CConstaterende datMidden-Groningen
Koppel je AI →
Document · PDF

AANGEPAST Slochteren - Hoofdweg 200 202 - Regels en motivering

Raadsvergadering 30 oktober 2025, gemeente Midden-GroningenBij agendapunt: Gewijzigde vaststelling wijzigingsbesluit omgevingsplan Slochteren - Hoofdweg 200/20221.932 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Deze bevatten een overzicht van eisen die vastliggen met betrekking tot het hoofd- en bijgebouw, erfinrichting, aanzichten, kleur, materiaal en duurzaamheid. De kavelpaspoorten zijn als bijlage Kavelpaspoorten bij deze motivering gevoegd. Situatietekening vrijstaande woningen, kavel 1 t/m 3

gemeente Midden-Groningen

23

Situatietekening tweekapper en bestaand pand, kavel 4 en 5

gemeente Midden-Groningen

2.3 Beschrijving strijdigheid Omgevingsplan Het gemeentelijk omgevingsplan van Midden-Groningen bestaat vooralsnog uit het omgevingsplan van rechtswege. Voor deze locatie is dit het geldende bestemmingsplan en de bruidsschat. Op grond van het bestemmingsplan 'Bestemmingsplan Slochteren-Schildwolde' (vastgesteld op 28 juni 2012) heeft de locatie de volgende bestemmingen en aanduidingen: • Maatschappelijk – Onderwijs, met bouwvlak en maximale goot- en bouwhoogte van respectievelijk 4,5 en 8,5 m; • Horeca, met bouwvlak en aanduidingen 'horeca tot en met horecacategorie 2' en 'wonen'; • Waarde – Archeologie 2; • wro-zone – ontheffingsgebied – dh.

De geplande nieuwe woningen passen niet binnen het huidige ruimtelijke kader, dat nu op een maatschappelijke functie is gericht. De horecafunctie schakelt om naar een reguliere woonfunctie. Er mocht vanwege de aanduiding 'wonen' al gewoond worden, maar het pand laat ook zijn horecafunctie vervallen. Hiervoor moet het planologisch regime gewijzigd worden, dan wel hierop worden afgeweken. Er is gekozen voor een realisatie via een wijziging van het omgevingsplan. Middels het wijzigingsbesluit wordt een woonfunctie toegekend, met passende bouwmogelijkheden. Archeologie zal worden behandeld in hoofdstuk 4. Het kleine stukje aanduiding wro-zone, voor het uitoefenen van kleinschalige detailhandel, wordt vooralsnog in stand gehouden op het perceel via de vantoepassingverklaring in de planregels in afdeling 21.2. Hieronder is een verbeelding van het geldende bestemmingsplan opgenomen.

24

Uitsnede Bestemmingsplan Slochteren-Schildwolde

Omgevingsloket.nl

Er zijn ook vijf andere gemeentelijke facetplannen op de locatie van toepassing, te weten: • Bestemmingsplan Slochteren-Schildwolde, wijzigingsplan Staat van Bedrijven (vastgesteld op 26 maart 2013); • Facetbestemmingsplan kleinschalige windturbines (vastgesteld 21 juni 2018); • Facetbestemmingsplan karakteristieke objecten (vastgesteld 20 december 2018); • Facetbestemmingsplan Parkeren (vastgesteld 28 november 2019); • Facetbestemmingsplan Paarden (vastgesteld 25 april 2024).

De drie facetplannen kleinschalige windturbines, parkeren en paarden worden in de vantoepassingverklaring in de planregels overeenkomstig van toepassing verklaard. Het plan moet hieraan voldoen. Het facetplan karakteristieke objecten wordt niet meegenomen in de vantoepassingverklaring in de planregels. Het perceel heeft namelijk geen cultuurhistorische dubbelbestemming. Het plan Staat van Bedrijven wordt eveneens niet meegenomen in de vantoepassingverklaring in de planregels. Dit plan herziet de bijlagen Staat van bedrijven voor de bestemmingen Gemengd en Bedrijf. Deze bestemmingen zijn nu niet, maar ook straks niet van toepassing op de planlocatie.

3 Toetsing aan beleid en regelgeving 3.1 Inleiding Bij het wijzigen van het omgevingsplan gelden de beoordelingsregels uit het Bkl. Een omgevingsplan kan alleen worden gewijzigd als er sprake is van een 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'. De volgende beoordelingsregels uit het Bkl gelden: • De instructieregels uit hoofdstuk 5 van het Bkl; • De instructieregels van de provincie (Provinciale Omgevingsverordening Groningen); • Eventuele instructiebesluiten van Rijk en provincie; • De regels die gelden voor het stellen van maatwerkregels, als het gaat om een omgevingsvergunning die betrekking heeft op een maatwerkregel.

Een nadere uiteenzetting van de instructieregels volgt hierna. Daarnaast hebben de gemeente en het waterschap ook beleidsregels opgesteld. Dit komt in de volgende paragrafen aan de orde.

25

3.2 Rijk 3.2.1 Instructieregels In het Bkl is een groot aantal instructieregels opgenomen waarvan het merendeel niet relevant is voor dit planvoornemen. De meest relevante instructieregels betreffen de regels voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit betreft onder meer het waarborgen van de veiligheid, het beschermen van de waterbelangen, het beschermen van de gezondheid en van het milieu, het beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed, het behoud van ruimte voor toekomstige functies, het behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten en het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen. In onderstaande tabel wordt aangegeven welke thema's uit het Bkl relevant zijn voor voorliggende ontwikkeling en wordt verwezen naar de corresponderende paragraaf in hoofdstuk 4. Figuur 3.1

26

Thema

Paragraaf Bkl

Relevant voor besluit?

