11 1 Bijlage 1 Ontwerp-Vaststellingsbesluit-gaswinning-Groningen-gasveld-2021-2022
Tekst van het document
Seismische dreiging
De seismische dreiging 13 wordt gegeven door de verwachting van grondbewegingen die met een bepaalde waarschijnlijkheid kunnen optreden aan het aardoppervlak ten gevolge van een aardbeving. Op basis van de SDRA van TNO wordt voor de voorgestelde operationele strategie een piekgrondversnelling 13 De seismische dreiging wordt gegeven door de piekgrondversnelling (Engelse vertaling: peak ground acceleration) die een overschrijdingskans heeft van eens in de 475 jaar. Piekgrondversnellingen worden vaak uitgedrukt in de valversnelling g, waarbij g = 10 m/s2.
Pagina 29 van 107
Directoraat-generaal Klimaat en Energie Projectdirectie Groningen Ons kenmerk
van 0,13 g over een periode van 475 jaar verwacht in het gasjaar 2021-2022. Ter vergelijking, de verwachting van de piekgrondversnelling op basis van de HRA 2019 en de HRA 2020 waren respectievelijk 0,140 g en 0,115 g over een periode van 475 jaar. De grondversnellingen die kunnen optreden tijdens een aardbeving zijn locatie afhankelijk, onder andere vanwege verschillen in samenstelling van de ondiepe ondergrond. Mede daardoor is ook de seismische dreiging ruimtelijk verschillend. De SDRA van TNO laat zien dat voor gasjaar 2021-2022 de seismische dreiging het grootst is in het gebied ten noordwesten van Loppersum. Ook dit is het gevolg van de grootschalige drukvereffening en niet van de voorgenomen gaswinning. 4.7
Seismisch risico
Om het seismisch risico te berekenen wordt de kans bepaald dat de grondversnellingen die kunnen optreden ten gevolge van een aardbeving leiden tot structurele schade aan een gebouw, waardoor dit gebouw mogelijk kan instorten. Hiertoe wordt de belastbaarheid van gebouwen boven het Groningen gasveld tegen de seismische dreiging gemodelleerd (zie ook paragraaf 4.6). Uit de SDRA van TNO blijkt dat voor de voorgestelde operationele strategie alle gebouwen boven het Groningen gasveld aan de veiligheidsnorm voldoen. De veiligheidsnorm waaraan het seismisch risico wordt getoetst licht ik nader toe in paragraaf 5.2. 4.7.1
Adviezen
Advies TNO 28 mei 2021 TNO observeert dat het te winnen gasvolume uit het Groningen gasveld voor het gasjaar 2021-2022 een halvering is ten opzichte van het gasjaar 2020-2021. TNO stelt dat deze afname van de gaswinning er toe leidt dat ook het verwachte aantal aardbevingen verder afneemt en daarbij ook de seismische dreiging, het risico en de kans op schade. TNO constateert dat in dit stadium van de afbouw van de gaswinning uit het Groningen gasveld de operationele strategie een beperkte invloed heeft op de regionale verdeling van het risico. De autonome drukvereffening is hierin leidend. Als gevolg daarvan ligt het zwaartepunt van de seismische dreiging en het risico ook on de komende jaren nog ten noordwesten van de Loppersumregio. Advies SodM 28 mei 2021 SodM heeft de uitkomsten van de SDRA geanalyseerd en stelt dat op basis van de voorgestelde operationele strategie en de verwachtingswaarde alle gebouwen aan Pagina 30 van 107
Directoraat-generaal Klimaat en Energie Projectdirectie Groningen Ons kenmerk
de veiligheidsnorm voldoen. Ook in het geval van een koud gasjaar blijft de verwachtingswaarde van alle gebouwen onder de norm. Daarnaast constateert SodM dat de operationele strategie het seismisch risico minimaliseert, zover dat nog mogelijk is. Hierbij merkt SodM op dat het huidige en toekomstige risico vooral wordt bepaald door de drukegalisering in het Groningen gasveld en niet door de ten opzichte van voorgaande perioden beperkte productie die nog plaatsvindt. Advies Mijnraad 11 juni 2021 De Mijnraad constateert dat bij gaswinning uit het Groningen gasveld volgens de voorgestelde operationele strategie en volgens de uitgevoerde SDRA er qua verwachtingswaarde géén woningen zijn waarvoor de Meijdam-norm niet gehaald wordt. Daarmee is het doel van het afbouwen van de gaswinning uit het Groningen gasveld – veiligheid voor de Groningers – nadrukkelijk inzicht gekomen. Advies gemeente Westerkwartier 26 mei 2021 De gemeente Westerkwartier adviseert om een inschatting te maken van de veiligheidsrisico’s als gevolg van het benutten van UGS Grijpskerk en daarbij de cumulatie van risico’s uit het Groningen gasveld, UGS Norg, UGS Grijpskerk en de kleine velden te betrekken. 4.7.2
Beoordeling
De bovenstaande adviezen bevestigen dat het seismisch risico sterk wordt beperkt en dat alle gebouwen boven het Groningen gasveld aan de veiligheidsnorm voldoen. Ook bevestigen de adviseurs dat de operationele strategie niet langer leidend is voor het seismisch risico, maar dat het seismisch risico voor het gasjaar 2021-2022 met name het gevolg is van drukvereffening. Deze adviezen ondersteunen mij om deze operationele strategie vast te stellen. Het benutten van UGS Grijpskerk heeft geen directe invloed op het seismisch risico in Groningen, alleen een indirect effect doordat de inzet ertoe leidt dat het Groningen gasveld anders wordt ingezet en eerder kan worden gesloten. Dit licht ik in paragraaf 4.10.1 nader toe. Dit is onderdeel van de afweging die ik in dit besluit maak. Vanzelfsprekend zal ik ook de risico’s in kaart brengen van de inzet van UGS Grijpskerk in de directe omgeving. Dat is aan de orde bij mijn beoordeling van het opslagplan voor UGS Grijpskerk, zodra NAM daarvoor een wijziging bij mij indient. Overigens geldt dat het veiligheidsrisico van zowel de kleine gasvelden als de gasopslagen veel kleiner is dan het seismisch risico van het Groningen gasveld. Pagina 31 van 107
Directoraat-generaal Klimaat en Energie Projectdirectie Groningen Ons kenmerk
4.8
Schade
Conform de verwachtingenbrief heeft NAM een prognose gemaakt van de schadegrenstoestand DS1 en TNO van de schadegrenstoestanden DS2 en DS3. 14 DS1 komt overeen met verwaarloosbare tot lichte schade, DS2 geeft gematigde schade aan en DS3 aanzienlijke tot zware schade. Uit de analyse van NAM blijkt dat er een kans van circa 40% is dat meer dan 100 gebouwen DS1 schade oplopen in het gasjaar 2021-2022. Op basis van de analyse van TNO is de verwachting dat in gasjaar 2021-2022 50 gebouwen een kans van 0,5% hebben op DS2 schade. Voor de schadetoestand DS3 is deze kans minder dan 0,1%. In paragraaf 5.6.2 zal ik nader ingaan op de schadeafhandeling. 4.9
Productiefluctuaties
De maandelijks variërende gasvraag leidt tot productiefluctuaties op de productielocaties van het Groningen gasveld. In de jaren dat de gaswinning nog aanzienlijk hoger was dan nu het geval is werd algemeen verondersteld dat het zo vlak mogelijk winnen, oftewel het minimaliseren van productiefluctuaties, bijdraagt om het seismisch risico te beperken. Dit effect is echter moeilijk te kwantificeren en is dan ook niet direct meegenomen in de modellen onderliggend aan de SDRA-berekeningen. Productiefluctuaties worden wel meegenomen in de gemodelleerde drukken in het Groningen gasveld, die input zijn voor de SDRA. In het vaststellingsbesluit Groningen gasveld 2019-2020 (artikel 4) is vastgelegd dat er wordt gestuurd op het beperken van de maandelijkse productiefluctuaties binnen een vastgestelde productiebandbreedte. De productiebrandbreedte is gedefinieerd als +/-50% van de gemiddelde productie over twaalf maanden voor de clusters Zuidoost, Zuidwest en Centraal-Oost. Echter, als gevolg van de hiervoor beschreven uitgangspunten (paragraaf 4.1) heeft NAM geringe mogelijkheden om de productiefluctuaties te beperken. Daar komt bij dat door de afname van de gaswinning productiefluctuaties in absolute zin steeds kleiner worden en verondersteld mag worden dat het effect van de fluctuaties op het risico in het komende gasjaar verwaarloosbaar is.
