CConstaterende datMidden-Groningen
Koppel je AI →
Document · PDF

10. PlanMER inclusief publiekssamenvatting

Raadsvergadering 3 februari 2022, gemeente Midden-GroningenBij agendapunt: Gewijzigde vaststelling Bestemmingsplan Buitengebied33.134 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Niet gevonden in dit document.

Tabel 1.4 uitgangspunten alternatieven* thema

activiteit

uitgangspunt minimumalternatief

uitgangspunt maximumalternatief

agrarisch

vergroting bouwvlak agrarische percelen

bouwvlak overeenkomstig met referentiesituatie

bouwvlak van 2 ha

agrarisch

uitbreiding bestaande (glas)tuinbouwbedrijven in Sappemeer-Noord

volledige en verspreide ontwikkeling binnen huidig bestemd glastuinbouwgebied

ontwikkeling binnen nieuw (ingeperkt) bestemd glastuinbouwgebied

agrarisch / wonen

toestaan nevenactiviteiten zoals minicampings

overeenkomstig met referentiesituatie

op 5% van de bestemmingen komt een minicamping. Dit betekent 47 minicampings, tegenover 4 in de huidige situatie.

duurzaamheid en energietransitie

toestaan kleinschalige windturbines

overeenkomstig met referentiesituatie

30% van de agrarische bestemmingen plaatst een kleinschalige windturbine. Dit betekent 62 kleinschalige windturbines op agrarische bestemmingen. Voor woonbestemmingen wordt uitgegaan van een maximum van 10 turbines**

* uitgangspunten van het maatregelenalternatief volgen bij de desbetreffende thema’s ** voor woonbestemmingen is de beschikbare ruimte op voorhand als dusdanig beperkt te noemen dat een hoger aantal als onrealistisch beschouwd kan worden. De landschappelijke analyse (hoofdstuk 5) onderbouwt dit.

14 | 158 Witteveen+Bos | 120177/20-015.940 | Definitief 02

Een voorbeeld: kleinschalige windturbines In het maximumalternatief mag met het nieuwe bestemmingsplan in theorie op elke agrarische bestemming een drietal- en op elke woonbestemming een kleinschalige windturbine geplaatst worden. In de praktijk is dit niet realistisch: niet elke agrariër gaat een kleinschalige windturbine plaatsen en de beschikbare ruimte bij het grootste deel van de niet-agrarische bestemmingen (woonbestemmingen) is beperkt. Het maximumalternatief gaat uit van een realistische worst-case situatie. Omdat het niet realistisch is dat iedereen daadwerkelijk een kleinschalige windturbine realiseert, geldt dit niet als de representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden waar het maximumalternatief vanuit gaat. Daarom is voor dit alternatief een uitgangspunt gedefinieerd, gebaseerd op het huidig aantal kleinschalige windturbines in de gemeente. In het kort: 1 het minimumalternatief gaat uit van het aantal kleinschalige windturbines in de referentiesituatie; 2 het maximumalternatief gaat uit van een realistische worst-case situatie, namelijk dat op 30 % van de agrarische bestemmingen een kleinschalige windturbine wordt geplaatst.

Voor woonbestemmingen wordt -vanwege de op voorhand vastgestelde beperkte ruimte- uitgegaan van een maximum van 10 kleinschalige windturbines; 3 levert dit knelpunten op, dan brengt het maatregelenalternatief de maatregelen in beeld die noodzakelijk zijn om de ontwikkelingsmogelijkheden voor kleinschalige windturbines te kunnen bieden.

Toelichting glastuinbouwgebied Sappemeer-Noord Voor de uitbreiding van het glastuinbouwgebied in Sappemeer-Noord geldt dat het minimumalternatief in meer mogelijkheden voorziet dan het maximumalternatief. Het huidig bestemde glastuinbouwgebied (behorend tot het minimumalternatief) is namelijk groter dan het nieuwe, ingeperkte, glastuinbouwgebied (behorend tot het maximumalternatief. Afbeelding 1.5 laat het gebied zien, waarbij de kleuren het volgende betekenen: - groen+rood: het huidig bestemde gebied, behorend tot het minimumalternatief; - groen: het nieuwe, ingeperkte, gebied, behorend tot het maximumalternatief.

Afbeelding 1.5 Glastuinbouwgebied Sappemeer-Noord. Groen = nieuw bestemde gebied, rood is niet langer bestemd.

15 | 158 Witteveen+Bos | 120177/20-015.940 | Definitief 02

2 KADERS, PROCEDURES EN BESLUITEN Aan het bestemmingsplan Buitengebied Midden-Groningen is een plan-m.e.r. -plicht (milieueffectrapportage) gekoppeld. Dit hoofdstuk beschrijft de m.e.r.-plicht (paragraaf 2.1), de m.e.r.-procedure (paragraaf 2.2) en het relevante wettelijk- en beleidskader (paragraaf 2.3). Onderscheid in definitie tussen m.e.r. en MER Binnen de procedure van milieueffectrapportage worden de volgende afkortingen gebruikt: de m.e.r. en het MER. De m.e.r. duidt de procedure van milieueffectrapportage aan, zoals het onderzoek, de inspraak en alle bijkomende adviezen. De afkorting MER staat voor het eindproduct, het milieueffectrapport.

2.1

M.e.r.-plicht

Het doel van de milieueffectrapportage-procedure (hierna: m.e.r.) is milieu- en natuurbelangen naast andere belangen een volwaardige rol te laten spelen bij de besluitvorming. De m.e.r. is voorgeschreven op grond van Europese van nationale wetgeving. Het doorlopen van een m.e.r. is verplicht indien sprake is van activiteiten met potentieel aanzienlijke milieueffecten. Deze activiteiten zijn opgenomen in het Besluit milieueffectrapportage. Dit is een Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) op grond van de Wet milieubeheer (Wm). Uit artikel 7.2 van de Wm volgt dat de m.e.r.-plicht voor een belangrijk deel is geregeld in het Besluit m.e.r., zo ook voor een bestemmingsplan. Voor een bestemmingsplan geldt in de volgende gevallen een m.e.r.-plicht: 1 het bestemmingsplan maakt activiteiten mogelijk die volgens de Wm m.e.r.-(beoordelings)plichtig zijn, omdat aanzienlijke negatieve effecten voor het milieu niet kunnen worden uitgesloten, en/of; 2 het bestemmingsplan maakt activiteiten mogelijk die significante effecten kunnen hebben op Natura 2000-gebieden, waardoor op grond van de Wet natuurbescherming een Passende Beoordeling nodig is. Beide gevallen kunnen van toepassing zijn op het bestemmingsplan Buitengebied Midden-Groningen. Ad.

