CConstaterende datMidden-Groningen
Koppel je AI →
Document · PDF

284 2 Instemmingsbesluit Winningsplan2018 Nedmag

Raadsvergadering 3 juni 2021, gemeente Midden-GroningenBij agendapunt: Instemmingsbesluit zoutwinning (R)25.931 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

DGKE-WO / 19240864

Advies provincie Groningen De provincie Groningen stelt dat diepe bodemdaling op zich geen risico is. De provincie Groningen stelt dat de kans op het zich opnieuw kunnen voordoen van een onverwachte bodemdaling maximaal moet worden voorkomen. Door het nemen van de beheersmaatregelen door Nedmag in het bestaande TR-cluster, maar ook wat betreft de gewijzigde ontwikkeling van de nieuwe cavernes worden volgens de provincie Groningen deze risico's in het winningsplan geminimaliseerd. Het drukverloop in de cavernes in de verschillende fases van de winning bepaalt vooral het moment van bodemdaling en niet zo zeer de eindomvang van de daling. De daling zal hoofdzakelijk plaatsvinden tijdens de actieve productiefase en de fase van het aflaten van de vrije pekel. De provincie Groningen stelt dat het model voor de bepaling van de bodemdaling, dat ook is gebruikt om de prognose mee te bepalen, goed overeenkomt met de meetgegevens uit het verleden. Echter een goede overeenkomst tussen historische meetgegevens en modeluitkomsten is volgens de provincie Groningen geen garantie voor de accuraatheid van het model in de toekomst. Nedmag heeft hierom een onzekerheidsmarge gehanteerd van maximaal 7 cm bovenop de hoogste prognosewaarde van 88 cm in het diepste punt van de bodemdalingskom.

De aanvulling van Nedmag van 16 september 2019 op het winningsplan leidt tot de conclusie dat de onzekerheden ten aanzien van de bodemdalingsprognose minder groot zijn. De provincie Groningen vindt het van groot belang dat deze onzekerheidsmarge zo betrouwbaar en zo klein mogelijk is. Een nadere inperking van deze marge moet zo spoedig mogelijk gerealiseerd worden. Hiertoe dient Nedmag van de minister opdracht te krijgen. Verplichtingen op dit punt verwacht de provincie Groningen in het instemmingsbesluit vastgelegd te zien. De provincie Groningen stelt dat diepe bodemdaling ten gevolge van zoutwinning een glad verloop kent in ruimte en tijd, schoksgewijze daling is dan ook niet aan de orde, behalve bij mogelijk grootschalige incidenten. Dit moet uiteraard worden voorkomen en daar zijn ook de beheersmaatregelen van Nedmag op gericht. Het instemmingsbesluit moet dit goed vastleggen. De provincie Groningen stelt verder dat de mate van bodemdaling redelijk goed te voorspellen is, echter de effecten van deze daling op de omgeving, zoals op het gebruik van het land, op het waterbeheer en de effecten op gebouwen zijn minder goed te voorspellen. Voor een deel zijn deze effecten wel te voorzien, vooral geldt dit voor de impact op de waterhuishouding.

Volgens de provincie Groningen is de afstand vanwaar het zout toestroomt naar schatting enkele honderden meters tot een kilometer ten opzichte van een caverne. Nedmag moet ook de totale bodemdaling zichtbaar maken ten gevolge van alle invloeden op deze zogenaamde gestapelde bodemdaling, waarbij bij voorkeur ook gebruik gemaakt moet worden van het Actueel Hoogtebestand Nederland. Hiermee wordt het voor de inwoners en overheden inzichtelijk wat de gecumuleerde bodemdaling voor effect heeft op het maaiveld in het desbetreffende gebied. De provincie Groningen vindt het belangrijk, mede in het Pagina 20 van 52

Directoraat-generaal Klimaat en Energie Directie Warmte en Ondergrond

licht van de maatschappelijke onrust, hier zo spoedig mogelijk inzicht in te verkrijgen. Deze bepaling van de mate van bodemdaling moet plaatsvinden door een adequate vorm van meting dan wel door monitoring met een jaarlijkse frequentie naast een continue gps-meting en periodieke satelliet-bepalingen rond het TR-cluster, maar ook in de buurt van de nieuw te ontwikkelen cavernes. Dit zou bij voorkeur in een meet- en regelprotocol vervat moeten worden dat beoordeeld wordt door het SodM. Een verplichting hierop gericht moet aan het instemmingsbesluit verbonden worden, waarbij de uitkomsten van het monitoringssysteem openbaar beschikbaar moeten worden gesteld.

DGKE-WO / 19240864

De provincie Groningen stelt dat Nedmag de druk in de cavernes ten opzichte van de lithostatische druk in de omgeving van de caverne voldoende laag moet houden als preventieve maatregel om een breuk van het dak van een caverne te voorkomen. Volgens de provincie Groningen kan een eventuele toekomstige breuk in het dak van de cavernes, die overigens te allen tijde voorkomen moet worden, indien deze zich toch zou voordoen, niet hoger in de ondergrond kunnen reiken dan in het zogenaamde Bunter-zandsteen, ruim meer dan een kilometer diep. Dit is de laag net boven het Zechstein-zout waaruit de zoutwinning door Nedmag plaatsvindt. De provincie Groningen gaat ervan uit dat de minister het aspect van drukregulatie, gericht op het voorkomen van een breuk in het dak van een caverne, adequaat zult vastleggen in het instemmingsbesluit. De provincie Groningen adviseert zowel preventieve als mitigerende maatregelen ter voorkoming van een breuk in het dak van een caverne dan wel het zich openen van de medio 2018 gesloten breuk boven caverne TR-2. De provincie Groningen stelt dat de minister een onderzoek naar de cumulatieve effecten van zogenaamde gestapelde mijnbouwactiviteiten in het desbetreffende gebied moet uitvoeren. Inwoners, bewonersorganisatie en de andere adviserende decentrale overheden vinden dit van groot belang.

De resultaten daarvan moeten bij de besluitvorming betrokken worden. De provincie Groningen is zeer belangstellend in afwachting van de spoedige resultaten van dergelijk onderzoek. Advies provincie Drenthe De provincie Drenthe stelt dat Nedmag met het waterschap Hunze en Aa's in gesprek moet gaan over de op basis van het nieuwe winningsplan te nemen maatregelen. Er zijn bestaande afspraken tussen Nedmag en het waterschap voor wat betreft de vereiste waterhuishoudkundige maatregelen. De nu voorziene bodemdaling is aanzienlijk groter dan voorheen verwacht en er zullen nieuwe, uitgebreidere en duurdere maatregelen nodig zijn om de waterhuishouding en de uitvoering van de overige taken van het waterschap in het gebied goed te regelen. Hierover dienen nieuwe afspraken te worden vastgelegd. De provincie Drenthe acht het van belang dat de minister dit als voorwaarde aan het besluit verbindt. De provincie Drenthe stelt dat monitoringsvoorschriften moeten worden verbonden aan het instemmingsbesluit. Monitoring van zowel de cavernegroei als de druk is van belang om de zoutwinning beheersbaar te houden en voor de ontwikkeling van meer kennis van de processen. Advies gemeente Veendam De gemeente Veendam stelt dat Nedmag de verantwoordelijkheid op het gebied van het monitoren van de ondergrond neemt.

De combinatie van meetmethodieken geven een goed beeld van de bodemdaling en onderlinge verschillen hierin. Tot slot meet Nedmag de waterkwaliteit op verschillende peildiepten. De actuele combinatie van monitoringsmaatregelen is naar volgens de Pagina 21 van 52

Directoraat-generaal Klimaat en Energie Directie Warmte en Ondergrond

gemeente voldoende. Wel merkt de gemeente Veendam op dat de monitoringsgegevens die gepubliceerd worden lastig te duiden zijn voor inwoners. Nedmag moet op een laagdrempelige wijze meetgegevens op het gebied van bodemdaling delen met de omgeving. De gemeente Veendam stelt dat een van de belangrijkste wijzigingen het aflaten van meer vrij volume pekelwater is om daarmee de interne druk in zoutcavernes te beheersen. De gemeente Veendam verzoekt om: • Gezamenlijk met het waterschap Hunze en Aa's, te komen tot nieuwe werkafspraken voor de waterhuishoudkundige maatregelen. Dit gecombineerd met een actief en adequaat peilbeheer; • Een financiële waarborging voor bovengenoemde maatregelen, zodat het waterschap Hunze en Aa's in staat is hun vereiste werkzaamheden als gevolg van de door Nedmag veroorzaakte bodemdaling, ook naar de toekomst toe, te bekostigen.