Verwijzing paragraaf H4

Veiligheid

5.1.2

Ja

Paragraaf 4.7

Waterbelangen

5.1.3

Ja

Paragraaf 4.3

Luchtkwaliteit

5.1.4.1

Ja

Paragraaf 4.8

Geluid door Activiteiten

5.1.4.2

Ja

Paragraaf 4.6

Geluid van wegen, spoorwegen en industrieterrein

5.1.4.2a

Ja

Paragraaf 4.5

Slagschaduw van windturbines

5.1.4.4a

Nee

Trillingen

5.1.4.4

Nee

Bodemkwaliteit

5.1.4.5

Ja

Geur

5.1.4.6

Nee

Ladder voor duurzame verstedelijking

5.1.5.4

Ja

Paragraaf 4.11

Cultureel erfgoed en werelderfgoed

5.1.5.5

Ja

Paragraaf 4.2

Behoud ruimte voor autowegen, autosnelwegen en hoofdspoorwegen

5.1.6.2

Nee

Behoud ruimte voor buisleidingen van nationaal belang

5.1.6.3

Nee

Elektriciteitsvoorziening

5.1.7.3

Nee

Rijksvaarwegen

5.1.7.4

Nee

Toegankelijkheid openbare ruimte

5.1.8

Nee

Voorkomen belemmeringen hoofdspoorweginfrastructuur en rijkwegen

5.2

Nee

Lozen industrieel afvalwater in openbaar vuilwaterriool

5.2

Nee

Bebouwingscontour jacht

5.2

Nee

Bebouwingscontour houtkap

5.2

Nee

Geluid rond luchthavens

5.1.4.3

Nee

Vrije horizon kust

5.1.5.2

Nee

Waddenzee en Waddengebied

5.1.5.3

Nee

Landsverdediging

5.1.7.2

Nee

Communicatie burgerluchtvaart

5.1.7.5

Nee

Paragraaf 4.1

Landelijke fiets- en wandelroutes

5.2

Nee

Lokale spoorwegen binnen vervoerregio's

5.2

Nee

Instructieregels Bkl

3.2.2 Nationale Omgevingsvisie Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) van kracht geworden. De NOVI bevat de hoofdzaken van het beleid voor de fysieke leefomgeving. Uit de Omgevingswet volgt dat al het strategische beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, én het nieuwe strategische beleid op het beleidsterrein van de fysieke leefomgeving worden opgenomen in de NOVI. In zijn totaliteit kent de NOVI in totaal 21 nationale belangen en opgaven die het verder uitwerkt. Die opgaven zijn niet meer op zichzelf staand op te lossen, maar grijpen in elkaar. Met de NOVI zoekt het Rijk een perspectief om de grote opgaven aan te pakken, om Nederland mooier en sterker te maken en daarbij voort te bouwen op het bestaande landschap en de (historische) steden. Om die reden worden binnen de NOVI prioriteiten gesteld. De NOVI stelt daarbij een integrale aanpak voor: integraal, samen met andere overheden en maatschappelijke organisaties, en met meer regie vanuit het Rijk. Met steeds een zorgvuldige afweging van belangen werkt het Rijk aan de vier prioriteiten: 1. ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; 2. duurzaam economisch groeipotentieel; 3. sterke en gezonde steden en regio's; 4. toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Doorwerking plangebied De beoogde ontwikkeling betreft geen ontwikkeling op rijksniveau.

De ontwikkeling valt daarom buiten de werking en doelstellingen van het rijksbeleid. Het rijksbeleid vormt geen belemmering voor de gewenste ruimtelijke ontwikkeling.

3.3 Provincie 3.3.1 Omgevingsvisie provincie Groningen Doel van de provinciale Omgevingsvisie is het aantrekkelijke woon- en leefklimaat in de provincie verder verbeteren. Het accent in het beleid ligt op het benutten van de ontwikkelingsmogelijkheden, naast het beschermen van de karakteristieke bebouwde en onbebouwde elementen. De provincie wil ruimte bieden voor ondernemerschap om in te spelen op de dynamische ontwikkelingen. Activiteiten lopen steeds meer door elkaar heen. Dat heeft gevolgen voor het ruimtegebruik. Functies, als wonen en werken, zijn steeds minder van elkaar gescheiden. Door samenwerking met medeoverheden en andere partijen en het leveren van maatwerk wil de provincie haar doelen bereiken. Een belangrijk doel van de Omgevingsvisie is om op strategisch niveau samenhang aan te brengen in het beleid voor de fysieke leefomgeving. Daarom zijn in deze Omgevingsvisie zoveel mogelijk de visies op verschillende terreinen zoals ruimtelijke ontwikkeling, landschap en cultureel erfgoed, natuur, verkeer en vervoer, water, milieu en gebruik van natuurlijke hulpbronnen samengevoegd en inhoudelijk met elkaar verbonden. Er zijn ook onderdelen opgenomen van het provinciale beleid voor economie, energie en cultuur en welzijn, voor zover die gevolgen hebben voor de fysieke leefomgeving.

In deze Omgevingsvisie is al het provinciale beleid dat op een of andere manier raakt aan de fysieke leefomgeving geformuleerd en geordend in vijf samenhangende thema's en elf provinciale 'belangen':

1. RUIMTE: • Aantrekkelijk vestigingsklimaat; • Ruimte voor duurzame energie; • Vitale landbouw.

27

2. NATUUR EN LANDSCHAP • Beschermen landschap en cultureel erfgoed; • Vergroten biodiversiteit.

3. WATER • Waterveiligheid; • Schoon en voldoende water.

4. MOBILITEIT: • Bereikbaarheid.

5. MILIEU: • Tegengaan milieuhinder; • Gebruik van de ondergrond.

De Omgevingsvisie is een kaderstellend document voor de uitwerking van het beleid op deelterreinen door de provincie zelf. Ook voor andere partijen (bedrijven) die iets willen dat invloed heeft op de fysieke leefomgeving, biedt de Omgevingsvisie houvast. De provincie wil met de Omgevingsvisie ruimte bieden en uitnodigen. Maar uit deze Omgevingsvisie vloeien ook richtlijnen en voorschriften voort, die zijn vastgelegd in de provinciale Omgevingsverordening. Hiermee werkt het omgevingsbeleid (ruimtelijke ordening, water, mobiliteit en milieu) door in plannen van gemeenten en waterschappen.

3.3.2 Omgevingsverordening provincie Groningen De Omgevingsverordening provincie Groningen (hierna Omgevingsverordening) bevat regels voor de fysieke leefomgeving in de provincie Groningen. Deze regels richten zich op de thema's ruimtelijke ordening, water, infrastructuur, milieu en ontgrondingen. Hieronder zijn de artikelen weergegeven die relevant zijn voor het projectgebied. Thema's die geen invloed hebben op het voornemen, worden niet aangehaald.

Aardbevingsgebied (afdeling 3.2 Omgevingskwaliteit) Het plangebied ligt binnen het aardbevingsgebied. Voor locaties binnen het aardbevingsgebied worden regels gesteld met het oog op: • het beschermen van cultuurhistorisch erfgoed, voor zover het gaat over de hoofdvorm van de karakteristieke en beeldbepalende gebouwen; • een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

In het plangebied staan geen karakteristieke en beeldbepalende gebouwen. Wel is het plangebied gelegen naast het karakteristieke pand van de Edersheerd Begeleid/Beschermd Wonen. Met de uitvoering van het planvoornemen wordt dit karakteristieke pand niet aangetast. Dit wordt nader toegelicht in paragraaf 4.2. Ook is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit blijkt uit deze motivering. Het planvoornemen is daarmee niet in strijd met de provinciale omgevingsverordening.

Veiligheidszone 4 (afdeling 3.9 Infrastructuur) Het perceel is onderdeel van Veiligheidszone 4. Op grond van artikel 3.155 van de POV moet bij de vaststelling van een omgevingsplan dat betrekking heeft op Veiligheidszone 4: a. aandacht worden besteed aan het veiligheidsniveau op de kwetsbare en beperkt kwetsbare locaties; en b. rekening gehouden met het veiligheidsrisico van branden, rampen en crises als bedoeld in artikel 5.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

28

Het aspect externe veiligheid komt nader aan bod in paragraaf 4.7.

Woningbouw (artikel 3.30 POV) Artikel 3.30 van de POV bevat instructieregels voor woningbouw, zowel in het buitengebied als stedelijk gebied, waar de projectlocatie onderdeel van is. De woningbouw moet op grond van het artikel naar aard, locatie en aantal in overeenstemming zijn met: a. een onder de vigeur van de Wet ruimtelijke ordening tot stand gekomen gemeentelijke woonvisie, die is afgestemd met de gemeenten binnen de regio waarvan de gemeente deel uitmaakt(e); b. de in het kader van de Regio Groningen-Assen tot stand gekomen regionale planningslijsten voor woningbouw; c. de tussen betrokken gemeenten en GS gemaakte nadere afspraken over woningbouw; of d. een onder de vigeur van de Omgevingswet tot stand gekomen omgevingsvisie of programma die is afgestemd met gedeputeerde Staten voor wat de ontwikkeling van woningbouwvoorraad betreft. In dit geval is het project getoetst aan de gemeentelijke omgevingsvisie. De gemeentelijke omgevingsvisie is getoetst in paragraaf 3.4.1 van de motivering. De gemeentelijke omgevingsvisie van Midden-Groningen valt onder sub d van artikel 3.30 van de POV: “een onder de vigeur van de Omgevingswet tot stand gekomen omgevingsvisie of programma die is afgestemd met gedeputeerde Staten voor wat de ontwikkeling van woningbouwvoorraad betreft”.

Het aantal te realiseren woningen past binnen de gemaakte woningbouwafspraken van de Regio Groningen-Assen.

