CConstaterende datMidden-Groningen
Koppel je AI →
Document · PDF

268 1 Rapportage Nulmeting - Nationaal Programma Groningen

Raadsvergadering 3 juni 2021, gemeente Midden-GroningenBij agendapunt: Ingekomen stukken en mededelingen/Lange Termijn Agenda raad/Toezeggingen22.014 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

INHOUDSOPGAVE

OUTCOME

34

N U L M E T I N G STRUCTURELE MONITORING NATIONAAL PROGRAMMA GRONINGEN / 2021

Sub-indicator: werkloosheid In 2019 is de werkloosheid in de provincie Groningen 4,4%. De werkloosheid in Groningen •  volgt over het algemeen de landelijke ontwikkeling maar ligt structureel wel boven het landelijke gemiddelde (3,4%). Door de gunstige economische ontwikkeling daalde de werkloosheid in de provincie •  Groningen in 2019 naar nog niet eerder vertoonde (lage) werkloosheidsniveaus (van 8,5% in 2015 naar 4,4% in 2019). Deze trend zien we ook landelijk (van 6,9% in 2015 naar 3,4% in 2019). Ook in de aardbevingsgemeenten heeft een vergelijkbare daling plaatsgevonden. De werkloosheid in het aardbevingsgebied is onevenredig verdeeld. In 2019 telt de gemeente •  Groningen ten opzichte van de overige gemeenten relatief veel werklozen (5,4%). Maar ook in de andere gemeenten ligt de werkloosheid ruim boven het landelijke gemiddelde en het gemiddelde van de referentiegroepen. De relatief hoge werkloosheid in de aardbevingsgemeenten laat zich volgens de RUG en het •  UWV verklaren door een relatief groot aantal kwetsbare groepen, deels met een afstand tot de arbeidsmarkt. Vaak hebben mensen uit deze groepen moeite om aan te haken door de hogere en veranderende eisen van werk.

Mensen met een zwakkere arbeidsmarktpositie dreigen hierdoor uitgesloten te worden van de arbeidsmarkt, denk aan lager opgeleiden, langdurig (oudere) werklozen, arbeidsbeperkten en niet-westerse migranten.

Sub-indicator: sociaaleconomische status In 2018 kennen alle aardbevingsgemeenten een relatief lage sociaaleconomische status van •  297 tot 368 op de schaal van 380. De sociaaleconomische status van de meeste aardbevingsgemeenten ligt lager dan hun •  referentiegebieden. Dit hangt onder meer samen met de lagere scores op de indicatoren werkloosheid en het mediaan besteedbaar huisinkomen t.o.v. de referentie. Alleen de gemeente Groningen onderscheidt zich positief. De belangrijkste verklaring is •  gelegen in de relatief hoge sociaaleconomische status van de voormalige gemeenten Haren en Ten Boer, waarmee de gemeente Groningen in 2019 fuseerde.

INHOUDSOPGAVE

OUTCOME

35

N U L M E T I N G STRUCTURELE MONITORING NATIONAAL PROGRAMMA GRONINGEN / 2021

Sub-indicator: hoogopgeleide bevolking In 2019 is het percentage hoogopgeleiden in de provincie Groningen 30,9%. Dit ligt onder het •  landelijk gemiddelde (32,5%). Terugkijkend op de historische ontwikkeling van het opleidingsniveau in de afgelopen jaren, •  is het aantal hoger opgeleiden in de provincie Groningen toegenomen van 28,1% in 2015 naar 30,9% in 2019. Deze trend zien we in alle aardbevingsgemeenten. Het aantal hoger opgeleiden is in het aardbevingsgebied onevenredig verdeeld. Net als in •  andere universiteitssteden is het aandeel hoogopgeleiden in de gemeente Groningen relatief groot (42,6%). De gemeente Het Hogeland telt 25,3% hoger opgeleiden. Plaatsen als Bedum en Winsum trekken Groningers uit de stad aan (suburbanisatie over korte afstand). In de

“

IN DE AARD­BEVINGS-­ GEMEENTEN LIGT HET AANTAL LEERLINGEN DAT HET ONDERWIJS ZONDER STARTKWALIFICATIE VERLAAT BOVEN DE REFERENTIEGROEPEN

36

INHOUDSOPGAVE

hoger opgeleid. Zowel in de gemeente Groningen als Het Hogeland ligt het aandeel hoogopgeleiden boven •  het gemiddelde van de referentiegroep. In vergelijking tot de referentiegroepen is het opleidingsniveau van de beroepsbevolking in de gemeenten Midden-Groningen, Eemsdelta en Oldambt relatief laag.

Sub-indicator: voortijdige schoolverlaters Het aandeel voortijdige schoolverlaters lag in het schooljaar 2018-2019 in de provincie •  Groningen met 2,4% op het landelijke gemiddelde. Het betreft leerlingen die in een gegeven jaar het onderwijs verlaten zonder startkwalificatie. Terugkijkend op de historische ontwikkeling zien we een lichte toename van het aantal •  voortijdig schoolverlaters in de provincie (van 1,9% in 2015-2016 naar 2,4% in 2018-2019). Een vergelijkbare trend zien we landelijk en in de aardbevingsgemeenten. Het aandeel leerlingen dat het onderwijs zonder startkwalificatie verlaat in de •  aardbevingsgemeenten in het schooljaar 2018-2019 ligt tussen de 2,0% en 3,2%. In de aardbevingsgemeenten ligt het aandeel leerlingen dat het onderwijs zonder •  startkwalificatie verlaat in alle gevallen boven de referentiegroepen.

OUTCOME

”

overige aardbevingsgemeenten die wat verder van de stad gelegen zijn, is ongeveer 20%

N U L M E T I N G STRUCTURELE MONITORING NATIONAAL PROGRAMMA GRONINGEN / 2021

Sub-indicator: digitale vaardigheden Bij aanvang van Nationaal Programma Groningen zijn cijfers over digitale vaardigheden niet •  beschikbaar voor de regio. Er zijn slechts cijfers op landelijk niveau beschikbaar, waaruit blijkt dat Nederlanders over het algemeen goed scoren op digitale basisvaardigheden. 79% van de Nederlanders heeft tenminste digitale basisvaardigheden. 97% heeft toegang tot internet en 86% maakt er bijna dagelijks gebruik van. Volgens cijfers van de Organisatie voor Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) scoort •  Nederland onder gemiddeld bij het trainen van digitale vaardigheden van niet-ICT-personeel. Zij zijn bij uitstek van belang voor het succesvol toepassen van digitale technologie in specifieke sectoren of domeinen. De Monitor Nederland Digitaal5 brengt de digitalisering van de Nederlandse maatschappij •  en economie in beeld. Er is over een flink aantal zaken informatie bekend. Helaas bestaan er ook witte vlekken. Bij updates van de monitor verwachten we dat deze witte vlekken verder ingevuld zullen worden en daarmee mogelijk bruikbaar voor de monitoring van Nationaal Programma Groningen.

Conclusie Bij aanvang van Nationaal Programma Groningen ligt de netto arbeidsparticipatie (2019) in de •  aardbevingsgemeenten onder het gemiddelde van de referentiegroep. De netto arbeidsparticipatie in de aardbevingsgemeenten kent in de afgelopen 5 jaar •  een licht positieve ontwikkeling, maar is, behalve in de gemeente Groningen, structureel achtergebleven bij de provinciale en landelijke ontwikkeling.

> De relatief lage arbeidsparticipatie gaat gepaard met een relatief hoge werkloosheid in de aardbevingsgemeenten. Dit hangt samen een relatief groot aantal kwetsbare groepen, deels met een afstand tot de arbeidsmarkt. Bij aanvang van Nationaal Programma Groningen ligt het besteedbare huishoudinkomen •  (2018) in de aardbevingsgemeenten onder het gemiddelde van de referentiegroep. Het besteedbaar huishoudinkomen is in alle aardbevingsgemeenten in de periode 2015-2018 •  gegroeid. De groei ligt voor vier van de gemeenten onder het provinciale gemiddelde van 5,2%. Ook hier vormt de gemeente Groningen weer een uitzondering, met bovengemiddelde groei van 6,3%.

INHOUDSOPGAVE

5

Te raadplegen via: https://monitor-nederlanddigitaal.nl/digitalisering-in-nederland-4

OUTCOME

37

N U L M E T I N G STRUCTURELE MONITORING NATIONAAL PROGRAMMA GRONINGEN / 2021

> Er is sprake van een toenemend aantal huishoudens met een langdurig laag inkomen in alle aardbevingsgemeenten. Dit is beleidsmatig een relevante ontwikkeling, omdat mensen met een langdurig laag inkomen een hoog risico lopen op armoede en problematische schulden, zeker als de situatie langere tijd voortduurt. Bij aanvang van Nationaal Programma Groningen ligt het aandeel van studenten dat HBO plus •  WO uitstroomt (2018) voor iedere gemeente in het aardbevingsgebied onder het gemiddelde van de referentiegroepen, met uitzondering van de gemeente Groningen.