DGKE-WO / 19240864

Advies gemeente Midden-Groningen De gemeente Midden-Groningen stelt dat de zoutwinning grote bodemdaling veroorzaakt. Bodemdaling door zowel gas- als zoutwinning vindt ontegenzeggelijk plaats. De gemeente Midden-Groningen adviseert geen actieve winning toe te staan om daarmee nog verdergaande bodemdaling te voorkomen. De bodemdaling is onomkeerbaar en vereist eeuwigdurend beheer. Advies gemeenten Aa en Hunze en Tynaarlo De gemeenten Aa en Hunze en Tynaarlo stellen dat er nader onderzoek moet worden uitgevoerd naar de effecten van gestapelde mijnbouw. In hetzelfde gebied vindt ook gaswinning plaats. Monitoring en gepaste inzet van maatregelen, in zorgvuldige afstemming met het waterschap en andere betrokkenen is noodzakelijk. Advies waterschap Hunze en Aa’s De bodemdaling in de kern van het gebied is aanzienlijk en nadert de grens waarbij het voor het waterschap nog mogelijk is om te kunnen zorgen voor een goede waterhuishouding. Het waterschap wil derhalve alle activiteiten van Nedmag die aan deze daling bijdragen maximaal ingeperkt zien. Het waterschap stelt dat de bodemdaling tot 80 cm een dermate extra toename aan noodzakelijke kunstwerken in het watersysteem tot gevolg heeft, dat deze niet meer in redelijke verhouding staat tot de normale dichtheid aan peilgebieden en kunstwerken. Een bodemdaling tot 95 cm heeft nog een toename aan noodzakelijke kunstwerken tot gevolg.

Het waterschap houdt hierbij ook rekening met bodemdaling als gevolg van omliggende mijnbouwactiviteiten. In hoeverre kaden door bodemdaling beïnvloed worden en het waterschap Hunze en Aa’s als gevolg daarvan niet meer kan voldoen aan de vereiste hoogte en veiligheid van kaden is niet bekend. Het waterschap Hunze en Aa’s verwacht een door Nedmag uit te voeren nader onderzoek naar de gevolgen op de hoogte van de kaden. Het waterschap Hunze en Aa’s stelt dat er geen nader onderzoek heeft plaatsgevonden naar de effecten van de bodemdaling op onder andere veranderende grondwaterstanden en -stromingen, de kwaliteit van het oppervlaktewater, de impact van grondwater op fundering van gebouwen, wegen en riolering. Toename van extra kwel naar het bodemdalingsgebied is te verwachten. In welke mate dit zal plaatsvinden en lokaal tot veranderingen op percelen zal leiden, is niet door de aanvrager onderzocht. Het waterschap Hunze en Aa’s dringt eropaan om voordat instemming wordt verleend, Nedmag op te

Pagina 22 van 52

Directoraat-generaal Klimaat en Energie Directie Warmte en Ondergrond

dragen om nader onderzoek te laten verrichten naar de gevolgen van de bodemdaling op de grondwaterstromingen in het belang van het grondgebruik.

DGKE-WO / 19240864

Het waterschap Hunze en Aa’s stelt dat voorkomen dient te worden dat bodemdalingen, meer dan strikt noodzakelijk, over korte afstanden grotere hoogteverschillen veroorzaken, waardoor extra peilgebieden en kunstwerken gerealiseerd moeten worden. Voorwaarde hierbij is dat bij het huidige grondgebruik de risico’s niet verder mogen oplopen in termen van wateroverlast bij extreme neerslag situaties, dan dat de watersystemen elders in de Veenkoloniën op dit moment ondervinden. Het waterschap Hunze en Aa’s dient vroegtijdig in planprocessen betrokken te worden en daarin mede een sturende rol te krijgen om de lange termijn gevolgen van bodemdaling op het functioneren van watersystemen in te kunnen brengen, de maatschappelijk discussie hierover mede te kunnen voeren en de te maken ruimtelijke keuzen in te passen in het waterbeheer. Het beheer en onderhoud voor een watersysteem, dienen tegen de laagst mogelijke maatschappelijke kosten, in termen van duurzaamheid, klimaatadaptie en met compensatie op het ecologisch functioneren te worden ingestoken. Het waterschap Hunze en Aa’s verwacht dat Nedmag alle kosten die aan de bodemdaling door zoutwinning zijn toe te schrijven, voor zijn rekening neemt. Ook dienen toekomstige kosten aan de veroorzaker te worden opgelegd en aldus voor rekening van de veroorzaker te komen.

Advies Mijnraad De Mijnraad stelt dat uit de aanvraag blijkt dat de bodemdaling van maximaal 95 cm vanaf 1977 tot aan het einde van de zoutwinning in 2045 een forse bodemdaling is. De Mijnraad wijst erop dat er ten gevolge van de aanleg van nieuwe cavernes extra toename aan noodzakelijke kunstwerken in het watersysteem moeten worden toegepast en hogere kosten zijn te verwachten voor onderhoud en beheer hiervan. De Mijnraad adviseert in overweging te nemen om Nedmag van de geplande 4 cavernes er eerst slechts 2 te laten aanleggen en te ontwikkelen. Het geomechanisch model dat door TNO is gevalideerd is van toepassing op en afgeleid van de reeds bestaande cavernes. De nieuwe cavernes zijn gepland op de flanken van het zoutkussen op een afstand van ongeveer 1.5 km van de bestaande winning. Dit betekent dat er aanzienlijke onzekerheden bestaan over diepte, dikte en helling van de nieuw te winnen magnesiumzoutlaag. Met de verkregen gegevens uit de eerste twee cavernes kan de Nedmag het geomechanisch model toetsen en eventueel opnieuw valideren om daarmee onzekerheden in de bodemdalingsprognose zoveel mogelijk te reduceren. Hiervan hangt dan af of, en zo ja waar, er nog volgende cavernes gerealiseerd kunnen worden.

De Mijnraad stelt dat de mate van bodemdaling als gevolg van de diverse activiteiten in de ondergrond, de vraag oproept of dit zich nog goed verhoudt tot het gebruik van het gebied. De Mijnraad kan zich vinden in de opstelling van het waterschap, de provincie Groningen en de gemeenten Veendam en MiddenGroningen dat er een bredere maatschappelijke en ruimtelijke afweging nodig is en dat de problematiek van bodemdaling door delfstofwinning een gezamenlijk en maatschappelijk probleem is van alle betrokkenen.

Pagina 23 van 52

Directoraat-generaal Klimaat en Energie Directie Warmte en Ondergrond

6.2.3 Beoordeling bodemdaling

DGKE-WO / 19240864

De minister stelt, mede op basis van het advies van SodM en TNO, vast dat het aannemelijk is dat na het aflaten van het cavernecluster en de caverne VE-3 en, na actieve winning uit de bronnen TR-9 en VE-5 t/m 8 en nadat vervolgens alle vrije pekel is gereduceerd de bodemdaling in het diepste punt van de bodemdalingskom 88 cm ten opzichte van 1977 bedraagt. Bij het opstellen van het winningsplan is de conservatieve benadering gekozen dat alle vrije pekel voorafgaand aan abandonnering kan worden afgelaten. In de praktijk kan dat minder zijn. De bodemdaling kan zodoende eveneens minder zijn. Nedmag geeft aan dat bij een onzekerheidsmarge van -9 en +7 cm wordt aangenomen dat de totale bodemdaling als gevolg van de zoutwinning minimaal 79 en maximaal 95 cm zal zijn ten opzichte van 1977. Hierbij dient ook rekening te worden gehouden met cumulatieve effecten met gaswinningen uit het Groningenveld en Annerveen. Als de bodemdaling lager uitvalt vanwege de afbouw van gaswinning uit het Groningenveld, sluiting van het gasveld Annerveen of omdat de werkelijke bodemdaling door zoutwinning aan de onderkant van de onzekerheidsmarge valt, mag de bodemdaling niet meer worden door het winnen van een groter volume zout. Cumulatie bodemdaling De minister constateert dat naast de zoutwinning door Nedmag meerdere mijnbouwactiviteiten rond Veendam plaatsvinden.