Voor de volledigheid heeft NAM, net als in voorgaande jaren en conform de bepalingen in de Mijnbouwregeling, een prognose gemaakt van het aantal overschrijdingen van de productiebandbreedte. Het aantal maanden met een overschrijding wordt uitgedrukt als fractie van het totaal aantal clustermaanden. 15 Het verwachte aantal overschrijdingen voor de voorgestelde operationele strategie is 87%. DS staat voor Damage State. Het totaal aantal clustermaanden = 30 (temperatuurprofielen) x 12 (maanden in een jaar) x 3 (productieclusters) = 1080. 14 15
Pagina 32 van 107
Directoraat-generaal Klimaat en Energie Projectdirectie Groningen Ons kenmerk
4.10 Mogelijk versnelde sluiting Groningen gasveld door inzet UGS Grijpskerk als laagcalorische gasberging In paragraaf 5.4 beschrijf ik het tempo van de afbouw van de vraag naar Groningengas. Zodra het Groningen gasveld niet meer nodig is, ook niet voor uitzonderlijke situaties, kan het veld definitief worden gesloten. Het is de inzet van het kabinet om de sluiting van het Groningen gasveld zo snel mogelijk te realiseren. GTS heeft in haar advies aangegeven dat de omzetting van UGS Grijpskerk naar een opslag voor laagcalorisch gas in plaats van hoogcalorisch gas een bijdrage kan leveren aan de doelstelling van het kabinet. Ten tijde van het opstellen van de operationele strategie was het onderzoek naar de omzetting van UGS Grijpskerk nog niet afgerond. De effecten van de gewijzigde inzet van UGS Grijpskerk heeft NAM daarom niet meegenomen in de operationele strategie. Inmiddels is de rapportage van GTS 16 afgerond en heeft NAM een aanvullend onderzoek gedaan naar de inpassing van UGS Grijpskerk in de operationele strategie. GTS gaat er vooralsnog van uit dat in de komende twee gasjaren beperkte extra gaswinning uit het Groningen gasveld nodig is om de inzet van UGS Grijpskerk als berging voor laagcalorisch gas te realiseren.
Doordat het Groningen gasveld eerder kan worden gesloten indien UGS Grijpskerk als laagcalorische berging beschikbaar is, wordt dit volume later bespaard en leidt de omzetting van UGS Grijpskerk cumulatief zelfs tot een besparing van de gaswinning. Uit de rapportages van GTS en NAM blijkt in elk geval dat voor zover er extra volume gewonnen zou moeten worden om UGS Grijpskerk met laagcalorisch gas te vullen, dat kan op basis van de in dit hoofdstuk beschreven operationele strategie. GTS levert in augustus een nieuwe raming op waarbij het vullen van UGS Grijpskerk met laagcalorisch gas, mijn keuze ten aanzien van productielocaties (zie paragraaf 4.2.2), de actuele vulgraad van UGS Norg en eventuele andere ontwikkelingen worden meegenomen. In paragraaf 5.3 ga ik nader in op de afweging aangaande de omzetting van UGS Grijpskerk. 4.10.1 Adviezen Advies regio Drenthe 18-27 mei 2021 De regio Drenthe acht de mogelijke omzetting van UGS Grijpskerk en de consequenties daarvan voor de gaswinning uit het Groningengasveld een zaak van de Groningers. Zij dienen af te wegen of zij het risico op extra winning uit het Groningen gasveld en de onzekerheid die daarmee gepaard gaat opweegt tegen de relatieve 'rust' van een voortijdige definitieve sluiting van het gasveld.
16
Bureau Energie Projecten (www.rvo.nl/gaswinning-groningen) Pagina 33 van 107
Directoraat-generaal Klimaat en Energie Projectdirectie Groningen Ons kenmerk
Advies TNO 28 mei 2021 TNO constateert dat de ombouw van UGS Grijpskerk, waarmee extra productie uit het Groningen gasveld is gemoeid, leidt tot een minder grote afname van het seismisch risico in de gasjaren 2021-2022 en 2022-2023 ten opzichte van de situatie dat UGS Grijpskerk niet wordt omgebouwd. Daarentegen leidt de versnelde sluiting van het Groningen gasveld tot een versnelde afname van het seismisch risico in de periode na 2023. Over de gehele periode tot sluiting zal het seismisch risico door de ombouw van UGS Grijpskerk weinig veranderen. TNO adviseert om op basis van de definitieve GTS-resultaten de impact van de inzet van UGS Grijpskerk op het seismisch risico te kwantificeren en de resultaten van deze risicoanalyse te betrekken in de afweging over de ombouw en inzet van UGS Grijpskerk als laag calorische gasopslag. Daarnaast constateert TNO dat, afgezien van de mogelijke impact op de veiligheid boven het Groningen gasveld, vooralsnog een onderbouwing ontbreekt van het nut en de noodzaak van de ombouw van UGS Grijpskerk in de voorgelegde stukken. In de ogen van TNO zou de versnelde sluiting van het Groningen gasveld geen primaire overweging moeten zijn voor de toekomst van UGS Grijpskerk. Centraal zou moeten staan welke rol de UGS Grijpskerk kan vervullen voor de leveringszekerheid na sluiting van het Groningen gasveld.
Daarnaast spelen ook economische belangen een rol bij de eventuele inzet van UGS Grijpskerk en de uitfasering van UGS Norg als gasopslag in de Nederlandse gasinfrastructuur. Advies regio Groningen 25-28 mei 2021 De regio Groningen adviseert om met de omzetting van UGS Grijpskerk het wettelijk bewijsvermoeden van toepassing te verklaren op een ruim gebied rondom deze opslag (evenals bij UGS Norg het geval is) en hiertoe de wet aan te passen. Ook adviseert de regio Groningen om aan te geven welke risico's verbonden zijn aan de ombouw van UGS Grijpskerk en om aan te geven wanneer de opslagfunctie voor laagcalorisch gas eindigt. Daarnaast adviseert de regio Groningen om in overleg met de gemeente Westerkwartier te treden om te bezien in hoeverre aanvullende afspraken kunnen leiden tot beperking van de maatschappelijke onrust. Advies gemeente Westerkwartier 26 mei 2021 De gemeente Westerkwartier adviseert om aan te geven welke risico’s verbonden zijn aan de mogelijke omzetting van UGS Grijpskerk en daarbij een inschatting te maken van de impact op de leefomgeving van haar inwoners. Daarnaast verzoekt de gemeente Westerkwartier dat zij op korte termijn duidelijkheid krijgt over de Pagina 34 van 107
Directoraat-generaal Klimaat en Energie Projectdirectie Groningen Ons kenmerk
toekomst van UGS Grijpskerk. Ook vraagt de gemeente Westerkwartier om de gesprekken over aanvullende afspraken – in het licht van de mogelijke omzetting van de UGS Grijpskerk – te continueren waarbij recht wordt gedaan aan de maatschappelijke onrust en werk wordt gemaakt van een duurzame toekomst. De gemeente Westerkwartier vraagt om mijn betrokkenheid bij de totstandkoming van een omgevingstraject voor het gebied rondom UGS Grijpskerk. Advies SodM 28 mei 2021 en aanvullend advies 21 juni SodM adviseerde aanvankelijk om vanuit het oogpunt van veiligheid af te zien van het omzetten van UGS Grijpskerk naar laagcalorisch gas, in de veronderstelling dat de omzetting in bepaalde scenario’s tot een significante toename van de gaswinning uit het Groningen gasveld zou leiden. Op basis van de definitieve rapportage van GTS adviseert SodM om op volumeneutrale wijze, dat wil zeggen in combinatie met een optimalisatie van het gebruik uit UGS Norg, de UGS Grijpskerk om te zetten naar laagcalorisch gas. Indien een verhoogde inzet van UGS Norg niet haalbaar mocht zijn, adviseert SodM om, alvorens een besluit over het omzetten van UGS Grijpskerk te nemen, TNO aanvullende seismische risicoberekeningen voor de herverdeling van de productie uit het Groningen gasveld in de tijd te laten maken.