Groene linten (3.103 POV) Artikel 3.103 van de POV bevat instructieregels voor groene linten. Het voorste deel van de kavels Hoofdweg 200 en 202 is als ‘groene linten’ aangewezen. Artikel 3.103 van de POV stelt dat gelet op het beschermen van landschappelijke, stedenbouwkundige of cultuurhistorische waarden en ten behoeve van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties een omgevingsplan over groene linten regels bevat: a. gericht op bescherming van de bestaande wegbeplanting waarbij rekening wordt gehouden met de samenhang tussen deze wegbeplanting en de slingertuinen; en b. die onnodige kap voorkomen en verplichten tot herplanting.

Uit het kavelpaspoort voor kavel 01 (zie paragraaf 2.2) blijkt dat enkele bomen mogelijk zijn gelegen binnen of aan de rand van een groen lint, zoals bedoeld in instructieregel 3.103 van de Omgevingsverordening provincie Groningen. Op grond van deze regel dient het omgevingsplan zorg te dragen voor bescherming van landschappelijke, cultuurhistorische en stedenbouwkundige waarden van groene linten. De betreffende bomen zijn beoordeeld op basis van landschappelijke waarde, ecologische potentie en ruimtelijke samenhang. Deze toetsing heeft uitgewezen dat op de locatie: • er geen sprake is van beschermde boomstructuren of waardevolle laanbeplanting; • de bestaande bomen beperkt bijdragen aan de landschappelijke structuur; • de planontwikkeling voorzien is van mitigerende maatregelen, waaronder de herplant of landschappelijke inpassing ter plaatse of in de nabijheid.

De omgang met deze bomen is daarmee in lijn met de doelstellingen van instructieregel 3.103. Boom met scheefstand – veiligheids- en stabiliteitsrisico Een van de bomen binnen het plangebied vertoont een significante scheefstand, hetgeen potentieel risico oplevert voor de omgeving. De beoordeling is gebaseerd op visuele inspectie en bouwtechnisch advies. Op basis van artikel 4.3 van de Wet natuurbescherming is het toegestaan om bomen te verwijderen wanneer sprake is van een beheermaatregel ten behoeve van de veiligheid. Ook geldt op grond van artikel 5.3 van de Omgevingswet een zorgplicht voor het waarborgen van een veilige fysieke leefomgeving. De verwijdering van de boom is daarmee gerechtvaardigd en noodzakelijk ter voorkoming van schade en letsel in de toekomst.

29

Bomen nabij nieuwe erfgrenzen – ruimtelijke belemmeringen Door de voorgenomen herindeling van de kavels komen enkele bomen op of nabij de toekomstige erfgrenzen te liggen. Deze ligging belemmert een doelmatige inrichting van de kavels en kan op termijn leiden tot: • schade aan toekomstige bouwwerken of infrastructuur; • wortelopdruk of overlast aan verharding; • juridische geschillen tussen perceeleigenaren (bijvoorbeeld over overhangende takken of wortels, ex. artikel 5:44 BW).

Gezien het uitgangspunt van de Omgevingswet dat sprake moet zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 3.4 Ow), is kap hier noodzakelijk om een toekomstbestendige inrichting te waarborgen. De betreffende bomen zijn in dit verband niet aan te merken als waardevol in landschappelijke of cultuurhistorische zin en vertegenwoordigen geen specifieke natuurwaarden. Herplant Zoals gesteld is in de planontwikkeling voorzien van mitigerende maatregelen, waaronder de herplant of landschappelijke inpassing ter plaatse of in de nabijheid. Conclusie toets aan artikel 3.103 Op basis van de hierboven aangegeven onderbouwing wordt geconcludeerd dat de voorgenomen kap van de bomen binnen het plangebied: • plaatsvindt binnen de juridische kaders van de Wet natuurbescherming, Omgevingswet, en de Provinciale Omgevingsverordening; • ecologisch toelaatbaar is, onder voorbehoud van nadere toetsing voor grondgebonden zoogdieren; • landschappelijk en stedenbouwkundig wordt gecompenseerd in het kader van instructieregel 3.103; • noodzakelijk is voor veiligheid, doelmatige inrichting en toekomstige functiegebruik.

Doorvertaling planregels Tot slot wordt voldaan aan de instructieregel door in het omgevingsplan regels op te nemen die: a. gericht zijn op bescherming van de bestaande wegbeplanting, waarbij rekening wordt gehouden met de samenhang tussen deze wegbeplanting en de slingertuinen; en b. onnodige kap voorkomen en verplichten tot herplanting.

Deze regels golden nog niet op de locatie op basis van het huidige bestemmingsplan, dat onderdeel is van het tijdelijke omgevingsplan van de gemeente. Er is een paragraaf Aanlegactiviteiten ingevoegd die deze regels borgt.

3.4 Gemeente 3.4.1 Omgevingsvisie Midden-Groningen Op 2 november 2023 is de Omgevingsvisie Midden-Groningen vastgesteld. De Omgevingsvisie is een visie op hoofdlijnen met twee doelen: • Het geeft de stip op de horizon over hoe de gemeente Midden-Groningen omgaat met de ruimtelijke opgaven die op haar afkomen, zoals de noodzaak voor meer woningen, duurzame energie of het vinden van geschikte ruimte voor bedrijven. Dit is vertaald in 8 speerpunten, deze worden hieronder beschreven. • Daarnaast geeft de Omgevingsvisie het kader hoe de gemeente ideeën en plannen van inwoners of ondernemers zal beoordelen. Dit geldt voor plannen die niet in het Omgevingsplan passen.

De speerpunten van deze omgevingsvisie zijn doelen voor inrichting en gebruik van onze omgeving. De doelen uit de omgevingsvisie helpen om brede welvaart te bereiken. De speerpunten komen voort uit de opbrengsten van de participatie, uit bestaand beleid dat nog steeds belangrijk is en uit trends en ontwikkelingen die om nieuw beleid vragen. De 8 speerpunten van de gemeente Midden-Groningen zijn:

30

• • • • • • • •

Veilig en gezonde woon- en leefomgeving uitnodigend voor bewegen en ontmoeten; Beleefbare omgeving met behoud en versterking van verschillen in het landschap en kernen en hun karakter/historie; Voldoende en betaalbare woningen voor eigen inwoners en voor nieuwe inwoners; Ontwikkeling naar een toekomstbestendige landbouw en toekomstbestendig buitengebied met een groeiende betekenis voor recreatie en vrijetijdseconomie; Ruimte voor bedrijvigheid en ondernemen in balans met de omgeving en arbeidsmarkt; Ontwikkeling naar minder energieverbruik, groene en betaalbare energie; Voorsorteren op veranderingen in het klimaat en versterking van de biodiversiteit; Goede fysieke én digitale bereikbaarheid en toegankelijkheid.

Uit de Omgevingsvisie blijkt dat er voor alle kernen in de gemeente Midden-Groningen sprake is van een woningtekort. Met het planvoornemen worden vijf nieuwe woningen gerealiseerd. Daarnaast schakelt de horeca aan de Hoofdweg 202 functioneel om naar een woonfunctie. Er is geen sprake van sloop of verbouw, het gaat om het functioneel omschakelen van een bestaand pand. Daarmee sluit het planvoornemen aan op het speerpunt ''voldoende en betaalbare woningen voor eigen inwoners en voor nieuwe inwoners''. Het planvoornemen is daarmee passend bij de Omgevingsvisie Midden-Groningen.

