CConstaterende datMidden-Groningen
Koppel je AI →
Document · PDF

266.2 Bijlage Methodeboek compleet

Informatiebijeenkomst 15 april 2021, gemeente Midden-GroningenBij agendapunt: Bespreken raadsbrief27.730 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

- Het model gemeente Groningen maakt duidelijk onderscheid tussen <10 ha en >10 ha zonprojecten en kleinschalige (tot 15 m ashoogte) en grootschalige windenergie. Hiermee wordt een ‘klein initiatief’ gedefinieerd op basis van de lokale context waarop het proces rondom proces- en financiële participatie wordt afgestemd. Daardoor wordt verwarring over wanneer welke vorm financiële baten van toepassing zijn voorkomen. Onderbouwing ‘maatwerk: betrokkenheid en zeggenschap omgeving’: - Voor kleine parken is binnen het model duidelijk meer ruimte voor maatwerk. Het maatwerk is bij deze omvang projecten extra belangrijk om invulling te geven aan baten naast dividenduitkering. Daarvoor de methode geen extra handvatten.

25 | 64

Witteveen+Bos | 122958/21-002.917 | Definitief 03

3.2.3

Model Windplatform

Het model Windplatform is uitsluitend bedoeld voor windenergie. Theoretisch leent een soortgelijk model zich prima voor zonneparken. Gezien het model daarvoor echter nog niet is toegepast zijn in dit methodeboek geen kenmerken opgenomen voor het model Windplatform bij kleine zonneparken.

3.2.4

Model gemeente Emmen

Afbeelding 3.4 geeft een overzicht van de kenmerken, het doel, effect en de risico’s van model gemeente Emmen toegepast op kleine initiatieven. De tekst onder de afbeelding geeft een toelichting op dit overzicht.

Afbeelding 3.4 Kenmerken, doel, effect en risico’s voor model gemeente Emmen bij kleine initiatieven

Onderbouwing ‘borging methode’: - Het model van de gemeente Emmen heeft lokaal eigendom opgenomen als vast onderdeel van het proces om tot een vergunningaanvraag te komen. - Er is sprake van een anterieure overeenkomst in de vorm van een duidelijke model-samenwerkingsovereenkomst. Omdat hiermee het beleid een duidelijk kader aangeeft, en al meerdere malen met succes is toegepast, is dit model goed te borgen. Onderbouwing ‘praktische uitvoerbaarheid’: - Het model gaat hier uit van de ondersteuning van lokale initiatieven, of om een gemeentelijke ontwikkeling in de plaats daarvan. Omdat de gemeente het Servicepunt heeft opgericht, is hierin voorzien, wat het praktisch makkelijker uitvoerbaar maakt. Voor gemeenten die deze voorziening of ervaring niet hebben kan dit lastiger zijn. - De praktische toepasbaarheid voor de gemeente is goed door transparante voorwaarden en processtappen op te nemen in het beleid. Wel blijft inzet vanuit de gemeente of ingehuurde experts gevraagd bij het begeleiden van de procedure en het lokale initiatief. Onderbouwing ‘financiële baten lokaal’: - De coöperatie is in de lead een passende strategie om lokale baten bij een initiatief van deze omvang te optimaliseren. Dit draagt bij aan de financiële baten zoveel mogelijk lokaal te laten landen.

26 | 64

Witteveen+Bos | 122958/21-002.917 | Definitief 03

-

Er is niet altijd een coöperatie of een lokaal initiatief waarmee rechtstreekse verdeling van opbrengsten bij een brede groep van deelnemers is gegarandeerd. Daarmee is er tevens sprake van een fonds waar de opbrengsten worden ondergebracht. Dat beperkt de risico’s, maar vermindert ook de transparantie over de besteding van de gelden. Bovendien worden de extra kosten voor begeleiding uit dit fonds gedekt.

Onderbouwing ‘maatwerk: betrokkenheid en zeggenschap omgeving’: - Voor kleine parken binnen het model is duidelijk ruimte voor maatwerk. Het maatwerk is bij deze omvang projecten extra belangrijk om invulling te geven aan baten en aan de lokale samenwerking.

27 | 64

Witteveen+Bos | 122958/21-002.917 | Definitief 03

4 PARTICIPATIEMETHODES VOOR LOKAAL EIGENDOM BIJ GROTE ZONNEPARKEN Lees dit hoofdstuk als… u meer wilt weten over de toepassing van de participatiemethodes op grote zonneparken. U leest in dit hoofdstuk welke participatiemethodes uit hoofdstuk 2 wel, en welke minder geschikt zijn voor toepassing op grote zonneparken. Bent u alleen nieuwsgiering naar de uitkomsten? Lees dan alleen paragraaf 4.1. Wilt u meer weten dan alleen de samenvatting, lees dan ook paragraaf 4.2.

4.1

Doel en effect methodes voor grote zonneparken

Deze paragraaf vergelijkt en beschrijft de participatiemethodes toegepast op grote zonneparken. Samenvatting De vergelijking voor grote zonneparken van de participatiemethodes zijn als volgt samengevat: - het model van de gemeenten Westerwolde en Midden-Groningen biedt de beste praktische uitvoerbaarheid voor zonneparken. Deze methode biedt duidelijke maatwerkmethodes die initiatiefnemers praktische handvatten geeft. De maatwerkprocedure dwingt lokale baten af. Bovendien is het duidelijk voor initiatiefnemers wanneer zij afspraken vast moeten leggen over participatie in de vergunningprocedure en daarvoor in het principeverzoek; - het model gemeente Groningen levert de meeste lokale baten op. Het model dwingt 100 % sociaal eigendom af. De praktische uitvoerbaarheid is echter sterk afhankelijk van het bezit van gemeentegrond. Dit vraagt om de juiste resources binnen de gemeente om dit te organiseren. De borging wordt vergemakkelijkt door gemeentegronden aan te wijzen voor zoekgebieden; - het model gemeente Emmen is goed voor lokale baten voor omgeving. Dit model ondersteunt de lokale initiatieven middels een Servicepunt, wat in de praktijk betekent dat de gemeente de ontwikkeling van de grotere initiatieven deels op zich neemt. De opbrengsten hiervan worden ondergebracht in een fonds, waarvan het grootste deel van de revenuen terugvloeien naar de gemeenschap.

Een deel van de revenuen wordt ingezet om de ontwikkelkosten te dekken.

28 | 64

Witteveen+Bos | 122958/21-002.917 | Definitief 03

Afbeelding 4.1 Vergelijking van de participatiesmethodes toegepast op zonneparken (de blauwe cel geeft aan welke methode in vergelijking het beste is binnen dat criterium en ten minste vier uit vijf punten ontvangt)1

*2

4.2

Toelichting kenmerken

Deze paragraaf geeft een toelichting op de in afbeelding 4.1 gepresenteerde kenmerken. Omdat de kenmerken van de modellen van de gemeente Westerwolde en gemeente Midden-Groningen gelijk zijn, worden deze allebei in paragraaf 4.2.1 behandeld.

4.2.1

Model gemeente Westerwolde en gemeente Midden-Groningen

De kenmerken van model Midden-Groningen zijn gelijk aan die van Westerwolde, daarom worden de modellen hieronder samen beschouwd. Het enige verschil met Westerwolde is dat de lagere bijdrage aan het duurzaamheidsfonds niet is vastgelegd in een leidraad. De gemeente Midden-Groningen stelt zich flexibel op als blijkt dat een minder groot deel met lokale participatie tot stand kan komen. Daarmee is er alleen voorafgaand en tijdens de vergunningprocedure het streven van 50 % lokaal kenbaar. Bij Westerwolde is iedere afname lokaal eigendom gekoppeld aan een toename van afdracht in het gebiedsfonds. Omdat de uitwerking van het beleid in Midden-Groningen nog in ontwikkeling is, zijn de kenmerken gelijk beschouwd.

1 2

Voor informatie over de beoordelingsschaal van de methodes in dit hoofdstuk zie hoofdstuk 2.7. Let wel: dit vraagt organisatievermogen van een gemeente, bijvoorbeeld door het opzetten van een gemeentelijk ontwikkelbedrijf.