Als belangrijk voordeel ziet SodM dat door de inzet van UGS Grijpskerk en daarmee het vervroegen van de definitieve sluitingsdatum van het Groningen gasveld de onzekerheid voor de omwonenden wordt verkleind. Advies Mijnraad 11 juni 2021 De Mijnraad raadt de inzet van UGS Grijpskerk voor de korte termijn (2022-2023) af aangezien er nog veel vragen en onzekerheden zijn over een mogelijke inzet van UGS Grijpskerk, en adviseert om vooralsnog geen extra winning van Groningengas voor die jaren in het vaststellingsbesluit te reserveren. Voor de lange termijn is het een optie die de moeite van het onderzoeken waard is, vooral voor een mogelijke rol in de toekomstige energievoorziening van Nederland. 4.10.2 Beoordeling GTS geeft in haar rapportage van 8 juni jl. dat de omzetting van UGS Grijpskerk drie belangrijke doelen dient. Ten eerste kan door de omzetting het Groningen gasveld eerder worden gesloten. Verschillende adviseurs onderschrijven het maatschappelijke belang hiervan. Ten tweede beperkt de omzetting de resterende productie uit het Groningen gasveld. Ten slotte levert de omzetting een positieve bijdrage aan de leveringszekerheid op lange termijn. Het belang hiervan wordt eveneens door mijn adviseurs benadrukt. Pagina 35 van 107
Directoraat-generaal Klimaat en Energie Projectdirectie Groningen Ons kenmerk
Ik constateer dat er bij mijn adviseurs zorgen zijn over het effect op de veiligheid op korte termijn. Zij stellen dat er veiligheidsrisico’s zitten aan de beperkte verhoging van de gaswinning uit het Groningen gasveld die nodig is om het omzetten van UGS Grijpskerk tijdig te realiseren. Ik kan mij die zorgen voorstellen, zeker als nog niet volledig duidelijk is dat cumulatief juist minder gas wordt gewonnen. Ik kan mij daarom vinden in bovenstaande adviezen waarin wordt aangegeven dat het belangrijk is om eerst de seismische risico’s exact in kaart te brengen, alvorens een beslissing te nemen over het toestaan van extra winning uit het Groningen gasveld om UGS Grijpskerk te kunnen omzetten naar een laagcalorische gasopslag. Daarom wil ik de periode tot het definitieve besluit benutten om de risico’s nader te onderzoeken. Zoals ook aangegeven in paragraaf 4.10, levert GTS in augustus een nieuwe raming op. Op basis daarvan vraag ik indien nodig TNO om een nieuwe SDRA op te stellen zodat de effecten van de mogelijke extra winning op de seismische dreiging en risico in beeld komen. Bij de afweging die ik vervolgens zal maken, neem ik ook andere belangen in de regio mee, waar de regio zelf ook aandacht voor vraagt. Besluitvorming over een onderwerp als mijnbouw vergt een zorgvuldige afweging van belangen, zoals ik ook eerder richting de Kamer heb aangegeven.
17 Alle adviezen dragen hier aan bij. Tevens zorgt een zorgvuldig proces met betrokkenheid van burgers en medeoverheden voor meer draagvlak voor een besluit. De betrokkenheid van decentrale overheden en omwonenden is gewaarborgd in de Mijnbouwwet. Om die reden ben ik, samen met NAM, reeds in gesprek met de gemeente Westerkwartier om de belangen nader in beeld te krijgen. Economische belangen spelen hierbij voor mij, anders dan TNO in haar advies aangeeft, geen rol. Mijnbouwbedrijven werken niet in opdracht van mij. Ik ben bevoegd gezag voor het geven van mijnbouwvergunningen. Mijnbouwbedrijven nemen zelf het initiatief om bodemschatten te winnen en moeten daarvoor een vergunning aanvragen. De bedrijven moeten een deel van de opbrengsten van de mijnbouwactiviteiten in de vorm van afdrachten en belasting betalen aan de Nederlandse Staat. Dat betekent echter niet dat deze belangen meewegen in de beoordeling. Voor de beoordeling van een opslagplan of winningsplan zijn enkel de afwegingsgronden uit de Mijnbouwwet van belang. De gemeente Westerkwartier benadrukt in haar advies het belang om op korte termijn helderheid hebben over de toekomst van UGS Grijpskerk. Dat onderschrijf ik. In dit besluit het ik aangegeven wat de omzetting van UGS Grijpskerk betekent 17
Kamerstuk 32849, nr. 193. Pagina 36 van 107
Directoraat-generaal Klimaat en Energie Projectdirectie Groningen Ons kenmerk
voor de afbouw van de gaswinning en het Groningen gasveld: in belang van de veiligheid in Groningen en de lange termijn leveringszekerheid overweeg ik om mogelijk te maken dat UGS Grijpskerk kan worden omgezet naar een opslag voor laagcalorisch gas. Dat betekent dat het langer als gasopslag benut kan worden. Zoals hierboven aangegeven werken mijnbouwbedrijven echter niet in opdracht van mij. De gasopslag is eigendom van NAM. Ik zal een opslagplan voor UGS Grijpskerk als laagcalorische gasopslag of een eventueel winningsplan beoordelen op het moment dat NAM deze bij mij indient. De gemeente speelt daarbij een belangrijke rol, als een van de wettelijke adviseurs. Uiteraard blijf ik wel aandacht vragen voor en bijdragen aan transparante communicatie over de opslag. Op het advies van de regio Groningen ten aanzien van het bewijsvermoeden dat wordt toegepast bij de afhandeling van schade ga ik hierna in paragraaf 5.6.2.3 in. Alhoewel de Mijnraad en aanvankelijk ook SodM, uitgaande van een mogelijk toename van de productie uit het Groningen gasveld adviseren om voor de korte termijn af te zien van de omzetting van UGS Grijpskerk wil ik, gezien het grote belang van een snelle sluiting van het Groningen gasveld en het veiligheidsbelang in brede zin dat daarmee is gemoeid, nog geen opties afwijzen die nog onvoldoende zijn onderzocht. GTS heeft echter in haar advies van 8 juni jl.
aangegeven het cumulatief te produceren Groningenvolume juist afneemt wanneer de UGS Grijpskerk wel wordt omgeschakeld. Daarnaast geeft GTS aan dat de omzetting van UGS Grijpskerk de definitieve sluiting van het Groningen gasveld significant kan versnellen. Bovendien neemt de onzekerheid over de mogelijke sluitingsdatum af. Tot slot draagt UGS Grijpskerk bij aan een robuust laagcalorisch gassysteem. Ik blijf de omzetting van UGS Grijpskerk daarom als een reëel alternatief beschouwen en wil ik de periode tot het definitieve besluit benutten om de risico’s nader te onderzoeken.
4.11 Algemene beoordeling operationele strategie De door NAM voorgestelde operationele strategie is een voortzetting van de operationele strategie van het gasjaar 2020-2021. Alle adviseurs kunnen zich vinden in de voorzetting van deze operationele strategie. Zoals opgemerkt door NAM en bevestigd door SodM, TNO en de Mijnraad is het effect van de operationele strategie op het seismisch risico beperkt. Het seismisch risico wordt nu met name bepaald door de drukvereffening in het reservoir. Desondanks blijft het belangrijk om de effecten van de gaswinning te blijven monitoring, zoals dat wordt bepleit door KNMI, SodM en de Mijnraad. In hoofdstuk 6 ga ik nader in op monitoring. Pagina 37 van 107
Directoraat-generaal Klimaat en Energie Projectdirectie Groningen Ons kenmerk
De in dit hoofdstuk beschreven adviezen ondersteunen de voortzetting van de door NAM voorgestelde strategie voor het gasjaar 2021-2022. Wel zijn er kanttekeningen geplaatst bij het uit gebruik nemen van productielocaties. Vooralsnog blijven alle productielocaties, met uitzondering van Tjuchem en locaties die reeds buiten gebruik zijn genomen, onderdeel van de operationele strategie. Ik laat aanvullend onderzoek uitvoeren naar de omzetting van UGS Grijpskerk naar een laagcalorisch gasopslag en de impact die dit mogelijk heeft op de gaswinning en daarmee op het seismisch risico van het Groningen gasveld. Onder voorbehoud van de uitkomsten van dit onderzoek en het verdere verloop van het separate besluitvormingsproces ten aanzien van UGS Grijpskerk blijft het evenwel mijn intentie om beperkte extra gaswinning vast te stellen als dat bijdraagt aan een snellere sluiting van het Groningen gasveld en bovendien aan de robuustheid van het gassysteem en de leveringszekerheid op langere termijn.
