CConstaterende datMidden-Groningen
Koppel je AI →
Document · PDF

119.3 TNO-Publieke-Seismische-Dreigings-en-Risicoanalyse-Groningen-gasveld-2023-2024

Raadsvergadering 13 juli 2023, gemeente Midden-GroningenBij agendapunt: Ontwerp vaststellingsbesluit Groningenveld 2023-2024 (R) (de stukken volgen zsm)10.432 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

TNO Intern

49/58

TNO Intern TNO 2023 R10682

Bijlage A

opzichte van de verwachte waarde bij gegeven magnitude en breukafstand. Bij langere herhalingstijden schuift deze disaggregatie naar rechts (de zeldzamere gebeurtenissen worden belangrijker). Samengevat demonstreert Figuur A.1 dat voor Groningen-stad de marginale dreigingsbijdragen gegeven worden door een modale magnitude van 4.2, een primaire modale breukafstand van 7 km, een secundaire modale breukafstand van 18 km en een modale grondbewegingsvariabiliteit van 1 standaarddeviatie boven de mediaan. Figuur A.2 geeft eenzelfde disaggregatie weer van de seismische dreiging voor het dorp Loppersum. Volgens een vergelijkbare uitleg als hierboven voor Groningen-stad demonstreert Figuur A.2 dat voor Loppersum de marginale dreigingsbijdragen gegeven worden door een modale magnitude van 4.2, een modale breukafstand van 3 km en een modale grondbewegingsvariabiliteit van 1. Omdat de gashoudende laag op 3 km diepte ligt en de bevingen gelokaliseerd worden op die diepte, betekent een modale breukafstand (= afstand tussen het breukvlak van een verwachte beving en het maaiveld) van 3 km dat de modale bijdrage van aardbevingen direct onder Loppersum ligt.

Figuur A.1: Disaggregatie (uitsplitsing) van de seismische dreiging voor Groningen-stad, uitgesplitst in de bijdrage van respectievelijk de magnitude (linker kolom), breukafstand (midden kolom) en grondbewegingsvariabiliteit (rechter kolom) voor het gasjaar 2023/2024. De bovenste rij representeert de verwachte verdeling van grondbewegingen (verticale as, SA bij 0.01s, ofwel PGA) ten gevolge van aardbevingen, uitgesplitst naar herkomst van de grootheid op de horizontale as. De onderste rij toont de herkomst van alle overschrijdingen van de grondbeweging met een herhalingstijd van respectievelijk 475 en 2475 jaar. De figuren zijn gebaseerd op de operationele strategie van NAM volgens scenario 2a.

TNO Intern

50/58

TNO Intern TNO 2023 R10682

Bijlage A

Figuur A.2: Disaggregatie van de seismische dreiging voor Loppersum. Zie Figuur A.1.

A.2

Ruimtelijke disaggregatie van de dreiging Deze sectie toont de ruimtelijke variatie van de disaggregatie van de seismische dreiging uitgesplitst in magnitude, breukafstand en grondbewegingsvariabiliteit. Figuur A.3 laat zien hoe deze drie modale bijdragen aan de seismische dreiging variëren over het gehele aandachtsgebied. Een herhalingstijd van 475 jaar komt overeen met een overschrijdingskans van 0,2105% per jaar. Een herhalingstijd van 2475 jaar komt overeen met een overschrijdingskans van 0,0404% per jaar. Samenvattend voor de seismisch dreiging met een overschrijdingskans van 0,2105% per jaar, zijn de modale bijdragen aan de seismische dreiging in het gebied te wijten aan verwachte bevingen met magnitudes tussen de 3,9 en 4,5, aan breukafstanden tussen de 3 en 20 km en aan een variabiliteit van grondbewegingen tussen de 0,5 en 1,5 g. In Figuur A.3 zien we dat de modale magnitude van 3,9 tot 4,2 een dominante bijdrage aan de seismische dreiging levert op plaatsen direct boven gebieden met een hogere aardbevingsdichtheid (zie ook Figuur 4.2), zoals rond Loppersum. In het zuidwesten van het gebied neemt dit toe tot magnitude 4,5. In Groningen (stad), Winschoten, Delfzijl en Eemshaven komt de grootste bijdrage aan de seismische dreiging van bevingen met magnitudes van 4,2 tot 4,5.

