden-Groningen 2021 def

Raadsvergadering 29 april 2021, gemeente Midden-GroningenBij agendapunt: Vaststellen herzien Reglement van Orde Midden-Groningen 2021 (R)18.152 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

In artikel 19, eerste lid, van de Gemeentewet is bepaald dat de burgemeester de leden van de raad uitnodigt voorde vergadering. Het vierde lid van dit artikel bepaalt dat de voorzitter een vastgesteld aantal dagen vóór een vergadering de leden een oproep stuurt, waarin de vergadering wordt aangekondigd. Uiteraard is het mogelijk, indien de raad dit wenst de stukken en oproep niet per post maar per e-mail te versturen. De oproep vermeldt de dag, tijdstip en plaats van de vergadering. Het eerste lid stelt verplicht dat de voorlopige agenda en de daarbij behorende stukken, met uitzondering van de in artikel 25, eerste en tweede lid, van de Gemeentewet bedoelde stukken, tegelijkertijd met de oproep aan de leden ter kennis worden gebracht. Dein artikel 25, eerste en tweede lid, bedoelde stukken zijn stukken ten aanzien waarvan geheimhouding is opgelegd. Hier wordt melding van gemaakt op de stukken. De stukken kunnen worden ingezien bij de griffier. Artikel 9. Aanvullende agenda; vaststellen agenda De agendacommissie bepaalt hoe de voorlopige agenda er uit ziet. Het versturen van de agenda en stukken is geregeld in artikel 8. Dit is echter een voorlopige agenda. In de dagelijkse praktijk van de gemeente zal het niet altijd mogelijk zijn om ruim voorde vergadering een agenda op te stellen, die ook zicht heeft op de actualiteiten.

In een dergelijke situatie kan de voorzitter na het verzenden van de oproep zo nodig een aanvullende agenda en stukken rondsturen. Het derde lid heeft tot doel om de raad een actievere rot te geven in de opstelling van de raadsagenda. Enerzijds kunnen individuele raadsleden bij de leden van de agendacommissie of via de griffier onderwerpen voorde agenda voordragen. Anderzijds kunnen zij echter ook bij aanvang van de

raadsvergadering een voorstel doen om onderwerpen aan de agenda toe te voegen of van de agenda af te voeren. Daarmee kan het individuele raadslid in ieder geval op twee momenten invloed uitoefenen op de vaststelling van de agenda. Indien er een voorstel wordt gedaan om de agenda aan te passen, bijvoorbeeld het doorschuiven van een agendapunt, naar de volgende raadsvergaderínq, en de stemmen staken, is artikel 32, vierde lid, van de Gemeentewet niet van toepassing. Artikel 10. Ter inzage leggen van stukken Geïnteresseerden moeten de mogelijkheid hebben om stukken in te zien. Daarom worden alle stukken gelijktijdig met het verzenden van de oproep ter inzage aangeboden. Naast de fysieke ter inzagetegging bij de griffie, zulten de stukken doorgaans op elektronische wijze worden aangeboden. Dit gaat via een digitaal raadsinformatiesysteem of door plaatsing in het raadsinformatiesysteem op de gemeentesite. Een stuk is een 'document' in de zin van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob). Een document houdt in: een bij een bestuursorgaan berustend schriftelijk stuk of ander materiaal dat gegevens bevat. Onder documenten vallen niet alleen de door de overheidsorganen gecreëerde stukken of ander materiaal.

Ook alle van buiten komende stukken en ander voor overheidsorganen bestemd materiaal zoals agenda's, verslag, (concept adviezen en magneetbanden verkrijgen de status van document in de zin van de Wob. Onder de stukken als bedoeld in het derde lid van dit artikel worden verstaan: geheime stukken en de zogenaamde `achterliggende' stukken waarvan in raadsvoorstellen melding wordt gemaakt (ambtelijke adviezen, toelichtende nota's, etc. ). Indien het gaat om geheime of vertrouwelijke stukken, waarop voorlopige geheimhouding is opgelegd door het bestuursorgaan dat het document aanbiedt aan de raad, dient dit duidelijk op het stuk te zijn aangegeven. Ook kan worden overwogen hiervan geen kopieën te laten maken, omdat het gevaar bestaat dat vaak gekopieerde stukken toch in de openbaarheid komen. De griffier vervult de secretariaatsfunctie ten dienste van de raad. Daarom worden stukken die betrekking hebben op de agenda en de voorstellen van de raadsvergadering en die geheim moeten blijven bij hem ter inzage gelegd. Op verzoek van de leden van de raad kan de griffier inzage aan hen verienen. Artikel 11. Openbare kennisgeving Met dit artikel wordt invulling gegeven aan het voorschrift van artikel 19, tweede lid, van de Gemeentewet. Voor wat beCreft de wijze van publicatie is aangestoten bij artikel 3:12 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

Hier wordt expliciet vastgelegd in welke dag-, nieuws• of huis-aanhuisbladen de aankondiging van de vergadering van de raad wordt geplaatst. Indien de kennisgeving uitsluitend elektronisch plaatsvindt, dan dient er een grondstag te zijn, zie artikel 3:12 juncto 2:14 van de Awb.

Paragraaf 2. Ter vergadering Artikel 12. Zitplaatsen en presentielijst Het is praktisch om een procedure op te nemen ten aanzien van de zitplaatsen, bijvoorbeeld wanneer een raadslid een om medische redenen een specifieke zitplaats wenst. Dit is geregeld in het eerste en tweede lid. De verplichting tot het hebben van een presentielijst vloeit voort uit artikel 20 van de Gemeentewet. In dit artikel wordt de procedure vastgelegd. De handtekeningen op de presentielijst zijn bedoeld om formeel vast te stellen dat het vergaderquorum bereikt is. be lijst kan niet dienen om het stemquorum vast te stellen; daarvoor geldt artikel 29 van de Gemeentewet. De griffier geeft de ambtelijke ondersteuning die de raad nodig heeft. Daarom zorgt hij voor het bijhouden van de presentielijst en stelt hij samen met de voorzitter deze vast en ondertekent deze. Deze ondertekening dient te waarborgen dat de lijst volledig is en het quorum aanwezig was. De presentielijst dient tevens als instrument voor het bepalen van de stemvolgorde conform artikel 18 lid 4.

Artikel 13. Aantal spreektermijnen Indien de raad of de voorzitter van mening is dat na de tweede termijn verdere beraadslaging nodig is, kan hij daartoe uitdrukkelijk besluiten. Het tweede lid benadrukt dat de voorzitter elke spreektermijn afsluit. Dit behoeft overigens niets te veranderen aan de praktijk dat een portefeuillehouder antwoordt na de inbreng van de raadsleden in de eerste en tweede termijn. Het stellen van vragen dient ook als een spreektermijn beschouwd te worden. Een verzoek van een raadslid na afloop van de tweede termijn om nog een korte reactie te geven, dient de voorzitter niet te honoreren. Tenzij het om een stemverklaring gaat. De beraadslaging over een motie vindt niet plaats in afzonderlijke termijnen, maar gelijktijdig met de beraadslaging over het betreffende, aan de orde zijnde onderwerp (artikel 29). Op verzoek van de werkgroep raadswerk is de mogelijkheid tot het invoeren van een op de situatie toegesneden spreektijdenregeling toegevoegd.

Artikel 14. Spreekrecht burgers en deelname aan de beraadslaging door anderen Deze bepaling is noodzakelijk in verband met het in artikel 22 van de Gemeentewet geregelde verschoningsrecht. Het is uiteraard ook mogelijk dat de raad bepaalt dat een bepaalde functionaris in bepaalde gevallen altijd aan de beraadslaging mag deelnemen. De raad heeft op grond van artikel 4 bepaald dat de griffier, deelneemt aan de beraadslagingen. De burgemeester en de wethouders) hebben het recht (het woord te voeren en) deel te nemen aan de beraadslagingen op grond van artikel 21, eerste en tweede, lid van de Gemeentewet.