Pagina 38 van 107
Directoraat-generaal Klimaat en Energie Projectdirectie Groningen Ons kenmerk
5
Toetsing aan de specifieke wettelijke criteria (artikel 52d, tweede lid, onderdeel a t/m f, Mijnbouwwet)
5.1
Inleiding
In hoofdstuk 2 (Wettelijk kader) zijn de specifieke wettelijke criteria onder a t/m f in het tweede lid van artikel 52d Mijnbouwwet uiteengezet. Op grond van dat artikel betrek ik bij de vaststelling van het veiligheidsbelang en het maatschappelijk belang dat verbonden is aan het niet kunnen voorzien van eindafnemers van de benodigde hoeveelheid laagcalorisch gas en kijk ik hierbij in het bijzonder: • in hoeverre wordt voldaan aan de veiligheidsnorm van 10-5 per jaar; • in hoeverre de leveringszekerheid van verschillende categorieën eindafnemers wordt geborgd; • naar het tempo van de afbouw van de vraag; • naar het tempo van het versterken van gebouwen; • naar maatschappelijke ontwrichting als gevolg van bodembeweging veroorzaakt door de winning van gas uit het Groningen gasveld; • naar maatschappelijke ontwrichting als gevolg van het afsluiten van verschillende categorieën eindafnemers. 5.2 5.2.1
Veiligheidsrisico’s (criterium a.) Inleiding
In deze paragraaf wordt ingegaan op de veiligheidsrisico’s die de gaswinning veroorzaakt. Ten eerste wordt uiteengezet welke vormen van voorzorg worden toegepast. Daarna volgt een beschrijving van de veiligheidsnorm die wordt gehanteerd, de wijze van berekening daarvan en het risicobeleid dat daarop is gebaseerd. Vervolgens wordt achtereenvolgens ingegaan op de uitkomsten van de SDRA 2021 die ter onderbouwing van de operationele strategieën is opgeleverd en de onzekerheidsmarge behorende bij de prioritering van de versterkingsoperatie. Na bespreking hiervan volgen de adviezen die ik over veiligheidsrisico’s heb ontvangen. Tot slot volgt een beoordeling van de veiligheidsrisico’s aan de hand van de adviezen. 5.2.2
Voorzorg en mitigerende maatregelen
Bij veiligheidsrisico’s hoort adequate voorzorg. Dit is maatwerk en kan bestaan uit drie elementen: - beperking van het risico bij de bron; - beperking van de nadelige gevolgen door mitigerende maatregelen; Pagina 39 van 107
Directoraat-generaal Klimaat en Energie Projectdirectie Groningen Ons kenmerk
- en vermindering van kennisonzekerheden. Beperking van het risico bij de bron gebeurt door de afbouw van de gaswinning. De aanpak en voortgang hiervan zijn beschreven in paragraaf 5.4. Onder het beperken van het risico bij de bron valt ook dat de seismiciteit bij de uitvoering van de gaswinning zoveel als mogelijk wordt beperkt (op basis van de gekozen operationele strategie in combinatie met monitoring van de seismiciteit bij uitvoering van de operationele strategie). Het beperken van nadelige gevolgen door mitigerende maatregelen bestaat uit het preventief versterken van woningen en gebouwen waar veel mensen samenkomen (o.a. scholen). In paragraaf 5.5 wordt ingegaan op het tempo van de versterking. Daarnaast wordt de aardbevingsbestendigheid van industriële installaties en infrastructurele werken beoordeeld en, zo nodig, verbeterd (paragraaf 5.2.3). Daarnaast wordt via onderzoeksprogramma’s continu onderzoek gedaan naar de meest recente inzichten. Ook dit draagt bij aan de voorzorg bij de bron om de seismiciteit zoveel mogelijk te beperken. In het Kennisprogramma Effecten Mijnbouw (hierna: KEM) wordt hiervoor het inzicht in de mogelijke dreigingen en risico’s van mijnbouwactiviteiten in Nederland vergroot. Paragraaf 6.2 gaat nader hierop in. Kennis over de bovengrondse gevolgen van de gaswinning wordt vergaard door het onderzoeksprogramma van de NCG.
Dit onderzoek richt zich op versterken en de leefbaarheid. 18 5.2.3
Veiligheidsnorm, berekeningswijze & risicobeleid
Naast de hierboven genoemde voorzorgsmaatregelen wordt er een zo accuraat mogelijke schatting gemaakt van het veiligheidsrisico op basis van de veiligheidsnorm. Voor de geïnduceerde aardbevingen wordt een veiligheidsnorm gehanteerd op basis van advies van de commissie Meijdam uit 2015. Deze veiligheidsnorm is vastgelegd in artikel 52, tweede lid, onderdeel a, Mijnbouwwet en ingevuld in artikel 1.3a.3 van de Mijnbouwregeling. De veiligheidsnorm voor het omkomen in of nabij een gebouw vanwege een geïnduceerde aardbeving als gevolg van de gaswinning uit het Groningen gasveld is vastgesteld op een individueel risico van 10-5 per jaar.
18
Kamerstukken II 2017/2018, 33 529, nr. 521. Pagina 40 van 107
Directoraat-generaal Klimaat en Energie Projectdirectie Groningen Ons kenmerk
Op basis van het advies van het SodM uit 2019 wordt de gemiddelde verblijfsduur niet verdisconteerd in de berekening van het risico, maar wordt ervan uitgegaan dat in elk gebouw zich permanent een individu bevindt. Op deze manier kan worden getoetst of een gebouw aan de veiligheidsnorm voldoet. Het risico met permanente verblijfsduur wordt lokaal persoonlijk risico (hierna: LPR) genoemd. Bij het toetsen van het LPR aan de veiligheidsnorm wordt uitgegaan van de verwachtingswaarde van het risico. Dit wordt aangeduid met Pmean, maar ook de term P50 wordt in de praktijk hiervoor gebruikt. Gebouwen die volgens de SDRA niet aan de veiligheidsnorm voldoen, worden opgenomen in de versterkingsopgave. Uit voorzorg worden ook gebouwen meegenomen in de versterkingsopgave die volgens de SDRA wel aan de veiligheidsnorm voldoen, maar binnen een onzekerheidsmarge vallen. De gebouwen die in deze groep vallen worden de gebouwen in de P90-groep genoemd, omdat het risico van deze gebouwen niet volgens de verwachtingswaarde aan de veiligheidsnorm voldoet, zoals in de Mijnbouwregeling wordt bepaald, maar met meer zekerheid, namelijk 90%. Hiermee wordt ondervangen dat gebouwen die niet aan de veiligheidsnorm voldoen, uit beeld blijven omdat de SDRA niet is bedoeld voor uitspraken over individuele gebouwen.
Met deze onzekerheidsmarge is aannemelijk dat de gebouwen die daadwerkelijk niet aan de veiligheidsnorm voldoende in beeld zijn. In aanvulling hierop worden gebouwen aan de versterkingsoperatie toegevoegd als daar aanleiding voor is, bijvoorbeeld als de NCG constateert dat een gebouw erg lijkt op een gebouw dat in de SDRA als niet op norm is bestempeld. Het IMG kan gebouwen aandragen, als er tijdens een schadebeoordeling twijfels ontstaan of een gebouw aan de veiligheidsnorm voldoen. Ook kunnen bewoners van huizen die niet in de versterkingsoperatie zitten zich aanmelden voor een opname op verzoek. In dat geval controleert een bouwkundige of een huis alsnog zou moeten worden opgenomen in de versterkingsopgave. De indeling in P50 of P90 heeft alleen gevolgen voor de prioriteit waarmee een gebouw wordt aangepakt. Alle gebouwen worden uiteindelijk individueel beoordeeld met de typologieaanpak of Nederlandse Praktijk Richtlijn (hierna: NPR). Bij die beoordeling speelt de risico-inschatting van de SDRA geen rol meer.
Pagina 41 van 107
Directoraat-generaal Klimaat en Energie Projectdirectie Groningen Ons kenmerk
Er is een risicobeleid geformuleerd op basis van het advies van de commissie Meijdam 19 en het advies van de Mijnraad. 20 In het beleid voor het risico naar aanleiding van geïnduceerde aardbevingen in Groningen is bepaald dat: • • •
•
bij gebouwen met een LPR groter dan 10-4 (per jaar) direct maatregelen nodig zijn om dat risico te verkleinen; gebouwen met een LPR groter dan 10-5 (per jaar) worden opgenomen in het kader van het versterkingsprogramma door de NCG; bij gebouwen die in de verrijking zijn toegevoegd door de NCG, gebouwen die zijn toegevoegd door de gemeente vanwege gebiedsontwikkeling en gebouwen die in de P90 van de 10-5 vallen, worden beoordeeld op de veiligheidsnorm. Gebouwen die niet voldoen aan de norm worden versterkt; en gebouwen die in voorgaande jaren zijn aangemerkt als (licht) verhoogd risico (bovenstaande opsomming) worden altijd onderzocht. Het risicoprofiel van gebouwen wordt dus niet afgeschaald door een nieuwe SDRA.