> Binnen de regio zijn zeer grote verschillen. De gemeente Groningen fungeert met de Rijksuniversiteit en hogescholen als magneet voor Noord-Nederland: jongeren uit de wijde omgeving gaan studeren in Groningen. In de gemeente Groningen is het aandeel van studenten HBO en WO dat uitstroomt 60%, in de overige aardbevingsgemeenten ligt dit percentage net onder de 10%.

> In de afgelopen jaren zien we een positieve ontwikkeling voor de gemeenten Eemsdelta, Midden-Groningen, Het Hogeland en Oldambt en een lichte daling voor de gemeente Groningen.

Raakvlakken met overige ambities Als de bruto toegevoegde waarde in de provincie Groningen sneller moet groeien dan in •  de rest van Nederland vraagt dit dat de arbeidsproductiviteit per arbeidskracht structureel harder stijgt dan in de rest van Nederland. Dit kan alleen door verdergaande automatisering, digitalisering en robotisering. Deze trend is al volop ingezet. Beroepen, met name op MBO-2 en MBO-3 niveau zullen ingrijpend veranderen. De grootste uitdaging voor de komende jaren is volgens SER Noord-Nederland dan ook om de beroepskwalificaties op dat niveau op peil te houden door om-, her- en bijscholing. Er is geconstateerd dat de gemeente Eemsdelta, Midden-Groningen en Oldambt een minder •  hoogopgeleide bevolking hebben dan vergelijkbare regio’s in het land. Aangezien een verbetering van het opleidingsniveau over het algemeen leidt tot een hoger inkomen, ervaren gezondheid en tevredenheid met het leven, mag verondersteld worden dat een verbetering van het opleidingsniveau op termijn van invloed zal zijn op de gestelde ambitie op het vlak van leefbaarheid.

INHOUDSOPGAVE

OUTCOME

38

N U L M E T I N G STRUCTURELE MONITORING NATIONAAL PROGRAMMA GRONINGEN / 2021

LEEFBAARHEIDSSCORE >

EEMSDELTA

GRONINGEN

HET ­HOGELAND

MIDDENGRONINGEN

OLDAMBT

6,2

7,2

7,0

6,0

6,0

(6,8)

(6,4)

(6,8)

(6,9)

(7,3)

L1

Gemiddelde in de referentiegroep >

Ervaren leefbaarheid >

L2

7,4

7,8

7,9

7,7

7,5

7,7

Ervaren gezondheid >

L3

70,1%

78,8%

76,9%

73,4%

71,0%

75,9%

(78,0%)

(74,4%)

(79,3%)

(77,6%)

(77,1%)

Gemiddelde in de referentiegroep >

AMBITIE Iedere gemeente in het aardbevingsgebied presteert beter op de leefbarometer dan de gemiddelde ontwikkeling in haar referentiegroep.

Leefbaarheidsscore >

E

G

H

MG

Kwaliteit van de woning >

L4

Tevredenheid met het leven >

L5

Cijfers nog niet beschikbaar

Gemiddelde in de referentiegroep >

O

PROVINCIE GRONINGEN

87,7%

82,5%

88,7%

88,5%

84,9%

(89,7%)

(86,5%)

(88,5%)

(87,9%)

(89,5%)

COROP 1

COROP 2

COROP 3

OOSTGRONINGEN

DELFZIJL E.O.

OVERIG GR0NINGEN

Tevredenheid met woning >

L6

86,5%

80,3%

84,7%

Tevredenheid met > woonomgeving

L7

85,8%

84,7%

83,1%

n

P ositief ten opzichte van het gemiddelde van de referentiegroep

n

N egatief ten opzichte van het gemiddelde van de referentiegroep 

86,3%

Uitgangspositie bij nulmeting L 1 Score voor leefbaarheidssituatie op basis van

L6

 et percentage particuliere huishoudens dat (zeer) H tevreden is met de huidige woning. Cijfers per gemeente zijn alleen beschikbaar voor gemeenten met meer dan 100.000 inwoners en op COROP en provincie niveau (2018).

L7

 et percentage particuliere huishoudens dat (zeer) H tevreden is met de huidige woonomgeving. De woonomgeving is de omgeving en de buurt waarin een huishouden woont. Cijfers per gemeente zijn alleen beschikbaar voor gemeenten met meer dan 100.000 inwoners en op COROP en provincie niveau (in 2018).

meerdere sub-indicatoren, waarbij 1 = zeer onvoldoende, 2 = ruim onvoldoende, 3 = onvoldoende, 4 = zwak, 5 = voldoende, 6 = ruim voldoende, 7 = goed, 8 = zeergoed, 9 = uitstekend (2018).

L2

G emiddeld rapportcijfer voor de eigen ervaren leefbaarheid (2020).

L3

P ercentage van de bevolking van 19 jaar en ouder vindt eigen gezondheid (zeer) goed (2018).

L4

-

L5

P ercentage van de bevolking van 18 jaar of ouder dat tevreden is met het leven (2019).

39

INHOUDSOPGAVE

N U L M E T I N G STRUCTURELE MONITORING NATIONAAL PROGRAMMA GRONINGEN / 2021

3.3 Leefbaarheid

Hoofdambitie: leefbaarheid De leefbaarheid in de aardbevingsgemeenten in 2018 varieert in een rapportcijfer tussen 6,0 •  en 7,2. De ambitie van Nationaal Programma Groningen is dat leefbaarheid in de aardbevings­ •  gemeenten in de komende periode sterker stijgt dan gemiddeld in de referentiegebieden. Dit betekent dat Nationaal Programma Groningen i.) een positieve ontwikkeling van de leefbaarheid nastreeft en ii.) dat deze positieve ontwikkeling sterker is voor de aardbevingsgemeenten dan de gemiddelde ontwikkeling in de referentiegebieden.

• De scores van de Leefbaarometer6 voor de aardbevingsgemeenten zijn gelijk gebleven over de periode 2016-2018. De leefbaarheid binnen de regio verschilt per gemeente: Oldambt (6,0), Midden-Groningen •  (6,0), Eemsdelta (6,2), Het Hogeland (7,0) en Groningen (7,2). Ook het beeld van de onderliggende dimensies is divers.

> Oldambt, Midden-Groningen, Eemsdelta en Het Hogeland scoren negatief op ‘Voorzieningen’ (grotere afstanden tot voorzieningen) en positief op ‘Veiligheid’ (minder onveiligheid en overlast) en ‘Fysieke omgeving’. Oldambt en Eemsdelta scoren daarbij ook negatief op de dimensie ‘Woningen’;

> De gemeente Groningen laat precies een omgekeerd beeld zien, namelijk een positieve score op ‘Voorzieningen’ (relatief kleinere afstanden tot voorzieningen), maar negatief op ‘Veiligheid’ (onderliggende indicatoren als onveiligheid en overlast) en ‘Fysieke omgeving’ (fysieke omgevingskenmerken als ligging aan bos, bedrijventerreinen);

> Het Hogeland en Groningen profiteren van de fusie met de voormalige gemeenten Haren, Ten Boer en Bedum, die zeer hoog scoren op leefbaarheid.

> De leefbaarheid in Oldambt, Midden-Groningen en Eemsdelta is in 2018 lager dan de referentiegebieden, in de gemeente Groningen en Het Hogeland is de leefbaarheid hoger dan in de referentiegemeenten.

> Oldambt, Midden-Groningen en Eemsdelta scoren lager dan de referentiegemeenten op de dimensies ‘Voorzieningen’, ‘Veiligheid en ‘Woningen’ (kwaliteit van de woningen).

40

INHOUDSOPGAVE

D e Leefbaarometer is samengesteld uit objectieve indicatoren waarmee een schatting van de leefbaarheid wordt gemaakt. Hij bestaat uit vijf onderliggende dimensies: woningen, bewoners, voorzieningen, veiligheid, fysieke omgeving. Het instrument is te raadplegen via: www.leefbaarometer.nl.

OUTCOME

6

N U L M E T I N G STRUCTURELE MONITORING NATIONAAL PROGRAMMA GRONINGEN / 2021

Sub-indicator: ervaren leefbaarheid Groningers geven de leefbaarheid in 2020 zelf een rapportcijfer 7,7. Dit getal is al jaren stabiel. •  De ervaren leefbaarheid7 in de aardbevingsgemeenten ligt rond het provinciale gemiddelde. •  Van een 7,4 voor Eemsdelta 7,4 tot een 7,9 voor Het Hogeland (Groninger Panel).

> Ondanks dat de ervaren leefbaarheid overall stabiel is in het aardbevingsgebied, geeft 1 op de 5 Groningers aan dat de leefbaarheid in de afgelopen twaalf maanden achteruit is gegaan. Dit is hoger dan in de aangrenzende provincies Drenthe (14%) en Fryslân (13%). Dit verschil heeft te maken met de schade aan woningen als gevolg van bodembeweging door de gaswinning (Groninger Panel).