1 Een m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteit Het bestemmingsplan bevat uitbreidingsmogelijkheden (vergroting bouwvlak) voor agrarische bestemmingen, waaronder veehouderijen. Hiermee biedt het bestemmingsplan ontwikkelingsmogelijkheden die mogelijk milieubelastend zijn. Normaliter kunnen we hierdoor aanzienlijk negatieve milieueffecten voor agrarische bestemmingen niet uitsluiten. Het voornemen bevat echter een stikstofregeling (zie 1.3.3). Met deze regeling is een toename van stikstofuitstoot uitgesloten. Het voornemen leidt daarmee niet tot een stikstoftoename, waarmee aanzienlijke milieueffecten in theorie zijn uit te sluiten. Zonder analyse is dit echter niet met zekerheid vast te stellen. Daarmee is het doel van dit planMER het uit zorgvuldigheid op navolgbare wijze aannemelijk maken dat deze negatieve effecten inderdaad uit te sluiten zijn. Ad. 2 M.e.r.-plichtig plan in het kader van de Wet natuurbescherming In het buitengebied van de gemeente Midden-Groningen ligt Natura 2000-gebied het Zuidlaardermeer. Tevens liggen de Natura 2000-gebieden de Drentsche Aa en het Waddengebied op korte afstand van het buitengebied. De ontwikkelingsmogelijkheden met betrekking tot schaalvergroting in de landbouwsector kunnen in theorie leiden tot een toename van ammoniak en stikstofdepositie. Deze mogelijke negatieve

16 | 158 Witteveen+Bos | 120177/20-015.940 | Definitief 02

effecten maken dat de Wet natuurbescherming een Passende Beoordeling voorschrijft. Bij het opstellen van een Passende Beoordeling volgt, op grond van artikel 7.2a Wm, per definitie het opstellen van een MER. Het voornemen bevat echter een stikstofregeling (zie 1.3.3). Hiermee wordt een toename van stikstofemissie ten opzichte van de referentiesituatie uitgesloten. De gemeente slaat hiermee de stap van een Passende Beoordeling over door op voorhand een toename van stikstofemissie uit te sluiten. Net als onder punt 1, heeft dit planMER als doel deze theoretische uitsluiting op navolgbare wijze te analyseren en te bevestigen. Het voorgenomen bestemmingsplan sluit bovendien nagenoeg geheel aan bij de Provinciale Omgevingsverordening, waarvoor reeds een Passende Beoordeling en m.e.r. is uitgevoerd.

2.2

Procedure

De plan-m.e.r. volgt uit hoofdstuk 7 van de Wm. De procedure bestaat uit de volgende zeven stappen: 1 kennisgeving van het voornemen1 (artikel 7.9); 2 raadplegen van adviseurs en besturen (artikel 7.8); 3 opstellen van het planMER (artikel 7.7); 4 planMER en ontwerpbestemmingsplan (artikel 7.10 en 7.12); · ter inzage leggen van planMER en ontwerpbestemmingsplan. ‘Een milieueffectrapport is gereed op het moment dat het ontwerp van het plan ter inzage wordt gelegd’ (artikel 7.10); · toetsing van planMER door de commissie voor de m.e.r.; 5 onderbouwen van de gevolgen van het planMER, de zienswijzen op het planMER en het advies van de commissie voor de m.e.r. voor het bestemmingsplan (artikel 7.14); 6 bekendmaking en mededeling van het bestemmingsplan (artikel 7.15); 7 onderzoeken van de gevolgen van de activiteit (artikel 7.39). Momenteel bevindt deze plan-m.e.r. zich in stap 3.

2.3

Wettelijk- en beleidskader

Voor het voorliggend planMER zijn verschillende beleidskaders relevant. De belangrijkste kaders worden in onderstaande subparagrafen toegelicht.

2.3.1

Europees

Smb-richtlijn - de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma's Op grond van de M.e.r.-richtlijn worden lidstaten verplicht om voorafgaand aan bepaalde activiteiten een milieueffectrapport op te stellen, zodat (aanzienlijke) milieugevolgen in beeld worden gebracht. Uit het rapport blijken de milieugevolgen de voorgenomen activiteit. Op grond hiervan kan een beslissing worden genomen omtrent de toelating van de activiteit en kunnen eventuele voorwaarden worden gesteld. De Europese M.e.r.-richtlijn is door Nederland geïmplementeerd door middel van de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r.

2.3.2

Nationaal

Wet milieubeheer In de Wet milieubeheer (Wm) is de m.e.r.-procedure opgenomen. De, voor het voornemen relevante, procedure is nader toegelicht in paragraaf 2.2.

1 Zie: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2020-120750.html

17 | 158 Witteveen+Bos | 120177/20-015.940 | Definitief 02

Besluit m.e.r. In het Besluit m.e.r. staat beschreven welke activiteiten m.e.r.-plichtig zijn. De m.e.r.-plichtigheid van dit voornemen op grond van het Besluit m.e.r. is toegelicht in paragraaf 2.1. Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte Het Rijk streeft middels een krachtige aanpak naar een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland. Hierbij wordt ruimte geboden voor regionaal maatwerk, staat de gebruiker voorop en worden ruimtelijke ontwikkelingen en infrastructuur met elkaar verbonden. In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geeft het Rijk verschillende nationale belangen aan voor het ruimtelijke domein, die ervoor moeten zorgen dat Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig blijft. Daarbij probeert het Rijk zo min mogelijk op de stoel van provincies en gemeenten te zitten. Een van de belangen van de SVIR is het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving. Voor een goede milieukwaliteit, moet de kwaliteit van de milieuaspecten aan de geldende normen voldoen. Zoals besproken in hoofdstuk 1 wordt dit planMER opgesteld voor het bestemmingsplan Buitengebied Midden-Groningen. Aangezien dit bestemmingsplan enkel de uitbreiding van bouwvlakken van agrarische bedrijven mogelijk maakt door toepassing van BBT, is het uitgangspunt dat de milieukwaliteit wat betreft geur en stikstof niet verslechterd.