3.4.2 Welstandsnota Midden-Groningen 2020 Op 25 juni 2020 heeft de gemeenteraad van Midden-Groningen haar geharmoniseerde en geactualiseerde Welstandsnota vastgesteld. Het omgevingsplan en de welstandsnota zorgen samen voor het behoud van de ruimtelijke kwaliteit. Het omgevingsplan geeft aan waar, wat, hoeveel, ten behoeve van welke functie en in welke vorm gebouwd mag worden. Het welstandsbeleid geeft aan hoe het gebouw er uit mag komen te zien. Welstandsbeleid moet daarbij voorkomen dat er bouwwerken gebouwd worden die afbreuk doen aan de omgeving. Op de bijbehorende welstandskaart is het plangebied aangeduid als hoofdlint. De linten worden hoog gewaardeerd vanwege hun historisch waardevolle ruimtelijke structuur en het karakteristieke aanzicht, waarin de ontwikkelingsgeschiedenis goed herkenbaar is. De aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen wordt uiteindelijk getoetst aan de in de Welstandsnota opgenomen criteria voor de linten. Ook zijn voor deze woningen kavelpaspoorten opgesteld. Deze kavelpaspoorten zijn als bijlage Kavelpaspoorten opgenomen en bevatten een overzicht van eisen met betrekking tot het hoofd- en bijgebouw, erfinrichting, aanzicht, kleur en materiaal en duurzaamheid. Ze zijn nader besproken in paragraaf 2.2. Daarnaast zijn de kavelpaspoorten gekoppeld aan de planregels als zijnde beoordelingsregel voor het bouwen.

31

Welstandskaart

Welstandsnota Midden-Groningen

3.4.3 Woonvisie Midden-Groningen: 2024-2030 Met focus vooruit De gemeente heeft op 9 juli 2024 de Woonvisie Midden-Groningen 2024-2030: Met focus vooruit vastgesteld. Midden-Groningen is één gemeente: een stedelijk gebied en netwerken van dorpen. Ze hebben elk een heel eigen karakter. De veelheid aan gezichten ziet de gemeente als een kwaliteit. Mensen herkennen daarin vandaag de geschiedenis van het gebied. De gemeente herkent daarin ook de positieve waarden voor de toekomst: redenen voor mensen om te blijven wonen en te verhuizen naar Midden-Groningen, ook in de komende decennia. • Karakteristieke dorpen, soms met een beschermd aangezicht, met een gevarieerd aanbod aan wonen, sterke sociale verbanden, kleinschalig van structuur, onderling verbonden. • Stedelijk gebied met uitstekende voorzieningen, zeer goede bereikbaarheid, wonen in alle vormen en prijzen, parken. Met de ruimtelijke linten en water, wegen, spoor en de industrie als herkenningspunten. • De dorpen en het stedelijk gebied van Hoogezand-Sappemeer zijn onderling verbonden in het ruime landschap, de uitgestrekte natuurgebieden, de goede infrastructuur van water, spoor en wegen.

Wat Midden-Groningen nu is, biedt houvast voor de toekomst, maar het brengt ook uitdagingen mee, die verder reiken dan alleen het wonen. Denk aan het onder druk staan van voorzieningen en bereikbaarheid in dorpen en het landelijk gebied, leegstand en verpaupering, aardbevingen en nieuwe maatschappelijke vraagstukken als klimaatbestendig wonen. Vijf hoofddoelen Vijf hoofddoelen geven richting aan het woonbeleid. In grote lijnen zijn ze gelijk aan de doelen van de woonvisie van 2019, maar de accenten en prioriteiten liggen anders: de focus ligt meer dan in 2019 op versnellen en resultaat creëren. De aandacht voor de netwerken van dorpen en de complexe vraagstukken in stedelijk gebied blijft, de aandacht voor betaalbaar wonen en het bedienen van doelgroepen die het niet zelf redden, staat nog meer voorop. Dit sluit aan op de kaders die de Raad meegaf in haar werkprogramma. 1. Samen versnellen

32

Zorgen dat er op tijd voldoende en passende woningen bij komen. Een manier van werken die grote ontwikkelingen vooruit stuwt, die ruimte biedt aan goede initiatieven, waarin de samenwerking met partners en bewoners verbetert. 2. Strategie voor dorpen en landelijk gebied In alle dorpen zorgen dat er woningen bij komen: inspelen op de vraag, dorpen beter maken. Bekende plannen versnellen, plannen creëren door initiatief te nemen of uit te nodigen. Werken aan integrale fysieke en sociale verbeteringen in de dorpen. 3. Strategie voor het stedelijk gebied De kwaliteitsslag in stedelijk gebied wordt zichtbaar. Doorpakken met strategische en integrale programma’s zoals Hoogezand-Noord. In samenhang werken aan betere, betaalbare en meer woningen, waarbij het lint, stadshart, uitbreiding en bestaande wijken hun rol hebben. 4. Goed en betaalbaar wonen Inzetten op kwaliteit en betaalbaarheid. Zorgen dat bestaande en nieuwe woningen aantrekkelijk en betaalbaar zijn, zorgen voor voldoende sociale huur, toekomstbestendige woonvormen, rekening houdend met toekomstige opgaven. 5. Aandacht voor onze doelgroepen Speciale aandacht voor groepen die dat nodig hebben. Zoals starters, mensen met een zorgvraag of een andere beperking, mensen die op een andere manier moeilijk een passende woonplek weten te vinden op eigen kracht.

Voormalige schoollocaties Op een aantal ontwikkelingen wordt een speciale focus gelegd, omdat deze grote impact op het behalen van de doelen of meerdere doelen samenbrengen. Onderdeel hiervan zijn de vrijkomende schoollocaties. De gemeente Midden-Groningen heeft de komende 10 jaar op 22 plaatsen in de gemeente ruimte voor nieuwe ontwikkelingen met woningbouw als speerpunt met in totaal ruimte voor meer dan 200 woningen. Er zijn veel nieuwe aardbevingsbestendige kindcentra gebouwd of verbouwd waar scholen, gymlokalen, kinderopvang en soms ook wijk/dorpsverenigingen naar toe zijn verhuisd. De achtergebleven gebouwen worden of zijn gesloopt. Dat betekent dat er op 22 plaatsen in de gemeente ruimte vrijkomt waar bouwkavels of percelen kunnen worden verkocht voor woningbouw. In de dorpen gaat het om locaties in Slochteren, Schildwolde, Siddeburen, Muntendam, Zuidbroek, Noordbroek en Meeden. Daarvoor heeft de Raad in 2023 een plan van aanpak vastgesteld. In elk dorp is de situatie anders, maar we hebben in alle dorpen een gelijksoortig doel. Op de scholenlocaties ontstaat ruimte voor wonen, binnendorps, daarmee een kans om woningen toe te voegen voor ouderen, starters, jonge gezinnen. Op een manier die er voor zorgt dat de locatie zelf, maar ook de uitstraling van de directe omgeving verbetert, passend bij de aard en schaal van het dorp.

De werkwijze luidt dat binnen de een projectleider verantwoordelijk is voor de aanbesteding van de locaties. De gemeente benut de kwaliteitscriteria voor ontwikkelingen. Deze criteria stelt zij samen vanuit enerzijds professionele expertise, anderzijds door participatie vanuit het dorp met speciale aandacht voor de direct omwonenden. Dorpsagenda Voor wat betreft de dorpsagenda's stelt de Woonvisie het volgende over Slochteren. Slochteren en Schildwolde zijn onafhankelijke dorpen maar liggen dicht bij elkaar aan het lint, en zijn qua voorzieningen deels aanvullend op elkaar. Er zijn nog geen actuele dorpsplannen gereed; in Slochteren is dit gestart. De komende jaren gaat de aandacht uit naar: • Actieve zoektocht naar kansrijke plekken voor starters en senioren door het initiatieventeam, waaronder de gebundelde schoollocaties. • Investeringen in vroegnaoorlogse bebouwing - oudere woonbuurten Slochteren zijn bijvoorbeeld een aandachtsgebied ondersteuning bij woningverbetering.