> De leefbaarheid in de regio staat ook onder druk door krimp en het wegtrekken van voorzieningen. Dit heeft een negatief effect op de leefbaarheid. Groningers geven het verdwijnen van voorzieningen en de aardbevingsproblematiek als belangrijkste redenen voor de achteruitgang van de leefbaarheid in de buurt (Groninger Panel).

Sub-indicator: tevredenheid met de woning In de provincie Groningen is 84,8% van de inwoners in 2018 tevreden met zijn of haar eigen •  woning. Landelijk is dit 84,6%. In de COROP-regio Oost-Groningen is de tevredenheid met de woning het hoogst (86,5%) en in de COROP-regio Delfzijl en omgeving het laagst (80,3%). Terugkijkend op de ontwikkeling van de tevredenheid met de woning in de provincie •  Groningen, zien we een afname van de tevredenheid van 86,7% in 2015 naar 84,8% in 2018. In de historische ontwikkeling zien we dezelfde trend in de Groninger COROP-regio’s, met in de COROP-regio Delfzijl e.o. en Oost-Groningen een sterkere afname (-4,3% en -3,1%) dan gemiddeld in de provincie. Een mogelijke verklaring voor de afname van de tevredenheid is aardbevingsschade aan de woningen. Groningers met meervoudige aardbevingsschade aan hun woning voelen zich veel minder vaak veilig in de woning dan mensen zonder schade (38% vs. 85%).8 Daarnaast spelen de beperkte mogelijkheden van vooral starters op de woningmarkt volgens de Rabobank hierin waarschijnlijk ook een rol. Deze trend van afnemende tevredenheid zien we ook op landelijk niveau (86,9% in 2015 en •  84,6% in 2018).

INHOUDSOPGAVE

OUTCOME

41

7De ervaren leefbaarheid wordt gemeten via het Groninger Panel (www.sociaalplanbureaugroningen.nl/over-het-groninger-panel). Voor de sub-indicator Ervaren leefbaarheid zijn geen gegevens over referentiegemeenten beschikbaar en maakt de vergelijking niet mogelijk. 8 Postmes, T., Stroebe, K., Richardson, J., Lekander, B. & Oldersma, F. (2016). Veiligheidsbeleving, gezondheid en toekomstperspectief van Groningers. Gronings Perspectief & Rijksuniversiteit Groningen.

N U L M E T I N G STRUCTURELE MONITORING NATIONAAL PROGRAMMA GRONINGEN / 2021

Sub-indicator: ervaren gezondheid Van de volwassen inwoners van Groningen ervaart 76% zijn gezondheid als (zeer) goed •  (2016). Dit is gelijk aan het landelijke beeld. Inwoners van de aardbevingsgemeenten Eemsdelta, Oldambt en Midden-Groningen •  beoordelen hun gezondheid minder goed dan in de overige gemeenten (resp. 70%, 71% en 73%). In Het Hogeland ligt dit aandeel op 77% en in de gemeente Groningen op 79%. Alleen in de gemeente Groningen voelen de inwoners zich gezonder dan gemiddeld in de •  referentiegebieden. De andere gemeenten scoren onder gemiddeld t.o.v. de referentie. Noemenswaardig is de grote impact van de aardbevingsschade op de gezondheid van •  Groningers. Vooral meervoudige schade leidt volgens RUG/Gronings Perspectief tot minder goede ervaren gezondheid. Van Groningers die geen schade hebben aan hun woning ervaart

“

ALLEEN IN DE ­GEMEENTE ­GRONINGEN ­VOELEN ­INWONERS ZICH GEZONDER DAN GEMIDDELD IN DE REFERENTIEGROEPEN

”

77% hun gezondheid als (zeer) goed, en dit daalt voor mensen met één keer schade (76%) en meervoudige schade (72%). Groningers met zware aardbevingsschade ervaren vaker een achteruitgang in de leefbaarheid •  (32%) dan mensen met lichte schade (22%) en zonder schade (14%) (Groninger Panel).

Sub-indicator: tevredenheid met de woonomgeving In de provincie Groningen is 83,9% in 2018 tevreden met de woonomgeving. In de COROP•  regio Oost-Groningen is de tevredenheid met de woonomgeving het hoogst (85,8%) en in de COROP-regio Overig Groningen het laagst (83,1%). De tevredenheid met de woonomgeving ligt in de provincie Groningen iets hoger dan gemiddeld in Nederland (83,3%). Terugkijkend op de ontwikkeling van de tevredenheid met de woonomgeving in de provincie •  Groningen, zien we een toename van de tevredenheid van 79,9% in 2015 naar 83,9% in 2018. Deze trend zien we ook op landelijk niveau (van 82,0% in 2015 naar 83,3% in 2018.). De provincie Groningen ontwikkelt zich positiever dan landelijk en de achterstand is omgebogen in een lichte voorsprong. In de historische ontwikkeling zien we een toename in de tevredenheid met de woonomgeving •  in de COROP-regio’s. De toename in de tevredenheid is het grootst in de COROP-regio Delfzijl en omgeving (van 76,9% in 2015 naar 84,7% in 2018).

> Ook voor deze indicator geldt dat de tevredenheid negatief wordt beïnvloed dat de

42

INHOUDSOPGAVE

OUTCOME

aardbevingsschade aan de woningen. Het onderzoek van Gronings Perspectief en

N U L M E T I N G STRUCTURELE MONITORING NATIONAAL PROGRAMMA GRONINGEN / 2021

de RUG9 wijst uit dat de woontevredenheid van mensen met enkele en meervoudige schade significant afnam in de periode 2016-2017. Bij mensen zonder schade bleef de woontevredenheid onveranderd.

Sub-indicator: tevredenheid met het leven De tevredenheid met het leven in de provincie Groningen is 86,3% in 2019 en dit ligt onder •  het landelijke gemiddelde (87,3%). Terugkijkend op de ontwikkeling van de tevredenheid met het leven in de provincie Groningen, •  zien we een toename in tevredenheid van 84,1% in 2015 naar 86,3% in 2019. In de historische ontwikkeling zien we dezelfde trend voor de aardbevingsgemeenten, met uitzondering van Oldambt, waar de tevredenheid iets is afgenomen. Inwoners van de gemeente Groningen (82,5%) en Oldambt (84,0%) zijn iets minder tevreden •  met het leven dan de andere aardbevingsgemeenten. De tevredenheid met het leven in de gemeenten Groningen, Oldambt en Eemsdelta ligt onder •  het gemiddelde van de referentiegemeenten. Het Hogeland en Midden-Groningen scoren boven het gemiddelde van referentiegebieden.

Conclusie Bij aanvang van Nationaal Programma Groningen ligt de leefbaarheid (2018) in de gemeenten •  Oldambt, Midden-Groningen en Eemsdelta lager dan de referentiegebieden, in de gemeente Groningen en Het Hogeland is de leefbaarheid hoger dan in de referentiegemeenten. Het valt op dat, ondanks de aardbevingen, de leefbaarheid gelijk is gebleven over de periode •  van twee jaar. De Leefbaarometer geeft aan dat er misschien wel een te positief beeld voor de aardbevingsgemeenten wordt geschetst. Aardbevingsrisico is wel als indicator opgenomen in de barometer, maar heeft door de modelschatting op data voor aardbevingen mogelijk een te laag gewicht. Binnen de regio zijn er grote verschillen. De leefbaarheid in de gemeenten Groningen •  (7,2) en Het Hogeland (7,0) is relatief positief en zij scoren beter dan het gemiddelde van hun referentiegemeenten. In Oldambt (6,0), Midden-Groningen (6,0) en Eemsdelta (6,2) blijft de leefbaarheid achter, ook ten opzichte van de referentiegebieden. Deze gemeenten

INHOUDSOPGAVE

9

Postmes, T., Stroebe, K., Richardson, J., LeKander, B., Oldersma, F., Broer, J. & Greven, F. (2018). Gevolgen van bodembeweging voor Groningers: Ervaren veiligheid, gezondheid en toekomstperspectief, 2016-2017.

OUTCOME

43

N U L M E T I N G STRUCTURELE MONITORING NATIONAAL PROGRAMMA GRONINGEN / 2021

scoren vooral lager op de dimensies ‘Voorzieningen’, ‘Veiligheid en ‘Woningen’. Het achterblijven van de leefbaarheid in deze gemeenten hangt grotendeels samen met de relatief grotere afstanden tot voorzieningen in deze krimpgemeenten en de aardbevingen. Aardbevingsschade heeft grote impact op gezondheid, op de ervaren leefbaarheid, de tevredenheid met de woning (gevoel van veiligheid) en op de woontevredenheid. Groningers zijn ongeveer even tevreden over hun woning als gemiddeld in Nederland. Dat •  is om twee redenen interessant: vanuit de hypothese dat de aardbevingsschade het cijfer negatief beïnvloedt en vanuit de aanname dat het in Groningen zo heerlijk wonen is als belangrijk selling point. De tevredenheid met de woonomgeving ligt in de provincie Groningen (83,9%) iets hoger dan •  gemiddeld in Nederland (83,3%). In de afgelopen jaren ontwikkelde de provincie Groningen zich positiever dan landelijk en de achterstand is omgebogen in een lichte voorsprong.