Het geven van spreekrecht aan burgers is een manier om burgers meer te betrekken bij de besluitvorming. Doordat de raadsvergadering het sluitstuk is van het besluitvormingsproces dat lang daarvoor is begonnen (beeldvormende bijeenkomsten, ambtelijke organisatie, college, commissies) is er voor gekozen spreekrecht op te nemen in de commissieverordening. Een inspreekmogelijkheid tijdens de raadsvergadering is doorgaans minder effectief ('schijnspreekrecht'). Burgers kunnen ín MiddenGroningen inspreken tijdens de beeldvormende bijeenkomsten in de commissievergadering. Er zijn echter situaties denkbaar waarin er geen mogelijkheid tot spreekrecht is geweest in de commissievergadering. Een onderwerp kan rechtstreeks op de raadsagenda zijn geplaatst ter besluitvorming. dit artikel voorziet dan in een mogelijkheid tot spreekrecht in de raad. De werkgroep raadswerk heeft uitgesproken dat het wenselijk is dat burgers de raadsleden kunnen attenderen op onderwerpen. Daarom ís de bepaling opgenomen dat burgers kunnen inspreken op punten die niet op de raadsagenda staan. Oe maximale termijn waarbinnen alle burgers gezamenlijk kunnen spreken is gemaximeerd op 30 minuten. In het tweede lid zijn vier onderwerpen opgenomen, waar het spreekrecht niet voor geldt.

Als een besluit van de raad of het college vatbaar is voor bezwaar en de burger belanghebbende is, kan de burger een bezwaarschrift indienen. Ook kan een burger beroep instellen bij de rechtbank. Verder zijn de benoemingen, keuzen, voordrachten en aanbevelingen van personen uitgesloten van het spreekrecht van burgers. Omdat inspraak over de benoemingen, keuzen, voordrachten of aanbevelingen van personen - de belangen van -kandidaten al dan niet in de uitoefening van hun ambt of functie kan schaden, kunnen burgers hierover geen uitlatingen doen. Als laatste kunnen burgers zich ook niet uitlaten over onderwerpen, waar zij op grond van artikel 9:2 Algemene wet bestuursrecht een klacht over kunnen indienen. Deze procedure gaat voor het spreekrecht van burgers. Tevens kan niet worden ingesproken op door de raadsleden ingediende moties vreemd aan de orde van de dag. De burgers die wensen in te spreken wordt gevraagd zich voor de vergadering melden bij de griffier. Door niet uitdrukkelijk een termijn op te nemen, kan hiermee flexibel worden omgegaan en de servicegerichtheid naar de burger worden vergroot. De voorzitter zal bij het vaststellen van de agenda vragen of er nog aanwezigen gebruik willen maken van het spreekrecht. Dit is het laatste moment waarop een burger zich kan verzekeren van het recht tot spreken.

Burgers die hebben ingesproken hebben de mogelijkheid hun inspraaktekst aan de griffier te overhandigen. deze zorgt ervoor dat de tekst in bezit komt van de leden van de raad. Artikel 15. Voorstellen van orde De voorzitter legt aan de raad ter beslissing voor of er inderdaad sprake is van een voorstel van orde. over een voorstel van orde wordt direct, zonder beraadslaging, besloten door de raad. Bij staken van stemmen is het voorstel niet aangenomen, (artikel 32, vierde lid, van de Gemeentewet is hierop niet van toepassing). Een voorstel van orde betreft bijvoorbeeld het schorsen van de vergadering voor een pauze. Indien het gaat om een niet geagendeerd voorstel, dient de procedure van een initiatiefvoorstel gevolgd te worden (artikel 30}.

Paragraaf 3. Stemmingen ALGEMENE INFORMATIE OVER STEMMINGEN Een votksvertegenwoordiger dient duidelijk te zijn in zijn of haar rol. Door de openbaarheid is het voor de achterban (kiezers) duidelijk hoe ze vertegenwoordigd worden. Ieder lid dat ter vergadering aanwezig is, is verplicht zijn of haar stem uit te brengen tenzij het raadslid zich van stemming moet onthouden. "Ter vergadering aanwezig zijn" moet letterlijk worden opgevat. Het raadslid dat weliswaar de presentielijst heeft getekend, maar op het moment van de stemming niet in de vergaderzaal aanwezig is, is niet ter vergadering afwezig. Voor hem of haar fieldt dus niet de verplichting een stem uit te brengen. Om die reden kan het zijn, dat raadsleden bijvoorbeeld een toiletbezoek plannen op het moment van een stemming waar zij uit principiële overwegingen eigenlijk niet aan willen deelnemen. In artikel 28 Gemeentewet zijn de redenen opgenomen op grond waarvan een raadslid zich van stemming moet onthouden. Het beslissingsquorum: Het nemen van een besluit via stemming vindt zijn wettelijke basis in de artikelen 30, 31 en 32 van de Gemeentewet. In artikel 30 is bepaald, dat voor het tot stand komen van een besluit een volstrekte meerderheid is vereist van hen die een stem hebben uitgebracht. Indien de stemmen staken, is het voorstel dus verworpen.

Het tweede lid vervolgens bepaald dat bij schriftelijke stemming onder het uitbrengen van een stem wordt verstaan het inleveren van een behoorlijk ingevuld stembriefje. Uit deze bepaling blijkt dat een blanco uitgebrachte stem wel meetelt bij het bepalen van het stemmingsquorum, maar niet voor het beslissingsquorum. Met andere woorden, een blanco uitgebrachte stem wordt geacht geen stem te zijn. Na het vergaderquorum (artikel 20 Gemeentewet een vergadering wordt niet geopend als niet meer dan 50~ van het aantal zitting hebbende raadsleden aanwezig is blijkens de presentielijst) en het stemmingsquorum (artikel 29 Gemeentewet) kan de vraag gesteld worden wanneer nu een (raads)besluit genomen is (beslissingsquorum). Hierbij is een onderscheid te maken tussen stemmen over personen (Gemeentewet artikel 31 y en stemming over zaken (Gemeentewet artikel 32). De stemming over personen (benoeming, voordracht of aanbeveling) geschiedt in ieder gevat schriftelijk bij gesloten en ongetekende stembriefjes. Indien de stemmen staken wordt in dezelfde vergadering een herstemming gehouden. Staken de stemmen opnieuw, dan beslist het lot. De stemming over zaken geschiedt mondeling bij hoofdelijke oproeping, indien de voorzitter of één van de leden dat verlangt. Wordt geen stemming gevraagd, dan wordt het voorstel geacht te zijn aangenomen.

Het uitbrengen van een stem over zaken kan op vete manieren geschieden. Te denken valt aan een luid en duidelijk 'voor' of 'tegen', handopsteken, zitten en opstaan e.d. Het reglement van orde kan in een nadere regeling voorzien. Ieder lid dat ter vergadering aanwezig is, is verplicht te stemmen. Artikel 16. Stemverklaring Stemverklaringen zullen kort moeten zijn en mogen niet het karakter krijgen van een derde termijn, als laatste reactie op de vorige spreker. De stemverklaringen worden gegeven vóór de hoofdelijke oproep van de leden dat de stemming begint.