Het integraal risicobeleid bestaat uit toetsing van de risico’s voor gebouwen, scenarioanalyses van de aardbevingsbestendigheid van de industriële installaties en de project-specifieke aanpak voor wat betreft infrastructuur. Per domein (gebouwen, industriële installaties en infrastructuur) is er gezocht naar passende beoordelingsmethoden en toetsingscriteria. Daarbij is zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij bestaande beoordelingsmethoden en toetsingscriteria, die in de betreffende domeinen gangbaar zijn. Industrie 21 Per 15 februari 2021 is de Beleidsregel vergoeding kosten aardbevingsbestendige industrie Groningen in werking getreden. Deze beleidsregel is inwerkingtreden met terugwerkende kracht tot 1 januari 2021. Hiermee wordt de vergoeding van de kosten voor het aardbevingsbestendig maken van bedrijven die met grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen werken in publieke handen genomen. De werkwijze die ten grondslag ligt aan de beleidsregel sluit aan bij de werkwijze die in de afgelopen jaren door NAM werd uitgevoerd.
Kamerstukken II 2015/2016, 33 529, nrs. 205 en 212. Kamerstukken II 2018/2019, 33 529, nr. 527. 21 Voor een meer gedetailleerde beschrijving van de aanpak en onderzoeksmethoden zie: https://www.nationaalcoordinatorgroningen.nl/onderwerpen/chemische-industrie. 19 20
Pagina 42 van 107
Directoraat-generaal Klimaat en Energie Projectdirectie Groningen Ons kenmerk
Voor industriële installaties zijn kwalitatieve en kwantitatieve beoordelingsmethoden ontwikkeld voor de analyse van de risico’s van installaties van bedrijven die werken met grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen. In de eerste fase wordt kwalitatief onderzoek uitgevoerd naar de risico’s. Op basis daarvan wordt besloten of installaties in fase twee kwantitatief worden doorgerekend op aardbevingsbestendigheid. Er zijn twee kwantitatieve beoordelingsmethoden beschikbaar. De meest gebruikte (semi-deterministische) kwantitatieve toets voor industriële installaties met grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen stelt dat er bij een maatgevende aardbeving (deze is gedefinieerd als een aardbeving met magnitude 5,0) geen stoffen vrij mogen komen. Daarnaast kunnen bedrijven aan de hand van een probabilistisch kwantitatieve toets van Deltares/TNO de aardbevingsbestendigheid van hun industriële installaties doorrekenen. Hieronder wordt de laatste stand van zaken weergegeven voor de industriebedrijven. Stand van zaken onderzoeken industrie (april 2021) “Alle 45 (chemie-)bedrijven die werken met grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen in het aardbevingsgebied hebben een kwalitatieve risicoanalyse (fase 1 onderzoek) uitgevoerd. Van alle bedrijven die fase 1 hebben afgerond heeft een drietal bedrijven aangegeven geen installaties te hoeven doorrekenen in fase 2.
Van de overige bedrijven is ongeveer 82% met fase 2 gestart. Daarvan hebben 18 bedrijven het hele proces afgerond. Op basis van de beschikbare resultaten kan de volgende voorlopige duiding worden gegeven: o De uitgevoerde berekeningen leren dat er geen gevallen zijn waarbij onvoldoende sterkte van de procesinstallatie leidt tot uitstroom van gevaarlijke stoffen. Dit betekent dat de procesinstallaties vaak robuuster zijn dan de constructies waarin ze staan. Dit is een belangrijke constatering. o In die gevallen waar een installatie niet door de rekentoets komt, betreft het meestal het (al dan niet partieel) falen van de draagconstructie van de procesinstallatie of falen van de fundatie van installatie. Dit betekent dat de installatie kan worden beschadigd, maar niet dat er ook in alle gevallen gevaarlijke stoffen vrijkomen. Ter opvolging van dit laatste punt worden in sommige gevallen nadere berekeningen uitgevoerd. In een aantal gevallen worden ook direct kleine verstevigingen uitgevoerd.. De (chemie-) bedrijven maken openbare samenvattingen van de uitkomsten van deze
Pagina 43 van 107
Directoraat-generaal Klimaat en Energie Projectdirectie Groningen Ons kenmerk
onderzoeken welke worden geplaatst op de website van de Nationaal Coördinator Groningen (NCG). 22 o Inmiddels zijn 25 openbare samenvattingen gepubliceerd, deze samenvattingen beslaan vaak onderzoeken voor meerdere industriële installaties. o Bij de actualisatie van de nieuwe seismische kaart van KNMI in juli 2020 zullen 5 bedrijven niet meer relevant zijn door de lagere belastingswaarden op hun bedrijfslocatie aan de rand van het bevingsgebied. Daarmee resteren voor de prioriteringslijst nog 40 (chemie-)bedrijven. o Daarnaast is nog sprake van een beperkte inspanning voor een aantal kleinere bedrijven met gevaarlijke stoffen die op de Risicokaart staan (www.risicokaart.nl). Naar verwachting zal de stopzetting van de gaswinning mogelijk leiden tot een kleinere versterkingsopgave. Dit volgt ook uit de tussenevaluatie uit 2020 welke door de Stuurgroep Industrie aan de minister van EZK is aangeboden. Momenteel (april 2021) is de implementatie van het proces van het op afstand plaatsen van NAM in gang gezet.” Infrastructuur Per 15 februari 2021 is de Beleidsregel vergoeding kosten aardbevingsbestendige infrastructuur Groningen in werking getreden. Deze beleidsregel is inwerkingtreden met terugwerkende kracht tot 1 januari 2021. Hiermee wordt de vergoeding van de kosten voor het aardbevingsbestendig maken van infrastructuur in publieke handen genomen.
Voor de aardbevingsbestendigheid van infrastructuur zijn geen kwantitatieve beoordelingskaders en normen voorhanden. In 2017 heeft een kwalitatieve risicoanalyse naar de aardbeving gerelateerde risico’s van infrastructuur plaatsgevonden. In augustus 2019 heeft het panel van hoogleraren mij nader geadviseerd over het beoordelen van infrastructuur op aardbevingsbestendigheid. 23 Het panel hanteert de volgende uitgangspunten: • bij de beoordeling van infrastructurele werken op aardbevingsbestendigheid is het uitgangspunt de toets aan een (maximaal) individueel risico van 10-5 per jaar; • de probabilistische risico-inschatting is daarvoor de geijkte methode. Hierin dienen ook de domino-effecten te worden meegenomen.
22 23
https://www.nationaalcoordinatorgroningen.nl/onderwerpen/chemische-industrie/samenvattingen-onderzoeken. Bijlage bij Kamerstukken II 2019/2020, 33 529, nr. 678. Pagina 44 van 107
Directoraat-generaal Klimaat en Energie Projectdirectie Groningen Ons kenmerk
Deze veiligheidsfilosofie vraagt volgens het panel om een praktische toepassing in het licht van de verdere afbouw van de gaswinning, en daarmee de verdere daling van de seismische hazard, met als uitgangspunten: 1. Als het maken van voldoende betrouwbare kwantitatieve risicoberekeningen meer inspanning kost dan het nemen van een maatregel moet die maatregel simpelweg genomen worden. Deel van de afweging kan zijn om tijdelijke (organisatorische) maatregelen te nemen totdat de hazard voldoende gedaald is; 2. Berekeningen conform de veiligheidsfilosofie worden alleen gestart als uit de (kwalitatieve) inschatting van experts blijkt dat het risico significant groter lijkt dan 10-5 per jaar; 3. Indien berekening van de kans op een specifieke ongewenste gebeurtenis als gevolg van een geïnduceerde aardbeving significant kleiner is dan 10-5 per jaar, hoeft er niet verder gerekend te worden aan de effecten. Deze veiligheidsfilosofie ligt ten grondslag aan de Beleidsregel vergoeding kosten aardbevingsbestendige infrastructuur Groningen en sluit aan bij de wijze waarop bijvoorbeeld het individueel risico bij gebouwen wordt beoordeeld. In het Platform Aardbevingsbestendige Infrastructuur delen overheden en beheerders van infrastructuur kennis en ervaring delen ten aanzien van de beoordeling van infrastructuur.
