Beantwoording nagekomen technische vragen VJN 2022
Tekst van het document
Technische vragen naar aanleiding van de Voorjaarsnota
Jeugd Vraag 1: Welk percentage van de totale kosten Jeugdhulp en/of Jeugdzorg zijn volgens het College wel beïnvloedbaar? Antwoord op vraag 1: we kunnen hieraan geen percentage geven. Het niet beïnvloedbare deel omvat in ieder geval de indexatie en in zekere mate de kostprijs, want deze wordt in regionaal verband meerjarig contractueel afgesproken. Het beïnvloedbare deel omvat de aantallen cliënten en type indicaties. Vraag 2: Welke onderwerpen maken onderdeel uit van dit beïnvloedbare deel Antwoord op vraag 2: Het beïnvloedbare deel omvat de aantallen cliënten en type indicaties. Aanvullend onderscheiden we daarbij de verwijzers met daarin de mate van invloed en sturing door gemeente. We hebben de meeste invloed op de sociale teams als verwijzer, we hebben beperktere invloed op de Gecertificeerde instellingen (GI s) en medici (huisartsen etc.). Vraag 3: De portefeuillehouder gaf in de vergadering in een reactie aan dat de jeugdzorg € 32 miljoen. In de technische vragen van BBP staat het antwoord op basis van € 26 miljoen. Welke begrippen zijn nu van belang voor de kosten op de Jeugdzorg c.q. Jeugdhulp? Antwoord op vraag 3: De prognose 2022 voor de totale begroting Jeugd is 32,5 miljoen euro. Hierin zitten verschillende begrotingsposten, waarbij de posten voor Zorg in natura (ZIN) en Persoonsgebonden budget (PGB) het meest van belang zijn voor de kostenontwikkeling Jeugdhulp.
Deze beide posten samen staan voor het daadwerkelijke jeugdhulpgebruik. Hiervoor komt de prognose 2022 uit op 26 miljoen euro. We stellen voor om in de toekomst zowel in de vraagstelling als de beantwoording meer duiding op te nemen, zodat verwarring wordt voorkomen. Vraag 4: Voor de structurele bezuinigingen op de Jeugdzorg zijn de gemeenten niet meer verantwoordelijk. Maar het Rijk geeft aan hoe zij de bezuiniging wel wil bereiken. En daar worden de elementen “Eigen Bijdrage” en/of het normeren van de behandelduur. Deelt het College de zorgen, dat een en ander tot nog meer onduidelijkheid zou kunnen leiden op onze (financiële) positie in het Jeugdzorg dossier? Antwoord op vraag 4: Vanuit het Rijk is er inderdaad geen duidelijkheid over de manier waarop de door het Rijk gewenste bezuiniging gerealiseerd moet gaan worden. Het kabinet is hierop ook gewezen door de Eerste Kamer. Er ligt daarmee in eerste aanleg een uitwerkopgave op Rijksniveau. Die noodzakelijke uitwerking is er vooralsnog niet. Wij delen dan ook uw zorgen, bijvoorbeeld om in de begroting 2023-2026 tot juiste inschattingen te komen.
Subsidies projecten Vraag 5: We hadden afgesproken als gemeente in te zetten op een professional die subsidies binnen kan halen om goede projecten te realiseren. Wat is de stand hiervan? Antwoord op vraag 5: We hebben geen specifieke functionaris voor subsidieverwerving. Wel zijn er strategen werkzaam binnen de domeinen waarbinnen we projecten realiseren. De rol van onze strategen is zowel intern als extern gericht. De externe rol is o.a. gericht op samenwerking met andere gemeenten en hogere overheden als ook op het verwerven van subsidies om onze ambities te realiseren. Het leidt ertoe dat we in diverse subsidietrajecten zitten van o.a. Rijk, provincie, ProRail en bijvoorbeeld de Regio Groningen Assen. Risico van inflatie Vraag 6: Hoe berekenen wij de inflatie? Is die gelijk aan de rijksnorm? Zo nee, waarom niet. En wat is het risico voor de komende jaren? Antwoord op vraag 6: Wij berekenen niet zelf de inflatie. Wij baseren ons, net als de afgelopen jaren, op CBS indexcijfers en/of de afgesproken inflatie in contracten die wij met onze partners hebben. In de meicirculaire waarin het Rijk heeft aangegeven gemeenten te compenseren voor de inflatie geeft het Rijk aan met welke inflatiepercentages zij rekening houdt bij het bepalen van de hoogte van de Algemene Uitkering.
De door het Rijk genoemde percentages voor inflatie zijn voor ons een belangrijke leidraad bij het bepalen van de indexatiepercentages die wij in de begroting 2023-2026 zullen hanteren. In het kader van de begrotingswerkzaamheden maken we op dit moment een beoordeling van de door het Rijk genoemde inflatiepercentages in de meicirculaire. Bij de begrotingsbehandeling zullen we, zowel voor 2023 als de jaren daarna, voorstellen hoe we hiermee om willen gaan.
Sport Noot vooraf: Wij hebben slechts beperkt inzicht in de kosten van sportverenigingen. Er is contact geweest met de vraagsteller om te achterhalen met welk doel de vragen zijn gesteld. De vragen richten zich met name op gelijkwaardigheid voor verenigingen. Vandaar dat de beantwoording met deze insteek gebundeld is opgenomen. Vraag 1: Kosten van kunstgras en gravel banen. Vraag 2: Een overzicht van de kosten voor binnen- en buitensport. Vraag 3: Overzicht van contributie. Vraag 4: Wat dragen de verenigingen buiten en binnen sport zelf voor kosten. Vraag 5: Welke verenigingen krijgen subsidie van de gemeente en wat zijn de bedragen. Uw vragen (1 t/m 5) hebben betrekking op financiën van sportverenigingen. In het bijzonder op gelijkwaardigheid in afspraken van de gemeente met verenigingen over kosten van verenigingen. Wat dat betreft willen we u informeren dat sinds de herindeling de huurtarieven geharmoniseerd zijn. Wat huurkosten betreft is er gelijkheid. Wel zijn er verschillen in afspraken tussen gemeente en (buitensport)sportverenigingen over het eigendom en beheer van hun accommodaties. Zo regelen sommige verenigingen relatief veel zelf, terwijl andere verenigingen grotendeels afhankelijk zijn van de gemeente. Hierin is ongelijkheid. Het realiseren van gelijkheid is een opgave die er ligt. In ons sportbeleid staat ‘harmoniseren’ als speerpunt benoemd.
Momenteel zijn we bezig de opgave te inventariseren en te bekijken wat er nodig is om de harmonisatie goed en zorgvuldig vorm te geven.