29 | 64

Witteveen+Bos | 122958/21-002.917 | Definitief 03

Afbeelding 4.2 Kenmerken, doel, effect en risico’s voor model gemeente Westerwolde en gemeente Midden-Groningen bij grote zonneparken

Onderbouwing ‘borging methode’: - De voorwaarden voor lokaal eigenaarschap zijn in het beleid bij het model Westerwolde vastgelegd. Dit maakt dat de voorwaarden en de van daaruit verwachte processtappen en onderdelen transparant zijn voor alle betrokkenen: overheid, lokale omgeving en ontwikkelaar. Het opnemen van een anterieure overeenkomst tussen omgeving en ontwikkelaar in de voorwaarden draagt ook bij aan de borging en financiële baten. - De afdracht in het duurzaamheidsfonds of toetreding van 50 % lokaal is niet afdwingbaar, maar de praktijk laat zien dat het werkt. Waar het heeft geleid tot een praktijk waarin initiatiefnemers kiezen voor het goed invullen van de participatie in een vroeg stadium van een project. Onderbouwing ‘praktische uitvoerbaarheid’: - De praktische toepasbaarheid is voor de gemeente hoog door transparante voorwaarden en processtappen op te nemen in het beleid en door de regie bij de ontwikkelaar te laten. Wel blijft inzet vanuit de gemeente gevraagd op de maatwerkmethode. - De methode biedt behalve een plan A (50 % lokaal) ook een plan B (duurzaamheidsfonds). - Het beleid heeft geleid (bewezen in 9 zonneparken) tot een praktijk waarin initiatiefnemers kiezen voor het zorgvuldig invullen van de participatie in een vroeg stadium van een project.

- De methode zet de gemeente in een regierol waardoor de kwaliteit van de initiatieven toeneemt voordat de vergunningaanvraag ingediend wordt. Dit vraagt wel de nodige capaciteit en middelen van een gemeentelijke organisatie. - Het bestuur van een duurzaamheidsfonds en uitwerking van de besteding daarvan zorgt voor een geheel nieuwe verantwoordelijkheid die zonder andere maatregelen ook bij taken komt. Onderbouwing ‘financiële baten lokaal’: - De financiële afweging voor projectontwikkelaar en financiële revenuen voor de omgeving zijn hetzelfde door het vastleggen van de omvang van de bijdrage aan een omgevingsfonds, ongeacht of er gekozen wordt voor lokaal eigendom of voor afdragen aan een omgevingsfonds. Dit maakt dat het model Westerwolde financiële baten goed veiligstelt. - De lokale omgeving draagt bij mede eigenaarschap ook verantwoordelijkheid voor ontwikkelen, gebiedsproces en voorfinanciering en bijbehorende risico’s. Kan en wil de omgeving dit?

30 | 64

Witteveen+Bos | 122958/21-002.917 | Definitief 03

-

De bijdragen aan het duurzaamheidsfonds zijn vastgelegd in een leidraad. Deze wordt niet jaarlijks herzien. Naarmate SDE++ verder daalt neemt de benodigde grootschaligheid van initiatieven alleen maar toe om invulling te kunnen geven aan een fonds. Dit maakt de beleidsmatige terugvaloptie afhankelijk van (dynamische) marktwerking. De financiële baten van de terugvaloptie zijn momenteel dus goed geregeld, maar kunnen over een jaar zomaar onhaalbaar blijken. De financiële baten bij het niet behalen van 50% lokaal staan dan in deze methodes onder druk.

Onderbouwing ‘maatwerk: betrokkenheid en zeggenschap omgeving’: - De procesparticipatie met de omgeving wordt al in een vroeg stadium opgezet. Dit komt doordat het participatieplan al onderdeel is van het afwegingskader voor het principeakkoord en er een maatwerkmethode met onder andere de lokale omgeving gevolgd moet worden voor het opstellen van het participatieplan. Dit draagt bij aan de procesparticipatie. - Er kan gemotiveerd afgeweken worden van lokaal eigendom, is hier een kans dat in die gevallen de procesparticipatie en zeggenschap vanuit de omgeving niet uit de verf komt. - De kwaliteit van bewonersavonden zijn sterk afhankelijk van de kunde en bereidwilligheid van de initiatiefnemer. Daarmee is het maatwerk sterk afhankelijk van de initiatiefnemer. - Het primaat van een grote initiatiefnemer van buiten is een aandachtspunt. Als hiervoor de acceptatie groot genoeg is, omdat men de baten via een fonds of een lokale deelname op waarde schat, is de methode effectief. Het is afhankelijk van de lokale context of dit de beste methode is.

4.2.2

Model gemeente Groningen

Afbeelding 4.3 geeft een overzicht van de kenmerken, het doel, effect en de risico’s van model gemeente Groningen toegepast op grote zonneparken. De tekst onder de afbeelding geeft een toelichting op dit overzicht.

Afbeelding 4.3 Kenmerken, doel, effect en risico’s voor model gemeente Groningen bij grote zonneparken

31 | 64

Witteveen+Bos | 122958/21-002.917 | Definitief 03

Onderbouwing ‘borging methode’: - Het model van de gemeente Groningen heeft sociaal eigendom als uitgangspunt voor grote zonneparken. Doordat de voorwaarden voor sociaal eigendom en lokale participatie helder zijn vastgelegd in het beleid, er sprake is van een anterieure overeenkomst met de omgeving en omdat de gemeente ontwikkelt op eigen gronden is dit model ook goed te borgen: regie en zeggenschap liggen bij de gemeente zelf. Onderbouwing ‘praktische uitvoerbaarheid’: - Dit model vraagt om de juiste resources binnen de gemeente om dit te organiseren. Niet iedere gemeente kan of wil dit zelf organiseren (bijvoorbeeld in een gemeentelijk ontwikkelbedrijf). - Door zelf te ontwikkelen loopt de gemeente een hoger risico, bijvoorbeeld gemaakte ontwikkelkosten als project niet doorgaat. Daarentegen zijn de revenuen voor de gemeente ook hoger. - Dit model is gebaat bij voldoende beschikbare gronden die in gemeentelijk bezit zijn. Dit is niet voor elke gemeente het geval, maar voor gemeente Groningen wel. Het is echter geen noodzaak. Er zijn ook voorbeelden in Nederland van gemeenten die op grond van derden zelf ontwikkelen, of grote percelen opkopen voor de ontwikkeling van duurzame energie. Onderbouwing ‘financiële baten lokaal’: - De gemeente ontwikkelt zelf en de opbrengsten komen ten goede van een gemeentelijk energietransitiefonds.

Veel van de revenuen kunnen terugvloeien naar de gemeenschap. Bij grote zonneparken is vanwege de benodigde (voor)investering een klein aandeel te exploiteren door de lokale omgeving. Het aandeel van de revenuen wat terugvloeit naar de lokaal omwonenden is daarmee minder groot. Dit heeft invloed gehad op de waardering voor financiële baten. Onderbouwing ‘maatwerk: betrokkenheid en zeggenschap omgeving’: - Als een park bestaat uit enkele delen, dan geldt dit voor die delen die door derden worden ontwikkeld. Het deel dat door gemeente (in model Groningen) wordt ontwikkeld gaat voor 100 % sociaal eigendom. - Zonder fysiek eigenaar te zijn kunnen mensen wel mee mogen praten over hoe het park er uit komt te zien, bijvoorbeeld groenzones. - Ter overweging: de gemeente heeft meerdere petten: grondeigenaar, vergunningverlener, beleidsmaker en heeft daarnaast direct belang bij de revenuen van het park. Daarmee ontstaat het risico niet meer onafhankelijk te zijn. Acceptatie van projecten met dit model is dus sterk afhankelijk van de lokale context. Daar staat tegenover dat de mensen die in de buurt van een park wonen, net zo goed de inwoners van gemeente Groningen zijn. Zo wordt alle inwoners van de gemeente de mogelijkheid geboden mee te profiteren van de lusten van de energietransitie.

- Daarnaast is acceptatie van het project afhankelijk van de mate waarin voorzien wordt in mitigatie en compensatie. Hier is maatwerk mogelijk en noodzakelijk, en daarmee essentieel onderdeel van het geheel aan afspraken om succesvol te kunnen zijn.

4.2.3

Model Windplatform

Het model Windplatform is uitsluitend bedoeld voor windenergie. Theoretisch leent een soortgelijk model zich prima voor zonneparken. Gezien het model daarvoor echter nog niet is toegepast zijn in dit methodeboek de kenmerken niet vergeleken voor het model Windplatform bij grote zonneparken.

4.2.4

Model gemeente Emmen

Afbeelding 4.4 geeft een overzicht van de kenmerken, het doel, effect en de risico’s van model gemeente Emmen toegepast op grote zonneparken. De tekst onder de afbeelding geeft een toelichting op dit overzicht.