Voor vrijwel het gehele centrale deel van het aandachtsgebied komt de primaire modale breukafstand overeen met de reservoirdiepte van 3 km. Dit geeft aan dat de lokale seismische dreiging wordt bepaald door de lokale onderliggende seismiciteit. Langs de noordrand van het veld (regio Eemshaven) en in het centraal-zuidelijk gebied (regio Noodbroek) wordt de dreiging veroorzaakt door deze zelfde breuken in het centrale deel. Dit is te zien door de bijdrage van grotere breukafstanden in deze delen van het veld.

TNO Intern

51/58

TNO Intern TNO 2023 R10682

Bijlage A

Voor de langere herhalingsperiode van 2475 jaar zien we dat de bijdragen aan de dreiging moet komen van hogere modale magnitudes (> 4.5) in het noorden en aan de randen van het veld. De breukafstand van 3 km blijft de belangrijkste bijdrage leveren aan de seismische dreiging in het centrale deel van het veld. Figuur A.3 laat zien dat de ruimtelijke uitsplitsing van de bijdragen aan de dreiging in het aardbevingsgebied gegeven wordt door een primaire modale magnitude van 4.0 en een primaire modale breukafstand van 3 km verdeeld over twee aardbevingshaarden: één noordwest-zuidoost over de Loppersumregio en één gebied in de regio ten zuiden van Ten Boer/Eemskanaal cluster.

Figuur A.3: Ruimtelijke variatie van de dominante (modale) bijdrage aan de seismische dreiging van elk van de grootheden magnitude (linker kolom), breukafstand (midden kolom) en grondbewegingsvariabiliteit (rechter kolom) voor een herhalingstijd van 475 jaar (bovenste rij) en 2475 jaar (onderste rij).

TNO Intern

52/58

TNO Intern TNO 2023 R10682

Bijlage B

Bijlage B

Disaggregatie van risico B.1

Disaggregatie van het risico voor geselecteerde typologieën Vergelijkbaar met de disaggregatie van de seismische dreiging (Bijlage A) is voor het risico ook een uitsplitsing gemaakt van de bijdrage van de magnitude van verwachte bevingen, de afstand van het breukvlak van de beving tot het maaiveld, en de gemiddelde spectrale versnelling (SA) voor scenario 2a. Ook is de uitsplitsing van deze bijdragen aan het risico afhankelijk van de locatie waarvoor de berekening wordt gemaakt en van de gebouwtypologie volgens het kwetsbaarheidsmodel. Voor de berekeningen in deze sectie zijn twee representatieve geografische locaties gekozen: Groningen-stad en Loppersum, en de drie meest kwetsbare gebouwtypologieën, zoals typisch geassocieerd met de hoogste LPR-waarden (zie bijvoorbeeld Figuur 3.5): URM1F_B (de schuur van een boerderij), URM3L en URM4L (gemetselde rijtjeshuizen met grote gevelopeningen op de begane grond). Figuur B.1 en Figuur B.2 laten de resultaten van de uitsplitsing van risicobijdrage zien voor Groningen-stad en Loppersum, respectievelijk. Voor Groningen-stad laat Figuur B.1 (linker kolom) de bijdrage van de maximale modale magnitude van 4.8 aan het risico zien voor alle drie de typologieën. Daarnaast komen de verschillende lokale maxima en buigpunten overeen met de keuze van de discrete Mmax-waarden in de beslisboom (zie Figuur 2.1).

De primaire modale breukafstand is 5 km en zoals ook eerder werd waargenomen in de uitsplitsingsresultaten van de dreiging zien we een secundaire modale breukafstand van 16 km. De gemiddelde PSA-risicobijdragen (rechter kolom) laten een duidelijke modus zien rond 0.5 g voor alle typologieën. Figuur B.2 toont de resultaten van de uitsplitsing van risicobijdrage voor Loppersum. Voor alle drie de typologieën is de marginale bijdrage van magnitudes aan het gemiddelde LPR bimodaal met de primaire modus op M = 4.7 en de secundaire modus op M = 4.5. Dit wordt geïnterpreteerd als het gevolg van de discontinuïteit in de magnitudeverdeling in de beslisboom. De bijdrage van de breukafstand heeft een duidelijke modus bij 3 km en een sterke afname bij toenemende afstand, zoals eerder gezien in de uitsplitsingsresultaten van de dreiging. de bijdrage van de breukafstand aan het risico (middelste kolom) tussen Figuur B.1 en Figuur B.2. De verdelingen van de gemiddelde PSA-risicobijdragen vertonen allemaal een goed gedefinieerde modus bij ongeveer 0.5 g.