33

• • •

Kleinschalige woningbouw in het lint, gebruikmakend van een studie naar typologieën in de linten die gemaakt wordt door de gemeente. Doorlopende aandacht voor versterking en vervanging. Faciliteren van dorpsplannen

Conclusie Voorliggend plan is onderdeel van en expliciet aangewezen als voormalige schoollocatie. Het opvullen van de voormalige schoollocatie draagt ook bij aan het kunnen versnellen van de woningbouwopgave, zoals de Woonvisie stelt. Hierbij worden vijf nieuwe koopwoningen gerealiseerd. Van kwalitatieve, duurzame aard en ingepast in de omgeving middels een kavelpaspoort. Daarnaast schakelt de horeca aan de Hoofdweg 202 functioneel om naar een woonfunctie. Er is geen sprake van sloop of verbouw, het gaat om het functioneel omschakelen van een bestaand pand. Het voornemen sluit aan bij de Woondeal uit 2023.

3.4.4 Archeologische verwachtingskaart (2021) Uitgangspunt van het gemeentelijk archeologisch beleid is het behoud van waardevolle archeologische waarden en van cultuurhistorische en cultuur landschappelijke relicten. De feitelijke bescherming van de archeologische en cultuurlandschappelijke waarden wordt geregeld in bestemmingsplannen en de erfgoedverordening. Voor het grondgebied van de gemeente Midden-Groningen beschikt de gemeente over een verwachtingskaart archeologie en cultuurhistorie (2021). Op het aspect archeologie wordt in paragraaf 4.2 nader ingegaan.

4 Omgevingsaspecten 4.1 Bodem 4.1.1 Toetsingskader Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (artikel 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie artikel 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89K Bkl, artikel IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem). Daarnaast zijn er specifieke regels over bodem opgenomen in het Aanvullingsbesluit Bodem en de activiteiten zijn opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving: • Regels over nazorg van de bodem na saneren op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving, het omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift (artikel IIIa, paragraaf 2.3.6a.2). • Regels over graven in de bodem (paragraaf 3.2.21 en 3.2.22 Bal). • Regels over activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico (paragraaf 2.3.6a.4). • Maatwerkregels over het saneren van de bodem (paragraaf 2.3.6a.5).

Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit.

4.1.2 Onderzoek Met het planvoornemen wordt bebouwing toegevoegd waarin mensen langer dan 2 uur aanwezig zijn. Er is daarom een bodemonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is als Bodemonderzoek opgenomen. Op basis van de onderzoeksresultaten kan de volgende conclusie worden getrokken. Chemische parameters (NEN 5740) De locatie is onderzocht volgens de strategie voor een 'diffuus belaste niet-lijnvormige locatie met een heterogeen verdeelde verontreinigende stof op schaal van monsterneming' (VED-HE-NL). Om inzicht te

34

krijgen in de milieuhygiënische kwaliteit van de ondergrond is voor de ondergrond deze strategie gecombineerd met de strategie voor een 'onverdachte niet-lijnvormige locatie' (ONV-NL). Dat betekent dat één of meerdere boringen dieper zijn doorgezet en ook de onverdachte ondergrond analytisch is onderzocht. Sinds 8 juli 2019 heeft het Ministerie verplicht dat grond die wordt afgevoerd en elders wordt toegepast, onderzocht is op PFAS. Omdat op deze locatie (mogelijk) grond moet worden afgevoerd, is het laboratoriumonderzoek uitgebreid met PFAS. Asbest In verband met het aantreffen van puindeeltjes in ondergrond van boorlocaties 01 en 07, is op deze locaties een proefgat gegraven voor onderzoek naar het voorkomen van asbestverdacht materiaal. In het veld is van de puinhoudende ondergrond een mengmonster samengesteld. Resultaten en conclusies Op basis van het uitgevoerde onderzoek blijkt het volgende: • Op twee boorlocaties zijn in de ondergrond sporen puin waargenomen. • Grond op locatie (ontvangende bodem): de boven- en ondergrond valt in kwaliteitsklasse wonen en landbouw/natuur. • Toepassen op of in landbodem (in geval bij grondafvoer): de boven- en ondergrond valt in industrie en landbouw/natuur. • In het grondwater zijn geen stoffen aangetoond boven de signaleringsparameter beoordeling grondwatersanering.

• Visueel is geen asbestverdacht materiaal aangetroffen en analytisch is geen asbest aangetoond.

De interventiewaarde grond en de signaleringsparameter beoordeling grondwatersanering worden niet overschreden. De aangetoonde milieuhygiënische bodemkwaliteit levert geen belemmeringen op voor de geplande transactie. Er zijn geen beperkingen voor nieuwbouw. De kwaliteit van de bovengrond met betrekking tot lood voldoet aan de GGD-richtlijn. Aanbevelingen Hoewel er geen aanleiding is tot nader bodemonderzoek is de grond niet onbeperkt elders toepasbaar. Indien grondverzet > 25 m3 plaatsvindt, dient dit tenminste een week vooraf te worden gemeld via het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) als zgn. milieubelastende activiteit 'graven in bodem met een kwaliteit onder de interventiewaarde'. Aan de afvoer van grond met kwaliteitsklasse wonen en industrie zijn meer kosten verbonden dan aan schone grond (klasse landbouw/natuur). Er wordt geadviseerd om hiermee bij de transactie rekening te houden.

4.1.3 Conclusie Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wat betreft het aspect bodem.

4.2 Archeologie en cultuurhistorie 4.2.1 Toetsingskader De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen en projecten onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen en projecten zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. Zo zijn er in het Bkl ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voor beschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten.

4.2.2 Onderzoek Archeologie

35

In het geldende omgevingsplan is er voor een deel van het plangebied de dubbelbestemming Waarde Archeologie - 2 opgenomen. Hier geldt dat archeologisch onderzoek noodzakelijk is voor bouwwerken met een oppervlak groter dan 100 m2. Archeologisch onderzoek is daarmee dus noodzakelijk voor de realisatie van het planvoornemen. Dit onderzoek is als Archeologisch bureauonderzoek bij deze motivering gevoegd. Voorafgaand aan het veldwerk is een archeologisch verwachtingsmodel opgesteld voor onderzoeksgebied. Het onderzoeksgebied ligt van oorsprong in een laag dekzandgebied. Dit was van de steentijd tot midden bronstijd een geschikte plaats voor bewoning. Vanaf het eind van de bronstijd overgroeide het gebied met veen dat na de late middeleeuwen ontgonnen werd. Van deze ontginningen en het daarop volgende landgebruik als akker kunnen resten bewaard zijn gebleven in de bodem. Het plangebied kan opgedeeld worden in twee delen. Het zuidwestelijke deel heeft een hoge verwachting voor de late middeleeuwen – nieuwe tijd door de waarschijnlijke aanwezigheid van een historische boerderijplaats. Het noordwestelijke deel is door de vele bouw en sloopwerkzaamheden waarschijnlijk verstoord. Om het archeologisch verwachtingsmodel te toetsen is een verkennend booronderzoek uitgevoerd in het zuidwestelijke deel van het plangebied (het onderzoeksgebied).