Indien er geen gebruik wordt gemaakt van de uitbreidingsmogelijkheden levert dit een verbetering van de milieukwaliteit op. Omgevingswet Naar verwachting treedt de Omgevingswet (Ow) in 2021 in werking. De Ow bundelt en vereenvoudigt wetgeving en regels voor ruimte, milieu, wonen, infrastructuur, natuur en water. Deze wet zorgt daarmee voor een samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving. Met de inwerkingtreding komen verschillende (vigerende) instrumenten te vervallen en worden nieuwe instrumenten geïntroduceerd. Aangezien het bestemmingsplan vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet wordt vastgesteld, dient aan de vigerende wet- en regelgeving te worden voldaan. Nationale Omgevingsvisie (NOVI) (ontwerp) Nederland staat voor grote uitdagingen die van invloed zijn op onze fysieke leefomgeving. Het betreft complexe opgaven die nauw met elkaar zijn verweven, zoals verstedelijking, verduurzaming en klimaatadaptatie. Door de NOVI is een integrale aanpak mogelijk, die leidt tot een duurzaam perspectief voor de leefomgeving. Met de NOVI kan worden gewerkt aan een duurzaam, sterk en mooi Nederland. Hierbij is aandacht voor milieu, duurzaamheid, economische kracht en kwaliteit van het leven en de leefomgeving.

De NOVI beschrijft de hoofdlijnen van de gewenste kwaliteit van de leefomgeving, de voorgenomen ontwikkeling en het te voeren beleid en geldt als een plan van aanpak voor de komende jaren. De NOVI komt als structuurvisie uit onder de bestaande Wet ruimtelijke ordening (Wro), maar zal bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet (Ow) gelden als omgevingsvisie. De NOVI vervangt onder andere de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). Het Besluit kwaliteit leefomgeving (BKL) is ook onderdeel van de NOVI. De NOVI beschrijft de ambities die we willen bereiken. Dit krijgt een weergave in nationale belangen in de fysieke leefomgeving en de daaruit komende opgaven. Deze opgaven vragen een geïntegreerde benadering en komen samen in vier prioriteiten: 1) ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie, 2) duurzaam economisch groeipotentieel, 3) sterke en gezonde steden en regio’s en 4) toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Prioriteit 4) toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied Het landelijk gebied dient beter te worden afgestemd op natuurlijke processen, zoals het bodem- en watersysteem, de ondergrond en de omgeving. Door de juiste invulling van de agrarische functie op de juiste plek, ontstaat een gezonder systeem, met een lagere inzet van middelen en minder emissie.

18 | 158 Witteveen+Bos | 120177/20-015.940 | Definitief 02

De omslag naar kringlooplandbouw is hierbij van belang. Deze omslag zorgt ervoor dat de huidige keten verandert in een systeem met minimale onnodige verliezen. Landbouw, tuinbouw, visserij en akkerbouw, veehouderij en tuinbouw dienen onderdeel uit te maken van de kringlooplandbouw. Om een vitaal platteland te behouden, is het nodig om het landelijk gebied goed in te delen. Daarbij moet versnippering worden voorkomen. Het voornemen draagt bij aan het verminderen van emissie en het voorkomen van versnippering in landelijk gebied. Uitgangspunt is dat BBT wordt toegepast, zodat uitbreiding mogelijk gemaakt kan worden. Daarbij gaat het om het uitbreiden van bestaande agrarische bedrijven.

2.3.3

Provinciaal

Omgevingsvisie provincie Groningen 2016-2020 In de Omgevingsvisie provincie Groningen 2016-2020 (Omgevingsvisie) is de integrale lange termijnvisie van de provincie op de fysieke leefomgeving opgenomen. De Omgevingsvisie draagt bij aan het verbeteren van een aantrekkelijk woon- en leefklimaat. Daarbij staat het benutten van de ontwikkelingsmogelijkheden centraal. In de Omgevingsvisie zijn vijf thema’s en elf provinciale belangen geformuleerd, die op de een of andere manier raken aan de fysieke leefomgeving. De voor dit plan relevante thema’s zijn: ruimte en milieu. Vitale Landbouw Onder het thema ruimte valt het belang: vitale landbouw. Zo’n 80% van het landoppervlak van de provincie Groningen is agrarische grond. De agrarische bedrijven zitten in een transitie, waarbij meer aandacht is voor duurzaamheid en natuur en landschap. Schaalvergroting en verduurzaming van de landbouw kan bij zorgvuldige toepassing hand in hand gaan. Wanneer bestaande bouwvlakken worden vergroot tot een omvang tussen de 1 en 2 hectare, geldt dat de maatwerkmethode moet worden toegepast. Deze maatwerkmethode houdt in dat betrokken partijen (bijvoorbeeld de ondernemer, gemeente, adviseur en/of deskundige) de planvorming gezamenlijk oppakken. Daarbij dient rekening gehouden met verschillende ruimtelijke randvoorwaarden, welke in paragraaf 3.4.2. nader worden toegelicht.

Tegengaan milieuhinder Het belang tegengaan van milieueffecten en milieuhinder valt onder het thema milieu. Goede kwaliteit van, in dit geval relevant, de lucht is essentieel voor de kwaliteit van leven en gezondheid en een voorwaarde voor ecologische vitaliteit en diversiteit. Om het doel ‘een gezonde en schone leefomgeving in Groningen’ te bereiken, wordt geprobeerd om milieuhinder zo veel mogelijk tegen te gaan. Luchtkwaliteit De provincie wil een goede luchtkwaliteit. Daarvoor wordt er gezorgd dat er geen onacceptabele effecten optreden voor mens en natuur. Het streven is een gezondheidskwaliteit (GES-score) van 4. Mens en omgeving Om geuroverlast te voorkomen/beperken, wordt in het landelijk gebied gestreefd naar een gezondheidskwaliteit op het niveau van GES-32. Omgevingsverordening provincie Groningen De Omgevingsverordening Provincie Groningen (Omgevingsverordening) bevat regels voor de fysieke leefomgeving in de provincie, welke zien op de thema’s zoals ruimtelijke ordening, water en milieu. In de Omgevingsverordening zijn doelstellingen voor het provinciale beleid voor de thema’s opgenomen.

19 | 158 Witteveen+Bos | 120177/20-015.940 | Definitief 02

De Omgevingsverordening regelt middels het thema ruimtelijke ordening de concentratie van bebouwing binnen bouwpercelen van agrarische bedrijven. Op de verbeelding van een bestemmingsplan worden de agrarische bouwpercelen aangewezen. De Omgevingsverordening maakt het vergroten van agrarische bouwvlakken in bestemmingsplannen mogelijk tot maximaal 2 hectare. Dit kan wanneer de maatwerkmethode wordt toegepast. Dit is een methode waarbij overleg plaatsvindt middels keukentafelgesprekken, met als doel overeenstemming te bereiken over omvang, situering en inrichting. In het bestemmingsplan waarvoor voorliggend MER wordt opgesteld, wordt het vergroten van bouwvlakken in een deel van het plangebied mogelijk gemaakt middels afwijkingsbevoegdheid tot maximaal 1,5 ha. Met toepassing van de wijzigingsbevoegdheid kan het bouwvlak worden vergroot tot 2 ha. Het bestemmingsplan geeft hiermee invulling aan dit thema van de Omgevingsverordening. Voor beide procedures dient een inrichtingsplan te worden ingediend.