Raakvlakken met overige ambities Opvallend is dat de inwoners van de gemeenten Oldambt, Midden-Groningen en Eemsdelta •  aanzienlijk positiever zijn over de leefbaarheid dan dat je op basis van de lage scores van de objectief gemeten leefbaarheid via de Leefbaarometer en de eerder gesignaleerde knelpunten zoals lager opleidingsniveau, hogere werkloosheid en lager inkomen zou verwachten. Op het eerste gezicht lijkt er sprake te zijn van een schijnbare tegenstelling. Mogelijke verklaring voor deze ogenschijnlijke tegenstelling is de hoge waardering van Groningers voor ‘gelukkig’, ‘gezond’, ‘leefkwaliteit’, ‘ruimte’ en ‘veiligheid’ (aspecten van brede welvaart die Groningers het meest belangrijk vinden).

INHOUDSOPGAVE

OUTCOME

44

N U L M E T I N G STRUCTURELE MONITORING NATIONAAL PROGRAMMA GRONINGEN / 2021

EEMSDELTA ECOSYSTEEMKWALITEIT > (AREAAL LANDNATUUR) PROVINCIES

GRONINGEN

HET ­HOGELAND

MIDDENGRONINGEN

OLDAMBT

17%

N1

(NL 38%)

Gemiddelde in de referentiegroep >

Emissies van fijnstof naar lucht (PM2,5) > N2

AMBITIE

106.200

111.900

94.700

54.700

35.400

(39.011)

(79.828)

(34.025)

(110.211)

(35.190)

51,8

5,2

254,8

11,8

11,0

(9,9)

(5,8)

(12,0)

(26,2)

(9,1)

0,2%

0,2%

0,0%

0,0%

0,0%

(1,3%)

(21,0%)

(2,6%)

(2,2%)

(0,1%)

5,2%

63,6%

22,5%

1,0%

0,0%

(71,9%)

(90,4%)

(79,8%)

(80,2%)

(61,5%)

Gemiddelde in de referentiegroep >

De provincie Groningen presteert beter op ecosysteemkwaliteit (areaal landnatuur) dan het Nederlands gemiddelde.

Emissie broeikasgassen per inwoner > N3 Gemiddelde in de referentiegroep >

Hittestress - warme nachten > N4 Gemiddelde in de referentiegroep >

Wateroverlast > N5

NL 17%

G

Gemiddelde in de referentiegroep >

38% 2010 - 2017

INHOUDSOPGAVE

n

P ositief ten opzichte van het gemiddelde van de referentiegroep

n

N egatief ten opzichte van het gemiddelde van de referentiegroep 

N1 Aandeel landnatuur met een (vrij) hoge J aarlijksegemiddelde fijnstof emissie naar lucht, kg PM2,5 per km2 (2018).

N3

T otale broeikasgasemissies (CO2, CH4, N2O, HFK, PFK en SF6) in CO2-equivalenten per inwoner, ton CO2-equivalent per inwoner (2018).

31,7

0,1%

24,8%

N4

P ercentage stedelijk oppervlak in gemeente met minstens twee weken warme nachten per jaar (nachten met gemiddelde temperatuur boven 20 graden celsius, 2020).

N5

 et percentage oppervlak in een gebied waarin H gemiddeld 2 tot 3 aantal dagen per jaar 25 millimeter of meer neerslag valt, over een periode van 30 jaar (2010).

ecosysteemkwaliteit (2010-2017).

N2

1.531.900

OUTCOME

45

PROVINCIE GRONINGEN

N U L M E T I N G STRUCTURELE MONITORING NATIONAAL PROGRAMMA GRONINGEN / 2021

3.4 Natuur en Klimaat

Hoofdambitie: ecosysteemkwaliteit landnatuur provincies De ambitie van Nationaal Programma Groningen is dat de provincie Groningen beter presteert •  dan het Nederlands gemiddelde. Dat betekent dat het aandeel landnatuur met een (vrij) hoge ecosysteemkwaliteit in Groningen hoger moet liggen dan landelijk het geval is. Over de periode 2010-2017 heeft 17% van het areaal landnatuur in de provincie Groningen •  een (vrij) hoge ecosysteemkwaliteit. Voor Nederland bedraagt het aandeel landnatuur met een (vrij) hoge ecosysteemkwaliteit 38%. Met andere woorden: Groningen voldoet bij aanvang van de programmaperiode niet aan de ambitie die vanuit Nationaal Programma Groningen is

“

GRONINGEN IS EEN VAN DE TWEE ­PROVINCIES WAARIN ­SPRAKE WAS VAN EEN NETTO ­AFNAME VAN NATUUR­ KWALITEIT

”

INHOUDSOPGAVE

Het grote verschil tussen het landelijk gemiddelde en het Groningse cijfer heeft volgens •  Compendium voor de Leefomgeving vooral te maken met de beheertypen van Groningse gronden. Met name provincies met veel bos, heide of open duinlanschap scoren goed op deze indicator. Deze provincies hebben veel broedvogel-, vaatplant- en dagvlindersoorten waaraan de ecosysteemkwaliteit afgelezen wordt. Groningen heeft minder van deze typen landschap: er is geen heide- of duinlandschap en relatief weinig bos. Terugkijkend op de ontwikkeling van de ecosysteemkwaliteit ten opzichte van de vorige •  meetperiode (2002-2009), zien we een negatieve ontwikkeling voor Groningen en een positieve ontwikkeling voor Nederland.

> In de provincie Groningen was het aandeel landnatuur met een (sterke) toename van de kwalificerende soorten planten, vlinders en vogels ten opzichte van de vorige meetperiode lager dan landelijk: 19,3% om 27,1%. Het aandeel landnatuur met een (sterke) afname van de kwalificerende soorten lag hoger dan in Nederland als geheel: 21,3% om 17,1%. Dit zorgt ervoor dat Groningen een van de twee provincies is in Nederland waarin tussen de •  periode 2010-2017 en de voorgaande meetperiode (2002-2009) volgens deze maatstaf sprake was van een netto afname van natuurkwaliteit.

OUTCOME

46

geformuleerd.

N U L M E T I N G STRUCTURELE MONITORING NATIONAAL PROGRAMMA GRONINGEN / 2021

Sub-indicator: fijnstofemissie (PM2,5) Lokale fijnstofuitstoot draagt, samen met onder meer ‘import’10 van fijnstof uit het buitenland •  en onder invloed van weersomstandigheden bij aan hogere fijnstofconcentraties in de lucht. Dit leidt tot vermindering van de luchtkwaliteit en kan gezondheidseffecten teweegbrengen. Met name fijnstofdeeltjes met een doorsnee van minder dan 2,5 micrometer (PM2,5) zijn schadelijk voor de gezondheid11. De gemeenten zijn op het gebied van fijnstofemissie grofweg in twee categorieën te verdelen. •  In Eemsdelta, Het Hogeland en Groningen ligt de uitstoot relatief hoog, rond de 100.000 kg fijnstof per jaar. Oldambt (35.400 kg) en Midden-Groningen (54.700 kg) kennen een veel lagere uitstoot.

> In de categorie gemeenten met een relatief hoge uitstoot is sprake van een aantal uitschieters als het gaat om oorzaken van fijnstofemissie. In Eemsdelta is met name de industrie een grote uitstoter van fijnstof, goed voor zo’n 62,1% van de totale emissie in de gemeente. Voor Het Hogeland geldt dat de energiesector (37,2%) en verkeer en vervoer (31,8%) een groot aandeel in het totaal hebben. In de gemeente Groningen is door het stedelijke karakter van de gemeente sprake van belangrijk aandeel in de uitstoot van verkeer en vervoer (25,1%) en huishoudens (38,9%, bijvoorbeeld door vuurhaarden, sigarettenrook en het afsteken van vuurwerk). Voor de gemeente Groningen geldt dat hier sprake is van meer over het gebied verdeelde emissies, terwijl de emissies zich in Het Hogeland en Eemsdelta meer concentreren rondom de energie- en industriesector.