De bodem in het onderzoeksgebied bestaat van boven naar beneden uit 1) een ophogingslaag, bestaande uit een laag bouwzand of verstoorde zandlaag, 2) een bouwvoor, 3) een laag veen, bestaande uit veraard veen met op enkele locaties nog een onderliggende laag intact veen, 4) een dunne spoelzandlaag en 5) schoon dekzand (C-horizont). In het dekzand heeft zich geen podzolbodem ontwikkeld. Het onderzoek heeft geen vondsten opgeleverd die op de (voormalige) aanwezigheid van archeologische waarden wijzen. De puin- en baksteenspikkels die in de verrommelde bovenste lagen zijn aangetroffen behoren waarschijnlijk tot recente bebouwing. Selectieadvies Het onderzoek heeft geen aanwijzingen opgeleverd voor de aanwezigheid van archeologische waarden in het onderzoeksgebied. De bodemlagen die eventueel archeologische waarden zouden kunnen bevatten, de podzolbodem in het dekzand (steentijd) en de lagen daarboven (middeleeuwen) zijn niet aangetroffen of verstoord. Door de mate van verstoring/verspoeling in de bodem en vanwege de afwezigheid van een podzolbodem, cultuurlagen en archeologische indicatoren bestaat derhalve geen aanleiding tot het adviseren van archeologisch vervolgonderzoek voor het onderzochte terrein Hoofdweg 200 te Slochteren. Het is aan de gemeente Midden-Groningen of zij dit advies al dan niet overneemt.

Als bij toekomstig graafwerk onverhoopt toch archeologische vondsten worden gedaan of archeologische grondsporen worden aangetroffen, dan dient daarvan direct melding te worden gemaakt bij de minister conform de Erfgoedwet 2015, artikel 5.10 & 5.11. Advies is dit te doen bij de gemeente Midden-Groningen. Reactie bevoegde overheid De gemeente Midden-Groningen heeft het rapport getoetst en kennisgegeven in te stemmen met bovenstaand selectieadvies. Het plangebied kan worden vrijgegeven wat betreft archeologie.

Cultuurhistorie Het initiatief tast geen cultuurhistorische waarden aan. Er staan in het plangebied geen monumenten of karakteristieke bebouwing. Wel is de naast het plangebied gelegen gebouw van Edsersheerd Begeleid/Beschermd Wonen aangewezen als karakteristiek pand. Dit pand wordt echter niet aangetast door de woningbouwontwikkeling op het perceel van de Hoofdweg 200. Verder is de Hoofdweg een historische weg. Echter, met deze ontwikkeling wordt ook de historische weg niet aangetast.

4.2.3 Conclusie Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wat betreft het aspect archeologie en cultuurhistorie. Vanwege het vrijgeven van de gronden voor archeologie hoeft de archeologische dubbelbestemming niet meer te worden overgenomen op de plankaart en in de planregels.

36

4.3 Water 4.3.1 Toetsingskader Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Denk bijvoorbeeld aan (instructie)regels (al dan niet ter nastreving van omgevingswaarden) uit de provinciale omgevingsverordening en de waterschapsverordening. Daarnaast bevatten de artikelen 5.38 t/m 5.49 Bkl rijksregels met betrekking tot: • het voorkomen van belemmeringen voor primaire waterkeringen; • het bouwen binnen kustfundamenten buiten stedelijk gebied; • het ontplooien van activiteiten in en nabij grote rivieren en het IJsselmeergebied.

Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming en de weging van het waterbelang worden betrokken. Verder zijn de regels van artikel 5.165 Bkl en paragraaf 22.3.8 uit de bruidsschat van belang met betrekking tot het lozen van (industrieel) afvalwater in het openbaar vuilwaterriool. Artikel 5.165 Bkl schrijft voor in welke gevallen het omgevingsplan lozingen van industrieel afvalwater mag toestaan. Gemeenten kunnen voor sommige lozingen specifieke regels stellen. In het algemeen is de specifieke zorgplicht voor milieubelastende activiteiten die in de bruidsschat zijn opgenomen voldoende. Met de bevoegdheid tot het stellen van maatwerkvoorschriften kan de gemeente voor specifieke bedrijven zo nodig aanvullende eisen stellen die passen bij de bedrijfssituatie. Verplichte omgevingswaarden • Zowel het Rijk, de provincie en gemeenten (kunnen) werken met omgevingswaarden. Deze worden hieronder beschreven:

•

•

Rijk: omgevingswaarden voor (1) waterkwaliteit, (2) zwemwaterkwaliteit, (3) veiligheid van primaire waterkeringen en 4) de veiligheid van andere dan primaire waterkeringen, voor zover die in het beheer zijn bij het rijk (artikel 2.15 Ow). Provincie: omgevingswaarden voor de veiligheid van 1) bij de omgevingsverordening aangewezen andere dan primaire waterkeringen die niet bij het Rijk in beheer zijn en 2) de gemiddelde overstromingskans per jaar van bij de omgevingsverordening aangewezen gebieden met oog op de bergingsen afvoercapaciteit waarop (niet bij het Rijk in beheer zijnde) regionale wateren moeten zijn berekend (artikel 2.13 Ow). Gemeente: gemeenten kunnen ook zelf besluiten om omgevingswaarden vast te stellen. Indien hiervan sprake is dient de wijziging van het omgevingsplan ook aan deze omgevingswaarde getoetst te worden.

4.3.2 Onderzoek Bij alle nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dient aandacht te worden besteed aan het wateraspect. Hiervoor is het planvoornemen ingediend bij Waterschap Hunze en Aa's. De aanvraag van het wateradvies heeft op 7 maart 2025 plaatsgevonden. Uit de watertoets kwam naar voren dat de normale procedure dient te worden doorlopen. Dit blijkt tevens uit de Uitgangspuntennotitie en de Aanvraag wateradvies. Tijdens het vooroverleg hebben verschillende vooroverleg partners de kans gekregen om advies te geven. Het waterschap heeft een negatief advies afgegeven. Dit omdat zij nog niet in de gelegenheid zijn geweest het plan te beoordelen. Wel is voor de locatie met het waterschap gesproken om de opties voor de afvoer van het hemelwater door te spreken. Hier is onderstaande voorkeur uitgekomen. Deze optie is door TAUW doorgerekend om er zeker van te zijn dat de watersystemen voldoende capaciteit hebben. Dit document is opgenomen in de bijlage Hydrologisch onderzoek.

Specifieke en aanvullende uitgangspunten Op de locatie waar voorheen basisschool de Wegwijzer zat aan de Hoofdweg 200 in Slochteren is de gemeente voornemens om 3 vrije kavels uit te geven voor 3 vrijstaande woningen. Ook wordt een tweeonder-een-kapwoning op het perceel gerealiseerd en wordt het voormalige horecapand aan de Hoofdweg 202-204 omgebouwd tot woonhuis.

37

Op deze locatie lozen de nieuwe woningen het hemelwater direct op een nieuw aan te leggen en bestaande sloot ten zuidoosten van de ontwikkellocatie en wordt niet aangesloten op het gemeentelijk riool. In het wateradvies geeft Waterschap Hunze en Aa’s aan dat de toename van het verhard afvoerend oppervlak beperkt is en dat bergingscompensatie niet nodig is. Wel moet er voor gezorgd worden dat de afvoer naar de hoofdwatergang voldoende afvoercapaciteit heeft. De ontwikkeling voert af via een bestaande sloot. De sloot heeft voldoende afvoercapaciteit voor het hemelwater van de ontwikkellocatie. Het wordt niet nodig geacht om een duiker te realiseren van de zuidelijke sloot naar de noordelijke sloot. Naar aanleiding van de terinzagelegging van het ontwerp-wijzigingsbesluit is een zienswijze ingediend ten aanzien van de geplande afwatering. Volgens het ontwerpplan wordt een (groot) deel van het hemelwater van de nieuwe woningen die gebouwd gaan worden, afgevoerd via de sloot die naast het perceel van de indiener ligt. Deze sloot is hier echter niet geschikt voor omdat deze niet afloopt richting de Baggerputten zoals op de tekening staat. In plaats daarvan loopt de sloot omhoog en blijft het water staan tot dat het in de grond wegzakt. Omliggende bewoners hebben samen met de gemeente een plan gemaakt hoe dit opgelost kan worden.