2.3.4

Waterschap

Beheerprogramma 2016 - 2021 Het waterschap heeft de wettelijke taak om de hoofdlijnen van het beleid en beheer vast te leggen in het beheerplan. Daarmee laten we ook zien hoe externe referentiekaders als Kaderrichtlijn Water, Deltaprogramma en de provinciale Omgevingsvisies doorwerken in ons beleid en beheer. In het beheerprogramma 2016 - 2021 is aangegeven met welke ambities het waterschap de ontwikkelingen en opgaven op het gebied van veiligheid, voldoende water, en schoon en ecologisch gezond water in hoofdlijnen wil oppakken.

2.3.5

Gemeentelijk

Kompas Per 1 januari 2018 zijn de voormalige gemeenten Hoogezand-Sappemeer, Slochteren en Menterwolde samengegaan tot de nieuwe gemeente Midden-Groningen. In het Kompas is de richting beschreven waarin de nieuwe gemeente zich wil gaan ontwikkelen. Hierbij is de gemeente eerst en vooral bondgenoot van inwoners, bedrijven en organisaties. Het motto is: minder voorschrijven, meer samenwerken. Het Kompas benoemt drie bouwstenen voor een gemeenschappelijke maatschappelijke agenda. Deze bouwstenen bevatten de gemeenschappelijke doelen waar gemeente, inwoners, ondernemers, organisaties en bestuur de komende jaren aan gaan werken. Bouwsteen 1: Groots in kleinschaligheid De gemeente zet sterk in op zelfredzame en leefbare dorpen en kernen. Hierbij zijn inwoners medeverantwoordelijk voor de leefbaarheid. Leefbaarheid heeft sterk te maken met 'schoon, heel en veilig'. Gemeente en inwoners worden hierin steeds meer gelijkwaardige partners. Bouwsteen 2: Ieder mens telt Het uitgangspunt is 'eigen kracht': alle inwoners - van jong tot oud, met of zonder beperking - nemen zelf de regie over hun leven en zijn zelf verantwoordelijk voor hun leven. Bouwsteen 3: Economie van de toekomst De gemeente Midden-Groningen heeft een stevige economische basis, dankzij de bedrijvigheid in stuwende sectoren zoals (maak-)industrie, landbouw, handel, bouw en energie.

Vooral met de maakindustrie, met name scheepsbouw, onderscheidt de gemeente zich regionaal. Voor de werkgelegenheid zijn ook de publiek gefinancierde instellingen en ondernemingen van belang. De maakindustrie en de landbouw kunnen worden versterkt.

20 | 158 Witteveen+Bos | 120177/20-015.940 | Definitief 02

Woonvisie Op 28 februari 2019 heeft de gemeenteraad de Woonvisie vastgesteld. Dat is wettelijk verplicht voor de relatie met de woningcorporaties en voor prestatieafspraken tussen deze partijen en de gemeente. De woonvisie is nodig omdat de gemeente in de omslag zit van groei naar een (deels) krimpende gemeente. De woonvisie is samen gemaakt met vele betrokken partijen (makelaars, corporaties, huurdersorganisarties en dergelijke) en inwoners van onze gemeente. Samen zijn ze gekomen tot een woonvisie die richting geeft aan het op orde brengen van de basis, die dorpen en wijken klaar maken voor krimp en kansen voor groei aan de westzijde gaat faciliteren. Duurzaamheidsvisie Midden-Groningen 2019-2022 De gemeente heeft in 2019 de Duurzaamheidsvisie Midden-Groningen 2019-2022 vastgesteld. Deze visie heeft een breed en globaal karakter en bevat verschillende 'SDG's': sustainable development goals. Dit zijn doelen die op internationaal niveau door de VN zijn opgesteld. Deze doelen zijn doorvertaald naar verschillende schaalniveaus, waaronder het lokale gemeentelijk niveau. Door dit brede karakter bevat het beleid geen concrete uitgangspunten voor dit bestemmingsplan Buitengebied. Beleidsnota archeologie gemeente Midden-Groningen De gemeente heeft in voorjaar 2020 haar beleidsnota archeologie vastgesteld.

Dit beleid formuleert de wijze waarop de gemeente om wil gaan met de geïnventariseerde waarden. Het beleid is vertaald in een Archeologische beleidskaart en concrete beschermingscategorieën. De Archeologische beleidskaart en beschermingscategorieën zijn in voorliggend plan vertaald op de verbeelding en in bijbehorende beschermde regels. De beleidsnota is verder toegelicht in hoofdstuk 4 van dit planMER. Zonneparken De gemeente Midden-Groningen kent een separaat vastgesteld Beleid Zonneparken in Midden-Groningen. Dit beleid vormt het beleidskader om de vele initiatieven uit de samenleving te kunnen reguleren. Het vormt de uitwerking van de gebiedsvisie op provinciaal niveau. Het beleid richt zich op tijdelijke (max. 30 jaar) grondgebonden zonneparken of zonneparken op water. De ontwikkeling van zonneparken gaat gepaard met een afweging tussen vele belangen. De beleidsvisie voorziet in deze afweging met aandacht voor de goede maatschappelijke en landschappelijke inpassing. Door het bestaan van dit separate beleid vallen zonneparken buiten de scope van het bestemmingsplan van het Buitengebied en daarmee buiten de scope van dit planMER.

21 | 158 Witteveen+Bos | 120177/20-015.940 | Definitief 02

3 ALGEMENE ONDERZOEKSMETHODIEK Dit hoofdstuk beschrijft op hoofdlijnen de onderzoeksmethode die in die planMER is gehanteerd. Paragraaf 3.1 beschrijft ingreep-effectrelaties die relevant zijn voor dit planMER. Hieruit volgen de aspecten en criteria die zijn opgenomen in het beoordelingskader in paragraaf 5.2 De hierop volgende paragraaf 5.3 beschrijft hoe deze zijn onderzocht. Ten slotte geeft paragraaf 5.4 een toelichting op de generiek gehanteerde beoordelingsmethodiek.

3.1

Ingreep-effectrelaties

Het voornemen gaat gepaard met ontwikkelingsmogelijkheden. De ontwikkelingen komen tot uiting in de vorm van ingrepen, welke gevolgen met zich meebrengen. Deze gevolgen kunnen effect hebben op milieuaspecten. Aan de hand van criteria worden de effecten op de milieuaspecten in beeld gebracht. De relatie tussen de ingrepen en de effecten heten de ingreep-effectrelaties. Tabel 3.1 laat de voor dit planMER meest relevante ingreep-effectrelaties zien, gespecificeerd naar het niveau van milieuaspecten. De tabel laat niet voor alle ingrepen de gevolgen en effecten zien, omdat voor bepaalde ingrepen de verwachte effecten beperkt zijn (zie tabellen 1.1 en 1.2). De themahoofdstukken laten de ingreep-effectrelaties voor het desbetreffend thema zien, gespecificeerd naar criteria.