> Van de categorie gemeenten met een relatief lage fijnstofuitstoot is een minder eenduidig beeld te schetsen. In de gemeenten Oldambt en Midden-Groningen is niet zo sterk sprake van uitschieters in emissieoorzaken van fijnstof. In deze gemeenten ligt de absolute emissie ook een flink stuk lager dan in de andere drie gemeenten. Vuurhaarden voor sfeerverwarming zijn in deze twee gemeenten de belangrijkste bron van fijnstofuitstoot: 18,0% in Midden-Groningen en 19,8% in Oldambt. Dit beeld komt ook terug in de vergelijkingen met de referentiegroep. Groningen, Eemsdelta •  en Het Hogeland scoren negatiever dan de referentiegroep. Midden-Groningen presteert beter dan haar referentiegroep. Voor Oldambt geldt dat de fijnstofemissie ongeveer gelijk is aan de referentiegroep. De fijnstofemissies zijn sinds 2015 niet sterk veranderd in de vijf gemeenten. Noemenswaardig •  is wel dat er sinds 2000 een sterke reductie van fijnstofuitstoot is bewerkstelligd in vier van

47

INHOUDSOPGAVE

11

 et RIVM schat op basis van modelmatige berekeningen in dat gemiddeld twee-derde van de fijnstofconcentratie door H buitenlandse bronnen wordt veroorzaakt. In dit hoofdstuk wordt met fijnstof altijd fijnstof (PM2,5) bedoeld.

OUTCOME

10

N U L M E T I N G STRUCTURELE MONITORING NATIONAAL PROGRAMMA GRONINGEN / 2021

de vijf gemeenten. Dit is een landelijke trend die volgens het RIVM vooral te danken is aan schone motoren in het verkeer. In Het Hogeland zorgt de opening van de Eemshavencentrale in 2015 voor een netto toename van emissies sinds 2000.

Sub-indicator: broeikasgasemissies per inwoner

• Uit de cijfers blijkt dat in de regio van Nationaal Programma Groningen broeikasgasemissies per inwoner variëren van 254,8 ton CO2-equivalenten12 per inwoner in de gemeente Het Hogeland tot 5,2 ton in gemeente Groningen. Eemsdelta en Het Hogeland zijn, net als bij fijnstofemissies, de grootste uitstoters per inwoner en in absolute zin. Ook bij deze subindicator heeft de score van deze gemeenten sterk te maken met de aanwezigheid van de industrie- en energiesector.

> Bij deze indicator wordt gekeken naar feitelijke emissies van broeikasgassen in een gebied. Dat betekent dat emissies van de elektriciteitscentrales in de gemeenten Eemsdelta en Het Hogeland volledig worden toegerekend aan deze gemeenten, en niet aan de gemeenten waar de elektriciteit uit deze centrales uiteindelijk verbruikt wordt. Lokaal verbruik van elektriciteit leidt niet tot lokale emissies en wordt in deze methode dus niet meegenomen. Er is in Groningen een groot verschil tussen het toerekenen van emissies op basis van lokaal verbruik of voor de hier gehanteerde methode. 94,4% van de geregistreerde broeikasgasemissies in de gemeente Het Hogeland waren •  in 2018 toe te rekenen aan elektriciteitscentrales. Hierdoor is Het Hogeland per inwoner de meest broeikasgas-intensieve gemeente van Nederland. Als we de CO2-emissies van elektriciteitscentrales niet mee zouden nemen, zou de emissie per inwoner dalen met zo’n 240 ton. Eemsdelta heeft eveneens een hoge uitstoot door de industrie én de elektriciteitssector. Voor Eemsdelta lag het aandeel CO2-emissies door elektriciteitscentrales rond de 35,1%. Niet meenemen van de emissies van elektriciteitscentrales in de gemeente zorgt voor een daling van de emissies per inwoner met zo’n 18 ton. Aan de andere gemeenten zijn nauwelijks emissies uit de elektriciteitssector toegerekend.

Bovenstaande heeft een grote invloed op absolute emissies en ook op de cijfers per •  inwoner. Ze verklaren de koppositie van Het Hogeland en Eemsdelta als het gaat om broeikasgasemissies per inwoner. De gemeente Groningen staat op de derde plaats als het gaat om absolute emissies, maar per inwoner staat de gemeente onderaan.

48

INHOUDSOPGAVE

CO2-equivalenten zijn een maatstaf om aan te geven in welke mate een bepaald broeikasgas bijdraagt aan de opwarming van de aarde. Zo is het effect van methaan op de opwarming van de aarde 28 keer zo sterk als dat van CO2. Emissie van 1 kg methaan kan dan ook worden uitgedrukt als emissie van 28 kg CO2-equivalenten.

OUTCOME

12

N U L M E T I N G STRUCTURELE MONITORING NATIONAAL PROGRAMMA GRONINGEN / 2021

Kijkend naar de referentiegroepen ontstaat eenzelfde beeld. Het Hogeland en Eemsdelta •  scoren minder goed dan hun referentiegroep, met name door bovengenoemde ontwikkelingen. Gemeenten Groningen en Midden-Groningen doen het relatief goed ten opzichte van hun referentiegroepen.

> In de gemeente Groningen liggen zowel de emissie van CO2 als van andere broeikasgassen per inwoner het laagst van de gemeenten binnen Nationaal Programma Groningen (totaal 5,2 ton CO2-equivalent per inwoner). Naast de invloed van het relatief hoge inwonertal scoort de gemeente Groningen ook ten opzichte van haar referentiegroep goed. Het hoge aandeel studenten in de bevolking kan hier een verklaring voor zijn, doordat studenten relatief weinig energie verbruiken (bijvoorbeeld voor verkeer en vervoer).

> Voor Midden-Groningen geldt dat de uitstoot van andere broeikasgassen dan CO2, zoals methaan en lachgas per inwoner lager ligt dan in Oldambt, Eemsdelta en Het Hogeland. Deze stoffen komen onder meer vrij in de landbouw, bijvoorbeeld door koeien en bemesting. De uitstoot van CO2 per inwoner ligt in Midden-Groningen op een vergelijkbaar niveau met de gemeente Oldambt. Midden-Groningen scoort met 11,8 ton CO2-equivalenten een stuk beter dan haar referentiegroep (gemiddeld 26,2 ton). Oldambt heeft de laagste emissies per inwoner van de gemeenten binnen Nationaal Programma Groningen (11,0 ton), maar scoort ten opzichte van haar referentiegroep minder goed. Over de afgelopen jaren bezien zijn er geen grote veranderingen in de emissies van •  broeikasgassen per inwoner. Vanaf 2015 vertonen de meeste gemeenten een lichte stijging (Oldambt) of een lichte daling (Groningen, Eemsdelta en Midden-Groningen). Voor Het Hogeland is wel een flinke toename van de uitstoot te zien vanaf 2015, door de opening van de Eemshavencentrale in dat jaar.

Sub-indicator: hittestress Hittestress door warme nachten is in de zes gemeenten op dit moment nauwelijks aan •  de orde. Het percentage stedelijk oppervlak waar meer dan 14 tropische nachten per jaar voorkomen ligt in alle gemeenten dichtbij of op 0%. Alleen de gemeenten Groningen en Eemsdelta (beide 0,2%) is een klein percentage van het verstedelijkt gebied in het huidige klimaat gevoelig voor hittestress. De andere gemeenten hebben geen gebieden waar hier sprake van is. Door klimaatverandering kan hittestress een groter probleem worden in stedelijk gebied.

49

INHOUDSOPGAVE

gemeenten presteren beter dan hun referentie. Met name de gemeente Groningen heeft een

OUTCOME

Ten opzichte van de referentiegemeenten scoren de Groningse gemeenten goed. Alle • 

N U L M E T I N G STRUCTURELE MONITORING NATIONAAL PROGRAMMA GRONINGEN / 2021

veel beter resultaat dan haar referentiegemeenten. De noordelijke ligging van Groningen (en de zuidelijkere ligging van de steden in de referentiegroep) speelt hierbij een rol. De gemiddelde temperatuur en het aantal warme dagen liggen in de provincie Groningen immers lager dan gemiddeld in Nederland. De referentiegroep van de gemeente Groningen kent een percentage stedelijk oppervlak met meer dan veertien warmte nachten per jaar van 21%. In de referentiegebieden van de vijf andere gemeenten ligt het percentage tussen de 0 en 2,6%.

Sub-indicator: wateroverlast Wateroverlast gaat zowel over de neerslag die in een gebied valt als over de mate waarin die •  neerslag kan worden afgevoerd via riolering en waterwegen of kan worden opgenomen in de bodem. Voor de nulmeting is vanwege het ontbreken van goede data alleen gekeken naar hevige •  neerslag (het gemiddeld aantal dagen per jaar met minimaal 25 mm neerslag in een etmaal). Binnen de vijf Groningse gemeenten en de referentiegroepen varieert dit aantal over de afgelopen 30 jaar tussen de 0 en 3 dagen per jaar13. Uit de nulmeting blijkt dat alle vijf Groningse gemeenten relatief minder oppervlakte hebben •  met het hoogst voorkomende gemiddelde aantal hevige neerslagdagen per jaar (2-3) dan hun referentiegroep. Dat betekent dat het risico op wateroverlast als gevolg van hevige neerslag in de Groningse gemeenten minder groot is dan in de referentiegebieden14. Voor deze indicator geldt, net als voor hittestress, dat de problematiek kan toenemen •  door klimaatverandering. In de afgelopen eeuw is extreme neerslag in Nederland sterk toegenomen. Dit kan betekenen dat extra adaptieve maatregelen nodig zijn, ter voorkoming van economische en maatschappelijke schade.