De hemelwaterafvoer van de nieuwe kavels zal via duikers naar de parallel lopende schouwsloten die aan de kavels grenzen lopen. Dit betekent dat de drie vrijstaande kavels in het noorden van het plangebied het hemelwater via drie duikers (een duiker per kavel) lozen op de schouwsloot die ten noorden van het plangebied ligt. Voor de tweekapper die in het zuiden van het perceel gepland is, geldt dat deze twee woningen het hemelwater via twee duikers (een per kavel) lozen op de schouwsloot, die ten zuiden van het plangebied ligt en grenst aan de Stichtingslaan. Zie het kaartje in de bijlagen van de Nota van beantwoording zienswijzen. Deze oplossing is ook naar het waterschap teruggekoppeld. De berekeningen behorende bij het hydrologische onderzoek zijn in een vroeg stadium met het waterschap gedeeld. Naar aanleiding van de hiervoor besproken zienswijze zijn de planuitgangspunten betreffende de schouwsloot gewijzigd. Voor die situatie zijn nog geen nieuwe berekeningen uitgevoerd. Deze worden bij uitvoering van het project uitgevoerd en worden op dat moment afgestemd met het waterschap. Naast de waterkwantiteit is het van belang om de waterkwaliteit te borgen. Het gaat hierbij om het realiseren van schoon en ecologisch gezond water, waarin systeem-specifieke dieren en planten voorkomen.

In de eerste plaats is dit van belang voor de grotere beken, kanalen en meren waarvoor binnen de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) doelen en maatregelen zijn opgesteld voor aangewezen waterlichamen. Daarnaast is een goede waterkwaliteit van belang voor het recreatief medegebruik als zwemmen en kanoën en voor het stelsel van kleinere watergangen voor water aan- en afvoer. Vervuiling van het oppervlaktewater moet in ieder geval zoveel mogelijk voorkomen worden. Om deze reden vraagt het waterschap op de toepassing van uitlogende materialen zoveel mogelijk te beperken en om vervuiling door bedrijfsmatige activiteiten te voorkomen. Afstromend hemelwater dat vervuild is geraakt moet zo veel mogelijk gescheiden worden afgevoerd, of moet worden gezuiverd. Dit volgt de trits; ''schoonhouden, scheiden, zuiveren''. Met het onderhavig voornemen worden uitlogende materialen zoveel als mogelijk voorkomen. Op deze manier wordt afstromend hemelwater zo min mogelijk vervuild.

4.3.3 Conclusie Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wat betreft het aspect water.

4.4 Ecologie 4.4.1 Toetsingskader De Wet natuurbescherming (Wnb) gaat op in de Omgevingswet: de Aanvullingswet natuur, het Aanvullingsbesluit natuur en de Aanvullingsregeling natuur. Er is sprake van een beleidsneutrale overgang. Het huidige normenkader, de instrumenten en de bevoegdheidsverdeling voor het natuurbeschermingsrecht blijft ongewijzigd. De meeste inhoudelijke regels over natuurbescherming komen, ingedeeld naar doelgroep, terecht in een van de volgende drie besluiten: • Besluit Activiteiten Leefomgeving (Bal) • Besluit Kwaliteit Leefomgeving (Bkl) • Omgevingsbesluit (Ob)

4.4.2 Onderzoek Soortenbescherming

38

Om de uitvoerbaarheid van het initiatief te toetsen voor het aspect ecologie, is er door Dillerop natuuradvies een inventarisatie van natuurwaarden uitgevoerd (een zogenaamde quickscan). Het doel hiervan is om na te gaan of aanvullend onderzoek in het kader van de Omgevingswet of het provinciaal ruimtelijk natuurbeleid noodzakelijk is. Het rapport van de inventarisatie is als Quickscan flora en fauna bij deze motivering gevoegd. Uit de toetsing komt naar voren dat er in het plangebied zich geen strikt beschermde dier- of plantensoorten bevinden die door de voorgenomen werkzaamheden wezenlijk kunnen worden beïnvloed. In het kader van de te doorlopen planologische procedure zijn er vanuit de Omgevingswet geen belemmeringen. In het plangebied komen mogelijk wel enkele algemene kleine zoogdieren en amfibieënsoorten voor, die weliswaar beschermd zijn, maar zo algemeen, dat hun voortbestaan niet wordt bedreigd. Voor deze soorten hoeft geen omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit te worden aangevraagd voor het overtreden van verbodsbepalingen. Er geldt wel een zorgplicht. Door de voorgenomen werkzaamheden zullen voor vleermuizen geen verblijfplaatsen, vliegroutes en geen significant oppervlak aan foerageergebied worden aangetast. Er treden door het voornemen geen negatieve effecten op; derhalve hoeft geen omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit te worden aangevraagd.

In het plangebied noch in de directe omgeving daarvan zijn jaarronde vaste rust- of verblijfplaatsen (van strenger beschermde soorten) aangetroffen; hier zijn geen effecten te verwachten. In de bijlage Aanvulling quickscan flora en fauna is aanvullend geconstateerd dat er geen sporen of andere aanwijzingen (bijvoorbeeld verblijfplaatsen) gevonden zijn voor de aanwezigheid van marterachtigen (bijvoorbeeld steenmarter en bunzing). De steenmarter zou het plangebied kunnen gebruiken als foerageergebied. Het betreft dan echter een zeer klein onderdeel van het gehele foerageergebied voor steenmarters, dat meestal enkele tientallen tot honderden hectares groot is. Ook voor de bunzing geldt dat deze het plangebied zou kunnen gebruiken als foerageergebied, maar ook voor deze soort is voldoende alternatief foerageergebied voorhanden in omgeving. Negatieve effecten worden tijdens de werkzaamheden niet verwacht. Eveneens zijn geen sporen of andere aanwijzingen gevonden voor de aanwezigheid van de eekhoorn in het plangebied, waar sloop- en nieuwbouw zal plaatsvinden. Negatieve effecten zijn uitgesloten. Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of een ander gebied beschermd middels de Omgevingswet. Er is geen sprake van externe werking.

De voorgenomen werkzaamheden hebben om deze reden geen negatieve effecten op het functioneren van Natuurnetwerk Nederland. Zorgplicht Voor alle in het wild levende dieren geldt de bepaling van de zorgplicht. Deze houdt in dat u bij de uitvoering van werkzaamheden, die nadelig kunnen zijn voor planten en dieren, in redelijkheid zo veel mogelijk nalaat of maatregelen neemt om onnodige schade aan planten en dieren te voorkomen. Door een zorgvuldige planning van de werkzaamheden kan de zorgplicht goed worden ingepast in het werk. Er wordt aanbevolen, indien bomen en/of beplanting wordt verwijderd, om deze werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. Het broedseizoen loopt van ongeveer half maart tot en met half juli, waarbij een broedende vogel buiten deze periode ook beschermd is. Bij de toekomstige inrichting van het terrein (nieuwbouw) kunnen voorzieningen, zoals bijvoorbeeld (inbouw)nestkasten worden aangebracht voor vogels en vleermuizen (natuurinclusief bouwen). Dergelijke maatregelen dragen bij aan de instandhouding van ecologisch kwetsbare soorten en op deze manier krijgen toekomstige gebouwen een ‘groener’ karakter’. Stikstof In Nederland zijn 162 Natura 2000-gebieden gelegen. In 130 van deze gebieden komen stikstofgevoelige habitats of leefgebieden van soorten voor. Een verdere toename van stikstofdepositie kan tot een negatief effect leiden.

Daarom dient bij een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling onderzocht te worden of er stikstofdepositie in stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden plaatsvindt. Een te hoge stikstofdepositie kan tot een negatief effect leiden, waardoor een omgevingsplan onder dezelfde omstandigheden niet kan worden gewijzigd.