32 | 64

Witteveen+Bos | 122958/21-002.917 | Definitief 03

Afbeelding 4.4 Kenmerken, doel, effect en risico’s voor model gemeente Emmen bij grote zonneparken

Onderbouwing ‘borging methode’: - Het model van de gemeente Emmen heeft lokaal eigendom opgenomen als vast onderdeel van het proces om tot een vergunningaanvraag te komen. - Er is sprake van een anterieure overeenkomst in de vorm van een duidelijke model-samenwerkingsovereenkomst. Omdat hiermee het beleid een duidelijk kader aangeeft, en al meerdere malen met succes is toegepast, is dit model goed te borgen. Onderbouwing ‘praktische uitvoerbaarheid’: - Het model gaat hier uit van de ondersteuning van lokale initiatieven, of om een gemeentelijke ontwikkeling in de plaats daarvan. Omdat de gemeente het Servicepunt heeft opgericht, is hierin voorzien, wat het praktisch makkelijker uitvoerbaar maakt. Voor gemeenten die deze voorziening of ervaring niet hebben kan dit lastiger zijn. - Door transparante voorwaarden en processtappen op te nemen in het beleid, is ook de praktische toepasbaarheid voor de gemeente goed. Wel blijft inzet vanuit de gemeente gevraagd op het begeleiden van de procedure en het lokale initiatief. Onderbouwing ‘financiële baten lokaal’: - In de praktijk ontwikkelt de gemeente de grotere projecten met een eigen ontwikkelbedrijf (Servicepunt) en de opbrengsten worden ondergebracht in het energiefonds. Veel van de revenuen kunnen terugvloeien naar de gemeenschap, maar een deel van de opbrengsten wordt ingezet om de ontwikkelkosten te dekken.

Onderbouwing ‘maatwerk: betrokkenheid en zeggenschap omgeving’: - Door grote parken is binnen het model minder ruimte voor maatwerk, omdat in feite alleen de tweede variant (eigenaarschap met SDE) openstaat. Hoe groter het initiatief, hoe belangrijker de inzet van het Servicepunt wordt, leert de ervaring. - Daarnaast is acceptatie van het project afhankelijk van de mate waarin voorzien wordt in mitigatie en compensatie. Hier is maatwerk mogelijk en noodzakelijk, en daarmee essentieel onderdeel van het geheel aan afspraken om succesvol te kunnen zijn.

33 | 64

Witteveen+Bos | 122958/21-002.917 | Definitief 03

5 PARTICIPATIEMETHODES VOOR LOKAAL EIGENDOM BIJ WINDPARKEN Lees dit hoofdstuk als… u meer wilt weten over de toepassing van de participatiemethodes op windparken. U leest in dit hoofdstuk welke participatiemethodes uit hoofdstuk 2 wel, en welke minder geschikt zijn voor toepassing op windparken. Bent u alleen nieuwsgiering naar de uitkomsten? Lees dan alleen paragraaf 5.1. Wilt u meer weten dan alleen de samenvatting, lees dan ook paragraaf 5.2.

5.1

Doel en effect methodes voor windparken

De meeste windprojecten waren al in voorbereiding voordat het Klimaatakkoord werd ondertekend. Deze eerdere windprojecten hebben tot de nodige bestuurlijke en maatschappelijke weerstand geleid. In dit hoofdstuk zijn de methodes toch ook beschouwd voor windprojecten. Het is immers niet uitgesloten dat nieuwe windprojecten zich in de toekomst aandienen. De oproep tot dialoog (zie hoofdstuk 1.3) geldt dus ook voor deze projecten. Dit hoofdstuk kan gebruikt worden om na te denken hoe het beleid veranderd zou kunnen worden om betere resultaten te bereiken voor windprojecten. Samenvatting De vergelijkingen voor windparken van de participatiemethodes zijn als volgt samengevat: - de modellen van de gemeenten Westerwolde en Midden-Groningen bieden de beste praktische uitvoerbaarheid voor windprojecten. Deze methodes bieden duidelijke maatwerkmethodes die initiatiefnemers praktische handvatten geven. De maatwerkprocedure dwingt lokale baten af. Bovendien is het duidelijk voor initiatiefnemers wanneer zij afspraken vast moeten leggen over participatie in de vergunningprocedure; - het model Windplatform is een sterke procesaanpak. Het open planproces zorgt voor een helder proces, waarbij de lokaal omwonenden zelf inspraak hebben in de mate waarin zij eigenaar willen zijn, zeggenschap willen hebben of anders financieel willen participeren.

Het doel is om een gedragen ontwikkeling te krijgen. Waarbij het definitieve besluit over mate van zeggenschap en financiële betrokkenheid vanuit de omgeving nog gemaakt moet worden; - het model gemeente Groningen is uitsluitend bedoeld voor zonne-energie. Theoretisch leent een soortgelijk model zich prima voor windparken. Gezien het model daarvoor echter nog niet is toegepast zijn in dit methodeboek geen kenmerken opgenomen voor het model gemeente Groningen bij windparken. De gemeente Groningen is wel voornemens de systematiek van sociaal eigendom toe te passen bij windparken. Dit proces wordt echter verkend middels het Windplatform; - het model gemeente Emmen zorgt goed voor lokale financiële baten. De lokale partijen (met steun van de gemeente) of de gemeente zelf, ontwikkelen met een eigen ontwikkelbedrijf een deel van het project. Een groot deel van de revenuen komt direct ten goede aan de omgeving of landt in het energiefonds. Aandachtspunten en aanbevelingen De verkenning zoals in de methode Windplatform is een manier om voorafgaand aan de locatiekeuze en verdere uitwerking een dialoog met de omgeving aan te gaan onder welke voorwaarden een eventuele ontwikkeling tot stand kan komen, inclusief afspraken over lokaal eigendom.

34 | 64

Witteveen+Bos | 122958/21-002.917 | Definitief 03

In die zin is de methode Windplatform een methode die in veel gevallen voorafgaand aan de toepassing van de andere methoden kan worden ingezet. Dat neemt niet weg dat de methode in afgeslankte vorm zich prima leent voor procesparticipatie.

Afbeelding 5.1 Vergelijking van de participatiesmethodes toegepast op windparken (de blauwe cel geeft aan welke methode het beste is in vergelijking binnen dat criterium en ten minste vier uit vijf ontvangt)1

5.2

Toelichting kenmerken

Deze paragraaf geeft een toelichting op de in afbeelding 5.1 gepresenteerde kenmerken. Omdat de kenmerken van de modellen van de gemeente Westerwolde en gemeente Midden-Groningen gelijk beschouwd zijn, worden deze samen in paragraaf 5.2.1 behandeld.

5.2.1

Model gemeente Westerwolde en gemeente Midden-Groningen

Het model gemeente Westerwolde is niet gemaakt voor windparken. Toch wordt het model hier toegepast op windprojecten, om te kunnen leren en evalueren of gelijk beleid zou werken voor windparken. In het onderstaande overzicht (afbeelding 5.2) zijn de kenmerken weergegeven en het doel, effect en risico’s van de methode beknopt weergegeven. Na de tabel volgt een toelichting. Het model Midden-Groningen is vergelijkbaar met dat van Westerwolde. De kenmerken zijn gelijk op één na: - de gemeente Midden-Groningen stelt zich (in de huidige vorm van het beleid) flexibel op als blijkt dat een minder groot deel met lokale participatie tot stand kan komen. Daarmee is er alleen voorafgaand en tijdens de vergunningprocedure het streven van 50 % lokaal kenbaar. Bij Westerwolde is iedere afname lokaal eigendom gekoppeld aan een toenamen van afdracht in het gebiedsfonds. Omdat de uitwerking van het beleid in Midden-Groningen nog in ontwikkeling is, zijn de kenmerken gelijk beschouwd.

1

Voor informatie over de beoordelingsschaal van de methodes in dit hoofdstuk zie hoofdstuk 2.7.