Op grond van bovengenoemd advies, waarin ook wordt verwezen naar eerdere onderzoeken waarin geen acute kwetsbaarheden of veiligheidsrisico’s aan het licht zijn gebracht, zie ik op dit moment geen aanleiding om verdere aanvullende maatregelen te treffen anders dan reeds in gang gezet. Daarnaast zie ik omwille van de veiligheid van individuen nabij infrastructuur geen reden om de keuze voor de operationele strategie te wijzigen. 5.2.4
Seismische dreigings- en risicoanalyse (SDRA 2021)
In deze paragraaf wordt aan de hand van de SDRA 2021 de operationele strategie getoetst aan het veiligheidsbeleid. Zoals hiervoor aangegeven zijn deze uitkomsten een regionale risicoschatting specifiek bedoeld om het regionale risico in Groningen te beoordelen in dit besluit. Definitieve uitspraken over het seismisch risico van een individueel gebouw en de daarbij behorende versterkingsmaatregelen worden gebaseerd op een individuele opname en beoordeling met een daarvoor geschikte methode.
Pagina 45 van 107
Directoraat-generaal Klimaat en Energie Projectdirectie Groningen Ons kenmerk
Grenswaarde 10-4 per jaar In de SDRA wordt er geconstateerd dat er geen gebouwen meer zijn met een risico groter dan 10-4 per jaar. Veiligheidsnorm: individueel aardbevingsrisico van 10-5 per jaar In de SDRA wordt het LPR gerapporteerd en gerelateerd aan de veiligheidsnorm van 10-5 per jaar. Het aantal gebouwen dat niet aan de veiligheidsnorm voldoet, wordt weergegeven in tabellen en op ruimtelijke kaarten. Volgens de resultaten van de SDRA zijn er geen gebouwen meer die niet aan de norm voldoen in 20212022 (Pmean). 10-jaarsverwachting De SDRA laat zien dat op de langere termijn het aantal gebouwen dat niet voldoet aan de veiligheidsnorm (van 10-5 per jaar) nihil blijft. Onzekerheidsmarge (P90) Volgens de SDRA vallen er 22 gebouwen in de P90 groep voor een gemiddeld temperatuurverloop. De berekening voor een koud gasjaar geeft 63 gebouwen in de P90-groep. Al deze gebouwen zijn al opgenomen in de versterkingsoperatie. Gevoeligheidsanalyse TNO De SDRA bevat een gevoeligheidsanalyse. In deze gevoeligheidsanalyse laat TNO zien wat de invloed is van verschillende modelkeuzes. Uit de gevoeligheidsanalyse van TNO komen geen gebouwen met een risico van groter dan 10-4 per jaar en 842 gebouwen die volgens de verwachtingswaarde (P50 of Pmean) niet voldoen aan de veiligheidsnorm. De NCG geeft aan dat van deze 842 gebouwen er 37 gebouwen nog niet in de versterkingsoperatie zitten.
5.2.5
Adviezen over het veiligheidsrisico
Advies Mijnraad 11 juni 2021 In de ogen van de Mijnraad is het belangrijk dat bij de gaswinning uit het Groningen gasveld volgens de voorgestelde operationele strategie gasjaar volgens de uitgevoerde SDRA (in de verwachtingswaarde) voor alle woningen de Meijdamnorm gehaald wordt. De Mijnraad merkt op dat verschillende adviseurs uitspraken doen over wetenschappelijke aspecten en uitgangspunten van de SDRA. Het verdient volgens de Mijnraad de voorkeur om wetenschappelijke discussies en het verwerken van voortschrijdend inzicht in de modelvorming in een separaat traject Pagina 46 van 107
Directoraat-generaal Klimaat en Energie Projectdirectie Groningen Ons kenmerk
te laten plaatsvinden en daar de voorbereiding van het vaststellingsbesluit niet mee te belasten. De Mijnraad geeft aan dat zowel de keuze van SodM voor de P90-aanpak, als de gevoeligheidsanalyse van TNO leiden tot conservatieve (extra hoge) inschattingen van het aantal te versterken huizen in vergelijking met de erkende en wetenschappelijke gefundeerde systematiek voor het berekenen van aardbevingsrisico’s volgens de verwachtingswaardeaanpak. Daarbij merkt de Mijnraad op dat verschillende keuzes en uitgangspunten niet leiden tot een wezenlijke verandering van de versterkingsopgave. Advies SodM 9 april 2021 24 SodM mij desgevraagd geadviseerd om, uit voorzorg, de 37 gebouwen die uit de gevoeligheidsanalyse komen op te nemen in het versterkingsprogramma. Advies SodM 27 mei 2021 SodM constateert dat TNO de SDRA heeft uitgevoerd conform Artikel 1.3a.2 van de Mijnbouwregeling en dat TNO de SDRA, op enkele kleine afwijkingen na, inhoudelijk heeft uitgevoerd zoals verzocht in bijlage C van de Verwachtingenbrief. Verder geeft SodM aan dat de uitkomsten van de SDRA 2021 vergelijkbaar zijn met de uitkomsten van de HRA 2020. Het gebruik van de SDRA voor de versterkings- of typologieaanpak moet, volgens SodM, met enige voorzichtigheid worden bekeken vanwege de geconstateerde afwijkingen.
Advies TNO 28 mei 2021 TNO constateert dat in het besluit op een juiste wijze is omgegaan met de input die is verkregen uit de gevoeligheidsanalyse op de seismische risico- en dreigingsanalyse. 5.2.6
Beoordeling
De resultaten van de SDRA passen bij de geadviseerde en geverifieerde deelmodellen. Ondanks de lopende wetenschappelijke discussies heb ik op dit moment geen reden om te twijfelen aan de uitkomsten. Ik zie de constateringen die de Mijnraad doet ten aanzien van conservatisme in de berekening als een bevestiging van de resultaten van de SDRA waarbij er geen gebouwen meer zijn die niet voldoen aan de veiligheidsnorm. Desondanks heb ik, het advies van SodM hierover volgend, ook de resultaten van de gevoeligheidsanalyse van TNO meegenomen. Volgens de resultaten van de gevoeligheidsanalyse voldoen buiten de huidige scope mogelijk 37 gebouwen niet 24
Bureau Energie Projecten (www.rvo.nl/gaswinning-groningen) Pagina 47 van 107
Directoraat-generaal Klimaat en Energie Projectdirectie Groningen Ons kenmerk
aan de veiligheidsnorm. In overleg met de bewoners worden deze huizen nader onderzocht om zeker te stellen of zij aan de veiligheidsnorm voldoen. Uit voorzorg zijn deze 37 gebouwen die uit de gevoeligheidsanalyse komen op te nemen in het versterkingsprogramma. Voor de verdere modelontwikkeling van de SDRA wordt verwezen naar paragraaf 6.3. De constatering van SodM dat het gebruik van de SDRA voor de versterkings- of typologieaanpak met enige voorzichtigheid moet worden bekeken is niet relevant voor de onderbouwing van het vaststellingsbesluit. De SDRA geeft immers geen individuele beoordeling van gebouwen. Op de beoordeling van individuele gebouwen in de versterkingsoperatie ga ik in paragraaf 5.5 nader in. 5.2.7
Conclusie
Ik concludeer op basis van de risicoberekeningen, onderzoeken en adviezen dat er geen reden is mijn veiligheidsbeleid te herzien, dat de SDRA een voldoende betrouwbaar beeld geeft van het veiligheidsrisico behorend bij de operationele strategie voor het gasjaar 2021-2022 en dat dit veiligheidsrisico acceptabel is. 5.3 5.3.1
Leveringszekerheid (criterium b.) Inleiding
Leveringszekerheid betekent dat eindafnemers van gas op het juiste moment en in de juiste kwaliteit (laag- of hoogcalorisch gas) met de benodigde hoeveelheid worden beleverd. Leveringszekerheid kent een volumematige en een capaciteitsmatige component. De volumematige component houdt in dat er over een bepaalde periode (bijvoorbeeld een jaar) voldoende gas beschikbaar moet zijn om te voorzien in de vraag. De capaciteitsmatige component houdt in dat dat gas op ieder moment in het jaar, ook op momenten van hoge vraag in de juiste hoeveelheid moet kunnen worden geleverd. Gas kan hoog- of laagcalorisch zijn. Hoogcalorisch gas heeft een hogere verbrandingswaarde dan het laagcalorische gas dat uit het Groningen gasveld wordt gewonnen. Apparaten en installaties die geschikt zijn voor laagcalorisch gas functioneren niet zonder meer met hoogcalorisch gas en omgekeerd. Eindafnemers van gas moeten daarom ook de juiste kwaliteit van gas geleverd krijgen. In Nederland zijn op dit moment vrijwel alle huishoudens, maar ook het merendeel van de bedrijven, afhankelijk van laagcalorisch gas. Datzelfde geldt Pagina 48 van 107
Directoraat-generaal Klimaat en Energie Projectdirectie Groningen Ons kenmerk
voor delen van België, Duitsland en Frankrijk. Het Groningen gasveld is wereldwijd gezien de belangrijkste natuurlijke bron van laagcalorisch gas. Vrijwel al het gas dat elders wordt gewonnen is hoogcalorisch. Er wordt voorzien in de vraag naar laagcalorisch gas door hoogcalorisch gas dat door verrijking en kwaliteitsconversie wordt ingepast in het laagcalorisch gassysteem en door de productie van het Groningengas. Verrijking is het toevoegen van hoogcalorisch gas aan het Groningengas, in die mate dat het mengsel nog steeds voldoet aan de vereisten voor laagcalorisch gas. Kwaliteitsconversie is het omzetten van hoogcalorisch gas naar laagcalorisch gas door het toevoegen van stikstof in daarvoor bestemde installaties. Zonder productie uit het Groningen gasveld kan momenteel niet in de gehele vraag naar laagcalorisch gas worden voorzien. Op basis van de Gaswet heeft GTS de wettelijke taak om jaarlijks een raming op te stellen van de hoeveelheid Groningengas die nodig is in een gasjaar om alle eindafnemers van laagcalorisch gas in Nederland, België, Duitsland en Frankrijk te voorzien. Hierbij worden alle beschikbare middelen en methoden die deze hoeveelheid minimaliseren betrokken. In paragraaf 5.3.2 wordt ingegaan op het benodigde volume en in paragraaf 5.3.3 op de benodigde capaciteit voor het gasjaar 2021-2022.