De minister begrijpt dat een regionale bodemdalingskaart belangrijk is voor de decentrale overheden om de regionale effecten en gevolgen van de verwachte bodemdaling door mijnbouwactiviteiten goed te overzien. Nedmag alleen, kan een dergelijke kaart echter niet samenstellen. De minister heeft daarom TNO de opdracht gegeven een regionale overzichtskaart te maken, inclusief alle gasvelden en andere mijnbouwactiviteiten van de in de regio actieve mijnbouwondernemingen die mogelijk een effect op bodembeweging kunnen hebben, waarbij de cumulatieve bodemdaling veroorzaakt door zoutwinning en door gaswinning in omliggende velden inzichtelijk wordt gemaakt. TNO heeft geconstateerd dat de gemodelleerde bodemdaling door zoutwinning boven en rond Veendam op dit moment 55 cm is ten opzichte van 1977. De totaal gemeten cumulatieve bodemdaling in december 2019 is 65 cm in het diepste punt van de bodemdalingskom. Zonder andere activiteit van Nedmag dan het aflaten van de bestaande cavernes zal de bodemdaling in het gebied cumuleren tot 95 cm, namelijk tot 80 cm als gevolg van de zoutwinning en maximaal 15 cm als gevolg van de gaswinning door de NAM. Daarbij moet nog rekening gehouden worden met +7 cm onzekerheid door het aflaten van de cavernes.

De te verwachte gemodelleerde bodemdaling boven en rond Veendam als gevolg van zoutwinning zoals beschreven in dit winningsplan, bedraagt maximaal 95 cm in 2045. Dit brengt de totale gemodelleerde cumulatieve bodemdaling sinds 1972 (het referentiejaar voor de gaswinning) door zoutwinning én gaswinning in omliggende velden in de nabijheid van Veendam op maximaal 1,1 m in 2080. Als gevolg van de bodemdaling dienen maatregelen te worden genomen. Voor deze maatregelen wordt niet de start van de gas- en zoutwinning, maar 1993 als referentie aangehouden, omdat in dat jaar, na de herinrichting van de veenkoloniën, nieuwe peilbesluiten zijn genomen. Hierbij dient het waterschap rekening te houden met de bodemdaling door zoutwinning én gaswinning in omliggende velden in de nabijheid van Veendam van maximaal 1,1 m in 2080 gerekend sinds de start van de gas- en zoutwinning. Om die reden is afstemming noodzakelijk tussen Nedmag, NAM en het waterschap Hunze en Aa’s. Royal Pagina 24 van 52

Directoraat-generaal Klimaat en Energie Directie Warmte en Ondergrond

Haskoning/DHV heeft de effecten van de bodemdaling door zoutwinning op de DGKE-WO / 19240864 inrichting en het beheer van het watersysteem als gevolg van het gewijzigd winningsplan 2018 voor zoutwinning door Nedmag in kaart gebracht. De minister stelt op grond daarvan vast dat er ontegenzeggelijk extra inspanningen van het waterschap nodig zijn. Het feit dat er extra inspanningen nodig zijn en meer dan in andere veenweidegebieden is op zichzelf geen reden om instemming te weigeren. De minister heeft tevens meegewogen dat, nu de bodemdaling ook zonder instemming oploopt tot maximaal 95 cm (+ 7 cm onzekerheid) er hoe dan ook extra maatregelen getroffen dienen te worden. Het causale verband tussen dit instemmingsbesluit en de (effecten van de) bodemdaling zijn derhalve gering. Zoals SodM heeft aangegeven, is er bij het in kaart brengen van de maatregelen voor de waterhuishouding uitgegaan van volledig functiebehoud. Soms zijn met minimale aanpassingen in het gebruik van met name agrarische gronden in totaliteit veel minder aanpassingen nodig. De minister stelt vast dat de hoeveelheid maatregelen zullen toenemen en dat een toekomstbestendige ontwikkeling van het gebied als uitkomst van het gebiedsproces, duidelijkheid kan geven over de maatregelen die nodig zijn.

De minister constateert dat het waterschap en de gemeenten Aa en Hunze en Tynaarlo aangeven dat extra onderzoek noodzakelijk is voor instemming. Deze adviseurs adviseren voordat tot instemming wordt overgegaan onderzoek te laten uitvoeren naar de effecten van de bodemdaling door zoutwinning op mens en milieu aan de bovengrond. De overige adviseurs zijn van oordeel dat het winningsplan zorgvuldig en volledig genoeg is om met dit winningsplan (gedeeltelijk) in te stemmen. De minister is van mening dat het winningsplan volledig is en voldoende informatie (conform de artikelen 24 en 25 van de Mbb) bevat om een instemmingsbesluit te nemen. De door de gemeenten en het waterschap gewenste onderzoeken moeten in een breder perspectief geplaatst worden dan enkel de zoutwinning door Nedmag. De minister stelt daarom dat in het kader van het in te richten gebiedsproces de decentrale overheden onderzoek kunnen laten doen naar: • Monitoring van de gevolgen van de bodemdaling op de hoogte van de kaden, • Grondwaterstromingen; • Benodigde compenserende maatregelen voor het verlies aan biodiversiteit, leefgebieden en waterkwaliteit. Deze onderzoeken dient Nedmag af te stemmen met het waterschap. De minister stelt evenals de provincie Groningen dat het van groot belang is dat de onzekerheidsmarge van de bodemdalingsprognose zo betrouwbaar en zo klein mogelijk is.

De minister heeft naar aanleiding van de onzekerheidsmarge in het massabalansmodel aanvullende gegevens gevraagd van Nedmag, welke TNO heeft beoordeeld. TNO heeft de minister in een aanvullend advies van 27 september 2019 (op het door Nedmag ingediende addendum van 16 september 2019) geadviseerd. TNO heeft aangegeven dat Nedmag via intensivering van de monitoring van de bodemdaling waardevolle aanvullende informatie beschikbaar heeft gekregen. De minister stelt op basis van dit advies van TNO dat de bijdrage van onzekerheid in het massabalans-model in feite nu geen rol meer speelt en de door Nedmag in het winningsplan toegepaste deelmodellen voor prognose van de bodemdaling van voldoende kwaliteit zijn, gegeven de beschikbare informatie en de complexiteit van de situatie.

Pagina 25 van 52

Directoraat-generaal Klimaat en Energie Directie Warmte en Ondergrond

DGKE-WO / 19240864

6.2.3.1 Voortzetten winning VE-3 en TR-9 De versnelde bodemdaling die optreedt als gevolg van de ingreep van SodM leidt reeds tot een voor het waterschap moeilijker beheersbare situatie. Extra bodemdaling door winning uit VE-3 en TR-9 is beperkt tot 4 cm in diepste punt. De bodemdaling vormt op zichzelf geen reden tot beperking van de winning uit deze cavernes. Naast dat de activiteiten van winning bij VE-3 en TR-9 tot bodemdaling leiden bestaat er een kans dat deze losstaande cavernes ook verbonden raken met het TR-cluster. Om die reden is eerder in dit besluit reeds beoordeeld dat de actieve winning uit VE-3 niet is toegestaan en de winning uit TR-9 beperkt is. De in het winningsplan verwachte bodemdaling van circa 2 cm door winning uit VE-3 zal niet plaatsvinden. Deze beperking valt binnen de onzekerheidsmarge van de bodemdalingsvoorspelling. Om te benadrukken dat de bodemdalingsprognose van 2 cm door winning uit VE-3 niet ‘beschikbaar komt’ voor winning elders, stelt de minister de bodemdalingsprognose met 2 cm naar beneden bij tot een maximum van 86 cm, exclusief onzekerheid. SodM stelt dat de bodemdaling van meer dan 80 cm voor het waterschap moeilijk beheersbaar is, en omdat de winning bij VE-3 en TR-9 tot verdere bodemdaling leidt adviseert SodM deze activiteiten niet toe te staan.

Uit een opdeling van de bodemdaling in bijdragen van de diverse cavernes blijkt dat actieve winning uit TR-9 en VE-3 per caverne tot 2 cm daling op het diepste punt van de kom leidt. De totale bodemdaling inclusief de bodemdaling uit de beide cavernes heeft blijkens het advies van het waterschap een toename aan noodzakelijke kunstwerken in het watersysteem tot gevolg. De minister constateert dat het waterschap bij een bodemdaling tot en met 80 cm door zoutwinning het aantal peilvakken moet uitbreiden en kunstwerken moet plaatsen. De minister merkt tevens op dat het waterschap reeds rekening moet houden met waterbeheersing passend bij een bodemdaling tot 95 cm (+ 7 cm onzekerheid) rekening houdend met de bodemdaling door gaswinning in de regio. Hoewel het waterschap aangeeft in hun advies dat zij een verdere toename in het aantal peilvakken en te plaatsen kunstwerken niet in verhouding vindt staan tot het aantal maatregelen in andere veenweidegebieden, geeft het waterschap in het advies aan met welke maatregelen waterbeheermogelijk is, en niet tot veiligheidsvraagstukken leidt vanwege de bodemdaling van maximaal 4 cm die veroorzaakt wordt door activiteiten uit VE-3 en TR-9.

