CConstaterende datMidden-Groningen
Koppel je AI →
Document · PDF

247 3 Bijlage 3 Voortgangsrapportage Erfgoedprogramma

Raadsvergadering 4 maart 2021, gemeente Midden-GroningenBij agendapunt: Ingekomen stukken en mededelingen/Lange Termijn Agenda raad/Toezeggingen14.550 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

toegevoegd. Dit biedt echter geen garantie voor de uitvoering aangezien een versterkingsopgave nagenoeg altijd via een meervoudige aanbestedingsprocedure zal verlopen E. Bouwhistorici en Cultuurhistorici: a. Cultuurhistorische onderzoeken dienen uitgevoerd te worden door wetenschappelijk geschoolde cultuur- of architectuurhistorici met aantoonbare kennis en ervaring met metingen onderhoudsconditie conform NEN2767-Rgd BOEI. b. Bouwhistorische onderzoeken dienen uitgevoerd te worden door bouwhistorici met een erkende bouwhistorische opleiding, aantoonbare kennis en ervaring met het maken van bouwhistorische waardenstellingen. c. Bouwhistorici van de Bond van Nederlandse Bouwhistorici; http://www.bouwhistorici.nl/ d. Met minimaal vijf projecten dient de expertise te worden aangetoond. e. Na goedkeuring van de uitvoerende partij wordt de desbetreffende historicus toegevoegd aan de het expert team. F. Archeologen Archeologen moeten voldoen aan de daarvoor opgestelde kwaliteitscriteria – of ‘dient zich te houden aan de normen zoals die in de archeologische beroepsgroep gelden’. Deze criteria zijn vastgelegd in de protocollen van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA).

De KNAprotocollen bevatten de minimale inhoudelijke en ambachtelijke eisen die worden gesteld aan archeologische werkzaamheden van inventariserend onderzoek tot aan depotbeheer (het bewaren van archeologisch vondstmateriaal). Archeologen die aan deze voorwaarden voldoen kunnen door uitvoerende partij worden ingeschakeld wanneer archeologie tot de opgave behoort.

3. Kwaliteitseisen van de rapportages Per object wordt door de Erfgoedspecialist van de uitvoerende partij in samenspraak met gemeenten en de Projectleider Erfgoed (NCG) bepaald wat er m.b.t. rapportages nodig is. A. Onderhoudsconditie van het pand De onderhoudsconditie van erfgoed wordt opgesteld conform NEN2767-Rgd BOEI. De onderhoudsconditie wordt opgesteld voor Rijks- en Gemeentelijke Monumenten, niet voor erfgoed uit de overige categorieën. Als er een recent (maximaal 1,5 jaar oud) rapport van de Monumentenwacht voorhanden is van het betreffende pand en de eigenaar is bereid dit te delen,

Erfgoedprogramma 2019-2022 | 29

dan kan het rapport van de Monumentenwacht als gelijkwaardig worden beschouwd en kan de conditiemeting vervallen. B. Cultuurhistorisch onderzoek Deze is van toepassing indien het vanuit het oogpunt van cultuurhistorische, stedenbouwkundige en architectuurhistorische overwegingen een overkoepelende cultuurhistorische waardestelling nodig is, bijvoorbeeld om te bepalen of sommige onderdelen meer of minder afgewogen moeten worden. Dit gaat om de onderdelen ‘cultuurhistorische waarde’, ‘architectuurhistorische waarde’, ‘stedenbouwkundige waarde’ ‘zeldzaamheid’ en ‘mate van gaafheid van de waardenstelling. Afhankelijk van de aard van het onderzoeksobject en de vraag bestaat deze uit meerdere deel-waarde stellingen: • Algemene historische waarden • Ensemble- of stedenbouwkundige waarden • Architectonische waarden • Bouwhistorische waarden • Waarden vanuit de gebruikshistorie C. Bouwhistorisch onderzoek Er zijn drie categorieën van bouwhistorisch onderzoek: • De bouwhistorische inventarisatie, de meest ‘lichte’ variant. De bouwhistoricus onderzoekt het gebouw of gebied aan de hand van geconstateerde of vermoedelijke monumentwaarden. Dit is voor Karakteristieke, beeldbepalende panden en Beschermd stads- en dorpsgezicht voldoende • De bouwhistorische opname.

In dit onderzoek wordt de bouw- en gebruiksgeschiedenis van een object (de gebouwde structuur) en de elementen uit verschillende bouwfasen in kaart gebracht. Dit onderzoek is voor de Rijks- en Gemeentelijke monumenten een voorwaarde. • De bouwhistorische ontleding. Deze levert de bouwhistoricus een gedetailleerde documentatie van een bouwwerk of object. Hiervoor moet er vaak licht destructief onderzoek gedaan worden (later aangebrachte interieurafwerkingen (gedeeltelijk) verwijderen zoals voorzetwanden, pleisterlagen of verlaagde plafonds).

30 | Erfgoedprogramma 2019-2022

Belangrijkste onderdelen van de rapportages zijn: • Een overzicht van de bouw- en gebruiksgeschiedenis • Beschrijving bestaande situatie • De waardestelling • Feitelijke gegevens, interpretaties en waardestelling dienen in woord en beeld dienen duidelijk van elkaar te onderscheiden zijn. • Het onderzoek bevat minimaal een of meerdere plattegronden, schetsen, foto’s en tekst. • Deze foto’s in hoge resolutie (HD) zodat inzoomen op detail mogelijk is. • Het PvO (plan van onderzoek) wordt per monument door de erfgoed expert van het CVW en de gemeente opgesteld volgens de richtlijnen van de RCE. D. Archeologisch onderzoek Het opsporen en waarderen van archeologische vindplaatsen in het kader van ruimtelijke ingrepen volgens het werkproces archeologie, ook wel het proces van Archeologische Monumentenzorg (AMZ) genoemd, vindt plaats in stappen. Elke stap eindigt met de afweging of er voldoende informatie is verzameld om een afgewogen beslissing te kunnen nemen over eventuele vervolg­ acties. Het is niet in altijd nodig dat alle fasen doorlopen wordt. Elke stap of fase eindigt met een afweging of er voldoende informatie is verzameld om een afgewogen beslissing te kunnen nemen over eventuele vervolgacties. Het overleggen van een archeologisch rapport een indieningsvereiste is indien het bestemmingsplan dit voorschrijft.