In paragraaf 5.3.4 ga ik verder in op de benodigde inzet voor de komende gasjaren en de verwachte sluitingsdatum van het Groningen gasveld. 5.3.2
Benodigd volume voor de leveringszekerheid
Conform artikel 10a, eerste lid, onderdeel q, van de Gaswet heeft GTS op 29 januari 2021 een graaddagenformule opgeleverd voor het benodigde Groningenvolume voor gasjaar 2021-2022. Daarbij is rekening gehouden met de uitgangspunten die ik, bij mijn verzoek aan NAM om een operationele strategie op te stellen, heb meegegeven. Zoals aangegeven in paragraaf 4.1 moeten er vanaf 1 april 2022 productielocaties operationeel worden gehouden om in de winter van het daaropvolgende gasjaar voldoende capaciteit beschikbaar te hebben om ook dan de leveringszekerheid te kunnen garanderen. Dit gaat gepaard met een minimale productie, de zogenoemde minimumflow. In het gasjaar 2021-2022 zal hierdoor het gewonnen Groningenvolume alleen in de winter afhankelijk zijn van het aantal graaddagen en in de zomer voornamelijk bestaat uit het volume dat noodzakelijkerwijs gewonnen wordt doordat er productielocaties op stand-by staan. Bij het opstellen van de graaddagenformule in januari heeft GTS nog geen rekening gehouden met het eventueel omzetten van UGS Grijpskerk naar een Pagina 49 van 107
Directoraat-generaal Klimaat en Energie Projectdirectie Groningen Ons kenmerk
opslag voor laagcalorisch gas. Het omzetten van UGS Grijpskerk betekent dat er komend gasjaar meer gewonnen moet worden dan nodig zou zijn voor het invullen van de vraag naar laagcalorisch gas van hetzelfde gasjaar. Deze extra winning wordt later bespaard door de versnelde sluiting van het Groningen gasveld. Vooralsnog luidt voor jaren met meer dan 1618 graaddagen in de winter de graaddagenformule als volgt: Groningenvolume [in miljard Nm3] = [-9,542 + 0,00706 * gd]Winter + [0,65]Zomer. In deze formule staat ‘gd’ voor het aantal graaddagen. Een graaddag is het verschil tussen de gemiddelde effectieve temperatuur (daggemiddelde temperatuur gecorrigeerd voor windsnelheid) gemeten in de Bilt door KNMI, indien deze lager is dan 14˚C. Hierbij wordt 14˚C beschouwd als de stookgrens van de huishoudelijke markt. Op basis van de graaddagensystematiek wordt een verband gelegd tussen de gerealiseerde effectieve temperatuur en de vraag naar gas. Uitgaande van een gemiddeld jaar is er op basis van de graaddagenformule 3,9 miljard Nm3 nodig in het gasjaar 2021-2022. Voor jaren met minder dan 1618 graaddagen in de winter bedraagt het benodigde Groningenvolume 2,55 miljard Nm3. Voor een koud jaar is het verwachte benodigde volume 7,5 miljard Nm3. GTS heeft het volume voor de periode van 1 april tot 1 oktober 2022 geraamd op 0,65 miljard Nm3.
Dit volume is het gemiddelde van de berekende volumes voor de zomerperiode voor 30 verschillende temperatuurscenario’s. Er is echter ook een scenario mogelijk met meer graaddagen in de zomer dan gemiddeld, oftewel een zomer met relatief veel koude dagen. NAM benoemt dit ook in de operationele strategie in paragraaf 3.2.3. De begrenzing van de productie uit het Groningen gasveld in de zomer periode kan er in een zomer met relatief veel koude dagen toe leiden dat NAM UGS Norg beperkt kan vullen in het injectieseizoen (uitgangspunt vijf in hoofdstuk 4.1). GTS raamt in haar advies van 8 juni jl. de extra winning die nodig is om UGS Grijpskerk om te zetten naar een opslag voor laagcalorisch gas voor het gasjaar 2021-2022 op 0,7 Nm3 in een jaar met een gemiddeld temperatuur verloop. In augustus beoogt GTS een nieuwe graaddagenvergelijking te sturen voor het gasjaar 2021-2022. Hierin nemen zij naast de omzetting van UGS Grijpskerk ook andere eventuele ontwikkelingen mee. Pagina 50 van 107
Directoraat-generaal Klimaat en Energie Projectdirectie Groningen Ons kenmerk
Het Groningen gasveld zal ook als back-up dienen. Dit in het geval zich verstoringen in het gassysteem voordoen, zoals uitval van installaties, transportbeperkingen of onvoorziene ontwikkelingen in de samenstelling van het hoogcalorisch gas. De benodigde back-up rol voor het gasjaar 2021-2022 wordt door GTS ingeschat op een Groningenvolume van maximaal 1,5 miljard Nm3. Dit is gelijk aan het back-up volume zoals opgenomen in artikel 3 van het vaststellingsbesluit Groningen gasveld 2019-2020 en 2020-2021. In die gasjaren is het back-up volume (vooralsnog) niet nodig gebleken. Voor het gasjaar 20212022 speelt een extra onzekerheid mee. Zoals aangegeven in mijn brief aan de Tweede Kamer over de raming van de gaswinning is er een risico dat de oplevering of het operationeel krijgen van de nieuwe stikstofinstallatie in Zuidbroek vertraagt. 25 In het GTS advies is aangegeven dat dit kan leiden tot 1,3 tot 3,6 miljard Nm3 extra winning uit het Groningen gasveld. Bij beperkte vertraging of tijdelijke uitval is er sprake van ‘uitval van een installatie’ van GTS als bedoeld in artikel 4 van dit ontwerp vaststellingsbesluit en kan aanspraak gemaakt worden op het Groningen gasveld als back-up. Bij ernstiger vertraging kunnen meer volumes nodig zijn en zal GTS mij dit melden conform artikel 10a, elfde lid, van de Gaswet.