Tabel 3.1 Ingreep-effectrelaties milieuaspect Ingreep

Gevolg

Effect

Milieuaspecten

vergroting bouwvlak agrarische percelen

vergroting en/of verplaatsing stallen en schuren

- verandering in het landschap; - stikstofuitstoot door bouw- en sloopwerkzaamheden; - bodemberoering; - toename verhard oppervlak; - toename transportbewegingen; - geluidsproductie; - vrijkomend fijnstof.

- landschap, cultuurhistorie en archeologie; - natuur; - bodem en water; - verkeer; - geluid; - luchtkwaliteit.

uitbreiding glastuinbouw

uitbreiding kassen en toename omvang kassengebied

- verandering in het landschap; - stikstofuitstoot door bouw en sloop werkzaamheden; - bodemberoering; - toename verhard oppervlak; - toename transportbewegingen; - geluidsproductie; - vrijkomend fijnstof; - lichthinder

- landschap, cultuurhistorie en archeologie; - natuur; - bodem en water; - verkeer; - geluid; - luchtkwaliteit; - licht.

22 | 158 Witteveen+Bos | 120177/20-015.940 | Definitief 02

Ingreep

Gevolg

Effect

Milieuaspecten

vergroting stalruimte veehouderijen

vergroting stallen

- verandering in ammoniak en geurproductie; - stikstofuitstoot door bouw en sloopwerkzaamheden; - toename verhard oppervlak; - toename transportbewegingen; - geluidsproductie; - vrijkomend fijnstof.

- natuur; - bodem en water; - verkeer; - geluid; - luchtkwaliteit.

bouw mestopslag en mestvergistinginstallaties

- stikstofdepositie; - kans op toename ammoniak en geurproductie; - bebouwing op of buiten bouwvlak (op veldkavel)

- toename stikstofdepositie; - verandering in ammoniak en geurproductie; - toename verkeersbewegingen; - verandering landschappelijk beeld

- natuur; - ammoniak en geur; - verkeer; - landschap

toestaan kleine windturbines

kleine windturbines worden geplaatst binnen bouwvlak kans op falen windturbine

- verandering in het landschap; - kans op ontstaan risicosituaties

- landschap; - geluid; - externe veiligheid.

toestaan minicampings

minicampings nabij boerderijen met <25 plekken

- verandering in het landschap;

- landschap

3.2

Beoordelingskader

Tabel 3.2 presenteert een overzicht van de aspecten en criteria waarop het voornemen is beoordeeld. Deze criteria volgen uit de uitgangspunten en ingreep-effectrelaties zoals opgenomen in de tabellen 1.1, 1.3, 1.4 en 3.1.

Tabel 3.2 Beoordelingskader Aspect

Criterium

Methode

beschermde soorten en habitattypen Natura 2000gebieden

effecten op instandhoudingsdoelstellingen Natura 2000-gebieden

kwantitatief

overige beschermde soorten

effecten op beschermde soorten Wet natuurbescherming

kwalitatief

overige beschermde gebieden

effecten op NNN en akkervogelgebieden

kwalitatief

Natuur

Landschap, cultuurhistorie en archeologie landschap

Landschapstype en -structuur en ruimtelijk-visuele kenmerken

kwalitatief

cultuurhistorie

Historische bouwkunde, Rijksmonumenten

kwalitatief

archeologie

Archeologie en aardkunde

kwalitatief

geur

invloed op geurbelasting

kwantitatief

natuur

stikstofdepositie Natura 2000-gebieden

kwantitatief

Ammoniak en geur

23 | 158 Witteveen+Bos | 120177/20-015.940 | Definitief 02

Aspect

Criterium

Methode

risico op zettingen

kwalitatief

invloed op bodemkwaliteit

kwalitatief

invloed op verdroging

kwalitatief

invloed op grondwaterkwantiteit

kwalitatief

invloed op grondwaterkwaliteit

kwalitatief

invloed op oppervlaktewaterkwantiteit

kwalitatief

invloed op oppervlaktewaterkwaliteit

kwalitatief

geluidhinder door agrarische bedrijven

kwalitatief

geluidhinder door kleinschalige windturbines

kwalitatief

luchtkwaliteit

toe-/afname fijnstof en stikstofdioxide door wegverkeer

kwalitatief

licht

invloed op lichthinder voor omwonenden

kwalitatief

gezondheid

verschillen in gezondheidseffecten op hoofdlijnen

kwalitatief

invloed op verkeersafwikkeling

semi-kwantitatief

invloed op verkeersveiligheid

kwalitatief

invloed op ontstaan risicosituaties

kwalitatief

Bodem en water bodem

grondwater

oppervlaktewater

Leefomgeving* geluid

Verkeer verkeer

Externe Veiligheid externe veiligheid

* Leefomgeving is een overkoepelende noemer voor de milieuaspecten geluid, luchtkwaliteit, licht en gezondheid. Deze milieuaspecten zijn alle in aparte hoofdstukken uitgewerkt.

3.3

Onderzoeksaanpak

De milieuaspecten en criteria uit het in tabel 3.2 gepresenteerde beoordelingskader zijn grotendeels kwalitatief beoordeeld. Hierbij is voor veel thema’s gebruik gemaakt van door de gemeente MiddenGroningen beschikbaar gestelde data en andere openbare bronnen. Aan de hand van deze data is middels expert-judgement beoordeeld of de alternatieven (zie paragraaf 1.4) leiden tot knelpunten. In geval van een negatief (-) of een sterk negatief (--) effect, zijn met behulp van het maatregelenalternatief maatregelen in kaart gebracht die bijdragen aan het verminderen van effecten. Hiermee is het voornemen getoetst op haalbaarheid. De themahoofdstukken geven voor het desbetreffend thema een uitgebreidere toelichting op de voor dat milieuaspect gehanteerde onderzoeksaanpak.

3.4

Generieke beoordelingsmethodiek

Om de effecten van de alternatieven per aspect te kunnen vergelijken, zijn deze op basis van een zevenpunts-beoordelingsschaal beoordeeld ten opzichte van de referentiesituatie. Voor vrijwel alle criteria is alleen de negatieve beoordelingsschaal relevant, omdat een positief effect (een verbetering ten opzichte van de referentiesituatie) in veel gevallen niet van toepassing is. Tabel 3.3 laat een generieke versie van de gehanteerde beoordelingsmethodiek zien.