Artikel 17. Beslissing De voorzitter kan de beraadslaging sluiten als hij vaststelt dat een onderwerp voldoende is toegelicht, tenzij de raad anders beslist. De voorzitter formuleert daarna de te nemen eindbeslissing. Indien geen stemming wordt gevraagd, is het voorstel aangenomen op grond van artikel 32, derde tid, van de Gemeentewet. Artikel 18. Stemming; procedure hoofdelijke stemming Indien een lid te kennen geeft een hoofdelijke stemming te wensen, moet de stemming plaatsvinden. De raad heeft niet de bevoegdheid om van deze bepaling van artikel 32 van de Gemeentewet af te wijken. Vraagt niemand stemming, dan wordt het voorstel geacht te zijn aangenomen. Wellicht ten overvloede wordt hierbij nog verwezen naar artikel 209, tweede lid, van de Gemeentewet, welke een hoofdelijke stemming verplicht. De regeling in het eerste deel van het tweede lid kan toepassing krijgen, indien de uitkomst van de stemming tevoren duidelijk is en slechts enkele leden zouden tegenstemmen. Een raadslid kan zich alleen onthouden van stemming op grond van artikel 28 van de Gemeentewet. In alle andere gevallen is een raadslid verplicht om stelling in te nemen en te stemmen. Stemmingen zijn in principe ook openbaar. Een volksvertegenwoordiger dient duidelijk te zijn in zijn of haar rol. Door de openbaarheid is het voor de achterban (kiezers) duidelijk hoe ze vertegenwoordigd worden.

In de Winsumuitspraak (Raad van State, 7 augustus 2002, uitspraak 200200897/1) is het hoger beroep op artikel 28 van de Gemeentewet afgewezen, maar heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) wel geconcludeerd dat het genomen besluit in strijd is met artikel 2:4 van de Awb omdat de schijn van belangenverstrengeling onvoldoende was vermeden. Naar aanleiding van deze uitspraak zijn er vragen gerezen over de mogelijke gevolgen voor stemprocedures en de verantwoordelijkheden in gemeenteraden. In deze uitspraak geeft de Afdeling het rechtsbeginsel neergelegd in artikel 2:4 van de Awb voorrang boven hetgeen in artikel 28 van de Gemeentewet is bepaald.

Over de mogelijke gevolgen van de uitspraak adviseerde de toenmalige minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties: "de beslissing over stemonthouding dient voorbehouden te blijven aan het individuele raadslid; bij stemming heeft de raad geen optie dan te waarschuwen dat het te nemen besluit wel eens aanvechtbaar zou kunnen zijn in een bezwaarschriftprocedure of bij de bestuursrechter of in het kader van een spontane vernietiging door de Kroon (artikel Z68 van de Gemeentewet); de raad kan in dergelijke gevallen een belangrijke rol spelen door in algemene zin te bespreken, individuele raadsleden door hun handeten de schijn van belangenverstrengeling kunnen wekken en hoe dat voorkomen kan worden (en dit bijv. opnemen in de gedragscode); uiteraard is de gedragscode in juridische zin niet bindend, dit is tevens niet wenselijk." Er is echter inmiddels vervolgjurisprudentie beschikbaar: •In ABRvS 30 juni 2010, LJN BM9710, AB 2010/310 oordeelde de Afdeling dat in het midden kon blijven of twee raadsleden een persoonlijk belang hadden bij de vaststelling van een bestemmingsplan, omdat het bestemmingsplan met de grootst mogelijke meerderheid door de raad was vastgesteld. Zelfs indien

zou worden vastgesteld dat de twee raadsleden een persoonlijk belang hadden bij de planvaststelling, hebben zij geen beslissende stem in de uitkomst gehad; - in ABRvS 22 juni 2011, LJN BQ8863, AB 2011/261 overwoog de Afdeti~g dat een raadslid dat woonde en werkte op een bedrijventerrein een persoonlijk belang had bij de vaststelling van een bestemmingsplan voor dat bedrijventerrein. De Afdeling oordeelde dat in strijd was gehandeld met artikel 2:4 van de Awb omdat naar derden de schijn is gewekt dat het persoonlijke belang van invloed is geweest op de besluitvorming. Daarbij speelde een rol dat het raadslid tijdens de vergadering van de raad veelvuldig het woord heeft gevoerd en namens zijn fractie een aantal amendementen heeft ingediend en voorgelezen die in feite tot gevolg hebben dat een gunstiger woon- en leefklimaat ontstaat ter hoogte van gronden van het betreffende raadslid. De Afdeling achtte niet van belang of het raadslid daadwerkelijk het oogmerk had te bewerkstelligen een plan ten gunste van zijn leefklimaat vast te stellen. Ook indien van de goede trouw van het raadslid kan worden uitgegaan, kan de schijn van belangenverstrengeling zijn gewekt.

Ook het gegeven dat het raadslid niet bij alle amendementen een doorslaggevende stem heeft gehad leidt niet een ander oordeel omdat gelet op het feit dat het raadslid veelvuldig het woord heeft gevoerd niet kan worden gesteld dat niet de schijn is gewekt dat híj invloed heeft gehad op de besluitvorming; -In ABRvS 6 februari 2013, LJN BZ0796 preciseert de ABRvS haar hiervoor vermelde uitspraak van 22 juni 2011. In de zaak die tot de uitspraak van 6 februari 2013 heeft geleid ging het om een besluit van een gemeenteraad om een bestemmingsplan niet vast te stellen. Dat besluit was genomen met de kleinst mogelijke meerderheid, waarbij een raadslid die mogelijk belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb was, tegen de vaststelling van het plan had gestemd. De ABRvS overwoog dat in aanmerking genomen dat het hier gaat om besluitvorming door de gemeenteraad die een belangenafweging vergt waarbij politieke inzichten een belangrijke rol speten, ligt het in de rede voor de invulling van het begrip 'persoonlijk belang' in artikel 2:4, tweede lid, van de Awb aansluiting te zoeken bij artikel 28, eerste lid, onder a, van de Gemeentewet. Deze bepaling dient strikt te worden uitgelegd, nu daarbij het fundamentele recht van een raadslid om deel te nemen aan een stemming wordt ingeperkt.

Uit artikel 2:4 van de Awb volgt dus -- en de Afdeling preciseert hiermee haar (hiervoor vermelde) uitspraak van 22 juni 2011 — in het algemeen niet dat een persoon die deel uitmaakt van een democratisch gekozen bestuursorgaan zoals de gemeenteraad en die bij een besluit belanghebbende is als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, zich zou moeten onthouden van deelname aan de besluitvorming. Dit zou afbreuk doen aan de taak en de fundamentele rechten van een gekozen volksvertegenwoordiger en daarmee aan het democratisch proces. De ABRvS heeft in haar uitspraak van 6 februari 2013 in aanvulling op het voorgaande overwogen dat er zich evenwel bijkomende omstandigheden kunnen voordoen die maken dat de behartiging van het persoonlijk belang van een raadslid zodanig aan de orde is bij het onderwerp van de besluitvorming dat hij daaraan niet behoort deel te nemen. Weliswaar kan de gemeenteraad niet verhinderen dat een lid deelneemt aan de besluitvorming en aan stemmingen, maar deelname van een lid kan er bij aanwezigheid van zo'n persoonlijk belang wel toe leiden dat de bestuursrechter tot het oordeel moet komen dat het desbetreffende besluit is genomen in strijd met artikel 2:4 van de Awb.