6.2.3.2 Vier nieuwe putten VE-5, VE-6, VE-7 en VE-8 De minister constateert dat SodM adviseert om in te stemmen met de uitbreiding door nieuwe putten VE-5 t/m 8. De Tcbb en de provincies Drenthe en Groningen en de gemeente Veendam volgen het advies van SodM. Het waterschap adviseert dat het diepste punt van de bodemdaling op een absoluut maximum van 80 cm moet worden vastgesteld en dat door de 4 nieuwe putten, binnen de bodemdalingscontour niet verder mag dalen dan een bodemdalingsmaximum van 65 cm ter plaatse van deze nieuwe cavernes. Het waterschap ziet wel bezwaren voor het waterbeheer. Uit de aanvulling op het winningsplan 16 september 2019 blijkt dat van de extra daling van 3 cm wordt veroorzaakt door de nieuwe cavernes VE-5 t/m VE-8, in combinatie met 1 cm extra daling als gevolg van eventuele na-verzadiging in het Pagina 26 van 52

Directoraat-generaal Klimaat en Energie Directie Warmte en Ondergrond

TR-cluster van pekel afkomstig uit de ontwikkeling van de nieuwe VE-5 t/m VE-8 cavernes. De minister stelt vast dat de additionele bodemdaling door ontwikkeling van de 4 cavernes in het diepste punt van de bodemdalingskom beperkt blijft tot 4 cm. De nieuwe cavernes veroorzaken wel een verbreding van de bodemdalingskom. De minister stelt vast dat ter plaatste van de nieuwe cavernes de bodemdaling van 65 cm ten opzichte van 1977, niet wordt overschreden. De bodemdaling door zoutwinning vanaf 1977 ter plaatse van de 4 nieuwe cavernes zal, zoals beschreven in het winningsplan, na het aflaten van de vrije pekel uit deze cavernes niet groter worden dan circa 29 cm bij VE-5, 28 cm bij VE-6, 35 cm bij VE-7: 35 cm en 31 cm bij VE-8. Door de ligging van de nieuwe cavernes meer aan de rand van het zoutkussen en de gegevens die daarover verzameld moeten worden, geeft de minister gehoor aan het advies van de Mijnraad om de cavernes gefaseerd te ontwikkelen. De minister stemt daarom in met de winning uit de cavernes VE 5 tot en met VE-8, op voorwaarde dat dit gefaseerd (per tweetal cavernes) gebeurt. Voor de voorgenomen diepboringen voor de cavernes VE-5 en VE-6 heeft Nedmag een omgevingsvergunningaanvraag ingediend (kenmerk 3554325). De cavernes VE-5 en VE-6 dienen binnen de in deze omgevingsvergunning voor het boren vastgestelde termijn worden aangelegd.

Nedmag moet met de verkregen gegevens uit de eerste twee cavernes het geomechanisch model toetsen en eventueel opnieuw valideren om daarmee onzekerheden in de bodemdalingsprognose zoveel mogelijk te reduceren. Indien naar aanleiding van de validatie van het geomechanisch model de bodemdalingsprognose minder of gelijk is dan opgenomen in het winningsplan kan Nedmag de resterende 2 cavernes aanleggen. Voor realisatie van de voorgenomen diepboringen naar de cavernes VE-7 en VE-8 moet Nedmag over een omgevingsvergunning beschikken. Nedmag moet hiervoor nog een aanvraag indienen. Bodemdalingsmetingen worden gebruikt om het model te kalibreren op basis van het meet- en regelprotocol. Als blijkt dat het model moet worden bijgesteld dan kan dat aanleiding zijn om het winningsplan te actualiseren.

DGKE-WO / 19240864

Meetplan Ten aanzien van het advies van SodM en Tcbb om de bodemdaling te monitoren merkt de minister op dat er een aantal monitoringsverplichtingen gelden. Het meten van bodembeweging vindt op grond van artikel 30 Mbb plaats conform een meetplan. Het meetplan omvat de duur van de zoutwinning en de daaropvolgende 30 jaar (artikel 41, eerste lid, van de Mbw), waarbij Nedmag gedurende de zoutwinning en de daaropvolgende 5 jaar het meetplan jaarlijks dient te actualiseren. De minister stelt vast dat het meetplan Veendam naast de tweejaarlijkse waterpassingcampagne en de gps-waarnemingen maandelijkse monitoring met InSAR beschrijft. Het meetplan Veendam is te raadplegen op www.nlog.nl/veendam. De minister stelt naar aanleiding van het advies van SodM en de Tcbb vast dat vergroting van het begrip van het logingsproces of de rol en de effectiviteit van stoffen voor bescherming van het dak van de caverne belangrijk is. Echter, omdat door de selectieve uitloging van dunne lagen magnesiumzout een labyrint-achtige structuur ontstaat van holruimtes en gangen, en deze niet door Sonar of een andere bij Nedmag bekende techniek ¡n kaart kunnen worden gebracht, registreert Nedmag het volume van de cavernes en de netto deformatie (convergentie) via massabalansen (op basis van injectie en productiegegevens). Dit is conform het huidige meetplan.

De minister schrijft derhalve in het instemmingsbesluit op het winningsplan geen specifieke wijze van meten van bodemdaling voor. Pagina 27 van 52

Directoraat-generaal Klimaat en Energie Directie Warmte en Ondergrond

Meet- en regelprotocol Monitoren is een middel om te controleren dat de zoutwinning volgens het winningsplan verloopt en draagt bij aan tijdig en gepast ingrijpen wanneer het van de verwachting afwijkt. Manieren om in te grijpen zijn bijvoorbeeld aanpassen van de productie of vroegtijdig overgaan tot aflaten van pekel en abandonneren van putten. De minister onderschrijft het belang van een meet- en regelprotocol. Het doel van het meet- en regelprotocol is dat er op basis van metingen – en analyses van die metingen – ingegrepen kan worden in het productiesysteem van de zoutwinning door Nedmag, zodra de ontwikkelingen daartoe aanleiding geven. De minister stelt dat dit volgt uit de zorgplicht, vastgelegd in artikel 33 van de Mijnbouwwet. Het meet- en regelprotocol dient invulling te geven aan deze zorgplicht. In het meet- en regelprotocol wordt rekening gehouden met alle randvoorwaarden waarbinnen de zoutwinning dient te worden geoptimaliseerd. Het betreft hier normstelling ten aanzien van het veiligheidsrisico en zoveel als redelijkerwijs mogelijk voorkómen van schade aan gebouwen en infrastructurele werken of de werking daarvan (artikel 36 eerste lid in samenhang met het tweede lid).

Ten aanzien van het advies van SodM op dit punt schrijft de minister een meeten regelprotocol voor in een vergunningvoorschrift, opdat gewaarborgd is dat dit ook voor de omgeving navolgbaar geschiedt. Omdat dit meet- en regelprotocol ook ziet op de bestaande cavernes geldt dit voorschrift vanaf het van kracht worden van het besluit. De uit het meet- en regelprotocol voortvloeiende risicobeheersmaatregelen dienen voor aanvang van de hervatting van de actieve winning uit TR-9 en de actieve winning uit de nieuwe putten operationeel te zijn. Het meet- en regelprotocol dient in ieder geval te bestaan uit de volgende onderdelen: a. Er dient een meet-en regelprotocol te zijn dat Nedmag B.V. toepast. Nedmag B.V. stelt hierin veiligheidsgrenzen aan de druk in elke caverne, en beschrijft wanneer en op welke wijze er wordt ingegrepen. Nedmag B.V. beschrijft hierbij: -hoe de drukgrens in een caverne wordt bepaald; -hoe de drukgrens in een caverne wordt aangepast met de tijd. b. Nedmag B.V. rapporteert op basis van dit meet- en regelprotocol aan de inspecteur-generaal der mijnen en stuurt een afschrift aan de minister. c. Nedmag B.V. dient de cavernedruk bij elke caverne, inclusief het TR-cluster, te monitoren en de resultaten van die monitoring eenmaal per kwartaal te overleggen aan de inspecteur-generaal der mijnen.