Men begint met een archeologisch vooronderzoek: • Het vooronderzoek bestaat meestal uit twee fasen: het Bureauonderzoek en het Inventariserend Veldonderzoek (IVO). Deze worden afhankelijk van de situatie verdeeld in een verkennende, karterende en/of waarderende fase. De rapportages van deze onderzoeken bevatten niet alleen de noodzakelijke inhoudelijke informatie, maar zijn ook het schriftelijke bewijs dat de initiatiefnemer aan de wettelijke eis van de vergunningverlener (meestal de gemeente) heeft voldaan. • De rapportage dient aan de KAW (De Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie, een zelfbindende norm voor de archeologische beroepsgroep) te voldoen. In de KNA staan de vereisten waaraan de uitvoering van archeologisch onderzoek moeten voldoen.

BIJLAGE 2: STAND VAN ZAKEN BORGING ERFGOED In deze bijlage vindt u de stand van zaken per gemeente in april 2019. 1.

Gemeente Het Hogeland

Vanaf 1 januari 2019 vormen de gemeenten Bedum, De Marne, Winsum en Eemsmond (BMWE) samen de nieuwe gemeente Het Hogeland. In deze gemeente is de borging van erfgoed grotendeels geregeld in ruimtelijk beleid, visies, bestemmingsplannen en (erfgoed)verordeningen. Veel erfgoed en monumenten zijn eenduidig beschermd via de aanwijzing als Rijksmonument of via de ligging in een beschermd dorpsgezicht. Voor het overige is er een ‘Actieprogramma – Harmonisatie regels ruimtelijke ordening gemeente Het Hogeland’ opgesteld, op basis waarvan ook de overige ruimtelijke regelgeving gelijk wordt getrokken. Erfgoed is een belangrijk onderdeel in het ruimtelijke beleid. Actieprogramma – Harmonisatie regels ruimtelijke ordening gemeente Het Hogeland Het actieprogramma richt zich in eerste instantie op noodzakelijke harmonisatie; het vastleggen van gelijke uitgangspunten voor het nieuwe grondgebied. Het gaat dan om: • Bestemmingsplannen. De bestemmingsplannen voor de buitengebieden en de dorpen blijven eerst in stand. Daarnaast wordt wel een facetbestemmingsplan opgesteld voor algemene regelingen die voor het gehele nieuwe grondgebied van toepassing zijn, maar die nu nog per gemeente verschillen (voor bedrijven aan huis, Bed& Breakfast, Ruimte-voor-Ruimte, Versterkingsopgave aardbevingen etc.). • Welstand. De welstandscriteria voor verschillende gebieden kunnen eerst in stand blijven.

Wel is harmonisatie nodig voor de algemene welstandscriteria, zoals bijvoorbeeld de excessenregeling, en thematische criteria, zoals reclame, windturbines en dergelijke. • Uitvoeringsregelingen (erfgoedverordening). De erfgoedverordeningen voor de BMWEgemeenten zijn grotendeels opgesteld conform het VNG-model, maar zijn niet allemaal gelijk of actueel. De erfgoedverordening van Eemsmond is het meest recent. Deze wordt als voorbeeld aangehouden voor de vaststelling van een nieuwe verordening voor het nieuwe grondgebied. De nieuwe facetbestemmingsplannen, gezamenlijke regelingen en verordeningen zullen in 2019 zo snel mogelijk worden vastgesteld.

Karakteristieke panden Er zijn en worden door de BMWE-gemeenten facetbestemmingsplannen vastgesteld die de bescherming van karakteristieke panden moeten borgen. De facetbestemmingsplannen van Eemsmond en Bedum zijn vastgesteld (Bedum nog niet onherroepelijk). Die voor De Marne en Winsum volgen in 2019. Voor De Marne is de inventarisatie van panden onlangs afgerond.

Omgevingsvisie en verder Verder is bij de harmonisatie van het beleid ook vooruitgekeken naar de implementatie van de omgevingswet. Alle BMWE-gemeenten hadden bijvoorbeeld (structuur)visies als basis voor het ruimtelijke beleid. De visies van Eemsmond (nota Kernkwaliteiten Cultuurhistorisch Erfgoed) en De Marne (structuurvisie) zijn geschreven vanuit een vrij uitgebreide landschappelijke en cultuurhistorische analyse. Voor Bedum en Winsum wordt momenteel een vergelijkbare analyse opgesteld, zodat de gemeente bij beleidskeuzes ten aanzien van ruimte, erfgoed en landschap voor het hele grondgebied vergelijkbare ‘ruimtelijke onderleggers’ kan hanteren.

2. Gemeente Loppersum Op 5 maart 2018 stelde de gemeenteraad het bestemmingsplan Cultureel Erfgoed vast. In het bestemmingsplan zijn rijksmonumenten, karakteristieke panden, karakteristieke gebieden en beschermde dorpsgezichten opgenomen. Er zijn ongeveer 330 karakteristieke panden en karakteristieke gebieden met circa 1500 panden aangewezen. Er worden dus meer dan 1800 panden beschermd dankzij het bestemmingsplan. De karakteristieke panden en karakteristieke gebieden worden hier weergegeven: www.bugelhajema.nl/karakteristiekepandenloppersum In het bestemmingsplan zijn planologische regels opgenomen ter bescherming van erfgoed. Voor het slopen van een karakteristiek pand of een pand in een karakteristiek gebied moet een omgevingsvergunning aangevraagd worden. Voor karakteristieke panden wordt het uitgangpunt ‘behoud waar mogelijk, sloop als het niet anders kan’ gehanteerd. Aan de hand van een deskundigen rapport moet een afweging gemaakt worden tussen veiligheid, cultuurhistorische waarde en gebruikswaarde. Het plan wordt uitgewerkt volgens de maatwerkmethode. Uitgangspunt bij karakteristieke