De conclusie dat het betrokken bestuursorgaan in strijd met deze bepaling een besluit heeft genomen, kan echter pas worden getrokken wanneer aannemelijk is dat het betrokken raadslid de besluitvorming daadwerkelijk heeft beïnvloed,

Bij staking van stemmen is het bepaalde in artikel 32 van de Gemeentewet van toepassing. Indien de vergadering voltallig is, wordt het voorstel geacht te zijn verworpen. Is de vergadering niet voltallig, dan wordt het nemen van het besluit tot een volgende vergadering uitgesteld. Ats ook dan de stemmen staken, wordt het voorstel geacht niet te zijn aangenomen. In gemeenten kan een elektronisch stemsysteem gebruikt worden waarbij de openbaarheid gewaarborgd wordt doordat de naam van het raadslid gekoppeld wordt aan het voor of tegen. Dit is te lezen op een scherm, de afdruk ervan wordt meegenomen in de verslaglegging. Deze manier van stemmen is mogelijk op grond van de Gemeentewet. In het vierde lid wordt ingegaan op de procedure van hoofdelijke stemming. Praktisch gezien verdient het aanbeveling de volgorde van stemmen te bepalen aan het begin van de vergadering; deze volgorde geldt dan voor de gehele vergadering. Artikel 19. Volgorde stemming over amendementen en moties Voor alle duidelijkheid wordt hier een verschil in procedure aangegeven tussen een motie en een amendement. Een amendement komt in stemming voorafgaande aan de stemming over het onderliggende voorstel. Een motie strekt niet tot wijziging van een voorgesteld besluit; over een motie wordt een apart besluit genomen, nadat de besluitvorming over het aanhangige voorstel is afgerond.

Bij een motie over een afzonderlijk onderwerp geldt dit uiteraard niet en is het vierde lid niet van toepassing. Bovendien kan de raad besluiten af te wijken van deze stemvolgorde. Artikel 20. Stemming over personen Artikel 31, eerste lid, van de Gemeentewet geeft aan dat de stemming over personen geheim dient te zijn. Sinds 1 februari 2Q16 is artikel 31 ook van toepassing op de stemming over de benoeming van de wethouder (artikel 35, eerste lid van de Gemeentewet). Datzelfde geldt voor de stemming over het ontslag van een wethouder in het geval een motie van wantrouwen niet tot onmiddellijk afreden leidt (artikel 49 gemeentewet). Ook dat gebeurt schriftelijken is daarmee geheim. Het is mogelijk om met elektronische stemsystemen te werken maar het reglement van orde gaat vooralsnog uit van een stemming door middel van behoorlijk ingevulde stembriefjes. Een blanco stembriefje wordt niet aangemerkt als een behoorlijk ingevuld stembriefje (Kamerstukken II 1985/86, 19 403, nr. 3, blz. 86). In geval van een schriftelijke stemming wordt dan ook geen rekening gehouden met blanco stembriefjes. Een blanco of verkeerd ingevuld stembriefje telt wel mee bij de bepaling van het quorum. De raad oordeelt of een stembriefje behoorlijk is ingevuld. Wat onder een (niet) behoorlijk ingevuld stembriefje moet worden verstaan, is in de wet niet geregeld.

Daarom is in dit artikel in lid zes uitgeschreven wat onder een niet behoorlijk ingevuld stembriefje wordt verstaan. Indien raadsleden genomineerd warden voor de functie van wethouder is er sprake van een vrije stemming. Er is geen sprake van een voordracht. De beoogd wethouder mag dus meestemmen over zijn eigen benoeming. Een voorstel tot benoeming gaat hem persoonlijk aan "wanneer hij behoort tot de personen tot wie de keuze door een voordracht ot bij een herstemming is beperkt" (artikel 28, eerste lid, onder a, en derde lid, van de Gemeentewet). Dat is echter in casu niet aan de orde, omdat er ook op een ander persoon kan worden gestemd. De aard van de stemming is derhalve van belang. dit heeft tot gevolg dat raadsleden de mogelijkheid hebben op het stembriefje de naam van de kandidaat die hun voorkeur heeft in te vullen (die van de voorgestelde perso(o)n(en), of die van een

ander). Er is in dit geval geen sprake van een voordracht of een anderszins beperkte keuze en aan de stemming mag derhalve ook worden deelgenomen door raadsleden die ter benoeming zijn voorgesteld: zij kunnen immers op het stembriefje een andere naam dan hun eigen naam invullen. de wetgever heeft nooit de bedoeling gehad de politieke verhoudingen in de raad te beïnvloeden door middel van een verbod op het meestemmen van de kandidaat-wethouder. Los van de formeel-juridische context pleiten de volgende argumenten nog voor bovenstaande zienswijze: - een democratisch gekozen vertegenwoordiger mag niet te snel het recht op stemming worden ontnomen. Stel: partij X beveelt meneer Janse en meneer Pieterse aan als wethouders. Als deze personen in de raad zitting hebben en niet mee mogen stemmen houdt dít in, dat de partij ineens twee stemmen in de raad minder heeft. Dat is onaanvaardbaar in het licht van de politieke verhoudingen; - een aanbeveling is geen voordracht. Het spraakgebruik heeft het vaak over voordracht, maar een persoon nomineren als wethouder staat niet gelijk aan een voordracht; Tenslotte is het denkbaar dat een kandidaat-wethouder die voor benoeming wordt aanbevolen, uit moreel politieke overwegingen en om iedere schijn van belangenverstrengeling te vermijden op eigen initiatief afziet van het meestemmen over de benoeming.

Alhoewel het uitgangspunt is dat zeer terughoudend moet worden omgegaan met het inperken van het stemrecht van gekozen volksvertegenwoordigers, laat de wet de betrokkenen de ruimte daarin een eigen afweging te maken. De raadswerkgroep raadswerk heeft in haar vergadering van 29 juni 2017 geadviseerd dat het uniforme stembriefje een voorbedrukt stembriefje dient te zijn, met de "naam" en "voor/tegen" erop. Artikel 21. Verslaglegging van de raadsvergadering en besluitenlijst Dit artikel regelt de verslagleggende taak van de griffier en de wijze waarop het verslag wordt vastgesteld. Het maken van een verslag is niet verplicht. In de Gemeentewet wordt alleen gesproken over de verplichting een besluitentíjst openbaar te maken (artikel 23, vijfde lid, van de Gemeentewet). De griffier verleent de ambtelijke ondersteuning van de raad. Daarom is de griffier aangewezen om het verstag op te stellen en deze, tezamen met de voorzitter, te ondertekenen. De besluitenlijst dient op zo kort mogelijke termijn moet worden gepubliceerd. Dit kan aangezien de besluitenlijst 'slechts' een overzicht geeft van (alle) door de raad genomen beslissingen (dus niet alleen besluiten in de zin van de Awb maar ook bijvoorbeeld een afspraak om een werkbezoek af te leggen). Net ligt voor de hand dat de bestuitenlijst ook op de gemeentelijke website toegankelijk worden gemaakt.

Dit wordt weergeven in het zesde lid. Andere vormen van verslaglegging zijn ook mogelijk. Bijvoorbeeld een geluidsopname van de raadsvergadering op CD of via digitale archivering, met een overzicht van de sprekers, de onderwerpen -voorzien van tijdscodes- en een bestuitenlijst. Artikel 22. Ingekomen stukken Over aan de raad gerichte inkomende stukken worden alleen voorstellen gedaan en besluiten genomen van procedurele aard, bijvoorbeeld ter kennisneming, steunen, afwijzen, in behandeling nemen,

doorsturen naar een raadscommissie, doorsturen naar het college, etc. Inhoudelijke discussie over de stukken kan de voorzitter buiten de orde verklaren. Wanneer een ingekomen stuk leidt tot inhoudelijke discussie en besluitvorming, dient dit op de gebruikelijke wijze te worden voorbereid. De schriftelijke mededelingen van het college aan de raad komen in principe ook bij de raad binnen. De mededelingen zijn dan ook een ingekomen stuk. Re raad stelt op voorstel van de voorzitter na overleg daarover in de agendacommissie de wijze van afdoening van de ingekomen stukken vast. Qe griffier zendt verkeerd geadresseerde post terstond door aan het bevoegde gezag (conform het daarover bepaalde in de Algemene wet bestuursrecht). Van dat aan de raad geadresseerde poststuk wordt geen kopie aan de raad gezonden. Het was immers niet bestemd voor de raad.