35 | 64

Witteveen+Bos | 122958/21-002.917 | Definitief 03

Afbeelding 5.2 Kenmerken, doel, effect en risico’s voor model gemeente Westerwolde en model gemeente Midden-Groningen bij windparken

Onderbouwing ‘borging methode’: - De methode stelt door de maatwerkmethode duidelijke uitgangspunten en verwachtingen aan de initiatiefnemer per stap in de vergunningprocedure. Hierdoor worden afspraken meerdere malen vastgelegd en verfijnd gedurende de procedure. Hierdoor is er geen discussie over juridische borging in het publiekrechtelijk domein. De afspraken zijn immers van een privaatrechtelijke aard. - Het participatiehoofdstuk bij het principeverzoek maakt dat de gemeente zo vroeg als mogelijk op papier heeft hoe een initiatiefnemer participatie wenst in te vullen. - De anterieure overeenkomst borgt de verdere inspanning na vergunningaanvraag. - Het staat niet vast dat hierbij een juridische afdwingbaarheid geldt voor de uitgangspunten van het beleid, maar het heeft geleid tot een praktijk waarin initiatiefnemers kiezen voor het goed invullen van de participatie in een vroeg stadium van een project. Onderbouwing ‘praktische uitvoerbaarheid’: - De methode stelt door de maatwerkmethode duidelijke uitgangspunten en verwachtingen aan de initiatiefnemer per stap in de vergunningprocedure. De initiatiefnemer en gemeente weten vanaf het begin waar zij aan toe zijn. De stappen zijn inzichtelijk weergegeven in een processchema1. - De methode biedt behalve een plan A (50 % lokaal) ook een plan B (duurzaamheidsfonds).

- Het beleid heeft (bewezen in 9 zonneparken) geleid tot een praktijk waarin initiatiefnemers kiezen voor het goed invullen van de participatie in een vroeg stadium van een project. - De methode zet de gemeente in een regierol waardoor de kwaliteit van de initiatieven toeneemt voordat de vergunningaanvraag ingediend wordt. Dit vraagt wel de nodige capaciteit en middelen van een gemeentelijke organisatie. - Het bestuur van een duurzaamheidsfonds en uitwerking van de besteding daarvan zorgt voor een geheel nieuwe verantwoordelijkheid die zonder andere maatregelen ook bij taken komt.

1

https://www.westerwolde.nl/file/3700/download zie pagina 22 voor processchema ontwikkelen zonnepark

36 | 64

Witteveen+Bos | 122958/21-002.917 | Definitief 03

Onderbouwing ‘financiële baten lokaal’: - De methode stelt 50 % lokaal als uitgangspunt waaruit goed rendement te halen valt. - De leidraad schrijft geen hoogte van afdracht voor per MW, waar dit voor zonneprojecten wel het geval is. - De risico’s door de lange voorbereidingstijd en mogelijk falen van het windproject zijn in verhouding groter dan voor zonneparken. Dat betekent dat het risico van 50 % lokaal deelnemen zonder financiële hulp door een coöperatie erg moeilijk te nemen is (zeker in een vroege fase). De gemeente heeft geen lokaal fonds beschikbaar om voorfinanciering voor dergelijke projecten mogelijk te maken. - De balans tussen baten voor lokale eigenaren, omwonenden en verderaf wonende is niet goed ingevuld. Dat is voor windprojecten echter wel nodig. Anders ontstaat over de besteding in een latere fase van het project onvrede. Onderbouwing ‘maatwerk: betrokkenheid en zeggenschap omgeving’: - De methode stelt weinig eisen behalve een plan A (50 % lokaal) en plan B (duurzaamheidsfonds). Dat houdt voldoende vrijheidsgraden voor de lokale partij om later invulling aan te geven. - De kwaliteit van bewonersavonden is sterk afhankelijk van de kunde en bereidwilligheid van de initiatiefnemer. - Aandachtspunt hierbij is het primaat van een grote initiatiefnemer van buiten.

Als hiervoor de acceptatie groot genoeg is, omdat men de baten via een fonds of een lokale deelname op waarde schat, is de methode effectief. Het is afhankelijk van de lokale context of dit de beste methode is.

5.2.2

Model gemeente Groningen

Het model gemeente Groningen is uitsluitend bedoeld voor kleinschalig wind en zon, en grootschalige zonne-energie. Theoretisch leent een soortgelijk model van grootschalig zon zich prima voor windparken. Gezien het model daarvoor echter nog niet is toegepast zijn in dit methodeboek geen kenmerken vergeleken voor het model gemeente Groningen bij windparken. De gemeente Groningen is wel voornemens de systematiek van sociaal eigendom toe te passen bij windparken. Dit proces wordt echter verkend middels het Windplatform.

5.2.3

Model Windplatform

Het model Windplatform is een uitgebreide procesaanpak. Het open planproces zorgt voor een gericht proces voorafgaand aan eventuele projecten. Het doel is om een gedragen ontwikkeling te krijgen. In het onderstaande overzicht zijn de kenmerken weergegeven en het doel, effect en risico’s van de methode (afbeelding 5.3).

37 | 64

Witteveen+Bos | 122958/21-002.917 | Definitief 03

Afbeelding 5.3 Kenmerken, doel, effect en risico’s voor model Windplatform bij windparken

Onderbouwing ‘borging methode’: - Het model Windplatform heeft sociaal eigendom als uitgangspunt (vergelijkbaar met model gemeente Groningen bij grote zonneparken). De voorwaarden voor sociaal eigendom en lokale participatie zijn helder zijn vastgelegd in het beleid en er wordt gewerkt aan een overeenkomst met de omgeving. - De gemeente is voor de borging echter sterk afhankelijk van geschikte windlocaties omdat de gemeente ontwikkelt op eigen gronden. Daardoor is de methode enkel juridisch afdwingbaar in specifieke gemeenten (zoals de gemeente Groningen). Als alternatief kan een gemeente ook op grond van derden uitvoeren, of zelf grond verwerven voor dit doel, maar het wordt daar wel complexer van. Onderbouwing ‘praktische uitvoerbaarheid’: - Het open-plan proces met de omgeving is een intensief proces wat veel inzet en expertise vraagt (op gebied van omgevingseffecten, windontwikkeling, communicatie en proces begeleiding). - Dit model vraagt vroegtijdige inzet van gemeentelijke middelen en inzet voorafgaand aan besluitvorming. De methode ziet op een uitgebreid traject zonder dat er uitzicht is op een concreet project. - Het proces is alleen toepasbaar wanneer er ook daadwerkelijk intentie en ruimte is om de input van de omgeving mee te nemen in de besluitvorming. Anders is het risico op het verlies van vertrouwen vanuit de omgeving groot.

- De brede consultatie van de omgeving leidt niet zondermeer tot een consensus over projectdoorgang, maar het draagt wel bij aan acceptatie. - Doordat zowel aan de zijde van de overheid als de omgeving meerder partijen betrokken zijn vraagt de methode veel afstemming om te komen tot een eenduidig beeld. - Wanneer een gemeente na één leerproject veel ervaring heeft opgedaan en het proces soepeler kan verlopen is de praktische uitvoerbaarheid naar verwachting hoger (dan twee uit vijf). Onderbouwing ‘financiële baten lokaal’: - De gemeente ontwikkelt zelf en de opbrengsten komen ten goede van een gemeentelijk energietransitiefonds. Daarmee is het maatschappelijk rendement optimaal, waardoor de revenuen terug kunnen vloeien naar de gemeente.

38 | 64

Witteveen+Bos | 122958/21-002.917 | Definitief 03

-

Bij windparken wordt een deel van de baten ingezet om de lokale omgeving voor directe lasten te compenseren. Dat maakt dat de methode op voorhand niet alleen baten voor de gemeente maar ook de directe omwonenden veiligstelt.

Onderbouwing ‘maatwerk: betrokkenheid en zeggenschap omgeving’: - De omgeving heeft zeggenschap in de opzet van de onderzoeken en door middel van enquêtes wordt de brede omgeving gehoord bij besluitvorming. - Omgeving is in vroeg stadium op de hoogte wat lokaal eigenaarschap voor hen betekent en hoe zij zich kunnen organiseren. - Het open planproces zorgt ervoor dat de omgeving goed op de hoogte is van de te verwachten effecten van ontwikkeling. - De omgeving kan meebepalen en adviseren vanuit een brede klankbordgroep. - Onderzoeken naar effecten en afstemming met omgeving wordt naar voren getrokken zodat besluit over participatievorm en doorgang ontwikkeling goed onderbouwd gemaakt kan worden.

5.2.4

Model gemeente Emmen

Het model gemeente Emmen kan ook toegepast worden voor windparken. In het onderstaande overzicht zijn de kenmerken weergegeven en het doel, effect en risico’s van de methode (afbeelding 5.4). De teksten onder de afbeelding geven een toelichting op dit overzicht.