50

INHOUDSOPGAVE

14

De hoogste gemeten gemiddelde neerslagcategorie die op het grondoppervlak van de Groningse gemeenten voorkomt is: 2-3 dagen per jaar met 25 mm neerslag of meer in een etmaal. De mate waarin hevige neerslag voorkomt is gemeten door het aandeel grondoppervlak per gemeente met 2-3 dagen per jaar te berekenen. Zoals opgemerkt zijn ook andere factoren dan neerslag van invloed op het risico voor wateroverlast.

OUTCOME

13

N U L M E T I N G STRUCTURELE MONITORING NATIONAAL PROGRAMMA GRONINGEN / 2021

Conclusie De provincie Groningen voldoet op dit moment nog niet aan de hoofdambitie uit het •  programmakader. Uit de cijfers blijkt dat Groningen voor aanvang van de programmaperiode slechter op de hoofdindicator Ecosysteemkwaliteit van landnatuur scoort dan landelijk. Dit heeft met name te maken met het ontbreken van landschapstypen waarin veel kwalificerende soorten voorkomen, zoals bos- of heidelandschap. Bovendien is de ontwikkeling in de afgelopen periode negatief geweest: er is sprake van een netto afname van natuurkwaliteit. Dat betekent dat er een grote opgave ligt om de doelen uit het programmakader te realiseren. De Groningse ontwikkeling van de ecosysteemkwaliteit zal eerst positiever moeten zijn dan de landelijke, om vervolgens dichter in de buurt van het landelijk gemiddelde te komen. Ook buiten natuurgebieden, bijvoorbeeld in de landbouw, kan verbetering van ecosysteemkwaliteit relevant zijn. Er zijn ook binnen deze ambitie sterke verschillen binnen de regio. Uit de cijfers blijkt dat met •  name de aanwezigheid van de energie- en industriesector in de gemeenten Het Hogeland en Eemsdelta zorgt voor een hoge emissie van fijnstof en broeikasgassen per inwoner in vergelijking met de referentiegroepen. In de gemeente Groningen zijn de emissies in absolute zin relatief hoog, maar gecorrigeerd voor het inwonertal zijn ze laag.

Midden-Groningen en Oldambt scoren ten opzichte van de overige drie gemeenten relatief goed op deze twee subindicatoren. Hittestress is alleen in verstedelijkte gebieden in enige mate aan de orde, zoals in de gemeente Groningen.

Raakvlakken met overige ambities Economische ontwikkelingen en gemeentelijke sectorstructuren hebben invloed op de •  ontwikkeling van emissies van broeikasgassen en fijnstof. Dit zien we voornamelijk in de gemeenten Eemsdelta en Het Hogeland, waar een aantal emissie-intensieve economische activiteiten plaatsvindt. Ondanks deze activiteiten scoren Eemsdelta en Het Hogeland minder goed op de indicatoren bruto toegevoegde waarde en mediaan besteedbaar huishoudinkomen dan de referentiegroepen. De aanwezigheid van emissie-intensieve sectoren in deze gemeenten vertaalt zich, met andere woorden, niet tot een gunstigere positie op het gebied van economie en inkomen.

INHOUDSOPGAVE

OUTCOME

51

N U L M E T I N G STRUCTURELE MONITORING NATIONAAL PROGRAMMA GRONINGEN / 2021

4

Bekendheid, waardering en vertrouwen

52

INHOUDSOPGAVE

N U L M E T I N G STRUCTURELE MONITORING NATIONAAL PROGRAMMA GRONINGEN / 2021

Voor de realisatie van de ambities van Nationaal Programma Groningen vormen de bekendheid met, waardering voor en het vertrouwen van inwoners in Nationaal Programma Groningen een belangrijke randvoorwaarde.

“ ”

Bekendheid met Nationaal Programma Groningen Begin 2021 is 38,0% van de Groningers •  bekend met Nationaal Programma Groningen en heeft er wel eens van gehoord. De bekendheid is het grootst in de gemeenten Eemsdelta (50,6%) en

100 80

EEMSDELTA

GRONINGEN

HET HOGELAND

MIDDENGRONINGEN

OLDAMBT

49,4%

68,1%

49,9%

52,5%

63,2%

50,6%

31,9%

50,1%

47,5%

36,8%

ja

nee

60

Het Hogeland (50,1%), in de gemeente Groningen is de bekendheid het laagst van

40

de vijf aardbevingsgemeenten (31,9%). De bekendheid met Nationaal Programma •  Groningen verschilt naar leeftijdsgroep.

20 0

Opvallend is de lage bekendheid onder de jongste leeftijdsgroep (18-34 jaar)

FIG. 1 Heeft u wel eens gehoord van het Nationaal Programma Groningen?

(18,6%) ten opzichte van de andere leeftijdsgroepen (35-49 jaar: 32,9% ; 5064 jaar: 40,3%; 65 jaar en ouder: 42,4%). Meer dan driekwart van de Groningers die Nationaal Programma Groningen kent, is bekend •  geraakt via de media, zoals krant en televisie (84,9%). 13,4% is bekend met Nationaal Programma Groningen via de website. Andere kanalen zijn via het werk (7,7%), familie of vrienden (4,9%) of via dorpenrondes (4,2%). De bekendheid met Nationaal Programma Groningen in de zes andere Groninger gemeenten •  is 24,6% en ligt lager dan in de vijf aardbevingsgemeenten.

53

INHOUDSOPGAVE

BEKENDHEID, WAARDERING EN VERTROUWEN

BEGIN 2021 IS 38% VAN DE GRONINGERS BEKEND MET NATIONAAL PROGRAMMA GRONINGEN

In januari 2021 hebben we daarom aan het Groninger Panel vragen voorgelegd over de bekendheid met Nationaal Programma Groningen, de waardering voor en het vertrouwen in Nationaal Programma Groningen. De vragen worden elk jaar aan het panel voorgelegd, waarmee we de ontwikkeling in bekendheid, waardering en vertrouwen kunnen volgen in de loop van het programma. Er is afgesproken de resultaten van de eerste uitvraag op te nemen in deze nulmeting. Ruim 3.200 Groningers hebben dit jaar de vragen beantwoord.

N U L M E T I N G STRUCTURELE MONITORING NATIONAAL PROGRAMMA GRONINGEN / 2021

Waardering voor Nationaal Programma Groningen Ruim een kwart van de Groningers die bekend zijn met het programma, spreekt begin 2021 •  haar waardering uit voor het programma (27,8%). Dit doen ze door aan te geven het eens zijn met de stelling: Dankzij Nationaal Programma Groningen is het beter wonen, werken en recreëren in Groningen. Daartegenover staat dat één op de vijf van de Groningers het oneens is met deze stelling (19,2%) en 53,0% er geen uitspraak over doet.

1,7%

6% 26,1%

0%

20

53%

40

13,2%

60

helemaal mee eens

mee eens

mee oneens

helemaal mee oneens

80

100%

neutraal

FIG. 2 Dankzij het Nationaal Programma Groningen is het beter wonen, werken en recreëren in Groningen

Vertrouwen in Nationaal Programma Groningen Begin 2021 heeft een kwart van de Groningers vertrouwen in Nationaal Programma Groningen •  in Nationaal Programma Groningen. Ruim 50% (55,5%) doet er geen uitspraak over en is neutraal.

1,9%

8% 23,3%

0%

20

11,3%

55,5%

40

60

helemaal mee eens

mee eens

mee oneens

helemaal mee oneens

80

100%

neutraal

FIG. 3 Ik heb op dit moment vertrouwen in het Nationaal Programma Groningen

54

INHOUDSOPGAVE

BEKENDHEID, WAARDERING EN VERTROUWEN

(25,2%). Daartegenover staat dat 19,3% van de Groningers begin 2021 geen vertrouwen heeft

N U L M E T I N G STRUCTURELE MONITORING NATIONAAL PROGRAMMA GRONINGEN / 2021

5

Verantwoording

55

INHOUDSOPGAVE

N U L M E T I N G STRUCTURELE MONITORING NATIONAAL PROGRAMMA GRONINGEN / 2021

5.1 Een nulmeting als onderdeel van een langjarige monitorings- en evaluatiecyclus De monitorings- en evaluatiecyclus van Nationaal Programma Groningen is erop gericht om inzicht te geven in de doelmatigheid, doeltreffendheid en impact van het programma. Hiermee wordt getracht een zo aannemelijk mogelijke verbinding te maken tussen de bestede programmamiddelen (input) en projectresultaten enerzijds en de vier programma-ambities, de brede welvaart in en het imago van Groningen anderzijds. Met andere woorden: we onderzoeken de invloed van uitgevoerde projecten in Groningen op doelvariabelen als bruto toegevoegde waarde en brede welvaart. In figuur 4 is de genoemde samenhang schematisch weergegeven. INPUT (PROJECT)

UITVOER

OUTPUT

Efficiency (doelmatigheid)

OUTCOME

IMPACT

Effectiviteit (doeltreffendheid)

Resultaten van de projecten

- Economie - Werken & leren - Leefbaarheid - Natuur & klimaat

- Brede Welvaart - Imago

FIG. 4 Samenhang: van input naar impact

56

INHOUDSOPGAVE

Ondanks dat absolute uitspraken over de effectiviteit van beleid hierdoor niet mogelijk zijn, zorgt bewustzijn van deze beperking voor realistische en betekenisvolle evaluaties.