Wanneer de resultaten daar aanleiding toe geven kan de rapportagefrequentie in overleg met de inspecteur-generaal der mijnen worden teruggebracht; d. Bij de aanlevering van monitoringsgegevens als bedoeld in onderdeel b dient een analyse van winnings- en injectiegegevens, drukontwikkeling bij de putten en continue bodemdalingsmetingen in relatie tot het geomechanisch model voorde prognose van de bodemdaling te worden gegeven; e. In het meet- en regelprotocol dient beschreven te zijn in welke gevallen het meet- en regelprotocol geactualiseerd wordt. f. Nedmag B.V. dient (de actualisatie van) het meet- en regelprotocol in bij de inspecteur-generaal der mijnen en stuurt een afschrift aan de minister.

DGKE-WO / 19240864

Zienswijzen Een reactie op de zienswijzen is gegeven in de nota van antwoord onder punt 2. Gelet op de zienswijzen met betrekking tot bodemdaling zijn er geen gronden om het ontwerp-instemmingsbesluit winningsplan Nedmag 2018 te wijzigen. Pagina 28 van 52

Directoraat-generaal Klimaat en Energie Directie Warmte en Ondergrond

DGKE-WO / 19240864

6.3 Bodemtrilling 6.3.1 Winningsplan Nedmag stelt dat sinds het begin van de zoutwinning van Nedmag in de omgeving van Veendam geen bodemtrillingen zijn waargenomen als gevolg van de winningsactiviteiten. Dit wordt bevestigd door de waarnemingen van het KNMI. Alle geïnduceerde trillingen in de omgeving van Veendam zijn waargenomen op een diepte van 3 km en worden daardoor gerelateerd aan gaswinning. Magnesiumzoutlagen bevinden zich op een diepte van 1300 tot 1800 m. Het KNMI beschikt in Groningen en Drenthe over een uitgebreid meetnet dat zelfs kleine trillingen met een magnitude van 0,2 op de schaal van Richter registreert. De bronnen waaruit Nedmag zout wint bevinden zich in zoutlagen op circa 1500 m diepte, dus ver boven de gasreservoirs. Deze zoutlagen zijn veel zachter en veel minder bros dan de zandsteenlagen waaruit gas wordt gewonnen. De deformaties die de oplosmijnbouw veroorzaakt in het zout rond de cavernes zijn dus aseismisch, en veroorzaken geen aardtrillingen. De ondergrond in de omgeving van Veendam waar veranderingen in de spanning door oplosmijnbouw kunnen optreden, is eerder doorgerekend om te onderzoeken of deze veranderingen tot het reactiveren van bestaande breuken kunnen leiden.

De resultaten van deze berekeningen laten zien dat de veranderingen in spanning in de lagen boven het zout ten gevolge van oplosmijnbouw veel kleiner zijn dan die in de gasreservoirs ten gevolge van gaswinning. Nedmag geeft aan dat de lagen boven het zout in het algemeen een beetje stabieler worden door zoutwinning, omdat de spanning in verticale richting sterker afneemt dan in horizontale richting, en dus de schuifspanning afneemt. Er is een klein gebied aan de rand van het caverneveld van Nedmag waar de schuifspanningen licht toenemen, maar het is zeer onwaarschijnlijk dat deze toename tot reactivering van de breuken kan leiden. Een nadere analyse is uitgevoerd naar de invloed van de zoutwinning op de mogelijke reactivering van aanwezige breuken in het gesteente. De conclusie is dat het onwaarschijnlijk is dat de zoutwinning van Nedmag inactieve bestaande breukvlakken zal reactiveren, zolang het dak intact blijft.

6.3.2 Adviezen Advies SodM SodM stelt dat het risico van aardbevingen door de zoutwinning klein is. Uit studies bij het winningsplan blijkt dat de zoutwinning een stabiliserend effect heeft op de grotere breuken in het Trias, Krijt en Tertiair boven de zoutkoepel. Het is echter te verwachten dat door de kruip en aflaten van de cavernes lichte aardbevingen zullen voorkomen. Nedmag heeft recentelijk een geofoon geplaatst die is aangesloten op het KNMInetwerk. Met deze geofoon zijn eventuele aardbevingen ten gevolge van de zoutwinning beter te detecteren en lokaliseren. Ook is er beter onderscheid te maken met de aardbevingen die veroorzaakt worden door het nabijgelegen Groningen-gasveld en Annerveen-gasveld. Met het plaatsen van een geofoon wordt de gevoeligheid van de seismische monitoring verbeterd en is voldoende onderscheid te maken tussen trillingen veroorzaakt door gaswinning en trillingen veroorzaakt door zoutwinning.

Pagina 29 van 52

Directoraat-generaal Klimaat en Energie Directie Warmte en Ondergrond

Advies Tcbb Tcbb stelt dat het risico van aardbevingen door de zoutwinning van Nedmag klein is.

DGKE-WO / 19240864

Advies provincie Groningen De provincie Groningen stelt dat het adequaat monitoren van bodemtrillingen van groot belang is, zodat de oorsprong van een trilling goed detecteerbaar en te lokaliseren is. De microseismiciteit rondom zoutvoorkomens in de provincie Groningen staat steeds meer in de belangstelling. De provincie Groningen stelt dat er tot nu toe nog geen bodemtrillingen zijn gemeten die aan de zoutwinning door Nedmag zijn toegekend. De belangrijkste opdracht voor Nedmag is te voorkomen dat er opnieuw een breuk in het dak van een caverne kan ontstaan. De provincie Groningen gaat ervan uit dat een blijvend adequaat gebruik van deze geofoon en het gehele systeem hiermee gewaarborgd is dan wel wordt. Daarnaast vindt de provincie Groningen het openbaar beschikbaar stellen van de meetgegevens strikt noodzakelijk. Mocht dit niet zo zijn dan gaat de provincie Groningen ervan uit dat de minister in het instemmingsbesluit hieromtrent voorwaarden opneemt. De plaatsing van een extra meetstation door Nedmag wordt door de provincie Groningen als voldoende invulling van de monitoring beschouwd om waar te nemen en indien noodzakelijk in te grijpen.

De provincie Groningen is van mening dat een heroverweging van een verdere uitbreiding van het systeem in de toekomst periodiek moet worden uitgevoerd, bijvoorbeeld met een vijfjaarlijkse frequentie dan wel tussentijds op basis van waargenomen microseismiciteit Advies provincie Drenthe De provincie Drenthe stelt dat monitoring van trillingen een signaleringsfunctie heeft, maar monitoring draagt ook bij aan de gemoedsrust van inwoners. Advies gemeente Veendam De gemeente Veendam stelt dat er een geofoon nabij het TR-cluster is geplaatst om eventuele bodemtrillingen te kunnen meten. Advies Mijnraad Nedmag heeft in 2019 een geofoon geplaatst. Er zijn meerdere mijnbouwactiviteiten op andere diepte in het gebied aanwezig die mogelijk bodemtrillingen kunnen veroorzaken. De Mijnraad beveelt aan om meerdere geofoons te plaatsen zodat beter onderscheid kan worden gemaakt in de oorzaak en locatie van het hypocentrum van de trilling.

6.3.3 Beoordeling bodemtrilling De minister stelt, mede op basis van het advies van SodM, vast dat het risico op een bodemtrilling door de zoutwinning klein is. Uit studies bij het winningsplan blijkt dat de zoutwinning een stabiliserend effect heeft op de grotere breuken in het Trias, Krijt en Tertiair boven de zoutkoepel. Het is echter te verwachten dat door de kruip en aflaten van de cavernes lichte bodemtrillingen zullen voorkomen. Dit is ook de ervaring van andere winlocaties in Nederland. Als gevolg van de zoutwinning door Nedmag is er een klein risico op lichte bodemtrillingen. De kans op bovengrondse effecten ten gevolge van deze lichte bodemtrillingen is echter verwaarloosbaar.