Afbeelding 5.4 Kenmerken, doel, effect en risico’s voor model gemeente Emmen bij windparken

Onderbouwing ‘borging methode’: - Het model van de gemeente Emmen heeft lokaal eigendom opgenomen als vast onderdeel van het proces om tot een vergunningaanvraag te komen. Omdat hiermee het beleid een duidelijk kader aangeeft, en al meerdere malen met succes is toegepast, is dit model in potentie goed te borgen. - Maar bij grote windprojecten, ligt de regie vanwege de Rijkscoördinatieregeling vaker bij het Rijk, waardoor die inzet minder zeker is. - Er is sprake van een anterieure overeenkomst in de vorm van een duidelijke model-samenwerkingsovereenkomst.

39 | 64

Witteveen+Bos | 122958/21-002.917 | Definitief 03

Onderbouwing ‘praktische uitvoerbaarheid’: - Het model gaat hier uit van de ondersteuning van lokale initiatieven, of om een gemeentelijke ontwikkeling in de plaats daarvan. Omdat de gemeente het Servicepunt heeft opgericht, is hierin voorzien, wat het praktisch makkelijker uitvoerbaar maakt. Voor gemeenten die deze voorziening of ervaring niet hebben kan dit lastiger zijn. - Door transparante voorwaarden en processtappen op te nemen in het beleid, is ook de praktische toepasbaarheid voor de gemeente goed. Wel blijft inzet vanuit de gemeente gevraagd op het begeleiden van de procedure en het lokale initiatief. - Dit komt alleen uit de verf indien de gemeente zelf nauw betrokken is bij de vergunningverlening. Onderbouwing ‘financiële baten lokaal’: - Lokale partijen, ondersteund door de gemeente, of de gemeente zelf ontwikkelen met een eigen ontwikkelbedrijf een deel van het project (20%). De opbrengsten komen ten goede van de omgeving of het energiefonds. Daarmee is het maatschappelijk rendement goed, waardoor veel van de revenuen terug kunnen vloeien naar de omgeving. - Bij windparken is meestal een groter aandeel van de revenuen voor de lokale omgeving om die voor directe lasten te compenseren. Het is daarom logischer dat een bepaald aandeel van de revenuen direct terugvloeit naar de lokaal omwonenden dan het geval is bij grote zonneparken.

- In de praktijk ontwikkelt de gemeente de grotere projecten, zoals meestal windparken, met een eigen ontwikkelbedrijf (Servicepunt) en de opbrengsten worden ondergebracht in het energiefonds. Veel van de revenuen kunnen terugvloeien naar de gemeenschap, maar een deel van de opbrengsten wordt ingezet om de ontwikkelkosten te dekken. Onderbouwing ‘betrokkenheid en zeggenschap omgeving’: - Voor windparken is binnen het model minder ruimte voor maatwerk, omdat in feite alleen de tweede variant (eigenaarschap met SDE) openstaat. Hoe groter het initiatief, hoe belangrijker de inzet van het Servicepunt wordt, leert de ervaring.

5.2.5

Modellen uit de praktijk

Model Regioplan Provincie Flevoland In het regioplan zijn windgebieden aangewezen met de eis dat er uit dat gebied slecht één ontwikkelende partij mocht komen. Daardoor waren de boerenondernemers aangewezen op elkaar. Zij hebben dus zelf het initiatief moeten nemen tot nieuwe windturbines ontwikkelen en daarover financiële afspraken te maken. Dit heeft in meerdere deelgebieden geleidt tot 80-100 % lokaal eigendom. De stelregel om slechts één initiatiefnemer te accepteren heeft bovendien geleid tot collectieve afspraken over grondvergoedingen. In Flevoland was dit een lang proces, maar het resultaat mag er wezen. Het proces heeft veel grondeigenaren en turbine-eigenaren bij elkaar gebracht. Door de opschaling en saneringsopgave zijn spanningen verruild voor een gezamenlijk project waar voor vergunningverlening >90 % van de betrokkenen in het buitengebied toegetreden waren tot de project-B.V.

40 | 64

Witteveen+Bos | 122958/21-002.917 | Definitief 03

6 VERDIEPING Lees dit hoofdstuk als… u op zoek bent naar nog meer verdieping in het onderwerp ‘lokaal eigendom en participatie’. Dit hoofdstuk biedt u de kennis waarmee u dit onderwerp doorgrondt, kan delen en kan toepassen. Wilt u voordat u deze diepte in duikt nog een verfrissing van de basiskennis? Lees dan eerst hoofdstuk 7 Dit hoofdstuk is een verzameling van relevante onderdelen die in eerste opzichte niet zo goed bij elkaar passen. Het ene thema is meer een filosofische overweging, de andere zijn praktische tips en beleidsaanbevelingen. Chronologisch leest dit hoofdstuk niet echt lekker. Kies de paragraaf die bij uw verdiepingsvraag past. Tijdens de ontwikkeling van dit methodeboek zijn twee consultatierondes gehouden. Consultatieronde 1 (interviews) had als doel ‘verbreding’. Deze verbreding is integraal verwerkt in dit methodeboek. Consultatieronde 2 (Webinar) had als doel verdieping en aanvullen methodes bij stakeholders die ermee werken. Dit hoofdstuk bevat de uitwerking van de verdiepende vragen uit deze consultatierondes. Voor deze consultatie zijn ontwikkelaars, ambtenaren, coöperaties en kennisinstellingen uitgenodigd.

De consultatie gaf een toelichting op de werkwijze en uitgewerkte methodes en bestond uit vier deelsessies: 1 verdieping op het begrip ‘lokaal eigendom’ (zie paragraaf 6.1); 2 verdieping juridische borging lokaal eigendom (zie paragraaf 6.2); 3 financiële participatie en professionaliseren omgeving (zie paragraaf 6.3); 4 verdieping van de toepassing van een gebiedsfonds (zie paragraaf 6.4); Aanvullend op de sessies is een verdieping op maatschappelijke tenders toegevoegd in paragraaf 6.5.

6.1

Wat is lokaal eigendom?

Dit methodeboek hanteert de volgende definitie van lokaal eigendom: Lokaal eigendom bij duurzame- energieprojecten is het risicodragend (mede-) ontwikkelen en -exploiteren van die energieprojecten door lokale partijen, met het oogmerk de opbrengsten ervan ook weer lokaal in te zetten voor CO2-reductie, lastenverlichting en leefbaarheid. Voor de definitie zijn twee begrippen relevant: ‘lokaal’ en ‘eigendom’. Eigendom van een energieproject is feitelijk alleen aan de orde als partijen zelf vergaand financieel betrokken zijn en er daarmee sprake is juridisch eigendom. Dus: zelf investeren en risico dragen, maar ook rechtstreeks kunnen beschikken over de opbrengsten van een energieproject en daar zeggenschap over hebben1. Eigendom is daarmee een eenduidig begrip, zonder veel interpretatieruimte.

1 Lokaal eigendom is een vorm van financiële participatie, maar niet iedere vorm van financiële participatie is lokaal eigendom . Investeren in een energieproject met obligaties of crowdfunding levert geen eigendom en zeggenschap op; dit is alleen een financieel product met een risico en een rendement.

41 | 64

Witteveen+Bos | 122958/21-002.917 | Definitief 03

Daarnaast is de definitie van ‘lokaal’ van belang: wat is een lokale partij en hoe ziet ‘opbrengsten lokaal inzetten voor CO2-reductie, lastenverlichting en leefbaarheid’ er in de praktijk uit? De betekenis van ‘lokaal’ is niet absoluut, maar relatief en kan in verschillende situaties verschillend uitgelegd worden: de directe omgeving (en wat is dat dan?), een dorp, een gemeente of provincie, of zelfs een groter gebied dat gemeente- of provinciegrenzen overschrijdt? Zijn lokale partijen altijd afkomstig uit de gemeente of de provincie? En zijn dat dan inwoners, bedrijven, instellingen? En wat is een brede deelname? Mag iedereen uit de gemeente meedoen? Wanneer is de deelname breed genoeg? Bijvoorbeeld bij een klein aantal initiatiefnemers? Hier is dus een beleidskeuze aan de orde, afhankelijk van lokale context en type project. Lokaal eigendom is onder te verdelen in twee soorten: 1 eigen energiebehoefte: een lokale eigenaar exploiteert een energieproject om zijn eigen energiebehoefte duurzaam te produceren.