24 | 158 Witteveen+Bos | 120177/20-015.940 | Definitief 02

Tabel 3.3 Generieke versie beoordelingsmethodiek Score

Betekenis

Wanneer toegekend

--

sterk negatief effect ten opzichte van de referentiesituatie

het voornemen heeft een sterk negatief effect. Het voornemen is niet uitvoerbaar.

-

negatief effect ten opzichte van de referentiesituatie

het voornemen leidt tot een negatief effect maar is uitvoerbaar

0/-

licht negatief effect ten opzichte van de referentiesituatie

het voornemen heeft een gering negatief effect. Het heeft geen wezenlijke impact, maar effecten kunnen niet uitgesloten worden.

0

geen effect ten opzichte van de referentiesituatie

geen effect ten opzichte van de referentiesituatie

0/+

licht positief effect ten opzichte van de referentiesituatie

het voornemen heeft een gering positief effect.

+

positief effect ten opzichte van de referentiesituatie

het voornemen heeft een positief effect en leidt tot een verbetering ten opzichte van de referentiesituatie

++

sterk positief effect ten opzichte van de referentiesituatie

het voornemen heeft een positief effect en leidt tot een sterke verbetering ten opzichte van de referentiesituatie

25 | 158 Witteveen+Bos | 120177/20-015.940 | Definitief 02

4 NATUUR Dit hoofdstuk presenteert de analyse voor het milieuaspect Natuur. Paragraaf 4.1 beschrijft de gehanteerde aanpak van dit onderzoek. Paragraaf 4.2 beschrijft de referentiesituatie waarna paragraaf 4.3 de effectbeschrijvingen presenteert. De toelichting op de relevante effecten (storingsfactoren) maakt hier onderdeel van uit. Tot slot zijn de hieruit volgende effectbeoordelingen opgenomen in paragraaf 4.4.

4.1

Onderzoeksaanpak

Deze paragraaf beschrijft de onderzoeksaanpak voor het milieuaspect Natuur. Het onderzoek toetst de effecten aan vigerend wetgeving en beleid, wat is uiteengezet in 4.1.1. Op basis van de ingreep-effectrelaties (4.1.2) komt het beoordelingskader (4.1.3) tot stand. De hierin getoonde criteria kennen elk een andere aanpak en beoordelingsmethodiek. Sub paragraaf 4.1.4 beschrijft deze. Tot slot beschrijft paragraaf 4.1.5 de uitgangspunten van de alternatieven. Deze uitgangspunten vormen de kaders voor het onderzoek.

4.1.1

Wetgeving en beleid milieuaspect Natuur

Europees Habitatrichtlijn Richtlijn van de Europese Unie waarin aangegeven wordt welke soorten en welke typen natuurgebieden (als leefgebieden voor soorten, habitats) beschermd moeten worden door de lidstaten. Vogelrichtlijn Richtlijn van de Europese Unie waarin aangegeven wordt welke soorten en leefgebieden van vogels beschermd moeten worden door de lidstaten. Nationaal Wet Natuurbescherming Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. De Wnb betreft zowel soortenbescherming (voorheen Flora- en faunawet) als bescherming van (Europese) natuurgebieden (voorheen Natuurbeschermingswet 1998). De soortenbescherming is gericht op het beschermen en het behouden van de goede staat van instandhouding van in het wild levende plant- en diersoorten en hun directe leefomgeving. De gebiedsbescherming is gericht op het beschermen van (natuur)gebieden. Deze natuurgebieden betreffen onder andere de zogenoemde ‘Speciale Beschermingszones’ op grond van de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Samen worden deze zones aangeduid als het ‘Natura 2000 netwerk’. Op grond van de Wnb moet wanneer er bij ontwikkelingen sprake is van een ‘significant (negatief) effect’ op een Natura 2000-gebied een zogenoemde ‘passende beoordeling’ worden uitgevoerd.

26 | 158 Witteveen+Bos | 120177/20-015.940 | Definitief 02

Natuurnetwerk Nederland De basis van het natuurbeleid is het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen EHS (Ecologische Hoofdstructuur)). Het NNN is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Nederland. Uitwerking op land vindt plaats op provinciaal niveau (zie verder tabel 2.3). Naast het natuurnetwerk op het land zijn alle grote wateren, waaronder Waddenzee, IJsselmeer, Zeeuwse delta en Noordzee aangewezen als onderdeel van het NNN. Hiervoor is het Rijk verantwoordelijk. In artikel 2.10.1 van het Barro is opgenomen dat het planologisch beschermingsregime niet van toepassing is op grote rijkswateren. Provinciaal Omgevingsvisie provincie Groningen 2016-2020 In de Omgevingsvisie van de provincie Groningen is voor het thema natuur het volgende provinciale belang opgenomen: het beschermen en ontwikkelen van de biodiversiteit, zowel binnen als buiten het Nationaal Natuurnetwerk Nederland. De in het plangebied aanwezige aandachtsgebieden voor natuur zijn het Waddengebied, het Natura 2000-gebied en NNN-gebied Waddenzee, leefgebieden voor akkervogels en bos- en natuurgebieden buiten het NNN. Ter behoud van deze waarden zijn in het voorliggend bestemmingsplan specifieke regelingen voor in het plangebied aanwezige waarden, zoals benoemd in de Omgevingsverordening (zie onderstaande afbeelding), integraal opgenomen.

4.1.2

Ingreep-effectrelaties

Tabel 4.1 geeft een overzicht van de ingreep-effectrelaties voor het milieuaspect Natuur. Een ingreep-effectrelatie laat zien welke effecten op hoofdlijnen te verwachten zijn.