Pagina 30 van 52

Directoraat-generaal Klimaat en Energie Directie Warmte en Ondergrond

In mei 2019 heeft Nedmag een geofoon geplaatst in de directe nabijheid van de DGKE-WO / 19240864 mijnbouwinrichting WHC-2. De positie van de geofoon en het type zijn op aanwijzing van het KNMI gekozen. De geofoon is onderdeel geworden van het meetnetwerk van het KNMI. Hij draagt de code VNDM en is onder die codering terug te vinden op de site van het KNMI. Met de uitbreiding van het seismisch netwerk met deze geofoon kan reeds onderscheid worden gemaakt in de oorzaak en locatie van het hypocentrum van een bodemtrilling. Er kan onderscheid gemaakt worden tussen een beving in een gasveld en een beving in de zoutcavernes. Er kan tevens onderscheid gemaakt worden tussen een eventuele beving in het TR-cluster en nieuwe putten. Met dit station is er echter geen goed onderscheid in locatie te maken tussen bodemtrillingen die plaats kunnen vinden ten zuiden van dit station. De minister schrijft voor dat Nedmag ervoor moet zorgen dat ook een goede locatie kan worden bepaald voor mogelijke bodemtrillingen in VE-7, VE-8 en TR-9. Seismische meetapparatuur dient in ieder geval binnen 12 maanden na inwerkingtreding van dit besluit te zijn geplaatst en ter aansluiting op het KNMI-netwerk te worden overgedragen aan het KNMI. Voor het beheer en onderhoud van de meetapparatuur door het KNMI dient Nedmag een overeenkomst met het KNMI af te sluiten.

Nedmag heeft zodoende de mogelijkheid naar een geschikte locatie te zoeken de benodigde publiek- en privaatrechtelijke toestemmingen te verzorgen en af te stemmen met het KNMI. Trillingen die zijn voorgekomen in naburige gasvelden hebben geen directe invloed gehad op de zoutcavernes in de nabijheid van de bevingen. Het is onwaarschijnlijk dat er een zodanig grote trilling zou voorkomen dat deze direct invloed zou hebben op de zoutcavernes. Er is derhalve geen sprake van cumulatieve risico’s ten aanzien van bodemtrillingen of een risico dat een trilling in een gasveld een trilling kan opwekken bij de zoutcavernes. Zienswijzen Een reactie op de zienswijzen is gegeven in de nota van antwoord onder punt 3. Gelet op zienswijzen met betrekking tot bodemtrilling zijn er geen gronden om het ontwerp-instemmingsbesluit winningsplan Nedmag 2018 inhoudelijk te wijzigen.

6.4 Schade door bodembeweging 6.4.1 Winningsplan Nedmag geeft aan dat bodemdaling door zoutwinning een geleidelijk proces is dat zeer traag verloopt, waarbij de maximale helling (maximale bodemdaling in verhouding tot de breedte van de infrastructuur) zeer beperkt is. Nedmag acht de kans op het ontstaan van schade aan gebouwen en infrastructuur ten gevolge van de zoutwinning zeer klein. Nedmag verwacht geen schade aan gebouwen en openbare infrastructuur ten gevolge van de zoutwinning in Veendam omdat de daling geleidelijk en gelijkmatig plaatsvindt. Nedmag geeft tevens aan dat mocht er schade optreden, dat zij dan de verplichting heeft die schade te vergoeden. Nedmag heeft voor het geval er als gevolg van zoutwinning toch schade bij panden in het bodemdalingsgebied van Nedmag vermoed wordt, een schadeprotocol opgesteld: “Protocol Bodemdalingsschade aan niet-overheden”. Dit protocol regelt de wijze van afhandeling van schademeldingen en de eventuele vergoeding van de schade. Conform het protocol wordt bij alle schademeldingen binnen de invloedssfeer van Nedmag een onderzoek uitgevoerd door een

Pagina 31 van 52

Directoraat-generaal Klimaat en Energie Directie Warmte en Ondergrond

bouwkundig inspectiebureau. Bij de beoordeling van een schademelding wordt de bodemdaling door zowel gas- als zoutwinning meegenomen.

DGKE-WO / 19240864

6.4.2 Adviezen Advies SodM SodM beschrijft dat schade aan gebouwen nooit is uit te sluiten. Bij grootschalige en forse bodemdaling zoals die is voorzien in het winningsplan zijn aanpassingen in het waterbeheer een direct gevolg daarvan. SodM acht de kans erg klein dat bij de zoutwinning van Nedmag aardbevingen kunnen voorkomen die leiden tot schade. Wanneer vrije pekel in de ondergrond achterblijft leidt dit tot mogelijke risico’s en schade op een onbekend moment in de toekomst en is derhalve onwenselijk. SodM merkt op dat bij het in kaart brengen van de maatregelen voor de waterhuishouding is uitgegaan van volledig functiebehoud en geeft aan dat soms met minimale aanpassingen in het gebruik van met name agrarische gronden veel minder aanpassingen nodig zijn. SodM raadt dan ook de provincie, gemeentes en waterschappen aan in het proces van in kaart brengen van maatregelen ook de lange termijn ontwikkeling van het gebied in ogenschouw te nemen. SodM stelt dat Nedmag deugdelijke afspraken dient te maken met, en een adequate financiële bijdrage te leveren aan de lokale overheden, opdat deze in staat zijn de blijvende effecten adequaat te beheersen. SodM stelt dat een gevolg van het aflaten van de cavernes is dat het grootste deel van de bodemdaling zal optreden binnen de periode van het winningsplan.

Beheersmaatregelen van de bodemdaling en het onderhoud daarvan moet over een zeer lange periode betaald worden. SodM adviseert de afhandeling van schade als gevolg van de zoutwinning zo snel mogelijk onder te brengen in het landelijk schadeloket mijnbouw. Daarmee is sprake van één adres waar mensen terecht kunnen en van een neutrale beoordeling van de oorzaak van de schade. Gegeven de samenloop van effecten van verschillende vormen van mijnbouwactiviteiten die hier plaatsvindt, adviseert SodM bij het beoordelen van gemelde schade bij dit overheidsloket uit te gaan van het bewijsvermoeden zoals dat nu ook al gebeurt bij het winnen van gas uit het Groningenveld. SodM adviseert om als randvoorwaarde aan Nedmag op te leggen om een financiële reservering aan te leggen in een van de onderneming juridisch en financieel los gepositioneerd fonds. De middelen die in dit fonds komen dienen om het opruimen van de nieuwe putten in de toekomst, de continuïteit van maatregelen in het waterbeheer en de afhandeling van eventuele toekomstige schade te waarborgen. Advies Tcbb De Tcbb stelt dat hoewel aanpassingen van het waterpeil ter beoordeling aan het waterschap zijn, aanpassingen in het waterpeil zodanig plaatsvinden dat het risico op schade als gevolg van ongelijkmatige zettingen door veenoxidatie of door rot van houten funderingen geminimaliseerd wordt.

Advies provincie Groningen De provincie Groningen stelt dat de veiligheid van mijnbouwactiviteiten en dus ook van het winnen van magnesiumzouten altijd voorop moet staan. De provincie Pagina 32 van 52

Directoraat-generaal Klimaat en Energie Directie Warmte en Ondergrond

Groningen verwacht dat de microseismiciteit, die mogelijk kan samenhangen met de zoutwinning, niet voelbaar is en niet kan leiden tot schade aan gebouwen. De provincie Groningen stelt dat er een onafhankelijke, ruimhartige en publieke schadeafhandeling moet komen voor alle mijnbouwactiviteiten in Groningen.

DGKE-WO / 19240864

Advies provincie Drenthe De provincie Drenthe adviseert te waarborgen dat de nieuwe zoutwinning van Nedmag veilig plaatsvindt. De gaswinning kan gepaard gaan met trillingen en zowel de gas- als de zoutwinning leiden tot bodemdaling in het gebied. In elk geval is schade aan gebouwen als gevolg van deze mijnbouwactiviteiten niet geheel uit te sluiten. Om draagvlak in de regio te houden voor deze en mogelijke toekomstige mijnbouwactiviteiten, is het van belang de schadeafhandeling goed te regelen. De provincie Drenthe stelt dat ook na 2045 voldoende middelen beschikbaar zijn voor de adequate beheersing van de blijvende effecten van de zoutwinning in het gebied. Het betreft hier zowel de kosten voor het waterschap als mogelijke naijlende schade-effecten. De provincie Drenthe stelt dat er weliswaar een fonds is en kosten door Nedmag worden voldaan, maar ook als Nedmag vertrokken is, moet de vergoeding van de kosten van blijvend benodigde waterhuishoudkundige maatregelen geborgd zijn. Gemeente Veendam De gemeente Veendam stelt dat door verschillende partijen de afgelopen jaren is onderzocht in hoeverre dergelijke bodemdaling kan leiden tot schade aan bovengrondse infrastructuur en bebouwing. Uit deze onderzoeken is gebleken dat het risico op dergelijke schade bij actuele en te verwachten bodemdaling verwaarloosbaar klein is.