Erfgoedprogramma 2019-2022 | 31

gebieden is ‘sloop kan, maar geen gat zonder plan’. Er dient een passende (her)invulling plaats te vinden. Daarnaast kent de gemeente Loppersum 128 rijksmonumenten en wordt er gewerkt aan de Erfgoedverordening. In aanloop van de Erfgoedverordening is voor vier panden in de gemeente de intentieverklaring gemeentelijk monument afgegeven. Bij vaststelling van de verordening worden deze panden opgenomen als gemeentelijk monument.

bebouwing. De karakteristieke gebouwen vertegenwoordigen een cultuurhistorische waarde en zijn bepalend voor het landschap en de identiteit van de kernen in de gemeente. Het gaat om een selectie van de gebouwen tot het bouwjaar 1960. De inventarisatie zal resulteren in een lijst van karakteristieke gebouwen en objecten. Na vaststelling van de lijst zullen de karakteristieke gebouwen via een bestemmingsplan beschermd gaan worden. Dit gebeurt door een regeling in het nog op te stellen Facetbestemmingsplan Cultuurhistorie op te nemen. De regeling zet in op het behoud van de gebouwen. Het slopen van deze gebouwen zal dan niet meer zonder meer mogelijk zijn.

3. Gemeente Appingedam

Karakteristieke gebieden

In de gemeente Appingedam is de borging van erfgoed geregeld in de gemeentelijke erfgoedverordening. Het gaat hierbij om ruim honderd Rijksmonumenten, waarvan een kwart archeologische Rijksmonumenten en een vijftiental gemeentelijke monumenten. Daarnaast heeft de gemeente Appingedam een beschermd stadsgezicht (stadshart Appingedam) en een beschermd dorpsgezicht (Marsum). De bescherming hiervan ligt vast in de bestemmingsplannen. Een nieuwe lijst van karakteristieke panden is in de maak. De bescherming hiervan zal worden vastgelegd in de erfgoedverordening en in een nog te ontwikkelen pilot-omgevingsplan.

Ook zal de gemeente karakteristieke gebieden gaan aanwijzen. Het betreffen historische kernen van een aantal dorpen in de gemeente en de stad Delfzijl. De karakteristieke gebieden zullen een veel lichtere bescherming krijgen dan karakteristieke gebouwen. Het gaat hier niet om behoud van individuele gebouwen, maar om het stedenbouwkundig en landschappelijk beeld. De schaal, maat en samenhang in het dorpsbeeld zullen gewaarborgd worden met een regeling in het nog op te stellen Facetbestemmingsplan Cultuurhistorie.

Nota Cultuurhistorie 4. Gemeente Delfzijl Rijksmonumenten De gemeente Delfzijl heeft 132 Rijksmonumenten. Hiervan zijn er 22 aangewezen als Archeologisch monument en 110 als Gebouwd monument.

In 2016 heeft de gemeenteraad de Nota Cultuurhistorie en de bijbehorende Cultuurhistorische Waardenkaart vastgesteld. In de nota en op de kaart staan cultuurhistorisch geografische waarden die nog zichtbaar zijn in het landschap en die de gemeente graag wil beschermen. Dit zijn bijvoorbeeld historische wandelwegen, kerkpaden, groensingels, historische spoorlijnen, verkavelings­ patronen, oude dijken en vestingterreinen.

Beschermd dorpsgezicht De gemeente Delfzijl telt drie Beschermde dorpsgezichten; Spijk, Termunterzijl en Uitwierde. De Beschermde dorpsgezichten zijn van rijkswege aangewezen.

5. Gemeente Groningen Vanaf 1 januari 2019 vormen de gemeenten Groningen, Ten Boer en Haren samen de gemeente Groningen.

Gemeentelijke monumenten In de gemeente Delfzijl zijn geen gemeentelijke monumenten aangewezen. De gemeente beschikt wel over een Erfgoedverordening die de mogelijkheid biedt om gemeentelijke monumenten aan te wijzen. Hier wordt niet actief gebruik van gemaakt.

Karakteristieke gebouwen Om een proactieve rol te kunnen vervullen met betrekking tot het behoud van de karakteristieke gebouwen, werkt de gemeente Delfzijl aan een gemeente-brede inventarisatie van karakteristieke

32 | Erfgoedprogramma 2019-2022

In de voormalige gemeente Groningen bevinden zich • 637 bovengrondse rijksmonumenten en 32 archeologische rijksmonumenten. Conform de RCE-telmethode • 775 bovengrondse gemeentelijke monumenten (inclusief 214 GM Light) en 22 archeologische gemeentelijke monumenten • 88 karakteristieke panden (niet conform POV) in het landelijk gebied (Bestemmingsplan Buitengebied en Lintdorpen)

• 2808 beeldbepalende panden (geen juridische status, niet volledig, wel een titel om voor een subsidie ‘beter verbeteren’ in aanmerking te komen) • 8 beschermde stadsgezichten: Binnenstad, Bloemenbuurt, Korrewegwijk, Oosterpoort-Oost, Petrus Campersingel, Schildersbuurt, Verlengde Hereweg, Zuiderpark

In de voormalige gemeente Ten Boer bevinden zich • 32 bovengrondse rijksmonumenten en 10 archeologische rijksmonumenten. Hierbij volg ik de RCE-telmethode. • 23 bovengrondse monumenten en 0 archeologische gemeentelijke monumenten • 122 karakteristieke panden (conform POV) in de kernen (142 als je dubbelingen met gemeentelijke monumenten ook meetelt). De 24 woningen aan de Hamplaats in Ten Boer tel ik als één. • 32 beeldbepalende panden (conform POV) in het buitengebied (35 als je dubbelingen met gemeentelijke monument ook meetelt) • 1 beschermd stads- en dorpsgezicht: Lellens

In de voormalige gemeente Haren bevinden zich • 79 bovengrondse rijksmonumenten en 1 archeologische rijksmonument conform de RCE-telmethode. • 87 bovengrondse gemeentelijke monumenten en 1 archeologisch gemeentelijk monument. • 19 karakteristieke panden (niet conform POV) in Noordlaren • 0 karakteristieke panden (conform POV) • 0 beeldbepalende panden (geen juridische status, niet volledig, wel een titel om voor subsidie ‘beter verbeteren’ in aanmerking te komen) • 1 beschermd stads- en dorpsgezicht: Rijksstraatweg

In de nieuwe gemeente Groningen bevinden zich dus: • 748 bovengrondse rijksmonumenten en 43 archeologische rijksmonumenten. Hierbij volg ik de RCE-telmethode. • 885 bovengrondse gemeentelijke monumenten en 23 archeologische gemeentelijke monumenten. • 122 karakteristieke panden (conform POV) => Alleen in de vm. gemeente Ten Boer. Zie kopje Ten Boer. • 32 beeldbepalende panden (conform POV) => Alleen in de vm. gemeente Ten Boer. Zie kopje Ten Boer.