Tabel 4.1 Ingreep-effectrelaties milieuaspect Natuur Ingreep

Gevolg

Effect

Criterium

Vergroting bouwvlak

Toename verhard oppervlak, sloop en nieuwbouw stallen en/of schuren

-

Mate van toename verhard oppervlak en toename verstoring en verdroging en verontreiniging afgezet tegen beschermingsregime: Natura 2000 provinciaal ruimtelijk natuurbeleid beschermde soorten

Uitbreiding glastuinbouw

Uitbreiding kassencomplexen

Verstoring door toename lichtuitstraling (en effecten die onder vergroting bouwvlak worden behandeld)

Mate van toename lichtuitstraling afgezet tegen afgezet tegen beschermingsregime: Natura 2000 provinciaal ruimtelijk natuurbeleid beschermde soorten

Plaatsing en gebruik kleine windturbines

Mechanische effecten kleine windturbines (aanvaringen)

Aanvaringsslachtoffers vogels en vleermuizen

Aanvaringsrisico vogels en vleermuizen afgezet tegen beschermingsregime: Natura 2000 provinciaal ruimtelijk natuurbeleid beschermde soorten

27 | 158 Witteveen+Bos | 120177/20-015.940 | Definitief 02

-

Habitatverlies door toename verhard oppervlak, sloop en verwijdering beplanting Toename verstoring Verdroging en verontreiniging

4.1.3

Beoordelingskader en -criteria

In de navolgende tabel 4.2 is het beoordelingskader voor het thema natuur weergegeven. Op basis van de voorziene ingreep-effectrelaties en de eisen vanuit het wettelijk- en beleidskader, worden de effecten op het thema natuur in beeld gebracht aan de hand van drie criteria: 1 effecten op instandhoudingsdoelstellingen Natura 2000-gebieden; 2 effecten op beschermde soorten Wet natuurbescherming; 3 effecten op NNN- en akkervogelgebieden. De instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden volgen uit de Europese wetgeving. De effecten op deze instandhoudingsdoelstellingen komen met name voort uit mogelijke stikstofdepositie door ontwikkelingsmogelijkheden die het plan biedt. Dit onderzoek brengt deze effecten en -indien van toepassing- de maatregelen in beeld. De effecten op beschermde soorten vanuit de Wet natuurbescherming volgt uit Nederlandse wetgeving en focust zich op de effecten omtrent verstoring en vernietiging van beschermde diersoorten. Tot slot focust het derde criterium op de effecten op overige gebieden, namelijk NNN- en akkervogelgebieden. Dit criterium beoordeelt effecten zoals verdroging, verontreiniging en oppervlakteverlies.

Tabel 4.2 Beoordelingskader Natuur Aspect

Criterium

Fase

Methode

Natuur

effecten op instandhoudingsdoelstellingen Natura 2000-gebieden

aanleg en gebruik

kwalitatief door middel van bureaustudie

effecten op beschermde soorten Wet natuurbescherming

aanleg en gebruik

kwalitatief door middel van bureaustudie

effecten op NNN en akkervogelgebieden

aanleg en gebruik

kwalitatief door middel van bureaustudie

4.1.4

Aanpak en beoordelingsmethodiek

De onderzoeken zijn uitgevoerd in drie stappen: 1 het in kaart brengen van de ontwikkelingsmogelijkheden die binnen het minimumalternatief effecten op natuur kunnen hebben; 2 een beschrijving van de realistische worst-case effecten op basis van het benutten van de maximale ontwikkelingsmogelijkheden voortkomend uit het voornemen; 3 een inventarisatie van maatregelen om de knelpunten weg te nemen en te komen tot een maatregelalternatief. De effecten worden per criterium en per alternatief beoordeeld aan de hand van de in de tabellen 4.3, 4.4 en 4.5 gepresenteerde beoordelingsmethodieken.

28 | 158 Witteveen+Bos | 120177/20-015.940 | Definitief 02

Beschermde soorten en habtitattypen Natura 2000-gebieden

Tabel 4.3 Beoordelingsmethodiek effecten op instandhoudingsdoelstellingen Natura 2000-gebieden Score

Betekenis

Wanneer toegekend

--

Sterk negatief effect ten opzichte van de referentiesituatie

Als instandhoudingsdoelstellingen onder druk komen te staan. Het plan heeft directe significante effecten op Natura-2000 gebieden die niet of moeilijk te mitigeren zijn. Hierdoor is het voornemen niet uitvoerbaar.

-

Negatief effect ten opzichte van de referentiesituatie

Als er directe negatieve effecten op Natura-2000 gebieden optreden, maar die wel te mitigeren zijn.

0/-

Licht negatief effect ten opzichte van de referentiesituatie

Kleine negatieve effecten, maar mitigerende maatregelen zijn niet nodig om effecten op de instandhoudingsdoelstellingen te voorkomen.

0

Geen effect ten opzichte van de referentiesituatie

Het effect heeft geen invloed op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden.

0/+

Licht positief effect ten opzichte van de referentiesituatie

Als sprake is van een positief effect, wat naar verwachting weinig bijdraagt aan de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied.

+

Positief effect ten opzichte van de referentiesituatie

Als naar verwachting sprake is van een positief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000gebied.

++

Sterk positief effect ten opzichte van de referentiesituatie

Als naar verwachting sprake is van een sterk positief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied.

Beschermde soorten Wet natuurbescherming

Tabel 4.4 Beoordelingsmethodiek effecten op beschermde soorten Wet natuurbescherming Score

Betekenis

Wanneer toegekend

--

Sterk negatief effect ten opzichte van de referentiesituatie

Als er directe, ernstige effecten op veel verschillende soort(groep)en plaatsvinden in het plangebied , waarbij de gunstige staat van instandhouding in het geding is.

-

Negatief effect ten opzichte van de referentiesituatie

Een negatief effect treedt op wanneer een effect op beschermde soorten van verschillende soorten niet kan worden uitgesloten maar waarbij een negatief effect op de gunstige staat van instandhouding (al dan niet als gevolg van mitigerende maatregelen) niet wordt verwacht.

0/-

Licht negatief effect ten opzichte van de referentiesituatie

Een licht negatief effect is wanneer een gering negatief effect op enkele soorten niet kan worden uitgesloten, maar waarbij geen effecten op de gunstige staat van instandhouding worden verwacht

0

Geen effect ten opzichte van de referentiesituatie

Als er geen negatieve of positieve effecten zijn op soorten.

0/+

Licht positief effect ten opzichte van de referentiesituatie

Als licht positieve effecten verwacht worden op enkele beschermde soort(groep)en in een deel van het plangebied.

+

Positief effect ten opzichte van de referentiesituatie

Als duidelijk positieve effecten op beschermde soorten van verschillende soortgroepen in bepaalde delen in het plangebied verwacht worden.

29 | 158 Witteveen+Bos | 120177/20-015.940 | Definitief 02

Score

Betekenis

Wanneer toegekend

++

Sterk positief effect ten opzichte van de referentiesituatie

Als duidelijk positieve effecten op veel soortgroepen in het gehele plangebied verwacht worden.

Overige beschermde gebieden

Tabel 4.5 Beoordelingsmethodiek effecten op NNN en akkervogelgebieden Score

Betekenis

Wanneer toegekend

--

Sterk negatief effect ten opzichte van de referentiesituatie

Groot oppervlakteverlies en/of directe effecten door verstoring of aantasting op beschermde waarden, die naar verwachting niet of nauwelijks kunnen worden gecompenseerd.

-

Negatief effect ten opzichte van de referentiesituatie

Middelmatig oppervlakteverlies en/of directe effecten op beschermde waarden, die naar verwachting kunnen worden gecompenseerd.