Hoewel niet vast staat dat de bodemdaling door zoutwinning schade kan veroorzaken aan bijvoorbeeld woningen en infrastructuur, begrijpt de gemeente Veendam wel de zorgen die inwoners hierover hebben en vragen hiervoor aandacht. De gemeente Veendam adviseert een nieuw en onafhankelijk onderzoek te laten uitvoeren naar de nieuwe te verwachten bodemdaling en de bovengrondse effecten daarvan op het gebied van veiligheid en risico op schade aan gebouwen en infrastructuur. Gemeente Midden-Groningen De gemeente Midden-Groningen stelt dat inwoners die wonen in het gebied dat met deze bodemdaling te maken heeft, vrezen voor schade aan hun woningen en andere gebouwen. De gemeente Midden-Groningen stelt dat inwoners met schade vrezen van het kastje naar de muur te worden gestuurd. Advies waterschap Hunze en Aa’s Het waterschap Hunze en Aa’s stelt dat onzekerheid naar de toekomst moet worden weggenomen door ondubbelzinnige en heldere afspraken te maken over de afhandeling van onder andere kosten, verzekeringen, omgang met schade en het onafhankelijk veiligstellen van financiële middelen buiten Nedmag. Tussen het waterschap Hunze en Aa’s en Nedmag moet een nieuwe overeenkomst worden opgesteld. Nedmag moet hierin het initiatief nemen en zich proactief opstellen.

De overeenkomst zal recht moeten doen en inhoud moeten geven aan alle gevolgen ten gevolge van bodemdaling met betrekking tot het watersysteem die terug te leiden zijn op de bodemdaling door zoutwinning van Nedmag. Naar de toekomst toe is het uitermate onzeker of er zich geen onvoorziene ontwikkelingen zullen voordoen die van invloed zullen zijn op het functioneren van het watersysteem. Het waterschap Hunze en Aa’s is van mening dat de risico’s van zoutwinning Pagina 33 van 52

Directoraat-generaal Klimaat en Energie Directie Warmte en Ondergrond

volledig voor rekening zijn van de veroorzaker. Als Nedmag niet meer in bedrijf is moet de totale rekening zijn voldaan omdat deze niet ten laste van het waterschap mag komen.

DGKE-WO / 19240864

Advies Mijnraad De Mijnraad stelt dat door de verschillende mijnbouwactiviteiten in het gebied, zowel zout- als aardgaswinning, het aantonen van de oorzaak van de schade en daardoor ook de aansprakelijkheid zal worden bemoeilijkt. De Mijnraad ziet een rol weggelegd voor de ingestelde Commissie Mijnbouwschade.

6.4.4 Beoordeling schade door bodembeweging Voor de zoutwinning in Veendam geldt dat het risico op schade ten gevolge van bodemdaling en bodemtrilling beperkt is. De maximaal verwachte bodemdaling van 95 cm door de zoutwinning door Nedmag en de cumulatieve maximale bodemdaling tot 1,1 m ontstaat geleidelijk. Daardoor leidt deze naar verwachting niet tot schade aan bebouwing maar sluit de minister het ontstaan van schade ook niet op voorhand uit. Als gevolg van de bodemdaling door zoutwinning zijn er geen schadegevallen bekend. Mocht de periodiek gemeten bodemdaling door zoutwinning afwijken van de huidige voorspelling dan mag Nedmag de winning niet voortzetten op basis van dit winningsplan. Bij de beoordeling van de schade door bodemdaling houdt de minister ook rekening met de bovengrondse omstandigheden en de bebouwing en infrastructuur in de omgeving van de zoutwinning. Voor de kans op schade is niet het diepste punt van de bodemdalingskom relevant, maar de bodemdaling ter plaatse van infrastructuur en gebouwen. Hierbij is de afstand van de bebouwing en infrastructuur tot het diepste punt van de bodemdalingskom van belang, en tevens zettingsverschillen en horizontale rek.

De bodemdaling, die direct door zoutwinning aan de oppervlakte ontstaat, ter plaatse van de aanwezige infrastructuur en gebouwen is zo gelijkmatig dat de zettingsverschillen en horizontale rek ver onder de grenswaarden blijven. Boven deze grenswaarden kan de bodemdaling tot schade aan infrastructuur en gebouwen leiden. TU Delft stelt in haar rapport “Onderzoek naar de oorzaken van bouwkundige schade in Groningen” het falsificatiecriterium voor gebouwvervormingen vast: een horizontale rek van 0,2 ‰ en een hoekvervorming van 0,4 ‰. Als gevolg van de bodemdaling door zoutwinning door Nedmag bedraagt de maximale, van de bodem naar het gebouw overgedragen, horizontale rek 0,011 ‰ en de maximale hoekvervorming van de 0,0098‰. De minister constateert dat SodM en de Tcbb het aannemelijk vinden dat het risico op bevingen en door de daardoor veroorzaakte schade beperkt is. Daarmee onderschrijven SodM en TNO de conclusie van Nedmag. Gelet hierop is de minister van mening dat het belang van de veiligheid voor omwonenden niet in het geding is. Gelet op het gewijzigd winningsplan, het toetsingskader uit de Mbw, en de adviezen van de adviseurs meent de minister dat het passend is dat Nedmag geen extra maatregelen voorstelt ter voorkoming van schade door bodembeweging in het gewijzigd winningsplan.

SodM houdt toezicht op de naleving van de algemene bepalingen en regels ter voorkoming van schade door bodembeweging als gevolg van de zoutwinning op basis van het gewijzigd winningsplan. In het geval dat (onverwacht) zorgen zouden ontstaan bij de toezichthouder SodM over de zoutwinning, kan SodM de zoutwinning stilleggen en een onderzoek instellen. De

Pagina 34 van 52

Directoraat-generaal Klimaat en Energie Directie Warmte en Ondergrond

minister vindt het belangrijk dat in een voorkomend geval de decentrale overheden van een dergelijke situatie op de hoogte worden gesteld.

DGKE-WO / 19240864

Adequate schaderegeling en onafhankelijk orgaan voor afwikkeling schade als gevolg van zoutwinning. De minister ziet voor de zoutwinning geen aanleiding voor het instellen van een onafhankelijk orgaan voor de afwikkeling van schade, anders dan de Commissie Mijnbouwschade. Het is echter van het grootste belang dat bij het besluit er zowel bestuurlijk als voor omwonenden meer inzicht komt in het vaststellen van de oorzaak van schades en afhandeling daarvan. Met betrekking tot het advies van SodM om de afhandeling van schade als gevolg van de zoutwinning zo snel mogelijk onder te brengen in het landelijk schadeloket mijnbouw stelt de minister, zoals aangegeven in de brief van 9 juni 2020 aan de Tweede Kamer (Kamerstukken II 2019-20, 32849, nr. 202) dat de Commissie Mijnbouwschade sinds 1 juli 2020 operationeel is. De Commissie Mijnbouwschade heeft als taak de onafhankelijke afhandeling te borgen van alle mijnbouwschades in Nederland, met uitzondering van de schades door de gaswinning uit het Groningenveld en Norg. De minister deelt ook de behoefte aan een adequate uitvoeringsorganisatie ter ondersteuning en onder aansturing van de Commissie Mijnbouwschade en draagt hier ook zorg voor. Er is derhalve één meldpunt (commissiemijnbouwschade.nl). Bij betrokken instanties - zoals gemeenten, provincies en waterschappen- en mogelijke gedupeerden is hieraan bekendheid gegeven.