TNO Intern

53/58

TNO Intern TNO 2023 R10682

Bijlage B

Figuur B.1: Disaggregatie (uitsplitsing) van het seismisch risico voor Groningen-stad, uitgesplitst in de bijdrage van respectievelijk de magnitude (linksboven), breukafstand (midden boven) en gemiddelde pseudo spectrale versnelling (rechtsboven), en de zes vertakkingen van de beslisboom, voor het gasjaar 2023/2024 voor de drie meest kwetsbare gebouwtypologieën: URM1F_B, URM3L en URM4L. Bij de disaggregatie van de beslisboom is ook de instelling van de gewichten per tak getoond. Uitgewerkt voor scenario 2a.

TNO Intern

54/58

TNO Intern TNO 2023 R10682

Bijlage B

Figuur B.2: Disaggregatie van het seismisch risico voor Loppersum. Onderschrift als in Figuur B.1.

B.2

Ruimtelijke disaggregatie van het risico Deze sectie toont de ruimtelijke variatie van de disaggregatie van het seismische risico (LPR) uitgesplitst in magnitude, breukafstand en pseudo spectrale versnelling (PSA) voor scenario 2a. Figuur B.3 laat zien hoe deze drie bijdragen aan de seismische dreiging variëren over de hele regio voor de drie typologieën, die geassocieerd worden met de hoogste waarden van het LPR. Voor alle drie de typologieën is de oppervlakteverdeling van modale magnitudes en breukafstanden vergelijkbaar. Magnitudes tussen de 4.5 en 5.0 leveren de grootste bijdrage aan het risico in de centrale delen van het gebied rond Loppersum en ten zuiden van Ten Boer/Eemskanaal productiecluster. Ten zuidoosten van dit centrale gebied nemen de magnitudes die de grootste bijdrage aan het risico leveren toe tot 5.5. Zoals eerder gezien in de resultaten van de uitsplitsing van de dreiging, wordt het grootste deel van het seismische risico geassocieerd met lokale onderliggende seismische activiteit in het centrale gebied. Alleen rond Eemshaven en ten oosten van de stad Groningen neemt dit toe tot 10 km. De modale waarden van gemiddelde PSA zijn het laagst in het noordoosten van het veld voor alle drie de typologieën.

TNO Intern

55/58

TNO Intern TNO 2023 R10682

Bijlage B

Figuur B.3: Ruimtelijke variatie van de disaggregatie van het seismisch risico uitgesplitst in magnitude (linker kolom), breukafstand (midden kolom) en pseudo spectrale versnelling (rechter kolom) voor de drie typologieën die geassocieerd worden met de hoogste verwachtingswaarde van het risico: URM1F_B (bovenste rij), URM3L (middelste rij) en URM4L (onderste rij). Uitgewerkt voor scenario 2a.

TNO Intern

56/58

TNO Intern TNO 2023 R10682

Bijlage C

Bijlage C

Afwijkende risicomaat C.1

P90 risico scenario 1, 2a & 2b Tabel C.1: Het aantal gebouwen per gasjaar waarvoor de P90 van het LPR niet aan de Meijdamnorm (10-5) voldoet voor de EZK-modelinstellingen voor scenario 1, 2a & 2b.

P90 LPR 1e-5

TNO Intern

Scenario 1

Scenario 2a

Scenario 2b

GY2023/2024

572

679

587

GY2024/2025

457

489

475

GY2025/2026

320

388

357

GY2026/2027

209

266

247

GY2027/2028

116

152

126

GY2028/2029

59

89

81

GY2029/2030 GY2030/2031

29 8

31 17

30 17

GY2031/2032

3

6

5

GY2032/2033

0

0

0

GY2033/2034

0

0

0

57/58

TNO Intern TNO 2023 R10682

Bijlage D

Bijlage D

Lange termijnontwikkeling

Figuur D.1: Jaarlijkse aardbevingsdichtheidskaarten voor scenario 2a voor gasjaar 2023/2024 tot en met gasjaar 2033/2034 in stappen van één gasjaar, gevolgd door de kaarten tot en met gasjaar 2053/2054 in stappen van vijf jaar.

TNO Intern

58/58

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12971773/1