Paragraaf 5. Besloten raadsvergaderingen Artikel 23. Toepassing reglement op besloten vergaderingen Dit artikel bepaalt dat de bepalingen van dit reglement van overeenkomstige toepassing zijn op een raadsvergadering achter gesloten deuren. Hierbij kan onder meer gedacht worden aan de bepalingen omtrent het tijdig verzenden van stukken, het recht van amendement, het recht van motie, het maken van het verstag. De bepalingen van het reglement zijn echter niet van toepassing, voor zover het toepassen van die bepalingen strijdig is met het besloten karakter van de vergadering. Zo zullen er bijvoorbeeld geen beeld- en geluidsregistraties voor openbaar gebruik gemaakt kunnen worden. Ten aanzien van de stukken die betrekking hebben op een besloten vergadering en het behandelde zal de raad moeten besluiten of geheimhouding als bedoeld in de artikelen 25, 55 en 86 van de Gemeentewet wordt opgelegd dan wet opgeheven. In artikel 23 van de Gemeentewet zijn procedurevoorschriften opgenomen voor'het sluiten van de deuren', de wijze waarop een vergadering een besloten vergadering wordt.

Artikel 24. Verslag besloten vergadering In dit artikel wordt uitwerking gegeven aan artikel 23, derde lid, van de Gemeentewet. In overeenstemming met de bepaling over het verstag van de raadsvergadering is de griffier ook verantwoordelijk uoor het verstag van een besloten vergadering. Dit verslag ligt ter inzage bij de griffier. Artikel 25. Opheffing geheimhouding In dein het artikel aangehaalde artikelen wordt aan de raad de mogelijkheid geboden de geheimhouding van stukken op te heffen; stukken die niet perse aan hem behoeven te zijn overgelegd. Het kan dus (zie bijvoorbeeld artikel 86, tweede lid, van de Gemeentewet) gaan om de situatie dat de burgemeester geheimhouding heeft opgelegd ten aanzien van stukken die hij aan de raadscommissie heeft overgelegd. De raadscommissie kan dan aan de raad verzoeken de geheimhouding op te heffen

(indien de burgemeester daar niet toe bereid is). In het onderhavige artikel is nu ter zake een overlegverplichting opgenomen waardoor recht wordt gedaan aan het principe van hoor en wederhoor. Op grond van artikel 25, derde en vierde lid, van de Gemeentewet, kan geheimhouding worden opgelegd door het college, de burgemeester en een commissie, ieder ten aanzien van stukken die zij aan de raad of aan leden van de raad overleggen. De opgelegde geheimhouding met betrekking tot aan de raad overgelegde stukken vervalt, indien de raad de oplegging niet in zijn eerstvolgende vergadering die volgens de presentielijst door meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden is bezocht, wordt bekrachtigd. Als de raad niet van plan is de opgelegde geheimhouding te bekrachtigen, kan het orgaan dat geheimhouding heeft opgelegd, in een besloten vergadering met de raad overleg voeren. Deze besloten vergadering kan dan gaan om de vraag waarom de raad de geheimhouding wil opheffen door deze niet te bekrachtigen. Paragraaf 6. Toehoorders en pers Artikel 26. Toehoorders en pers De hier aangegeven bepalingen worden wat betreft het handhaven van de orde aangevuld door artikel 26 van de Gemeentewet. De voorzitter heeft de bevoegdheid om toehoorders die de orde verstoren, te doen vertrekken en bij volharding in hun gedrag de toegang te ontzeggen. Artikel 27.

Geluid- en beeldregistraties Aangezien de vergaderingen van een de raad in principe openbaar zijn, kunnen radio- en tv-stations getuid- en beeldregistraties maken. Dit is uiteraard niet het gevat als het een besloten vergadering betreft. Wel dient rekening gehouden worden met de privacy van insprekers of publiek. Raadsleden daarentegen hebben een publieke functie. Het is mogelijk om een aanwijzing te geven dat publiek slechts van af een bepaalde afstand in beeld mag worden gebracht. Ook kan een aanwijzing zijn dat burgers die inspreken niet gefilmd mogen worden, uiteraard in overleg met de insprekers. Mogelijk hebben zij geen probleem met beeldregistraties.

HOOFDSTUK 3. BEVOEGDHEDEN, INSTRUMENTEN RAADSLEDEN Artikel 28. Amendementen en subamendementen Het recht van amendement is neergelegd in artikel 147b van de Gemeentewet. Dit artikel verplicht de raad nadere regels te stelten. Deze nadere regels staan dit artikel. Op basis van artikel 147b van de Gemeentewet is de raad verplicht een amendement te behandelen. Leden van de raad kunnen aan de raad wijzigingen op het voorstel van het college of op initiatiefvoorstellen indienen, de zogenaamde amendementen. Wanneer een amendement is ingediend, kan dit voor een ander raadslid aanleiding zijn, op dit amendement nog weer een wijziging voor te stellen, het subamendement. Een (sub)amendement kan ingediend worden op een voorgesteld besluit, dat aanhangig is. De beraadslaging over het (sub)amendement vindt plaats in ten hoogste twee termijnen. Indien (in uitzonderlijke situaties) een ingediend amendement verdere beraadslaging noodzakelijk maakt, kan de raad besluiten tot een derde termijn (artikel 13).

Het is praktisch dat een raadslid aanwezig is voor de behandeling van zijn (sub amendement. Dit omdat doorgaans een (sub)amendement toegelicht wordt door de indiener. Daar is bepaald dat er alleen wordt beraadslaagd over amendementen en subamendementen die ingediend zijn door raadsleden die de presentielijst getekend hebben. Artikel 29. Moties In het eerste artikel van dit reglement is de definitie van het begrip motie gegeven. Een motie is een voorstel tot het doen van een uitspraak. Het kan gaan om het uitspreken van een wens (van inhoudelijke, politieke, procedurele aard), het uitspreken van instemming dan wel afkeuring over bepaalde ontwikkelingen of om het doen van een verzoek. Een motie betreft dus niet een concreet besluit dat op rechtsgevolg is gericht; een motie heeft geen juridische, maar een politieke betekenis. Daarom zijn burgemeester en wethouders formeel niet aan een motie gebonden of tot uitvoering ervan verplicht. Wel kan het naast zich neerleggen van een motie door het college leiden tot een vertrouwensbreuk tussen raad en college en hieruit kan het college dan zijn consequentie trekken. Voor wat betreft de besluitvormingsprocedure omtrent een motie wordt opgemerkt dat over een motie een apart besluit wordt genomen.

Voor de beraadslaging over een motie over een aanhangig onderwerp geldt dat deze niet plaatsvindt in afzonderlijke termijnen, maar gelijktijdig met de beraadslaging over het onderwerp waarop de motie betrekking heeft. Een besluit over een motie over een niet op de agenda opgenomen onderwerp vindt aan het einde van de vergadering plaats. Dergelijke moties benaderen dein artikel 30 geregelde initiatiefvoorstellen. Dualisering veronderstelt versterking van de vertegenwoordigende en controlerende functie van de raadsleden. Hiervoor dienen ook individuele raadsleden en kleine fracties te beschikken over adequate instrumenten. Dat wit zeggen dat het voor een effectief gebruik van deze instrumenten wenselijk is dat ook het individuele raadslid zonder belemmeringen toegang tot het gebruik daarvan heeft. De mogelijkheid om zonder drempelsteun een motie in te dienen staat dan ook ten dienste van een effectieve uitoefening van de inkadering en controle door de raad. In de Gemeentewet wordt één specifieke motie uitgewerkt. Dit betreft de motie van wantrouwen waarbij de raad aangeeft het vertrouwen in een wethouder te hebben verloren. Het een wethouder niet toegestaan om na een aangenomen motie van wantrouwen aan te blijven. Indien hij zelf niet opstapt, dient de raad actie te ondernemen. Artikel 30.