• 107 karakteristieke panden (niet conform POV) => vm. gemeente Haren en Groningen Alle informatie is terug te vinden op Erfgoedkaart van de gemeente. wIn december 2017 heeft de gemeenteraad een nieuwe erfgoednota vastgesteld. Een van de belangrijkste en meest urgente actiepunten uit de nota is de complete inventarisatie en waardering van onbeschermd erfgoed binnen de gemeentegrenzen (inclusief de herindelingsgebieden). De werkzaamheden betreffen een aanvulling op de bij de gemeente bestaande kennis op het gebied van archeologie, bouwhistorie, cultuurhistorie, architectuur- en stedenbouwhistorie en historische geografie. De inventarisatie en waardering betreft objecten, structuren en gebieden. Op grond van de uitkomst van de inventarisatie en waardering zal een beleidsadvies worden opgesteld, met voorstellen voor bescherming van cultuurhistorische waarden (onder andere vanwege de Provinciale Omgevingsverordening). Voor al deze werkzaamheden is in december 2018 een Europese aanbesteding afgerond. De werkzaamheden zullen voor het gebied van de gemeente Groningen en Ten Boer in 2019 worden uitgevoerd, en voor het gebied van de gemeente Haren in 2020.

Op zijn vroegst in de tweede helft van 2020 zal de gemeente op grond van de uitkomsten van de inventarisatie en waardering en het beleidsadvies een besluit nemen over aanvullende bescherming van erfgoedwaarden in de nieuwe gemeente Groningen. Dat kan ook niet veel eerder, omdat er een twee jarige overgangs termijn geldt. Daarna kan de planologische borging van onder andere karakteristieke panden pas plaatsvinden.

6. Midden Groningen De gemeente Midden-Groningen heeft circa 1.200 vastgestelde karakteristieke objecten. Deze objecten krijgen hun juridische borging in het facetbestemmingsplan karakteristieke objecten. De gemeenteraad zal naar verwachting op 20 december 2018 het bestemmingsplan vaststellen. Alle karakteristieke panden hebben dan een sloopbescherming. Bij sloopaanvragen wordt steeds een afweging gemaakt ten aanzien van de cultuurhistorische waarde, gebruiksmogelijkheden, kosten en veiligheid. Daarbij moet aangetoond worden dat behoud van het pand in redelijkheid niet mogelijk is. Naast deze objecten heeft de gemeente 156 rijksmonumenten, 2 rijks beschermde dorpsgezichten en 84 gemeentelijke monumenten. Op dit moment wijst de gemeente nieuwe gemeentelijke monumenten aan. Er zijn 120 panden geselecteerd om deze status te krijgen. De procedure tot aanwijzing loopt. Naar verwachting zal de gemeente medio 2019 een aantal van 200 gemeentelijke monumenten kennen. Gemeentelijke monumenten mogen nooit gesloopt worden. Alle erfgoedpanden zijn te vinden op de gemeentelijke website www.midden-groningen.nl/ erfgoed

Erfgoedprogramma 2019-2022 | 33

7. Oldambt • Per januari 2019 valt ook de gemeente Oldambt onder het aardbevingsgebied. De gemeente Oldambt is in 2010 ontstaan uit een fusie van de voormalige gemeenten Winschoten, Scheemda en Reiderland. • De gemeente Oldambt kent 214 rijksmonumenten. • In de gemeente Oldambt liggen vier beschermde dorpsgezichten. Het gaat hier om het historisch hart van Bad Nieuweschans, Oostwold en Oostwold Uitbreiding en Nieuw-Beerta. In de gemeente Oldambt ligt 1 gebouwd gemeentelijk monument. De bescherming hiervan is geregeld in de gemeentelijke erfgoedverordening 2010.

Karakteristieke panden De provincie Groningen heeft de gemeente via de Provinciale Omgevingsverordening (POV) verplicht om karakteristieke panden in het buitengebied te inventariseren en te beschermen tegen (gedeeltelijke) sloop. De gemeenteraad heeft in 2016 middels een motie het gemeentebestuur opgedragen om ook karakteristieke panden in de kernen (de dorpen) te beschermen. Daarnaast heeft de gemeente ook een maatschappelijke plicht om ons cultuurhistorisch waardevol erfgoed voor toekomstige generaties te bewaren. De gemeente heeft in het kader van de actualisatie van bestemmingsplannen in de afgelopen jaren bijzondere beeldbepalende panden aangewezen als zijnde karakteristiek. Ca. 60% van de karakteristieke panden zijn nu geïnventariseerd en aangewezen. De inventarisaties worden gedaan door Libau. Sinds 2018 worden ook bewoners, belanghebbenden en vertegenwoordigers van historische verenigingen en Dorpsbelangen betrokken bij de inventarisatie middels een werkgroep. In totaal zijn er nu 428 objecten aangewezen als karakteristiek en zijn er daarnaast nog eens 126 objecten geïnventariseerd. Voor vier bestemmingsplannen moeten de panden nog geïnven­ tariseerd worden. Dit staat voor de komende twee jaar gepland.