39

Om vast te stellen of er sprake is van een toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden is er een AERIUS-berekening uitgevoerd. Deze AERIUS-berekening is als bijlage AERIUS-berekening bij deze motivering gevoegd. Uit de berekening blijkt dat er door de stikstofdepositie geen negatief effect optreedt in het kader van de Omgevingswet beschermde Natura 2000-gebieden. Een omgevingsvergunning Natura 2000-activiteit is in het kader van de stikstofdepositie dan ook niet nodig.

4.4.3 Conclusie Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wat betreft het aspect ecologie.

4.5 Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen 4.5.1 Toetsingskader Veel functies in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid. Ze maken geluid of ze worden eraan blootgesteld. De regels over geluid gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken. Ook zijn direct werkende regels in de bruidsschat opgenomen. Dit zijn de regels voor het bepalen en beoordelen van geluid door een toegelaten activiteit.

4.5.2 Onderzoek Op de locaties worden nieuwe geluidgevoelige gebouwen toegevoegd (woningen) binnen het geluidaandachtsgebied van de Hoofdweg. Daarom is toetsing aan de standaardwaarden en grenswaarden zoals opgenomen in het Bkl nodig. Er is een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai uitgevoerd. Deze is als Akoestisch onderzoek bij deze motivering gevoegd. Uit het onderzoek blijkt dat alleen kavel 1 en 4 niet aan de standaardwaarde van 53 dB voor gemeentelijke wegen wordt voldaan. Op de overige kavels wordt wel aan de standaardwaarde voldaan. Het treffen van bron- en overdrachtsmaatregelen is in redelijkheid niet mogelijk. Het treffen van ontvangersmaatregelen is wel haalbaar. Het is met gangbare materialen en technieken mogelijk om aan de eisen van het Besluit bouwwerken leefomgeving te voldoen. Voorgesteld wordt om de hier optredende geluidbelastingen in de ruimtelijke onderbouwing te motiveren en toe te staan. Voor de overige woningen gelden geen verdere verplichtingen ten aanzien van geluid. Ten aanzien van gevelisolatie volstaat voor deze woningen de standaardeis van 20 dB uit het Beluit Bouwwerken leefomgeving. In de planregels is het gezamenlijk geluid op de gevel vastgelegd, voor wat betreft de woning die de standaardwaarde overschrijdt.

4.5.3 Conclusie Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wat betreft het aspect geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen.

4.6 Geluid door (bedrijfsmatige) activiteiten 4.6.1 Toetsingskader Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn er instructieregels van het Rijk over geluid van activiteiten (paragraaf 5.1.4.2 van het Bkl). Het omgevingsplan moet ervoor zorgen dat het geluid van activiteiten op geluidsgevoelige gebouwen (zoals woningen) aanvaardbaar is. Daartoe moet het omgevingsplan in beginsel hierover regels bevatten. Het gaat om 'gewoon' geluid in een stedelijke omgeving, dat wil zeggen de combinatie wonen met (lichte) bedrijvigheid. De benodigde regels over geluid zijn opgenomen in de bruidsschat (zie paragraaf 22.3.4).

4.6.2 Onderzoek Om na te gaan of het geluid door activiteiten op het plangebied aanvaardbaar is, is ervoor gekozen om de VNG-brochure Bedrijven en milieuzonering te raadplegen. Door middel van zogeheten milieuzonering waarborgt men doorgaans dat er voldoende afstand wordt gehouden tussen hinderveroorzakende functies

40

en gevoelige functies. Richtlijnen voor milieuzonering zijn opgenomen in de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering', editie 2009. De richtafstanden die hierin zijn opgenomen, hebben betrekking op geluid, maar ook op geur, stof en gevaar. Deze drie laatst genoemde aspecten komen, indien relevant, in de andere paragrafen van dit hoofdstuk aan de orde. De richtafstanden van de VNG-publicatie gelden tot het gebiedstype 'rustige woonwijk'. In bepaalde gevallen kan gemotiveerd worden dat er geen sprake is van een 'rustige woonwijk', maar een 'gemengd gebied'. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging; direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Dit is bijvoorbeeld ook het geval bij een lint in een dorpskern waar meerdere functies naast elkaar liggen. Ook rondom het plangebied zijn in de huidige situatie al verschillende maatschappelijke en een horeca bestemmingen aanwezig. Ook ligt het plangebied aan een lint in een dorpskern waarin woonfuncties, maatschappelijke functies en gemengde functies naast elkaar liggen. Er kan daarom worden gemotiveerd dat het plangebied gelegen is in gemengd gebied. Omdat het plangebied gelegen is in een gemengd gebied kan de richtafstand voor geluid met 1 afstandstap verkleind worden. Het planvoornemen zorgt voor de realisatie van nieuwe milieugevoelige functies.

Het is daarom nodig te onderzoeken welke bedrijven en functies er in de omgeving zijn die mogelijk effect kunnen hebben op het plangebied. Rondom het plangebied is de volgende bedrijvigheid gelegen: • Op circa 10 meter ten westen van het bouwvlak van de te realiseren woning is een zorginstelling gelegen. Voor zorginstellingen geldt een richtafstand van 10 meter (bedrijfscategorie 1). Bij een gemengd gebied kan deze richtafstand voor geluid met 1 afstandstap verkleind worden. Voor de kerk geldt in dit geval een richtafstand van 0 meter. Hieraan kan worden voldaan. Ook betreft de kerk een dorpskerk met slechts een dorpsfunctie. De geluidshinder van de kerk zal zodanig van aard zijn, dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. • Op circa 12 meter ten westen van het bouwvlak van de nieuw te realiseren woningen is een cafetaria gelegen aan de Hoofdweg 202. Dit pand is onderdeel van het planvoornemen en schakelt om naar regulier wonen. Voor een cafetaria geldt een richtafstand van 10 meter (bedrijfscategorie 1). Deze richtafstand is dus echter niet meer van belang.

4.6.3 Conclusie Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wat betreft geluid door activiteiten.

4.7 Externe veiligheid 4.7.1 Toetsingskader Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Plaatsgebonden risico Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare of zeer kwetsbare gebouwen en locaties worden bij het ruimtelijk besluit in acht genomen. Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). Groepsrisico Bij het groepsrisico is sprake van 'aandachtsgebieden'. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl).

Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht. Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM a, z.d.). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsge-

41

bieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV). De aandachtgebieden zijn onder te verdelen in: Brandaandachtsgebieden (BAG) Een BAG is de locatie begrensd door de afstand, waar als gevolg van een ongewoon voorval dat leidt tot een plasbrand of een fakkelbrand, de warmtestraling ten hoogste 10 kW/m2 bedraagt. Explosieaandachtsgebied (EAG) Een EAG is de locatie begrensd door de afstand, waar als gevolg van een ongewoon voorval dat leidt tot: • een kokende vloeistof-gasexpansie-explosie (een BLEVE), de warmtestraling ten hoogste 35 kW/m2 is, en; • een explosie, anders dan onder a, waarvan de overdruk ten hoogste 10 kPa is.

Gifwolkaandachtsgebied (GAG) Een GAG is de locatie begrensd door de afstand, waar als gevolg van een ongewoon voorval dat leidt tot een gifwolk, personen in een gebouw overlijden door blootstelling aan ten hoogste de bij ministeriële regeling bepaalde vastgestelde concentratie van een gevaarlijke stof. Als het GAG groter is dan 1,5 km wordt het GAG tot deze afstand begrensd in het kader van ruimtelijke ontwikkeling. De volledige GAG is verder wel relevant voor bijvoorbeeld crisiscommunicatie en kan dus niet beschouwd worden als niet relevant.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16146660/1