Initiatiefvoorstel Het is de taak van het college aan de raad de nodige voorstelten te doen. Maar raadsleden kunnen ook zelf een voorstel voor een verordening of beslissing ter behandeling bij de raad indienen. Hiervoor is het recht van initiatief toegekend. In artikel 147a, eerste lid, van de Gemeentewet is dit uitgewerkt. Het tweede en derde lid van dit artikel bepalen dat de raad regelt op welke wijze een initiatiefvoorstel voor een verordening of beslissing wordt ingediend en behandeld. Daar wordt in deze bepaling uitvoering aan gegeven. Algemeen uitgangspunt is dat duatisering de versterking van de vertegenwoordigende en controlerende functie van de raadsleden inhoudt. Hiervoor dienen ook individuele raadsleden en kleine fracties te beschikken over adequate instrumenten. Voor een effectief gebruik van deze instrumenten is het

wenselijk dat ook het individuele raadslid zonder belemmeringen toegang tot het gebruik daarvan heeft. Het ontbreken van drempelsteun bij het recht van initiatief staat ten dienste van een effectieve uitoefening van de inkadering en controle door de raad. Ook kleine fracties en individuele raadsleden worden zo in staat gesteld actief deel te nemen aan de controlerende, vertegenwoordigende en budgettaire functie. De Gemeentewet maakt onderscheid tussen initiatiefvoorstellen voor verordeningen en overige initiatiefvoorstellen. Ieder raadslid kan een initiatiefvoorstel voor een verordening indienen. Een dergelijk voorstel moet aanhangig worden gemaakt door het schriftelijk en ondertekend aan de voorzitter te zenden (art. 147a, eerste lid). De verdere wijze van behandeling moet de raad zelf regelen. De raad moet ook regelen op welke wijze en onder welke voorwaarden overige inítiatiefvoorstellen (voorstelten die betrekking hebben op iets anders dan een verordening) in behandeling worden genomen. Ook dit inítiatiefrecht komt toe aan individuele raadsleden, hetgeen inhoudt dat geen drempels mogen worden opgeworpen. Wel kan de raad voorzien in een zekere inhoudelijke toets. Daarbij kan worden gedacht aan het beantwoorden van de vraag of het voorstel wel de uitoefening van een raadsbevoegdheid betreft (en niet een collegebevoegdheid).

Ook is het raadzaam om voorafgaand aan de finale besluitvorming helderheid te hebben over eventuele gevolgen zijn ten aanzien van staand beleid of aangenomen verordeningen. De plaatsing op de eerstvolgende agenda ontvangst van de wensen en bedenkingen door het college, zoals voorgesteld in de modelverordening ("Deze voorstellen worden op de agenda van de eerstvolgende raadsvergadering geplaatst, tenzij de oproep hiervoor reeds verzonden is. in dat geval wordt het voorstel op de agenda van de daaropvolgende raadsvergadering geplaatst") is vreemd. Er zou, in het kader van de coordinatie en het verzekerd zijn van zorgvuldige besluitvorming door de raad - bijvoorbeeld de vraag of het wel een raadsbevoegdheid is en of er gevolgen zijn ten aanzien van staand beleid of aangenomen verordeningen -, een rol moeten zijn voor de agendacommissie. De agendacommissie dient het initiatiefvoorstel zo spoedig mogelijk op de agenda plaatst. Het is aan de raad om vervolgens te bepalen hoe het initiatiefvoorste! verder wordt behandeld als het op de agenda staat. In het derde lid is een termijn gesteld van 14 dagen om het college in de gelegenheid te stelten zijn wensen en bedenkingen ter kennis van de raad te brengen. Ook hier geldt dat er een rol is voor de agendacommissie in het agenderen van stukken voor de vergadering.

Het vierde lid houdt in dat de voorzitter na tussenkomst van de agendacommissie het initiatiefvoorstel zo spoedig mogelijk op de agenda plaatst nadat het college in de gelegenheid is gesteld om zijn wensen en bedenkingen ter kennis van de raad te brengen. Als de oproep voor die vergadering echter al verzonden is, dan plaatst de voorzitter het niet op de agenda van eerstvolgende, maar daaropvolgende raadsvergadering. Dit laat de mogelijkheid onverlet voor het individuele raadslid om op grond van artikel 8, derde lid, het initiatiefvoorstel toch aan de agenda toe te voegen. Voor zover dein het derde lid gestelde termijn dan nog niet verlopen ís zal er echter niet over het voorstel besloten kunnen worden (artikel 147a, van de Gemeentewet, juncto tweede lid van artikel 30). Dit staat er weliswaar niet aan 1n de weg dat er at over wordt beraadslaagd in de raadsvergadering, maar de voorzitter van de raad zat dan vervolgens de stemming over het voorstel aan moeten houden totdat het college in de gelegenheid is gesteld zijn wensen en bedenkingen ter kennis van de raad te brengen. Ook kan nadere beraadslaging op dat moment wenselijk worden geacht.

Artikel 31. Collegevoorstel Dit artikel heeft betrekking op het agenderingsrecht van de raad. De raad is de enige die een voorstel voor een verordening of een ander voorstel dat het college heeft voorbereid kan agenderen. Als het college het voorstel heeft voorbereid, betekent dit niet dat het college het door hen voorbereide voorstel kan intrekken indien het college van oordeel is dat verdere behandeling van het voorstel niet wenselijk is (bijvoorbeeld omdat zij een voorstel witten wijzigen). De raad moet hier toestemming voor geven. Indien de raad van oordeel is dat een voorstel voor een verordening of een ander voorstel níet voldoende is voorbereid, kan de raad het voorstel voor een verordening of een ander voorstel op grond van het tweede lid nogmaals voor advies aan het college zenden. De raad kan het college bijvoorbeeld verweken het voorstel voor een verordening of ander voorstel nader te onderbouwen. De raad bepaalt echter wanneer het voorstel voor een verordening of ander voorstel, dat door het college verder voorbereid is, opnieuw behandeld wordt. De raad kan dit in dezelfde raadsvergadering regelen, maar de raad kan dit ook aan de agendacommissie overlaten.

ALGEMENE INFORMATIE TEN AANZIEN HEf VRAGENRECHT Bij het vragenrecht van de raad geldt dat er verschillende soorten vragen zijn. Onderscheid wordt gemaakt in: technische vragen aangaande raadsvoorstellen, beleidsnotities, verordeningen etc. vragen gesteld in het vragenuur {alleen vragen om informatie) schriftelijke vragen (30 dagen termijn: vragen aan college of burgemeester) het vragen om inlichtingen over onderwerpen als bedoeld in art 169 lid 3 en 180 lid 3 Gemeentewet. De volgende afspraken over technische vragen zijn aan de orde: Alle vragen worden altijd via de griffier ingediend. Deze bepaalt, mocht daarover onduidelijkheid 1. bestaan, van welk type vragen sprake is en zorgt voor doorzending ter beantwoording. Door de coordinatie via de griffier wordt voorkomen dat dezelfde vragen via meerdere kanalen worden uitgezet. Zo kan ook de beantwoording naar alle fracties (gelijke informatie) gestructureerd plaatsvinden. 2. Er is geen formele deadline voor het inzenden van technische vragen. Wel wordt ambtelijk zeer dringend verzocht technische vragen uiterlijk 48 uur voor de raadsvergadering te stellen. Zorgvuldige beantwoording kan anders onmogelijk worden. 3. De ambtelijke organisatie zorgt voor tijdige beantwoording. Waar dat logisch is worden vragen (en bijbehorende antwoorden) gebundeld.