• Bestemmingsplan Nieuw-Scheemda, ’t Waar, Nieuwolda en De Kamp – 74 objecten (geïnventariseerd) • Bestemmingsplan Bad Nieuweschans – 40 objecten (geïnventariseerd) De volgende bestemmingsplannen moeten nog worden geactualiseerd en karakteristieke panden in opgenomen worden: • Winschoten Zuid en Lanengebied • Scheemda • Nieuw Beerta • Beerta Finsterwolde • Drieborg • Ganzedijk/Hongerige Wolf • Heiligerlee • Westerlee • Bedrijventerreinen Winschoten • Bolwerk • Blauwestad Bij sloopaanvragen van karakteristieke panden wordt steeds een afweging gemaakt ten aanzien van de cultuurhistorische waarde, gebruiksmogelijkheden, kosten herstel/nieuwbouw, stedenbouwkundige/landschappelijke waarde, landschappelijk inpassing nieuwbouw en eventueel toekomst bedrijfsvoering.

Erfgoedstrategie De gemeente Oldambt heeft in plaats van een erfgoednota in 2016 de erfgoedstrategie vastgesteld. Kernwaarden van deze strategie zijn bijdragen aan trots en identiteit, integraal inzetten, en zichtbaar en beleefbaar maken van erfgoed.

Archeologienota en archeologische beleidskaart Aanwijzingen en inventarisaties d.d. 20-03-2019: • Bestemmingsplan Buitengebied – 265 objecten (definitief vastgesteld) • Bestemmingsplan Winschoten Centrum – 53 objecten (definitief vastgesteld) • Bestemmingsplan Parkwijk, Bloemenbuurt en Stadspark – 12 objecten (definitief vastgesteld) • Bestemmingsplan Midwolda Oostwold – 98 objecten (definitief vastgesteld) • Bestemmingsplan Eextahaven – 12 objecten (voorontwerp vastgesteld) 34 | Erfgoedprogramma 2019-2022

In 2010 heeft Libau in opdracht van de gemeente Oldambt een archeologienota en beleidskaart opgesteld. Hierin staat omschreven hoe de gemeente met haar archeo­logisch erfgoed omgaat.

BIJLAGE 3: PROVINCIALE OMGEVINGSVERORDENING (POV) Wijziging POV Borging erfgoed In werking gesteld op 15 december 2018 (Uitsnede) In artikel 2.6 wordt na het tweede lid een nieuw derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt: 3. In afwijking van artikel 4.1, tweede lid, van de Wet ruimtelijke ordening moet een bestemmingsplan dat betrekking heeft op het aardbevingsgebied, bedoeld in artikel 2.7, onder a, of op het buitengebied van de niet binnen het aardbevingsgebied gelegen gemeenten, uiterlijk op 15 juli 2019 in overeenstemming met artikel 2.9.1 worden gebracht. B. Artikel 2.7 wordt gewijzigd als volgt: 1. Onderdeel e wordt vervangen en komt te luiden: e. karakteristieke gebouwen: gebouwen die van cultuurhistorische waarde zijn op grond van karakteristieke hoofdvorm, architectuur, landschappelijke en/of stedenbouwkundige situering, bijdrage aan de herkenbaarheid van de omgeving, gaafheid of zeldzaamheid; 2. Onder verlettering van de onderdelen e en f tot de onderdelen f en g, wordt een nieuw onderdeel e ingevoegd, dat luidt als volgt: e. deskundige: 1. de gemeentelijke monumentencommissie, 2. een onafhankelijke deskundige op het gebied van cultuurhistorie, of 3. e en bij de gemeente werkzame deskundige op het gebied van cultuurhistorie die voldoet aan de kwaliteitscriteria uit de gemeentelijke Verordening kwaliteit vergunningverlening, toezicht en handhaving omgevingsrecht;

3. Er wordt een nieuw onderdeel h ingevoegd, dat luidt als volgt: h. voorziening: bouwkundige of bouwtechnische maatregel aan een gebouw die strekt tot verbetering van de gebruiksfunctie, waaronder begrepen de daarbij noodzakelijke opheffing van gebreken aan de constructieve veiligheid. C. Artikel 2.9.1 wordt vervangen en komt te luiden: Artikel 2.9.1 Bescherming beeldbepalende en/of karakteristieke gebouwen 1. Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op het aardbevingsgebied en op het buitengebied van de niet binnen het aardbevingsgebied gelegen gemeenten stelt regels ter bescherming van de hoofdvorm van karakteristieke en beeldbepalende gebouwen. 2. De in het eerste lid bedoelde regels bevatten in ieder geval een verbod om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning een karakteristiek gebouw geheel of gedeeltelijk te slopen. 3. Het in het tweede lid bedoelde vergunningstelsel bevat in ieder geval een toetsingscriterium op grond waarvan een omgevingsvergunning niet kan worden verleend zonder dat is onderzocht of zinvol hergebruik van het gebouw overeenkomstig de geldende bestemming of een andere, uit oogpunt van een goede ruimtelijke ordening, passende bestemming objectief gezien mogelijk is al dan niet na het treffen van voorzieningen aan het gebouw. D. Artikel 2.9.2 wordt vervangen en komt te luiden: Artikel 2.9.2 Rechtstreeks werkende regel aardbevingsgebied. 1.

Tot het tijdstip dat het bestemmingsplan in overeenstemming is gebracht met artikel 2.9.1 of bij het ontbreken van een bestemmingsplan, is het verboden om een gebouw dat gelegen is binnen het aardbevingsgebied geheel of gedeeltelijk te slopen.