Hierbij speelt de omgeving alleen een rol in de procesparticipatie, dus met meedenken over ontwerp en inpassing; 2 met de omgeving: een lokaal collectief gericht op brede deelname van de omgeving, waarbij de leden samen beslissen over de lokale inzet van de opbrengsten, zoals het verlagen van de energielasten van de leden, nieuwe duurzame projecten of collectieve voorzieningen. De intentie van de lokale initiatiefnemer is van belang voor de benadering en opzet van het project. Beide vormen van lokaal eigendom kunnen ook in één project naast elkaar bestaan.

6.1.1

Eigendom en eigenaarschap

Naast de eenduidige juridische betekenis kan het begrip ‘eigenaarschap’ gehanteerd worden. Dat gaat over mate waarin de omgeving een verregaande invloed of betrokkenheid heeft bij een project, die leidt tot een ‘gevoel van eigenaarschap’. Dat gevoel kan op verschillende manieren tot stand komen, bijvoorbeeld door een intensief proces van co-creatie en samenwerking, of het mee kunnen investeren (financiële participatie). Hiermee kan acceptatie en draagvlak verkregen worden. Lokaal eigendom zonder eigenaarschap bestaat ook. Of anders gezegd: met minder eigenaarschap. Stel dat een project veel deelnemers uit de brede omgeving weet te werven, maar weinig uit de directe omgeving. De directe omgeving ondervindt wel de overlast, maar is niet tot overeenstemming gekomen over hun betrokkenheid. In dat geval ontbreekt een mate van eigenaarschap in de directe omgeving. Dit moet een aandachtspunt zijn bij de vergelijking van lokaal eigendom en het bijbehorende draagvlak.

6.1.2

Behoud van lokaal eigendom over de looptijd van het project

Het regelen van lokaal eigendom bij de projectopzet is één ding; het vasthouden gedurende de gehele projectexploitatie is iets anders. Hoewel bij aanvang partijen de intentie zullen hebben het lokaal eigendom over de gehele looptijd van het project te behouden, kan het in de praktijk anders lopen. Bij het maken van de anterieure afspraken moet duidelijk worden vastgelegd hoe de afspraken over lokaal eigendom overgaan op een nieuwe eigenaar. Een alternatief is dat de gemeente recht op eerste koop krijgt bij verkoop, of dat er een anti-speculatiebeding wordt vastgelegd.

6.1.3

Enkele praktijkvoorbeelden zonder actief sturend beleid

Ook zijn er praktijkvoorbeelden die zonder actief sturend beleid van de gemeente een succesvolle aanpak wat betreft lokaal eigendom kennen. Hieronder zijn er drie kort toegelicht.

42 | 64

Witteveen+Bos | 122958/21-002.917 | Definitief 03

Project Fledderbosch (50 % lokaal eigendom via energiecoöperatie) In de voorverkenningsfase zijn vanuit het zonbeleid (zonder sturende uitwerking) van de gemeente Ten Boer twee locaties aangewezen voor grootschalige zonne-energie. In de verkenningsfase hebben een ontwikkelaar en het Waterschap de handen ineengeslagen. Zij hebben gezamenlijk het stakeholderproces, inclusief bewonersavond, georganiseerd. Hierbij is afgesproken het zonnepark in 50 % lokaal eigendom te realiseren, wat is vastgelegd in een intentieovereenkomst. Hiermee komt het project voor 50 % in handen van de ontwikkelaar en voor 50 % in handen van de energiecoöperatie. Ook is er een participatieplan opgesteld die het betrekken van bewoners in elke fase waarborgt. In de planfase is de vergunning aangevraagd en verleend. Het project bevindt zich nu in de contractfase. Hierin is een transportindicatie aangevraagd, de SDE-subsidie aangevraagd en toegekend en is een overeenkomst opgesteld die waardeverlies voor omwonenden compenseert. De uitvoering van participatie wordt uitgewerkt met Dorpsbelangen en de energiecoöperatie. Project Valgenweg Delfzijl (25 % lokaal eigendom via energiecoöperaties, 25 % via Groninger Seaports) In de verkenningsfase is een intentieovereenkomst getekend tussen vier partijen (Eneco, Wirsol, Groninger Seaports en Bronnen van Ons1).

Deze partijen hebben in deze verkenningsfase gezamenlijk een bewonersproces opgezet. In de planfase zijn bewonersavonden georganiseerd en heeft Bronnen van Ons (in feite als sub-B.V.) gezorgd voor de gelden om toe te treden tot de B.V. Alle partijen zijn vervolgens toegetreden als aandeelhouder. Bronnen van Ons zorgt eind 2020 tot en met begin 2021 in de contractfase samen met energiecoöperaties in de Eemsdelta voor de invulling van het 25 % lokaal eigendom. Project Pekela (30 % Pekela Duurzaam, 60 % Schoorlemmer Landbouw B.V. en 10 % Windunie) Het zonbeleid (zonder sturende uitwerking) Pekela stelt een streven naar 50 % lokaal eigenaarschap. In de verkenningsfase zochten Windunie B.V. en Schoorlemmer Landbouw B.V. de samenwerking met de lokale energiecoöperatie Pekela Duurzaam. Hiermee komt het project voor 90 % in handen van lokale partijen. Volgens de definitie van dit methodeboek is het geen 90 % lokaal eigendom, omdat één van de lokale partijen weliswaar uit de omgeving komt (sterker nog: de grondeigenaar is), maar niet het oogmerk heeft hiermee het eigen energieverbruik af te dekken of te besteden aan lokale doelen, zoals het verlagen van lasten van een brede groep omwonenden, verdere verduurzaming van de omgeving, of het verbeteren van de leefkwaliteit. Feitelijk wordt hier dus 30 % lokaal eigendom gerealiseerd. Bronnen van Ons ondersteunt het proces.

De partijen kennen wederzijds vertrouwen en een gedeelde visie waardoor geen intentieovereenkomst is opgesteld. De partijen hebben in plaats daarvan direct een aandeelhoudersovereenkomst opgesteld. In de plan- en contractfase heeft het project een anterieure overeenkomst met de gemeente gesloten, de benodigde vergunningen toegekend gekregen, SDE-subsidie toegekend gekregen en de aandeelhoudersovereenkomst afgesloten. In gezamenlijke werkgroepen wordt de landschappelijke inpassing, biodiversiteit en financiële participatie uitgewerkt. Boven genoemde projecten zijn uniek. Het is uitzonderlijk dat deze projecten geslaagd zijn onder complexe omstandigheden. Het ontbreken van actief beleid van de gemeente vraagt namelijk extra inzet van lokale coöperatie, gemeente en ‘goodwill’ van de projectontwikkelaar.

6.2

Vastleggen toetreding lokaal eigendom

Voor het vastleggen van lokaal eigendom geldt: hoe eerder hoe beter! Dat heeft te maken met de waardesprongen die in een project zitten (zie hoofdstuk 7). Toch worden vaak praktische bezwaren genoemd waarom het niet gelukt is dat eerder te organiseren. Daar gaat deze paragraaf niet op in2. De boodschap van dit methodeboek is: prioriteer het vastleggen van lokaal eigendom. Dat schept vertrouwen en geeft zekerheid en dat helpt bij alle andere praktische zaken. Deze paragraaf geeft praktische tips per fase voor het vastleggen van lokaal eigendom.

1

Begon als samenwerking tussen GrEK, Grunneger Power en Natuur en Milieufederatie Groningen. Later samenwerkend in Bronnen van Ons.

2

Maar kijk niet raar op als de ontwikkelaar een ontwikkelfee in rekening brengt bij de lokale partij als ze pas later instappen. Dus hoe sneller hoe beter.

43 | 64

Witteveen+Bos | 122958/21-002.917 | Definitief 03

Werken met een besloten vennootschap Voor de overzichtelijkheid werkt dit methodeboek met de aanname dat het lokaal eigendom geregeld wordt door middel van de toetreding tot een besloten vennootschap (B.V.). Natuurlijk zijn er meer vormen te bedenken en ook al toegepast in Nederland. Toetreden tot een B.V. is momenteel het meest gebruikelijk. Bespreek met een juridisch adviseur welke vorm het beste past bij welke situatie. Ter illustratie laat navolgend voorbeeld het geval zien dat de grondeigenaar ook risicodragend deelneemt (zie afbeelding 6.1). Ook dit hoeft niet altijd zo te zijn (zie daarvoor hoofdstuk 7).