De antwoorden op de gestelde technische vragen worden door dé griffier (rechtstreeks of in 4. opdracht van griffier of raadsvoorzitter door het bestuurssecretariaat) verspreid naar alle fracties. De vragen en antwoorden kunnen ín het raadsinformatiesysteem worden gezet (onder de agenda 5. van de betreffende raadsvergadering), zodat ook burgers hiervan kennis kunnen nemen. Sinds de invoering van het duale stelsel in 2002 is de griffier (het enige) ambtelijke aanspreekpunt voor raadsleden. De overige ambtenaren zijn in dienst van het college van B&W. Beantwoording van vragen en ambtelijke bijstand aan raadsleden worden daarom door de griffier geregeld. Bij afwezigheid van de griffier kunnen raadsleden zich eventueel wenden tot de gemeentesecretaris of de andere leden van de

directie. De driehoek van griffíer, secretaris en burgemeester ziet erop toe dat dit voor raadsleden allemaal goed verloopt. Artikel 32 Vragenuur Deze bepaling vormt een invulling van artikel 155, eerste lid, van de Gemeentewet met betrekking tot het vragenrecht Bewust is er gekozen voor een algemene regeling van het vragenuur. Veelal fungeert de rondvraag in de raadsvergadering als een mogelijkheid tot het stelten van vragen. In een duatistísch stelsel is het echter niet meer vanzelfsprekend dat de ter zake kundige wethouder aanwezig is. Om die reden en omdat het de herkenbaarheid van de controlerende taak van de raad ten goede komt, kan hiervoor een aparte gelegenheid gecreëerd worden. De drempel om vragen te stelten wordt verlaagd en de media-aandacht voor de lokale politiek kan worden vergroot. In het vragenuur krijgt de raad de mogelijkheid over vooraf ingebrachte onderwerpen (leden van) het college aan de tand te voelen. Het karakter van het vragenuur verschilt dan ook van het recht van interpellatie. Het recht van interpellatie heeft als instrument een zwaarder politiek karakter. Leden van de raad kunnen aan het college inlichtingen vragen over het door hem gevoerde bestuur, voor zover dat niet bij geagendeerde onderwerpen aan de orde komt. Raadsleden vragen daarmee leden van het college zich te verantwoorden voor het door hen gevoerde bestuur.

Het vragenuur kan bijvoorbeeld voorafgaand aan de raadsvergadering worden gehouden. Wet is het voor de herkenbaarheid voor de burgers raadzaam om het vragenuur op een vast tijdstip te houden. Het gaat in het vragenuur om het stelten van informerende vragen. Er is geen debat mogelijk waardoor verantwoordingsvragen buiten de orde zijn. Het karakter van het vragenuur verschilt van het recht van interpellatie. Het recht van interpellatie heeft als instrument een zwaarder politiek karakter. Leden van de raad kunnen aan het college inlichtingen vragen over het door hem gevoerde bestuur, voor zover dat niet bij geagendeerde onderwerpen aan de orde komt. Raadsleden vragen met een interpellatie leden van het college zich te verantwoorden voor het door hen gevoerde bestuur. In het derde lid is een aanmeldingstermijn voor vragen opgenomen om de wethouders de gelegenheid te heven tot voorbereiding van het antwoord op de vragen van raadsleden. Ats de actualiteit van de laatste 24 uur daartoe aanleiding geeft kunnen over dat onderwerp informatieve vragen worden gesteld. De voorzitter geeft hiervoor voor sluiting van het vragenuur de gelegenheid. De vragenstellers moeten er rekening mee houden dat er niet onmiddellijk een adequaat antwoord gegeven zat kunnen worden.

Daarvoor geldt als afspraak dat de raadsleden de antwoorden op deze actuele vragen binnen 7 dagen in de vorm van een door het college(tid) opgestelde schriftelijke memo, na tussenkomst van de griffier, in hun postvakjes gelegd en als mail toegezonden krijgen. Het antwoord in de vorm van de memo zal niet op de agenda van de eerstvolgende raadsvergadering worden geplaatst. Het betreft immers geen vragen als bedoeld in artikel 33 van dit reglement. Artikel 33. Schriftelijke vragen Het vragenrecht geeft aan de leden van de raad het recht informatie te vragen over aangelegenheden die tot de bevoegdheid van het college of de burgemeester behoren. Het karakter van deze vragen is

primair van informatieve strekking. Qp grond van deze bepaling kan een raadslid schriftelijke vragen stellen aan het college of de burgemeester, at naar gelang wie verantwoordelijk is. De verantwoordelijke portefeuillehouder dient de vragensteller gemotiveerd in kennis te stelten, indien de beantwoording niet binnen de gestelde termijnen kan plaatsvinden. Niet de voorzitter, maar het verantwoordelijk collegelid of de burgemeester geeft daarom het antwoord. De raad kan oordelen dat het bijvoorbeeld wenselijk is dat een collegelid of de burgemeester direct kan antwoorden op een vraag. Om die reden is in het zesde lid ingevoegd dat de raad anders kan beslissen. In de hier aangegeven procedure wordt de vragensteller in de gelegenheid gesteld nadere intíchtingen over het antwoord te vragen aan degene die het antwoord heeft gegeven. Indien de vragensteller van mening is dat de beantwoording van de vragen tot een besluit van de raad moet leiden, kan hij het recht van initiatief of het interpetlatierecht benutten om het onderwerp of het voorstel op de agenda van de raad te krijgen. Artikel 34. Inlichtingen In dit artikel wordt een procedurele uitwerking gegeven van de inlichtingenplicht die het college en de burgemeester hebben ten opzichte van de raad.

Naast een ingewikkelde inrichting van de bestuursbevoegdheden bevat de Gemeentewet ook behoorlijk aangescherpte regels over de inlichtingenplicht van het college ten opzichte van de raad. Deze regels beogen de politieke verantwoordelijkheid van het college te activeren en de eindverantwoordelijkheid van de raad te bevestigen. Daar is in de eerste plaats de passieve intíchtingenplicht als bedoeld in artikel 169, derde lid, van de Gemeentewet. Oat is de klassieke informatieplicht die het college opdraagt de door de raad gevraagde inlichtingen te verstrekken, tenzij het openbare belang zich daartegen verzet. Dit recht om inlichtingen te vragen komt eveneens toe aan individuele raadsleden. Daarmee is een waarborg in het teven geroepen dat een raadsmeerderheid om (partij politieke redenen belemmeringen opwerpt tegen het vragen van inlichtingen door een raadslid of raadsminderheid. Wel kan de raad via het Reglement van orde op grond van doelmatigheídsoverwegingen een zekere ordening aanbrengen in de wijze waarop het inlichtingenrecht worde uitgeoefend. De raad gaat immers over de agenda en de vergaderorde. De weigeringsgrond 'strijd met het openbaar belang' is wettelijk objectief ('is') en algemeen omschreven. De wetgever beoogde daarmee dat een beroep daarop in de praktijk als een hoge uitzondering op de algemene regel zou moeten worden gebruikt.

in de praktijk bestaan verschillende wettelijke en politieke figuren om als raad en college met elkaar te communiceren buiten de openbaarheid. De openbaarheid van stukken en vergaderingen bijvoorbeeld kan al dan niet tijdelijk worden opgeheven. Vervolgens kent de geduatiseerde Gemeentewet thans een algemene actieve inlichtingenplicht. Artikel 169, tweede lid, verplicht het college uit eigen beweging de raad alle inlichtingen te verstrekken die de raad nodig heeft voorde uitoefening van zijn taak. Blijkbaar moet het college permanent nagaan welke informatie de raad behoeft voor een goede taakvervulling. Hier liggen grote politieke risico's als de raad het college in het ongewisse laat over de aard en omvang van de gewenste informatie. in het gevat dat raad en college daarover geen afspraken maken is de kans groot dat het college de raad veiligheidshalve overstelpt met papier. Van controleren komt dan weinig terecht en bovendien zijn we dan weer terug in de cultuur van meeregeren uit het monistische tijdperk.