Erfgoedprogramma 2019-2022 | 35

2. Het eerste lid is niet van toepassing voor zover het sloop betreft: a. ten behoeve van gewoon onderhoud en herstel; b. van inpandige delen van een gebouw; c. ten behoeve van het uitvoeren van destructief onderzoek; d. die noodzakelijk is ter voorkoming van instortingsgevaar en daarbij sprake is van een acute bedreiging van de veiligheid van personen of beschadiging van omliggende bebouwing en andere maatregelen het instortingsgevaar niet kunnen voorkomen; e. van gebouwen die op grond van de Erfgoedwet of gemeentelijke erfgoed­verordening zijn beschermd; f. van een gebouw dat volgens een in het kader van artikel 3.1.6, vijfde lid, van het Besluit ruimtelijke ordening verricht onderzoek of - vooruitlopend daarop - een advies van een deskundige niet karakteristiek is; g. van een gedeelte van een karakteristiek gebouw waarbij de karakteristiek volgens het advies van een deskundige niet onevenredig wordt aangetast. 3. In afwijking van het eerste lid kan voor het geheel of gedeeltelijk slopen van een karakteristiek gebouw - met toepassing van artikel 2.12, aanhef en eerste lid, onder c, gelezen in samenhang met artikel 2.27 van de Wabo en artikel 6.6. van het Bor - een omgevingsvergunning worden verleend als deugdelijk wordt onderbouwd dat vergunningverlening in overeenstemming is met de in voorbereiding zijnde bestemmingsplanregels als bedoeld in artikel 2.9.1.

36 | Erfgoedprogramma 2019-2022

Bi jla bi g jd eb e N eh PR or e 20 nd 18 e

BIJLAGE 4: BIJLAGE K (INFORMATIEF) – MONUMENTEN IN DE NPR Beoordelen veiligheid van monumenten en noodzaak tot versterken K.1 Algemeen

Uit tot dusver uitgevoerd onderzoek blijkt dat bij toepassing van eerdere versies van NPR 9998 veel monumenten versterking behoeven. We onderscheiden rijks-, provinciale- en gemeentelijke monumenten, die alle vallen onder de bescherming van de Erfgoedwet en provinciale en gemeentelijke verordeningen en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Daarnaast kennen we de begrippen karakteristieke panden, beeldbepalende panden en beschermde stads- en dorpsgezichten. Deze vallen niet onder de monumentenbescherming. Monumenten vallen onder bestaande gebouwen. De aanbevelingen uit NPR 9998 zijn dus ook op monumenten van toepassing. Deze aanbevelingen zijn gebaseerd op de eis dat het individuele risico (IR) om te overlijden door het effect van een aardbeving niet groter mag zijn dan 10–5 per jaar. De constructieve veiligheid staat bij deze aanbeveling dus centraal.

Bij het vaststellen van de noodzaak tot versterken, hoeft het lokaal gezag op grond van de Woningwet, voor monumenten niet per definitie uit te gaan van het aan NPR 9998 ten grondslag liggende criterium IR ≤ 10–5., indien zij van mening is dat hiervoor goede motieven aanwezig zijn. Die motieven behoren dan wel in de omgevingsvergunning voor het aanpassen van het monument te worden vastgelegd. OPMERKING 1

Bovenstaande is vastgelegd in artikel 1.13 van het Bouwbesluit 2012.

Het is ook mogelijk dat juist een ander criterium wordt gehanteerd om beschadiging van het monument te voorkomen. OPMERKING 2 De inhoud van deze bijlage zal in de loop van 2018 nader worden uitgewerkt.

K.2 Betrouwbaarheidsdifferentiatie

Bij de beoordeling van monumenten kunnen echter bijzondere overwegingen aan de orde komen, gericht op het behoud van cultuurhistorische waarden. Verder geldt dat: • Veel monumenten zijn gebouwd in een periode dat er nog geen bouwvoorschriften bestonden. • Monumenten kunnen zijn gebouwd met archaïsche materialen die in de huidige bouwvoorschriften niet meer behandeld worden. Van deze materialen zijn onvoldoende gegevens beschikbaar, waardoor met conservatieve waarden wordt gerekend. • Er een spanningsveld bestaat tussen het garanderen van voldoende constructieve veiligheid en het verlies van het monumentale dan wel het cultuurhistorische karakter van het bouwwerk. • Historische gebouwen een groep bestaande constructies representeren met een relatief grote variëteit, waarbij per geval evaluatie en planvorming nodig is door een team van ingenieurs, architecten en vertegenwoordigers van bouwtoezicht en de dienst monumentzorg, in dialoog met de eigenaar. • Niet-constructieve elementen, zoals kroonlijsten en decoratieve elementen vaak een belangrijke rol spelen. Voor het behoud daarvan kunnen soms gecompliceerde verankeringsconstructies nodig zijn, waaraan echter de voorkeur wordt gegeven boven het verwijderen van deze voor het uiterlijk bepalende elementen.

De betrouwbaarheidsdifferentiatie voor primaire en secundaire seismische elementen en voor niet-seismische, constructieve elementen geldt ook voor monumenten. Zoals gegeven in 2.2.2 van deze NPR kan door het aantal personen in een gebouw te beperken de indeling van de gevolgklasse van een gebouw veranderen. Dit beïnvloedt de factoren die behoren te worden aangehouden bij de bepaling van de optredende rekenwaarde van de aardbevingsbelasting. OPMERKING In 2.2.3 van deze NPR is aangegeven hoe omgegaan kan en mag worden met het aandeel in de constructieve veiligheid (betrouwbaarheid) tussen primaire en secundaire seismische, constructieve elementen en niet-seismische, constructieve elementen. Dat geldt ook voor monumenten.

K.3 Mogelijke argumenten om (tijdelijk) een verhoogd individueel risico toe te staan K.3.1 Algemeen Wanneer de constructieve veiligheid van een monument niet al te zeer afwijkt van de in deze NPR aanbevolen waarde voor het IR, en versterking zou een rigoureuze inbreuk op de cultuurhistorische waarden van het bouwwerk betekenen, met hoge kosten en ingrijpende procedures, dan zou dit voor het lokaal gezag aanleiding kunnen zijn een lagere eis dan IR ≤ 10–5 te hanteren. In de volgende

Erfgoedprogramma 2019-2022 | 37

Bi jla bi g jd eb e N eh PR or e 20 nd 18 e

paragrafen zijn enkele overwegingen gegeven die bij het nemen van een dergelijke beslissing zouden kunnen worden meegewogen.