VERANTWOORDING

Tegelijkertijd is het vinden van harde causale verbanden tussen de bovengenoemde aspecten om verschillende redenen onmogelijk. De werking van Nationaal Programma Groningen is niet los te zien van de unieke, niet-reproduceerbare sociale context van Groningen. Hierdoor valt het effect van het programma niet als in een laboratorium van haar omgeving te ‘scheiden’. Het programma kan bovendien juist werken dankzij of ondanks de aanwezigheid van contextuele factoren. Daarnaast is een groot aantal externe factoren van invloed op de programma-ambities, de brede welvaart en het imago van Groningen. Zo kan Nationaal Programma Groningen op de ambitie Economie een groot succes zijn, maar kan door macro-economische ontwikkelingen de brede welvaart flink dalen of vice versa.

N U L M E T I N G STRUCTURELE MONITORING NATIONAAL PROGRAMMA GRONINGEN / 2021

Het ontbreken van de mogelijkheid om harde causale verbanden te leggen, betekent dat het de uitdaging en opdracht van het consortium is het verband tussen Nationaal Programma Groningen en de genoemde doelvariabelen zo aannemelijk mogelijk te maken. In de aanpak van de monitorings- en evaluatiecyclus zullen wij diverse activiteiten uitvoeren om de causale validiteit van het onderzoek te maximeren: We voeren deze nulmeting uit voorafgaand aan de programmaperiode, om zo de startsituatie •  in de regio in kaart te brengen; We hebben instrumenten ontwikkeld om de doelvariabelen op een goede manier in kaart te •  brengen: de Imago-Index en de BWI-NPG; We hebben per gemeente een referentiegroep samengesteld, waarin zowel de gemiddelde •  ontwikkeling in het afgelopen jaar als over de gehele programmaperiode uitgelicht wordt; We hebben een expertteam ingericht, dat het consortium adviseert in het duiden van onder •  meer externe trends en ontwikkelingen en de werking van het programma; Vanaf 2021 voeren wij de monitoring van het programma jaarlijks uit en baseren de evaluaties •  mede hierop, zodat zowel de voortgang van de projecten als de doelvariabelen continu en langjarig in kaart gebracht wordt; De evaluaties zullen niet alleen een productevaluatie bevatten waarin naar effectiviteit •  gekeken wordt, maar ook een proces- en planevaluatie, waarin we kijken naar de wijze

waarop het programma opgebouwd is en uitgevoerd wordt; In de evaluaties zal ook expliciet aandacht worden besteed aan de perceptie van de •  werking van het programma uit drie betrokkenheidslagen: de uitvoerders van projecten, de doelgroepen van projecten en de inwoners van Groningen. Hiervoor zal onder meer gebruik worden gemaakt van het Groninger Panel, een representatief panel van ruim 7.000 Groningers.

INHOUDSOPGAVE

VERANTWOORDING

57

N U L M E T I N G STRUCTURELE MONITORING NATIONAAL PROGRAMMA GRONINGEN / 2021

5.2 Operationalisering outcome indicatoren De nulmeting vormt het vertrek- en ijkpunt voor de monitorings- en evaluatiecyclus van Nationaal Programma Groningen. In deze nulmeting is onderbouwd hoe Groningen er voorafgaand aan de programmaperiode voorstaat op de vier themagebieden waarop Nationaal Programma Groningen effect beoogt te hebben. Voor elk van de vier themagebieden staat de ambitie beschreven in het Programmakader van Nationaal Programma Groningen.

“

DE NULMETING VORMT HET ­VERTREK- EN ­IJKPUNT VOOR DE MONITORINGSEN EVALUATIE­ CYCLUS

”

In dit programmakader is tevens een monitoringsraamwerk opgenomen. Het consortium heeft dit monitoringsraamwerk in 2020 vertaald naar een definitieve set van indicatoren15. De voorgestelde indicatoren uit het monitoringsraamwerk zijn geoperationaliseerd. Voor enkele van de voorgestelde indicatoren is daarbij een alternatieve indicator gekozen. De indicatoren met betrekking tot de vier centrale programma-ambities die uiteindelijk zijn opgenomen in deze nulmeting, zijn geselecteerd op basis van de volgende criteria: De mate waarin de indicatoren daadwerkelijk het bedoelde concept (namelijk de vier ambities) •  meten. De openbare beschikbaarheid van data om te voorkomen dat nieuw onderzoek uitgevoerd •  moet worden. De beschikbaarheid van data op een bruikbaar geografisch schaalniveau, bij voorkeur op •  gemeenteniveau, zodat een vergelijking met referentiegroepen mogelijk is. De actualiteit van data: van recente datum en bij voorkeur jaarlijks geactualiseerd, zodat de •  data zoveel mogelijk betrekking heeft op de programmaperiode en jaarlijks de progressie op het doelbereik kan worden vastgesteld.

58

INHOUDSOPGAVE

15

In bijlage 1 is een overzicht opgenomen van alle indicatoren in deze nulmeting.

VERANTWOORDING

In de komende jaren worden ontwikkelingen bij externe data- en bronhouders nauwlettend gevolgd. Indien er nieuwe data beschikbaar komt die van toegevoegde waarde kan zijn voor de monitoring van de ambities en impact van Nationaal Programma Groningen zal in overleg met het programmabureau een afweging gemaakt worden het in deze nulmeting gepresenteerde raamwerk aan te passen.

N U L M E T I N G STRUCTURELE MONITORING NATIONAAL PROGRAMMA GRONINGEN / 2021

5.3 Monitoring impact: brede welvaart en imago Nationaal Programma Groningen streeft met de realisatie van de vier gekozen ambities naar een verbetering na van de brede welvaart en het imago van Groningen. Om te kunnen volgen in hoeverre de realisatie van de vier ambities daadwerkelijk deze impact heeft, is het zaak de ontwikkeling van de brede welvaart en het imago te monitoren. Bij aanvang van Nationaal Programma Groningen werd zowel het concept brede welvaart als het imago niet (frequent) op regionale schaal gemeten, zoals voor de outcome indicatoren wel het geval was. Voor beide concepten zijn ten behoeve van de monitorings- en evaluatiecyclus van Nationaal Programma Groningen meetinstrumenten ontwikkeld.

5.3.1 Brede welvaart Er is steeds meer aandacht voor het verbeteren van brede welvaart in de regio, zoals in het Regio Dealbeleid (zie ook Weterings et al. 2020 en Raspe & Stam 2019). Brede welvaart richt zich niet alleen op de economische aspecten van welvaart, zoals het bruto nationaal product, maar ook op andere aspecten, zoals de gezondheidssituatie en veiligheidsbeleving in de woonbuurt. Het gebruik van brede welvaart voor beleidsontwikkeling heeft een vlucht genomen met het rapport van de Nobelprijswinnende economen Joseph Stiglitz en Amartya Sen en de econoom JeanPaul Fitoussi (Stiglitz, Sen en Fitoussi 2009). De OECD vergelijkt sindsdien met de Better life index de brede welvaart tussen verschillende landen, gebaseerd op de voorkeur voor aspecten van brede welvaart van bezoekers van hun website. Stegeman et al. (2017) hebben deze voorkeuren gebruikt om een indicator voor bredere welvaart voor Nederland te construeren.

INHOUDSOPGAVE

VERANTWOORDING

59

Voor het versterken van regio’s is het belangrijk om brede welvaart ook lokaal te kunnen meten. Een belangrijke stap is de publicatie van de 'Regionale Monitor Brede Welvaart’ door het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS 2020). De Regionale Monitor Brede Welvaart is een dashboard van 39 indicatoren die gezamenlijk een beeld geven van de staat en ontwikkeling van brede welvaart in de gemeente of regio. Het CBS heeft er anders dan de OECD voor gekozen om de set aan indicatoren niet samen te vatten in één

N U L M E T I N G STRUCTURELE MONITORING NATIONAAL PROGRAMMA GRONINGEN / 2021

index met als belangrijkste argument dat informatie ontbreekt over de voorkeur voor de indicatoren van een representatieve groep in de samenleving (CBS 2020). Het ontbreken van een brede welvaartsindex maakt het voor beleidsmakers moeilijk om te bepalen wat de belangrijkste onderdelen zijn waarop provincie en gemeenten moeten inzetten om brede welvaart in de regio te verbeteren (zie ook Van Bavel, et al., 2019). Ten behoeve van Nationaal Programma Groningen is door onderzoekers van Aletta Advies een brede welvaartsindex voor Nederlandse gemeenten en regio’s ontwikkeld, gebaseerd op de persoonlijke voorkeuren van inwoners van de provincie Groningen16. Het meten van brede welvaart vanuit Gronings perspectief sluit aan bij de behoefte van Nationaal Programma Groningen om voor investeringen in de regio het perspectief van mensen in de regio centraal te stellen.