Dezelfde risico's doen zich voor met betrekking tot in een tweede actieve, meer specifieke intichtingenplícht. Artikel 169, vierde tid, verplicht het college de raad vooraf te informeren over de voorgenomen uitoefening van een gemeente wettelijke bestuursbevoegdheid als bedoeld in artikel 960, eerste lid, onder e, f, g en h, indien de toepassing daarvan ingrijpende gevolgen kan hebben voorde gemeente of indien raad daarom verwekt. Het college mag dan niet eerder een besluit nemen dan nadat de raad in de gelegenheid is gesteld zijn wensen en bedenkingen naar voren te brengen. Overigens kent ook deze actieve informatieplicht de nodige vaagheid. Wat is ingrijpend? Het antwoord op deze vraag moet volgens de wetgever worden gevonden in de plaatselijke omstandigheden. Waarschijnlijk heeft de wetgever het oog gehad op substantiële financiële gevolgen van privaatrechtelijke overeenkomsten. Blijkbaar moeten raad en college hier zelf een modus voor vinden. Een andere vraag is nog of ook deze inlichtingenplicht wordt beperkt door de weigeringsgrond van het openbaar belang als bedoeld in het derde lid van de artikelen 169 en 180 van de Gemeentewet. Deze vraag kan bevestigend worden beantwoord op basis van ongeschreven gemeenterecht. Het verstrekken van inlichtingen kan overigens niet via de rechter worden afgedwongen.

Artikel 35 Interpellatie Dit artikel stelt nadere regels bij artikel 155 van de Gemeentewet. De raad is verplicht nadere regels op te stelten. Deze andere regels zijn verwoord in dit reglement van orde. Het interpellatierecht ligtin het verlengde van het mondelinge vragenrecht. Het gaat om een recht van een volksvertegenwoordiger om tijdens een vergadering over een niet geagendeerd onderwerp inlichtingen aan het college of de burgemeester te vragen. Daarvoor is verlof van de raad nodig. Een interpellatie is een zwaarder instrument dan het stellen van schriftelijke of mondelinge vragen. Het gaat meestal over een politiek gevoelige gebeurtenis of actualiteit. Meestal heeft het raadslid of de fractie dat de interpellatie houdt al een concept motie achter de hand om te proberen de interpellatie te laten uitmonden in een uitspraak van de raad. Een ingewilligd verzoek om een interpellatie te houden heet ook wel een spoeddebat. Dat is niet het zelfde als een extra raadsvergadering (artikel 17 lid 2 Gemeentewet). Wettelijk gezien vloeit de interpellatie voort uit het vragenrecht (Zie gemeentewet artikel 155). Het is echter het recht van de raad en niet van een individueel raadslid. Daarom moet een lid de raad verlof vragen tot het houden van een interpellatie. In de gemeentewet staat dat de raad hierover nadere regels stelt.

Daartoe hoort ook een bepaling over de steun die nodig is om een interpellatie te mogen houden. Hierover zijn in de gemeentewet geen regets opgenomen. de gemeenteraad besluit echter met meerderheid van stemmen. (Zie gemeentewet artikel 30). Het mag duidelijk zijn dat in gedualiseerde verhoudingen de in het college vertegenwoordigende politieke partijen niet al te lichtzinnig steun zouden mogen onthouden aan een door niet in het college vertegenwoordigde partijen gewenste interpellatie. Dualisering veronderstelt versterking van de vertegenwoordigende en controlerende functie van de raadsleden. Hiervoor dienen ook individuele raadsleden en kleine fracties te beschikken over adequate instrumenten. Voor een effectief gebruik van deze instrumenten is het wenselijk dat ook het individuele raadslid zonder belemmeringen toegang tot het gebruik daarvan heeft. Wel is hier gekozen voor een ondersteuning door de raad bij gewone meerderheid. Toenmalig minister Pechtotd heeft in een brief van 16 december 2005 aan de GroenLinks fractie in Schoonhoven aangegeven dat de raad de ruimte heeft eigen beleid te ontwikkelen, waardoor de raad dus de vrijheid heeft om te bepalen dat

een raadsmeerderheid nodig is om een interpellatiedebat te houden. Hij was hier echter geen voorstander van. Voor de democratie leek het hem goed om de regels van de Tweede Kamer te volgen. Dit houdt in dat de toestemming ven een betekenende minderheid (ondersteuning door 30 van de 150 leden) volstaat. In een gedualiseerd systeem zijn wethouders geen lid meer van de raad. Toch is het van belang dat zij bij een instrument als de interpellatie ook op de hoogte worden gesteld van de inhoud van het verzoek. Door de toevoeging in het tweede lid wordt hiervoor gezorgd. Het is wenselijk dat alle raadsleden, ook zij die deze interpellatie niet indienen of steunen, over dezelfde informatie beschikken. Daarom zorgt de voorzitter voor de toezending van een kopie van het bij hem ingediende verzoek tot interpellatie aan alle raadsleden. Mochten er bij de voorzitter aanvullende vragen of verzoeken om inlichtingen worden ingediend dan zullen ook deze worden doorgezonden aan de leden van het college en de overige raadsleden. In dít artikel worden een paar vormeisen gegeven waaraan een interpellatie moeten voldoen. In deze toelichting wordt uitleg gegeven over de redactie van het derde en, vierde lid.

Een interpellatie moet voldoen aan de volgende eisen: • het verzoek tot interpellatie moet tenminste 48 uur voor de aanvang van de vergadering bij de voorzitter worden ingediend; • het verzoek moet een duidelijke omschrijving omvatten van het onderwerp waarover inlichtingen worden gevraagd; • het verzoek moet de letterlijke tekst van alle in eerste termijn aan het college of de burgemeester te stelten vragen bevatten. Deze bepalingen zijn opgenomen opdat het college of de burgemeester in de gelegenheid zijn de te geven antwoorden voor te bereiden. De gang van zaken van de behandeling van de interpellatie is in het vijfde lid van dit artikel uitgewerkt. Het lid van de raad dat de interpellatie heeft aangevraagd, heeft het recht om als eerste vragen te stellen. Na het antwoord van het college of de burgemeester kunnen in de tweede termijn ook de andere leden van de raad aan de beraadslagingen deelnemen. Waarna het college eventuele aanvullende vragen van de overige leden beantwoordt. Degene die de interpellatie heeft aangevraagd heeft in de tweede termijn de mogelijkheid voor het stuiten van deze termijn een tweede keer het woord te voeren om te kunnen reageren op de inbreng van de overige raadsleden. De redactie van het vijfde lid wijkt af van de bepaling in de modelverordening.

Deze is opgesteld als volgt: "De interpellant voert niet meer dan tweemaal het woord, de overige leden van de raad, de burgemeester en de wethouders niet meer dan eenmaal, tenzij de raad hen hiertoe verlof geeft." Met deze redactie zou het college geen gelegenheid hebben om alleen de vragen van de indiener te beantwoorden, maar zou ook meteen eventueel aanvullende vragen van de overige leden van de raad mee moeten nemen. De overige raadsleden zouden al aanvullende vragen moeten stelten zonder op de hoogte te zijn van de antwoorden van het college op de aangekondigde vragen..Daarnaast kan in deze redactie het college of de wethouder maar één maat het woord voeren en kan geen reactie meer geven indien gewenst naar aanleiding van de eigen inbreng. Ook kunnen eventueel ingediende moties naar aanleiding van het antwoord niet worden besproken. Er is gekozen voor aanstuíting bíj hetgeen in artikel 13 over spreektermijnen in dit reglement is bepaald. Daarbij geldt als uitzondering dat in de eerste termijn alleen de interpellant en degene aan het woord zijn tot wie de interpellatie is gericht. Dit is analoog aan de procedure in de Tweede Kamer. (zie: www.parlement.com)

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12857392/1