Op grond van artikel 52e van de Mijnbouwwet kan ik vervolgens indien daar aanleiding toe is overgaan tot het nemen van een tijdelijke maatregel die geldt als aanvulling op of als afwijking van de vastgestelde operationele strategie. 5.3.3
Benodigde capaciteit voor de leveringszekerheid
Wat betreft capaciteit adviseert GTS om in gasjaar 2021-2022 4,6 miljoen Nm3 per uur beschikbaar te houden op het Groningen gasveld om in situaties van een hoge marktvraag alle eindafnemers van laagcalorisch gas te kunnen blijven beleveren. Bij het bepalen van de benodigde capaciteit baseert GTS zich op de infrastructuurnorm van de Europese verordening leveringszekerheid aardgas. 26 Dit betekent dat GTS rekening houdt met een verstoring van de grootste afzonderlijke gasinfrastructuur (uitval van UGS Norg) gelijktijdig met een temperatuur die eens in de 20 jaar voorkomt (-15,5˚C). De Europese verordening stelt dat op nationaal niveau rekening gehouden dient te worden met deze voorwaarden. Vanwege de afhankelijkheid van laagcalorisch gasverbruikers in Duitsland, België en Frankrijk van Nederland, kiest GTS ervoor om de infrastructuurnorm toe te passen op het volledige afzetgebied van laagcalorisch gas.
Kamerstukken II 2020/2021, 33 529, nr. 848. Verordening (EU) 2017/1938 van het Europees Parlement en de raad betreffende maatregelen tot veiligstelling van de gasleveringszekerheid. 25 26
Pagina 51 van 107
Directoraat-generaal Klimaat en Energie Projectdirectie Groningen Ons kenmerk
Om de geraamde capaciteit voor 2021-2022 te kunnen leveren dienen er voldoende productielocaties op het Groningen gasveld beschikbaar te blijven. GTS heeft in de raming meegenomen dat er elf productielocaties beschikbaar moeten blijven in de winter en zes in de zomer. Dat betekent ten opzichte van het gasjaar 2020-2021 dat één productielocatie per 1 oktober 2021 buiten gebruik kan worden genomen en vijf productielocaties per 1 april 2022 niet meer nodig zijn. Zoals aangegeven in paragraaf 4.2.2 kies ik er vooralsnog voor om niet vast te stellen dat per 1 april 2022 productielocaties buiten gebruik kunnen worden genomen. Mocht in de loop van het gasjaar blijken dat er wel productielocaties kunnen worden gesloten, dan zal ik daartoe stappen ondernemen. In de graaddagenformule van paragraaf 5.3.2 is uitgegaan van het beschikbaar houden van zes locaties. Het beschikbaar houden van de capaciteit heeft tot 1 april 2022 heeft geen gevolgen voor het benodigde volume in gasjaar 2021-2022. Na 1 april kan dit wel gevolgen hebben. Zoals aangegeven in paragraaf 4.1 moeten deze productielocaties afwisselend operationeel gehouden worden om beschikbaar te blijven voor de winter van 2022-2023. De productie die hiermee gemoeid is wordt minimumflow genoemd. Om per 1 april 2022 zes locaties operationeel te houden schat NAM de minimumflow in op 0,43 miljard Nm3.
Op sommige momenten in de tijd kan de vraag naar laagcalorisch gas minus het aanbod van laagcalorisch gas dat beschikbaar komt via andere middelen dan het Groningen gasveld lager zijn dan deze minimumflow. Op die momenten wordt eerst het Groningen gasveld ingezet en daarna de andere middelen en beïnvloedt de minimumflow dus het benodigde volume in het gasjaar 2021-2022. 5.3.4
Benodigde inzet Groningen gasveld na gasjaar 2021-2022
Dit besluit ziet op de winning uit het Groningen gasveld in het gasjaar 2021-2022. In dit besluit wil ik echter ook vooruit kijken naar de benodigde Groningenproductie in de daaropvolgende jaren. Uit de raming van GTS blijkt dat vanaf het gasjaar 2022-2023 volumeproductie uit het Groningen gasveld in een gemiddeld jaar niet meer nodig is. Alleen nog in het geval van extreme kou of uitval van andere middelen kan het Groningen gasveld als reservemiddel nodig zijn om capaciteit te leveren. Volgens GTS moet het Groningen gasveld tot tussen medio 2025 en medio 2028 beschikbaar blijven als reservemiddel, ervan uitgaande dat de genomen maatregelen als omschreven in hoofdstuk 5.4 op schema blijven lopen. Dit kan met twee tot vijf jaar versneld worden door het omzetten van de UGS Grijpskerk op laagcalorisch gas. Minimumflow in de periode dat het Groningen gasveld beschikbaar is als reservemiddel Pagina 52 van 107
Directoraat-generaal Klimaat en Energie Projectdirectie Groningen Ons kenmerk
NAM geeft in haar operationele strategie aan dat er zes locaties beschikbaar moeten blijven in 2022-2023 voor de door GTS geraamde capaciteit. Dit resulteert in een minimumflow van 1,3 miljard Nm3. Het uiteindelijke niveau van minimumflow voor het gasjaar 2022-2023 en de jaren daarop zal worden vastgelegd in het vaststellingsbesluit voor dat gasjaar. Dit zal zoals gebruikelijk worden voorgelegd aan de wettelijke adviseurs en zal ook ter inzage worden gelegd. Sluiting van productielocaties Thans moet op grond van artikel 44 van de Mijnbouwwet een mijnbouwwerk dat niet meer wordt gebruikt worden verwijderd. Dit betekent dat een productielocatie, nadat die uit gebruik is genomen omdat deze niet meer nodig is voor de leveringszekerheid, moet worden ontmanteld. Deze verplichting is nader geregeld in het Mijnbouwbesluit. Met ingang van 1 juli aanstaande wordt een wijziging van de Mijnbouwwet 27 en het Mijnbouwbesluit van kracht op grond waarvan de procedure rondom het verwijderen van mijnbouwwerken wordt verduidelijkt en geactualiseerd.
27 Wet van 27 januari 2021 tot wijziging van de Mijnbouwwet (het verwijderen of hergebruiken van mijnbouwwerken en investeringsaftrek), Stb. 2021, nr. 92
Pagina 53 van 107
Directoraat-generaal Klimaat en Energie Projectdirectie Groningen Ons kenmerk
Figuur 2: Vergelijk van de totale capaciteit van Groningen productielocaties en de capaciteitsraming GTS per gasjaar. De zwarte lijn geeft de meerjarige GTS-raming voor capaciteit weer. De hoogte van de blokken geeft de capaciteit in de periode van november tot en met maart van operationele productielocaties aan. De kleur geeft het cluster aan waar de productielocatie onder valt. Bron: NAM, 2021, Operationele Strategie voor het gasjaar 2021-2022 Bovenstaande figuur 2 geeft inzicht in de volgorde waarin productielocaties niet meer nodig zijn. Op basis van de operationele strategieën zullen na de CentraalOost locaties de Zuid-West locaties niet meer ingezet worden, gevolgd door de Zuid-Oost locaties. De voorgenomen sluitingsdata zijn afhankelijk van tijdige oplevering van de nieuwe stikstofinstallatie in Zuidbroek, zoals ook aangegeven in Pagina 54 van 107
Directoraat-generaal Klimaat en Energie Projectdirectie Groningen Ons kenmerk
paragraaf 4.2.2. Op pagina 22 en 23 van de operationele strategie van NAM staat een nadere duiding van het voorgestelde productielocatie-afbouwvolgorde. De rol van de gasopslagen voor de volledige en definitieve sluiting van het Groningen gasveld De opslag van gas speelt een belangrijke rol voor de leveringszekerheid, omdat hiermee flexibiliteit geboden wordt in het systeem. Vanwege de grote seizoen effecten in de markt voor laagcalorisch gas is het van belang om voldoende opslag capaciteit beschikbaar te hebben. UGS Norg speelt hierin een belangrijke rol, zoals ook aangegeven in paragraaf 4.1, en zorgt ervoor dat stikstofinstallaties meer optimaal kunnen worden ingezet. In de zomer wordt de gasopslag zoveel mogelijk gevuld met pseudo-Groningengas, zodat dit gas in de winter benut kan worden. Op 10 september 2019 heeft de minister van EZK ingestemd met het gewijzigde opslagplan voor UGS Norg 28, waarmee effectief het werkvolume van de gasopslag is verruimd van 5 naar 6 miljard Nm3. Daarnaast zijn met de aandeelhouders van NAM privaatrechtelijke afspraken gemaakt over de inzet van UGS Norg, waaronder het (deels) vullen van UGS Norg met pseudo-Groningengas. De gemaakte afspraken heb ik toegelicht in mijn Kamerbrief van 9 maart 2021.