Afbeelding 6.1 Organigram van een B.V.-structuur van een fictief project in lokaal eigendom 1

In dit voorbeeld willen drie partijen gezamenlijk een project ontwikkelen in lokaal eigendom. Om risico’s te beperken, richten ze hier elk een B.V. op. Deze B.V.’s treden toe tot de overkoepelende project-B.V. (vaak aangeduid met de term SPV2). Vanuit die project-B.V. wordt het project ontwikkeld. Voor eigen vermogen leggen zij geld in of sluiten een lening af met de project-B.V.. De project-B.V. kan zo de nodige kosten maken voor de voorbereiding van het project. Hoe kan de doorverkoop van projecten worden voorkomen? Een van de vragen die vaak terugkomt bij het vastleggen van lokaal eigendom is: hoe kan worden voorkomen dat het project wordt doorverkocht? Het samen toetreden tot één project B.V. is daarvoor een hele passende maatregel3. Bij toetreding worden namelijk verschillende overeenkomsten tussen partijen gesloten. Eén van deze overeenkomsten is een aandeelhoudersovereenkomst. Daarin regelen partijen onderling wat er gebeurt bij verkoop van de aandelen door één van de partners. Navolgende opsomming geeft een korte toelichting op vier bepalingen die helpen bij het voorkomen van (ongewenste) doorverkoop. Verkoop van aandelen is immers niet altijd ongewenst. Denk bijvoorbeeld aan een aandeelhouder die failliet gaat. Als de andere aandeelhouders dan eerste optie tot koop hebben, is dat alleen maar fijn voor alle partijen.

1 Tip: als u bezig bent met vastleggen van lokaal eigendom, maak dan eens een soortgelijk plaatje. 2 Een Special Purpose Vehicle (SPV) of buitenbalansvehikel is een vennootschap die slechts voor een enkele transactie wordt

opgericht en gebruikt. 3 Niet ieder ontwikkelaar staat daar voor open (zie hoofdstuk 7). Grote ontwikkelaars kunnen namelijk als verdienmodel juist het

doorverkopen van parken hebben.

44 | 64

Witteveen+Bos | 122958/21-002.917 | Definitief 03

-

-

-

Aanbiedingsplicht: een bepaling die er voor zorgt dat een aandeelhouder eerst moet verkopen (aanbieden) aan de andere aandeelhouder. Dit kan bijvoorbeeld als hij in strijd handelt met de gesloten overeenkomst. Meeverkooprecht: een bepaling die borgt dat alle partijen in de B.V. hun aandelen tegen dezelfde prijs en voorwaarden mogen verkopen in het geval dat één partij zijn aandeel wenst te verkopen aan een derde partij (geen medeaandeelhouder). Toetreding tot de overeenkomst: bepalingen die borgen dat een nieuwe aandeelhouder (derde partij) gebonden is aan dezelfde overeenkomst wanneer deze toetreedt tot de B.V. Bijzondere bepalingen: bij het toetreden van een lokale partij voor een bepaald percentage, kan ook bepaald worden dat dit aandeel altijd in handen dient te blijven van een lokale partij. In de aandeelhoudersvergadering kunnen aandeelhouders dan bepalen hoe zij dat begrip definiëren. Let daarbij op dat deze bepaling(en) bemoeilijkt om bij financiële tegenslagen dit aandeel te verkopen. Ter voorkoming daarvan kan bijvoorbeeld gekozen worden voor een inspanningsplicht van de andere aandeelhouders om middels de aanbiedingsplicht deze aandelen eerst over te nemen en vervolgens op zoek te gaan naar een nieuwe lokale aandeelhouder.

Een optimaal scenario Voor het gelijkwaardig betrekken van een lokale partij werkt het optimaal als deze vanaf dag één in een gezamenlijk project-B.V. deelneemt met een ontwikkelaar. Afspraken en keuzes worden voorgelegd aan de aandeelhouders. Zo worden gezamenlijke keuzes gemaakt door de initiatiefnemers. Dat gebeurt lang niet altijd. Wat kunnen gemeenten, lokale partijen en ontwikkelaars doen? Het onderstaande schema (afbeelding 6.2) is een samenvatting van alle projectstappen en praktische afspraken die kunnen worden gemaakt.

Afbeelding 6.2 Projectcyclus met publiekrechtelijk en privaatrechtelijke afspraken die te maken zijn per fase (zie ook bijlage I)

In de volgende subparagrafen zijn voor de eerste drie fasen de gewenste vast te leggen afspraken uitgewerkt. Zie bijlage III voor de bijbehorende afbeeldingen.

45 | 64

Witteveen+Bos | 122958/21-002.917 | Definitief 03

6.2.1

Voorverkenningsfase

In de voorverkenningsfase worden bij voorkeur twee dingen vastgelegd: 1 een grondcontract (of optie op de grond): de project-B.V. moet uiteindelijk kunnen beschikken over de grond. De grondeigenaar moet namelijk niet in de verleiding komen om met een hogere bieder overeenstemming te bereiken; 2 een intentieovereenkomst, waarbij de initiatiefnemers gezamenlijk overeenstemmen dat zij samen een project wensen te ontwikkelen in een bepaalde verhouding (met ruimte voor lokaal eigendom bijvoorbeeld). Bij het afsluiten van deze overeenkomst zijn de aandeelpercentages niet altijd duidelijk, maar dat doet niets af aan de intentie. De intentieovereenkomst geeft uitzicht op het gezamenlijk toetreden tot de project-B.V.

6.2.2

Verkenningsfase

In de verkenningsfase worden veel dingen duidelijk. Het is belangrijk dat dit vastgelegd wordt. Dat kan middels een nieuwe intentieovereenkomst, waarbij bijvoorbeeld een participatieplan als bijlage wordt toegevoegd. Het is belangrijk dat de aandeelpercentages van de verschillende B.V.’s in deze fase duidelijk en vastgelegd zijn.

6.2.3

Planfase

Let op! Vaak zijn de kosten tot aan deze fase beperkt. Vanaf de start van deze fase worden serieuze kosten gemaakt. Dit gaat om kosten voor milieutechnische onderzoeken, vergunningaanvragen, adviseurs, juristen en een projectleider. Als er nu nog geen afspraken liggen, neemt één van de partijen onevenredig risico. Daarvoor mag deze partij redelijkerwijs ook kosten in rekening brengen bij de anderen. Hoe langer die andere partijen wachten, hoe duurder toetreden zakelijk gezien zou moeten worden. Kortom, toets als gemeente of de basisafspraken gemaakt zijn en dat de daadwerkelijke toetreding ten minste in voorbereiding is. Voor de toetreding tot een B.V. zijn een aantal afspraken belangrijk of zelfs noodzakelijk: 1 directiestatuut en eventuele aanpassing daarvan (indien de B.V. is opgericht voor toetreding); 2 aandelenuitgifte of akte van overdracht (indien de B.V. is opgericht voor toetreding); 3 aandeelhoudersovereenkomst waarin partijen vastleggen welke besluiten met welke meerderheid genomen kunnen worden; 4 de intentieovereenkomst wordt vaak verwerkt in de aandeelhoudersovereenkomst. In deze fase kan de gemeente ook middels een anterieure overeenkomst afspraken maken met de project-B.V. Indien de voorgaande afspraken nog niet gemaakt zijn komt dit extra nauwkeurig.

6.3

Financiële participatie en professionaliseren omgeving

Zoals in paragraaf 6.2 gesteld, moet de lokale omgeving ondernemen om 50 % lokaal eigendom in te vullen. Dit vraagt van de omgeving dat men gelijkwaardig wordt aan een ontwikkelaar. Daarvoor is hetzelfde kennisniveau nodig, maar ook een budget om de ontwikkelfase te financieren. Professionalisering van de omgeving is hier noodzakelijk. De coöperatie moet hierin afwegen waar zij staat in professionaliteit. Hernieuwbare energieprojecten vragen dusdanige tijdsbesteding dat dit de vrijwilligheid van de coöperatie voorbijgaat. In de regio zijn diverse mogelijkheden om te professionaliseren, kennis op te doen, of deze kennis in te huren, bijvoorbeeld bij een coöperatieve ontwikkelaar. Momenteel wordt gewerkt aan een regionaal fonds dat ontwikkelkosten in de voorfase kan dekken. Dit is een essentieel onderdeel.

46 | 64

Witteveen+Bos | 122958/21-002.917 | Definitief 03

6.3.1

Wat is een lokale partij?