Voor burgers die schade willen claimen betekent dit dat zij bij één meldpunt terecht kunnen en zelf niet hoeven na te gaan welke mijnbouwactiviteit mogelijk oorzaak is van hun schade. Met de komst van de website commissiemijnbouwschade.nl is het bestaande Landelijk Loket Mijnbouwschade komen te vervallen. In tegenstelling tot het Landelijk Loket Mijnbouwschade geeft de Commissie Mijnbouwschade niet alleen informatie over waar gedupeerden zich kunnen melden met schade, maar is de Commissie Mijnbouwschade het loket waar schademelders hun schade kunnen melden en waar de commissie hun melding behandelt. De minister is in gesprek geweest met de zoutsector om de Commissie Mijnbouwschade ook te laten adviseren over schades door zoutwinning. Voor zoutwinning is dit proces bijna afgerond. Eind 2020 zijn decentrale overheden en andere stakeholders geconsulteerd over het conceptschadeprotocol. Deze opmerkingen zijn zoveel mogelijk meegenomen in het schadeprotocol, daarbij rekening houdend met de positie van de zoutbedrijven en de wens om bij het zoutprotocol niet te veel af te wijken van het protocol voor gaswinning uit kleine velden. De minister en de zoutbedrijven zijn met de afronding van een schadeprotocol en overeenkomst bezig en zullen op korte termijn tot ondertekening overgaan. De verwachting is dat de overeenkomst wordt gesloten voordat het instemmingsbesluit in werking treedt.

Op basis hiervan zal de Commissie Mijnbouwschade ook meldingen van schade door zoutwinning gaan behandelen. De bewijslast wordt daarmee door de Commissie Mijnbouwschade opgepakt en daarmee wordt de burger ontzorgd. Schademeldingen door zoutwinning kunnen naar verwachting rond de zomer van 2021 bij de Commissie Mijnbouwschade worden ingediend. De minister onderschrijft het belang van een transparante, onafhankelijke en eenduidige wijze van schadeafhandeling. Een transparante en eenduidige wijze van schadeafhandeling zorgt voor een onafhankelijke beoordeling van de schade. Een schadeprotocol wordt zodoende niet voorgeschreven als voorschrift in een instemmingsbesluit op een winningsplan. Pagina 35 van 52

Directoraat-generaal Klimaat en Energie Directie Warmte en Ondergrond

Met betrekking tot het advies van SodM om uit te gaan van het bewijsvermoeden zoals dat nu ook al gebeurt bij het winnen van gas uit het Groningenveld merkt de minister op dat voor omwonenden van het Groningen gasveld een wettelijk bewijsvermoeden (artikel 6:177a BW) geldt. In het advies van Raad van State van 7 oktober 2015 op amendementen op de Mijnbouwwet stelt de Raad dat de bewijslast voor mijnbouwschade als gevolg van gaswinning uit het Groningenveld in eerste instantie bij het mijnbouwbedrijf komt te liggen. De Raad van State geeft aan dat de minister hiertoe kan overgaan, maar dat dan wel wordt afgeweken van een hoofdregel die doorwerkt in de bestaande procesposities van partijen. Zo'n afwijking moet daarom goed kunnen worden gemotiveerd, waarbij zwaardere eisen gelden naarmate de reikwijdte ervan groter is. In het belang van rechtszekerheid en ter voorkoming van onevenredige lasten is ook noodzakelijk dat de reikwijdte van het bewijsvermoeden helder afgebakend is. Ten aanzien van het Groningenveld geldt dat van een groot aantal gelijke schadegevallen vaststaat dat verreweg het grootste deel aan één bepaalde oorzaak moet worden toegeschreven. Daaraan wordt het vermoeden ontleend dat ook de overige (vergelijkbare) gevallen, waarin die oorzaak niet is aan te tonen maar ook niet is uit te sluiten, aan die oorzaak moeten worden toegeschreven.

Deze situatie doet zich in andere delen van Nederland niet voor (Kamerstukken II 2015/2016, 34348, nr. 6). Alleen het feit dat er een kans op schade bestaat is onvoldoende voor het invoeren van een wettelijk bewijsvermoeden. Bovendien is de kans op schade ten gevolge van de zoutwinning klein. Ten overvloede wordt opgemerkt dat dit alleen bij wet kan worden geregeld en niet door middel van een vergunningvoorschrift.

DGKE-WO / 19240864

De minister bewerkstelligt zoals aangegeven in de brief aan de Tweede Kamer van 25 juli 2019 (Kamerstukken II 2018-19, 32849, nr. 188) dat de ongelijkheid tussen burger en mijnbouwonderneming wordt verminderd en dat een gedupeerde in deze procedure maximaal wordt ontzorgd. Dit gebeurt door het instellen van een onafhankelijke partij die zelf onderzoekt wat de schadeoorzaak is en ook de hoogte van de mijnbouwschade vaststelt. Dit betekent een aanzienlijke verlichting van de vereiste inspanning van de gedupeerde en draagt bij aan zijn ontzorging. Met het voorstel voor de afhandeling van schade door de Commissie Mijnbouwschade wordt in praktische zin hetzelfde bereikt. De bewijslast wordt door de Commissie Mijnbouwschade opgepakt en daarmee dus weggehaald bij de burger. Financiering van maatregelen in het waterbeheer als gevolg van de bodemdaling De minister stelt dat de financiering van maatregelen in het waterbeheer ter voorkoming van schade als gevolg van de bodemdaling in eerste instantie een privaatrechtelijke aangelegenheid is tussen het waterschap en Nedmag. Waterschappen hebben op grond van artikel 1, eerste lid van de Waterschapswet de waterstaatkundige verzorging van een bepaald gebied ten doel.

Het waterschap Hunze en Aa’s stelt dat om dit doel te handhaven extra kunstwerken nodig zijn als gevolg van de bodemdaling die veroorzaakt wordt door de activiteiten die beschreven worden in het winningsplan. De aanleg van deze kunstwerken is mogelijk. Nedmag is op grond van artikel 6:177 van het BW aansprakelijk voor de kosten voor de aanleg van deze kunstwerken en eventuele andere maatregelen die ten gevolge van de bodemdaling door de zoutwinning moeten worden getroffen. Kosten voor het treffen van maatregelen als gevolg van de zoutwinning dienen daarom door Nedmag te worden vergoed.

Pagina 36 van 52

Directoraat-generaal Klimaat en Energie Directie Warmte en Ondergrond

De minister stelt dat de reikwijdte van artikel 36, tweede lid, gelezen in DGKE-WO / 19240864 samenhang met het eerste lid, onder a, van de Mijnbouwwet niet zodanig is beperkt dat het uitsluitend de grondslag biedt voor het stellen van voorschriften ter voorkoming van het ontstaan van schade aan gevoelige gebouwen in het winningsgebied. Het artikel kan echter ook niet zo ruim worden uitgelegd dat aan een instemmingsbesluit met een winningsplan aanvullende of andere voorschriften met betrekking tot de vaststelling en afwikkeling van financiële schade kunnen worden verbonden. Aan een instemmingsbesluit kunnen uitsluitend voorschriften worden verbonden die vallen onder de gronden van artikel 36 , eerste lid, van de Mbw. Volgens jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van Raad van State (hierna de Afdeling) kunnen daarom aan een instemmingsbesluit met een winningsplan geen voorschriften met betrekking tot de vaststelling en afwikkeling van schade worden verbonden. Dit is recent weer bevestigd door de Afdeling in de uitspraak over de gaswinning Gaag-Monster (ABRvS 31 maart 2021, ECLI:NL:RVS:2021:660, r.o. 16.1).

gelet op het wettelijke kader, zoals opgenomen in artikel 36, kan in het instemmingsbesluit geen voorschrift worden opgenomen over de afwikkeling van schade en een financiële zekerheidstelling ten behoeve van maatregelen ter voorkoming van schade door bodembeweging. Daarnaast is van belang dat in artikel 46 van de Mbw een afzonderlijke grondslag opgenomen om Nedmag financiële zekerheid te laten stellen ter dekking van aansprakelijkheid voor schade ten gevolge van bodembeweging door de zoutwinning. Gelet op het voorgaande zal in het definitieve instemmingsbesluit, anders dan in het ontwerpbesluit, geen voorschrift worden opgenomen over een financiële waarborg ter vergoeding van de schade die het waterschap zal lijden ten gevolge van de winning. Het feit dat de minister de winning zoals beschreven in het winningsplan als veilig beoordeelt, betekent niet dat de minister onverschillig staat ten aanzien van een goede financiële waarborg voor de regio. Het staat buiten kijf dat een bedrijf dat op grond van een publiekrechtelijke vergunning schade veroorzaakt, deze ook moet vergoeden. Ter invulling van deze aansprakelijkheid hebben de overheden binnen het actuele effectgebied en Nedmag een overeenkomst gesloten op basis waarvan alle kosten van de te nemen maatregelen ten gevolge van de bodemdaling die in het vorige winningsplan was voorzien, worden vergoed.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12745506/1