K.3.2 Beperkte gebruikstijd Het IR van 10–5 komt tot stand op grond van twee factoren. Factor 1: de kans dat een gebouw of deel van een gebouw instort. Hierbij wordt uitgegaan van een waarschijnlijkheid van 10–4. Deze kans hoort bij de maximale aardbevingsbelasting die in een periode van 2475 jaar mag worden verwacht. Factor 2: de kans dat bij instorten van een gebouw of deel van een gebouw iemand om het leven komt. Hierbij wordt uitgegaan van een waarschijnlijkheid van 10–1. Het product van beide kansen levert de waarde 10–5 op. Het criterium IR ≤ 10–5 moet gelden voor elke inwoner van het beschouwde gebied. Stel dat iemand 20 % van zijn/haar tijd in een kantoor doorbrengt en 80 % thuis, en beide gebouwen voldoen aan de eis dat de instortwaarschijnlijkheid kleiner is dan 10–4, dan is het resulterende IR gelijk aan:

IR = (0,25 × 10–3 + 0,75 × 10–4) × 0,10 = 3,25 × 10–5 (K.3)

Dat is dus 3,25 maal de waarde van 10–5 die in Nederland van toepassing is. Dit kan gerelativeerd worden door een vergelijking te trekken met de kans om in Nederland slachtoffer van een verkeersongeluk te worden. In 2016 waren er, volgens het CBR, 627 dodelijke slachtoffers. Op een bevolking van 17 miljoen komt dit neer op een kans van 3,7 × 10–5. Deze uitkomst is dus zelfs nog iets groter dan het IR in het behandelde voorbeeld. Als mensen in een monument wonen of er om andere reden langdurig verblijven, kan dit echter een zwaarwegende reden zijn om niet aan de minimale veiligheid van IR ≤ 10–5 te willen tornen. K.3.3 Beperking gaswinning Als gegeven in [K.1] ‘Kamerbrief Gaswinning Groningen’ d.d. 29-03-2018 heeft het kabinet in maart 2018 besloten de gaswinning in Groningen af te bouwen en uiteindelijk stil te zetten Uiterlijk per oktober 2022, maar mogelijk al een jaar eerder, daalt de gaswinning tot onder het niveau van 12 miljard m3 per jaar. Afhankelijk van het effect van de maatregelen wordt vanaf oktober 2022 een daling voorzien naar 7,5 miljard m3 en mogelijk fors minder. In de jaren daarna wordt de gaswinning helemaal afgebouwd naar nul.

IR = (0,2 × 10–4 + 0,8 × 10–4) × 0,10 = 10–5 (K.1)

Stel dat dezelfde persoon 1 % van zijn/haar tijd in een constructie met lage weerstand tegen een aardbeving doorbrengt (bijvoorbeeld een gebouw met een tienmaal zo lage seismische weerstand als de andere gebouwen waarin hij zij/haar tijd doorbrengt, dan wordt het individuele risico gelijk aan: IR = (0,01 × 10–3 + 0,99 10–4) × 0,10 = 1,09 × 10–5

(K.2)

Door het af en toe bezoeken van een gebouw met een lagere seismische weerstand dan generiek is aanbevolen, neemt het individuele risico in beperkte mate (in dit geval 9 %) toe. Omdat het IR door een aantal onzekerheden slechts binnen bepaalde marges te bepalen is, kan een dergelijk overschrijding in bepaalde gevallen, als andere belangen groter zijn, van ondergeschikte betekenis worden geacht. Bij veel monumenten zijn echter ook mensen in dienst, die bijvoorbeeld, bij een volledige werkweek, 25 % van hun tijd in het desbetreffende gebouw met lagere seismische weerstand doorbrengen. Het individuele risico voor deze personen loopt dan op naar:

38 | Erfgoedprogramma 2019-2022

De bedoeling is hiermee ook de aardbevingsbelasting op gebouwen terug te brengen, op de lange termijn naar nul. De op het moment van publiceren van deze NPR aangehouden uitgangspunten t.a.v. de aan te houden belastingen houden nog geen rekening met de verlaging van het productieniveau. Betrekt men dit op het toekomstbeeld, dan mag deze ontwikkeling ook worden gezien in het perspectief van de voorgenomen versterkingsoperatie. Voor het behoud van cultuurhistorische waarde kan dit van belang zijn. Dit pleit voor selectief ingrijpen: monumenten met significant te lage constructieve veiligheid behoren te worden geprioriteerd en te worden versterkt, ofwel tijdelijk buiten gebruik te worden gesteld. Bij de monumenten waarbij het tekort aan constructieve veiligheid beperkt is, zou kunnen worden overwogen op de naar verwachting aankomende gunstige tendens te anticiperen, en beschadigingen, mits uit het oogpunt van monumentenzorg acceptabel en die niet tot een onacceptabel veiligheidsrisico leiden, te accepteren en te herstellen. Daarbij kan in overweging

Bi jla bi g jd eb e N eh PR or e 20 nd 18 e

worden genomen dat een verhoogd risico over een relatief korte periode minder ernstig is dan een permanent aanwezig verhoogd risico.

Te verwachten is daarom dat ook hier nog een zekere veiligheidsmarge voorhanden is, die na nog uit te voeren onderzoek gekwantificeerd kan worden.

K.3.4 Ontwikkeling analysemethoden voor bepaling restdraagvermogen In de NPR worden in principe vier beoordelingsmethoden als toepasbaar gekwalificeerd. Deze methoden verschillen in de mate van complexiteit. Voor het ontwerpen van nieuwe bouwwerken zijn eenvoudige methoden, gebaseerd op lineair-elastisch gedrag (zijdelingse belastingsmethode of berekening volgens het modale-responsspectrum), met eventueel correctiefactoren, voldoende nauwkeurig. Deze methoden zijn relatief inzichtelijk en leiden tot constructies met enig conservatisme qua constructieve veiligheid, tegen betrekkelijk geringe meerkosten. Als bestaande constructies moeten worden beoordeeld op hun seismische weerstand heeft een (te) eenvoudige methode het nadeel dat veel constructies ten onrechte zullen worden afgekeurd, omdat eenvoudige methoden relatief conservatief zijn, wat aanzienlijke consequenties heeft. Voor het evalueren van de constructieve veiligheid van bestaande constructies komen daarom vooral rekenmethoden op basis van niet-lineair gedrag in aanmerking. De meest geavanceerde methode is de numerieke tijdsdomeinanalyse (NLTH). Deze methode vraagt echter per object om een groot aantal simulaties en is daarom zeer duur en tijdrovend.