Methode Hybride methode voor brede welvaart Er zijn verschillende mogelijkheden om tot één maatstaf voor brede welvaart te komen. In Decancq et al. (2013) worden drie methoden besproken: data-gestuurd, normatief, en hybride. Bij een hybride methode wordt de weging van de verschillende indicatoren bepaald op basis van de gerapporteerde voorkeuren van de bevolking. De hybride methode wordt gebruikt voor het construeren van de OECD ‘Better Life Index’ en de ‘Brede welvaartindicator’ voor Nederland (Stegeman et al., 2017). Wij gebruiken deze methode voor het meten van brede welvaart in Nederlandse gemeenten en regio’s vanuit Gronings perspectief. Brede welvaart indicatoren

60

INHOUDSOPGAVE

16

E en uitgebreide versie van deze verantwoording wordt als artikel aangeboden (Ooijen, R. van, Vaart, J. van der en Mierau, J. Brede welvaartindex voor Nederlandse gemeenten en regio’s vanuit regionaal perspectief)

VERANTWOORDING

Om tot één maatstaf van brede welvaart te komen gaan we uit van het dashboard van indicatoren volgens de Regionale Monitor Brede Welvaart 2020 van het CBS (CBS 2020). De selectie van indicatoren is wetenschappelijk onderbouwd en volgt uit het rapport van de commissie Stiglitz (Stiglitz, Sen en Fitoussi 2009). De indicatoren zijn beschikbaar op gemeente (29 indicatoren), COROP of provincieniveau (10 indicatoren). Indien een indicator op gemeenteniveau ontbreekt, gebruiken we het COROP of provincieniveau. De

N U L M E T I N G STRUCTURELE MONITORING NATIONAAL PROGRAMMA GRONINGEN / 2021

meeste indicatoren worden vanaf 2012 jaarlijks gemeten. Voor iedere indicator gebruiken we de gegevens van de meest recente meting. Om alle indicatoren op een zinvolle wijze te kunnen samenvoegen tot een index, hebben wij de indicatoren omgezet naar standaardscores. Om de trend in de brede welvaartindex te kunnen bepalen gebruiken we dezelfde standaardisatiewaarden in andere jaren. We gaan daarbij uit van de gemeentelijke indeling op 1 januari 2021. Een aantal aspecten van brede welvaart zoals gedefinieerd door het CBS komen sterk met elkaar overeen. De indicatoren ‘ervaren gezondheid’ en ‘personen met één of meer langdurige ziekten of aandoeningen’ hebben bijvoorbeeld beide betrekking op de (ervaren) gezondheid van mensen. Om dubbeltelling te voorkomen, gebruiken wij het gemiddelde van deze gestandaardiseerde indicatoren om de index te bepalen. Brede welvaart vanuit Gronings perspectief Niet iedere indicator draagt in gelijke mate bij aan brede welvaart. Om het relatieve gewicht op een objectieve manier te bepalen, hebben we een online vragenlijst voorgelegd aan het Groninger Panel dat een representatieve afspiegeling is van inwoners (leeftijd 20 jaar en ouder) van de provincie Groningen. In de vragenlijst krijgen panelleden 12 keer een keuze voorgelegd tussen twee indicatoren die ‘iets’ of ‘veel’ verbeteren (de overige indicatoren blijven onveranderd).

Elk panellid krijgt een andere set aan keuzes voorgelegd (in totaal zijn er 12 verschillende sets). Op deze manier kunnen we heel nauwkeurig achterhalen hoeveel waarde inwoners van de provincie Groningen aan een verbetering van iedere indicator hechten – en wat dus de belangrijkste onderdelen zijn waarop provincie en gemeenten moeten inzetten om brede welvaart in de regio te verbeteren. Het meten van brede welvaart middels deze ‘stated preference’ methode is uitgebreid gedocumenteerd en gevalideerd in Benjamin et al. (2014).

Resultaten

61

INHOUDSOPGAVE

VERANTWOORDING

In totaal namen 3.518 van de 7.120 panelleden deel aan het onderzoek, wat een gebruikelijke respons is in het Groninger Panel. Er zijn verschillen in de respons naar leeftijd, geslacht en opleidingsniveau (vooral jongere mensen hebben een lage respons) waar we rekening mee houden in de analyse. Observaties met missende waarden voor leeftijd, geslacht, opleidingsniveau, en de vragenlijst hebben we verwijderd. Er bleven hierdoor 3.077 personen over voor de analyse.

N U L M E T I N G STRUCTURELE MONITORING NATIONAAL PROGRAMMA GRONINGEN / 2021

Figuur 5 bevat de ranking van de geschatte gewichten voor de verschillende indicatoren. Inwoners van de provincie Groningen vinden gezondheid, werkgelegenheid, (sociale omgang in) hun woonbuurt, en behoud van landschap en natuur de belangrijkste aspecten van brede welvaart, terwijl de hoogte van het opleidingsniveau als het minst belangrijk wordt gezien. Meer mensen voelen zich gezond > Meer werk beschikbaar in de regio > Meer mensen hebben een betaalde baan > Mensen zijn vaker tevreden over de omgang in hun woonbuurt > Natuur wordt minder opgeofferd voor bebouwing > Mensen zijn meer tevreden met hun woonomgeving > Mensen zijn meer tevreden over het contact met familie > Mensen voelen zich vaker veilig in hun woonbuurt > Meer mensen hebben vertrouwen in de medemens > Mensen hebben minder schulden > Meer natuurgebieden in de omgeving > Park, plantsoen of natuurgebied ligt dichterbij > Voorzieningen liggen dichterbij > Groningse economie verbetert > Luchtkwaliteit in de woonbuurt is beter > Mensen zijn meer tevreden met hun woning > Mensen zijn meer tevreden met hun vrije tijd > Minder misdrijven in de woonomgeving > Inkomens van mensen verschillen minder > Mensen houden maandelijks meer geld over > Landbouw is milieuvriendelijker > Minder mensen hebben overgewicht > Meer mensen hebben vertrouwen in de overheid > Kans dat mensen langer leven neemt toe > Mensen zijn meer tevreden

met hun reistijd > Meer mensen verrichten vrijwilligerswerk > Meer woningen hebben zonnepanelen > Kwaliteit van zwemwater in de omgeving is beter > Mensen kunnen meer uren per week werken > Meer mensen kunnen naar hbo of universiteit >

WEGING

-0,01

0,00

0,01

0,02

0,03

0,04

0,05

0,06

0,07

FIG. 5 Ranking van de geschatte gewichten voor de verschillende indicatoren

Berekenen van de Brede Welvaart Index vanuit Gronings perspectief

INHOUDSOPGAVE

VERANTWOORDING

62

De wegingsfactor van iedere CBS indicator in de brede welvaartsindex schatten we met behulp van een probit regressie. We modelleren daarbij de keuze van panelleden voor een verbetering van steeds één van de onderdelen van brede welvaart ten opzichte van de verbetering van een ander onderdeel. De steekproefverdeling naar leeftijd, geslacht en opleidingsniveau wijkt af van de populatieverdeling in de provincie Groningen. We wegen daarom onze resultaten naar leeftijd, geslacht en opleidingsniveau zodat deze representatief zijn voor inwoners van de provincie Groningen. De Brede Welvaart Index vanuit Gronings perspectief (BWI-NPG) is de somscore van de gestandaardiseerde indicatoren vermenigvuldigd met de wegingsfactor. We tellen hierbij de waarde

N U L M E T I N G STRUCTURELE MONITORING NATIONAAL PROGRAMMA GRONINGEN / 2021

van de gemeente met de laagste brede welvaart in 2019 op zodat de BWI-NPG een minimale waarde heeft van 0 (de maximale waarde in 2019 is 2,4). De BWI-NPG op provinciaal en landelijk niveau wordt berekend op basis van het gewogen gemiddelde (bevolkingsomvang) van de bijbehorende gemeenten. Naast de absolute waarde van de Brede Welvaart Index NPG berekenen we een relatieve maatstaf. Deze maatstaf geeft de relatieve brede welvaart weer ten opzichte van de overige gemeenten in Nederland en wordt berekend op basis van de absolute Brede Welvaart Index NPG voor alle gemeenten in 2019, verdeeld in 100 percentielgroepen. Gemeenten met een hoge BWI-NPG score komen in een hoge percentielgroep terecht. Naarmate de BWI-NPG score lager is, wordt een gemeente in een lagere groep ingedeeld.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12746509/1