Paragraaf 6.1 liet zien dat het begrip ’lokaal’ voor meerdere uitleg vatbaar is. Hetzelfde geldt voor de definitie van een lokale partij. Dit vraagt om een beleidskeuze. Lokale partijen kunnen afkomstig zijn uit de gemeente of een ruimer gebied dat tot de lokale invloedssfeer gerekend wordt. Die partijen kunnen alle mogelijke vormen hebben: een bedrijf, een particulier, een bewonersvereniging, en energiecoöperatie, een onderwijsinstelling, een lokale overheid (gemeente, waterschap), etc., mits die partijen ook maar een lokale opzet voor ogen hebben die past bij de beleidsdoelen van de betreffende gemeente. Vooral ook het oogmerk om de opbrengsten weer lokaal in te zetten maakt het initiatief van een lokale partij ook echt lokaal. Energiecoöperaties Een logische vorm voor een lokaal initiatief is een energiecoöperatie. Hierin kunnen bewoners, maar ook bedrijven en instelling een plek hebben. Doel ervan is besluiten over het project gezamenlijk te nemen, en tot een zo breed mogelijke verdeling van de opbrengsten te komen. Hoewel een energiecoöperatie vaak als het Ei van Columbus gezien wordt, is dat nog niet vanzelfsprekend. In sommige gebieden is er nog geen coöperatie, of is men nog zoekende naar een heldere koers en opzet van de eigen organisatie. Dan bestaat het risico dat in het beleid een rol en inzet wordt verwacht die in de praktijk niet van de grond komt.

Aanvullend is een gebrek aan eigen financiële middelen een belemmering om op professioneel niveau samen te werken met meer professionele partners in een project. Wanneer een gemeente een grote rol verwacht van energie-coöperaties in de uitvoering van het beleid, verken dan in de beleidsfase: 1 hoe de lokale omgeving georganiseerd is; 2 wat nodig is om lokale omgeving beter te organiseren en te professionaliseren; 3 maar een stappenplan voor hoe om te gaan met ‘witte gebieden’ waar nog geen lokale coöperatie is.

6.3.2

Eisen aan lokale partijen

Naast lokale energiecoöperaties kunnen ook andere rechtspersonen een lokale partij zijn die een lokaal energieproject opzet. Maar hoe kunnen deze energieprojecten beoordeeld worden? Van belang is te beoordelen of en op welke manier de opbrengsten lokaal worden ingezet. Dat kan op verschillende manieren, zoals ook de geschetste methoden in dit methodeboek laten zien: 1 verduurzamen van eigen verbruik, door voor de eigen energiebehoefte energie te produceren met een wind of zonnepark. Dit kan een lokaal bedrijf of instelling zijn met een grote energievraag, waardoor eigen daken niet toereikend zijn. Van belang hierbij is dat de omgeving goed betrokken moet worden, ondanks dat er sprake is van lokaal eigendom. Mengvormen zijn ook denkbaar, door ook de omgeving van het project te laten participeren op basis van lokaal eigendom; 2 lokaal initiatief met een zo breed mogelijke deelname van inwoners, mkb-bedrijven en instellingen om de opbrengsten in te zetten voor het verlagen van de eigen energielasten. Iedere deelnemer ontvangt jaarlijks een deel van de opbrengsten. Maar wat is ‘voldoende breed’? Bij een postcoderoosproject is dat eenvoudig: per 5000Wp (zon) of 2000Wp (wind) is er minimaal één deelnemer1. Dat lijkt een goede vuistregel om ook te hanteren bij projecten met een andere exploitatie-opzet.

Dit kan vooraf niet goed worden afgedwongen of afgesproken, omdat opzet en werving gedurende een project nog sterk wijzigen en onzekerheden kennen. Van belang is dat een lokaal initiatief in de statuten, het huisreglement en de opzet van het wervingsplan laat zien dat een brede deelname het doel is; 3 naast het rechtstreeks verdelen van de opbrengsten onder de deelnemers, kunnen opbrengsten ook meer maatschappelijk worden ingezet, bijvoorbeeld voor nieuwe duurzame projecten of leefbaarheid. In dat geval is een democratische besluitvorming eveneens van belang, en dus ook een brede vertegenwoordiging door veel deelnemers. Lokale energiecoöperaties of lokale initiatiefnemers? ontwikkelen niet zelden tal van andere activiteiten, zoals het runnen van een buurtcentrum, lokaal

1 Vanaf 1 april 2021: Voor meer informatie over de nieuwe postcoderoosregeling: https://www.hieropgewekt.nl/subsidieregeling-

coöperatieve-energieopwekking.

47 | 64

Witteveen+Bos | 122958/21-002.917 | Definitief 03

4

vervoer, naschoolse opvang, het openhouden van een zwembad, bibliotheek, supermarkt of zelfs school. Het exploiteren van lokale energieprojecten kan hieraan bijdragen. tot slot is er nog een vergelijkbare, maar wel specifieke verdergaande vorm, en dat is wanneer een gemeente een fonds opzet waar lokale opbrengsten in worden ondergebracht. Hierbij ligt democratische besluitvorming bij de gemeenteraad, met het oogmerk bij te dragen aan lokale duurzaamheidsdoelen en aanverwante thema’s.

6.3.3

Voorfinanciering lokale partijen

Als een lokale partij iets wil ontwikkelen of ondernemen, dan heeft deze partij geld nodig. In de verkennende fases waar weinig zekerheid is, is het moeilijk voor lokale partijen om financiering te krijgen. Doordat coöperaties uitgesloten zijn van aansprakelijkheid zijn financiers niet bereid om geld te verstrekken. Daarnaast heeft een coöperatie die nog geen project heeft gerealiseerd te weinig eigen vermogen om risico’s te dragen of garant te staan voor financiering. Om de lokale omgeving zo gelijkwaardig mogelijk te maken is het belangrijk dat hier een oplossing voor komt. Hieronder zijn enkele oplossingsrichtingen: - wenselijk: · stimulering via fonds op niveau van de gemeente of provinciaal; · hulp via ontwikkelaars; · hulp via coöperatieve ontwikkelaar (zoals bijvoorbeeld in deze regio: Bronnen VanOns); · garantstelling gemeente; - minder voor de hand: · crowdfunding (gezien dit lang duurt om de benodigde inkomsten te genereren). Dat verzwakt de positie van de lokale partij. Met crowdfunding kan het geleende geld wel geherfinancierd worden).

6.3.4

Professionalisering lokale initiatieven

Lokale initiatieven kunnen onderling sterk verschillen. Waar de een nog in de opstartfase zit, daar heeft de ander al meerdere projecten succesvol gerealiseerd en kan deze andere coöperaties adviseren. Lokaal eigendom vergt veel expertise en inzet van een lokale partij, zoals een energiecoöperatie, met name in grote zonne- en windparken. De consultatieronde heeft verschillende instrumenten en tips naar voren gebracht ten behoeve van het professionaliseren van lokale coöperaties, en daarmee het stimuleren van lokaal eigendom. Deze zijn hieronder opgesomd: - in de opstartfase kunnen nieuwe initiatieven financiering aanvragen via het energieloket, namelijk startsubsidie1; - verken als gemeente of ontwikkelaar voor deelname aan een project samen met de lokale energiecoöperatie welke kennis en inspanning zij kunnen leveren.

En breng in kaart waar behoefte is aan extra ondersteuning, expertise en financiering om een professionele en gedragen rol te kunnen spelen in lokaal eigenaarschap; - de gemeente kan een regulier overleg coördineren met de in de gemeente actieve lokale energie coöperaties en relevante stakeholders om samenwerking en afstemming te stimuleren; - bijvoorbeeld de koepelorganisaties, zoals Groninger Energie Koepel2 en Energie Samen3 kunnen lokale initiatieven ondersteunen en adviseren bij het opstarten en uitvoeren van projecten; - lokale coöperaties kunnen ondersteund en ontlast worden bij het realiseren van lokaal eigendom in grote zonne- en windparken door een ervaren coöperatieve ontwikkelaar. Zoals bijvoorbeeld Bronnen VanOns4; - om als lokale energiecoöperatie voldoende inspanningen en expertise te kunnen leveren in de fase voor vergunningverlening is er voorfinanciering nodig. Omdat dit een risicovolle fase is in de projectontwikkeling, is dit lastig te financieren. Zeker voor een coöperatie met weinig projecten en

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12692291/1