Bovendien mogen de resultaten alleen als voldoende betrouwbaar worden beschouwd indien de rekenprogramma’s zijn gevalideerd, dan wel gekalibreerd aan representatieve proefresultaten.

K.4 Controle op Near Collapse of op Damage Limitation Deze NPR richt zich op het garanderen van een minimale waarde ten aanzien van het individuele risico. Daarom behoren controles te worden uitgevoerd ten aanzien van de grenstoestand ‘Near Collapse’ (NC). Het versterken van een constructie op een zodanige wijze dat wordt voldaan aan de bij deze grenstoestand behorende eisen, betekent echter niet dat bij bevingen met een lagere intensiteit geen schade zal optreden. Als men dat wil voorkomen, zullen verdere maatregelen nodig zijn. Betrokken partijen zullen een uitspraak moeten doen over wat daarbij proportioneel is.

Als alternatief gelden rekenprogramma’s die zijn ontwikkeld op basis van niet-lineaire push-overberekeningen (NLPO). Hierbij wordt de respons van de constructie gesimuleerd op basis van een zogenoemde één-massa-veersysteem. Deze methode is bij uitstek geschikt voor het analyseren van de respons van constructies met een monumentaal karakter. Analyses zijn relatief snel uit te voeren en geven een goed inzicht in het gedrag van de constructies, ook bij het uitvallen van constructieve functies door optredende schade bij een beving. Ook kan het effect van een eventuele versterking snel worden nagegaan.

Door de mate van schematisering tot een eenvoudig draagsysteem, zal het resultaat van een NLPO-analyse in principe conservatiever zijn dan bepaald volgens een niet-lineaire tijdsdomeinanalyse, indien deze aan alle voorwaarden voor toepassing voldoet. De NLPO-analysetechniek wordt momenteel nog verder toegesneden op de Groningse gebouwen, met speciale aandacht voor niet-gewapende metselwerkwanden.

K.5 Compatibiliteit In navolging van de uitvoeringsrichtlijnen van het ERM, behoort men bij het versterken van een monument rekening te houden met de compatibiliteit van materialen en systemen om onnodige beschadiging van het monument te voorkomen. K.6 Varianten Het versterken van monumenten heeft impact op de cultuurhistorische waarde van het gebouw. Om deze impact te beperken, kunnen verschillende versterkingsvarianten worden beschouwd, rekening houdend met de eventuele effecten op het gebouw die zich kunnen voordoen bij verschillende aardbevingsintensiteiten. OPMERKING 1 Een variant kan zijn dat een gefaseerde versterkingsaanpak wordt gekozen, waarbij op basis van nader overeen te komen prioriteiten in de tijd maatregelen worden genomen. Hierbij kan worden gedacht aan een eerste fase met no-regret maatregelen. OPMERKING 2 Het constructief gedrag van het gebouw wordt beïnvloed door versterkingen. Versterkingen kunnen .soms zodanig worden uitgevoerd dat ze schade voorkomen, echter het omgekeerde kan zich ook voordoen en dat behoort zo veel mogelijk te worden voorkomen. Dergelijke effecten kunnen in een variantenonderzoek worden beschreven ten behoeve van het gemotiveerd kunnen maken van een keuze voor een versterkingsaanpak.

Erfgoedprogramma 2019-2022 | 39

Bi jla bi g jd eb e N eh PR or e 20 nd 18 e

K.7 Samenvatting Uit tot dusverre uitgevoerd onderzoek blijkt dat bij toepassing van eerdere versies van NPR 9998 veel monumenten versterking behoeven. Het besluit omtrent de mate van constructieve veiligheid en de toelaatbare mate van beschadiging van monumenten behoort te worden vastgesteld door het lokale bevoegd gezag in de gemeente waar het monument is gelegen. Hierbij spelen verschillende aspecten een rol. Naast het handhaven van voldoende constructieve veiligheid kan hier gedacht worden aan het behoud van het karakteristieke, historische karakter van monumenten en economische en culturele aspecten.

Deze NPR gaat als basis voor de veiligheidsbeschouwing uit van een individueel risico ≤ 10–5. Er zijn echter ook omstandigheden waarmee voor monumenten aanvullend rekening zou mogen worden gehouden, zoals: • Veel monumenten, zoals kerken, worden slechts een deel van de tijd gebruikt. Het verblijf in deze monumenten voor beperkte tijd heeft een klein effect op het individueel risico voor personen. Voor monumenten die woningen zijn, geldt dit niet. • Doordat de gaswinning vanaf heden verder zal worden afgebouwd en uiteindelijk geheel zal worden gestopt, mag worden aangenomen dat het individuele risico, door afname van de seismische belastingen, op termijn zal afnemen. • Als analysemethode voor het bepalen van het gedrag van een constructie en de bepaling van de constructieve veiligheid zijn methoden op grond van een niet-lineaire push-over-berekening zeer geschikt. Momenteel worden deze methoden nog verder toegesneden op de Groningse gebouwen en omstandigheden. Het is gemiddeld genomen te verwachten dat door deze verfijning nog een extra marge aan veiligheid zal kunnen worden aangetoond ten opzichte van berekeningen die met deze NPR worden uitgevoerd.

Indien versterkingsvoorstellen op basis van een constructieve beoordeling met gebruikmaking van deze NPR en het toetsingscriterium NC en het bijhorende IR ≤ 10–5 ernstige aantasting van de cultuurhistorische waarde betekent, dan kan op basis van gedegen advies overwogen worden een hoger individueel risico te accepteren. Dit verhoogde risico zal bestuurlijk per individueel geval moeten worden gesanctioneerd en worden afgestemd met de betrokkenen.

40 | Erfgoedprogramma 2019-2022

Deze brochure is een uitgave van: Nationaal Coördinator Groningen Postbus 3006 | 9701 da Groningen April 2019 | Publicatie-nr. 121092

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12746571/1