0/-

Licht negatief effect ten opzichte van de referentiesituatie

Weinig oppervlakteverlies en/of indirecte effecten op beschermde waarden die eenvoudig kunnen worden gecompenseerd.

0

Geen effect ten opzichte van de referentiesituatie

Geen oppervlakteverlies of aantasting van waarden.

0/+

Licht positief effect ten opzichte van de referentiesituatie

Kleine vergroting van oppervlakte of verbetering van bestaand leefgebied kwaliteit en/of kwantiteit beschermde waarden.

+

Positief effect ten opzichte van de referentiesituatie

Duidelijke vergroting van oppervlakte of verbetering van kwaliteit en/of kwantiteit beschermde waarden Verbetering van leefgebied en vergroting van oppervlakte.

++

Sterk positief effect ten opzichte van de referentiesituatie

Zeer grote duidelijke vergroting van oppervlakte of grote verbetering kwaliteit en/of kwantiteit beschermde waarden van leefgebied.

4.1.5

Uitgangspunten alternatieven

De verschillende alternatieven kennen verschillende uitgangspunten die voor het thema natuur relevant zijn. Hierbij geldt dat het minimumalternatief uitgaat van de referentiesituatie, het maximumalternatief de realistische worst-case situatie beschouwt en het maatregelenalternatief (waar nodig) de maatregelen in beeld brengt die nodig zijn om de effecten te beperken. Dit omvat de regels en voorwaarden zoals opgenomen in de reeds door de gemeente opgestelde beleidsnotities. Maatregelen zoals het uitvoeren van een ecologisch onderzoek komen hier in terug. Tabel 4.6 laat de uitgangspunten zien.

30 | 158 Witteveen+Bos | 120177/20-015.940 | Definitief 02

Tabel 4.6 Samenvatting alternatieven hoofdstuk natuur activiteit

Minimumalternatief

Maximumalternatief

Maatregelalternatief

vergroting bouwvlak agrarische percelen

geen aanpassing bouwvlakken

ieder agrarisch bouwperceel krijgt ontwikkelruimte van 2 ha

ieder agrarisch bouwperceel krijgt ontwikkelruimte van 1 ha met mogelijkheden voor uitbreiding tot maximaal 2 ha Voorwaarde is dat de stikstofemissie van het bedrijf niet toeneemt

beperking ontwikkelmogelijkheden glastuinbouw

volledige en verspreide ontwikkeling binnen huidig bestemde glastuinbouwgebied. Voorwaarde is dat de lichtsterkte in de kas minder dan 150 lux bedraagt, dan wel dat de lichtuitstraling met voorzieningen voor ten minste 90 % wordt gereduceerd

ontwikkeling binnen nieuw (ingeperkt) bestemd glastuinbouwgebied. Voorwaarde is dat de lichtsterkte in de kas minder dan 150 lux bedraagt, dan wel dat de lichtuitstraling met voorzieningen voor ten minste 90% wordt gereduceerd.

gelijk aan het maximumalternatief

realisatie en gebruik mestopslag

geen realisatie mestopslag (enkel als afwijking)

nieuwe mestopslagen bij agrarische bedrijven, met emissies in de gebruiksfase.

nieuwe mestopslagen bij agrarische bedrijven, maar met voorwaarde dat de stikstofemissie niet toeneemt

plaatsing en gebruik kleinschalige windturbines

geen mogelijkheden voor plaatsing van kleine windturbines

in 30 % van de agrarische bouwvlakken wordt een kleine windturbine van 15 m hoog binnen de bouwvlakken, geplaatst, wat resulteert in 62 turbines*

hetzelfde als het maximumalternatief, met uitzondering van de regel dat voorafgaand aan de plaatsing van kleinschalige windturbines een ecologisch onderzoek wordt uitgevoerd

* de realisatie van kleinschalige windturbines op niet-agrarische woonpercelen wordt hier buiten beschouwing gelaten. Uit de landschappelijke analyse in hoofdstuk 5 blijkt namelijk dat de mogelijkheden hiertoe beperkt zijn.

Toelichting stikstofregeling vergroting bouwvlakken en mestopslag Een belangrijke effectbeperkende maatregel is dat in het bestemmingsplan een stikstofregeling wordt opgenomen die voorschrijft dat bedrijven uitsluitend mogen uitbreiden als dit niet leidt tot een toename van de stikstofemissie als gevolg van een wijziging van dieraantallen, diersoorten en/of andere stalsystemen vanaf het betreffende agrarische bedrijf of de betreffende gronden. Deze regeling geldt ook voor de plaatsing van mestopslagen. Hoofdstuk 6 bevat een kwantitatieve onderbouwing op de (on)mogelijkheden met betrekking tot de stikstofregeling.

4.2

Referentiesituatie

4.2.1

Huidige situatie

Het plangebied bestaat uit het buitengebied van de gemeente Midden-Groningen. Het landschap bestaat uit veenontginningslandschap met akkers en graslandpercelen en de zandruggen met lintdorpen. De percelen worden veelal van elkaar gescheiden door watergangen.

31 | 158 Witteveen+Bos | 120177/20-015.940 | Definitief 02

Het plangebied betreft een open gebied met daar in verspreid liggend een aantal natuurgebieden met bos, rietmoeras en water. Hieronder vallen onder andere het Adriaan Tripbos, het Drevenbos, het Zuidlaardermeer, Leinwijk, Westerbroekstermadepolder, Kropswolderbuitenpolder, Hesselinksbos/Westerbroek, Foxholstermeer, Natuurpark Tussen de Venen, Botjes Zandgat, ’t Roegwold, Ae’s Woudbloem, Tetjehorn/Schildmeer, Dannemeer, Haansplassen, Baggerputten en een aantal dorpsrandparken en landschapsparken (bron: Dillerop, 2017). Beschermde soorten en habitattypen Natura 2000-gebieden Binnen de begrenzing van het plangebied ligt een deel van het beschermde Natura-2000 gebied Zuidlaardermeer. Dit Natura 2000- gebied is niet stikstofgevoelig. Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied is het Drentsche Aa-gebied, wat op circa 3,5 kilometer vanaf de westelijke gemeentegrens ligt (afbeelding 3.1). De grootste milieueffecten zijn in deze Natura 2000-gebieden te verwachten, waarbij het Drentsche Aa-gebied vooral relevant is vanwege mogelijk verzurende en vermestende effecten door stikstofdepositie. In andere Natura 2000-gebieden zijn de milieueffecten naar verwachting veel kleiner of ontbreken deze door de grotere afstand. Daarom worden in onderstaande gebiedsbeschrijvingen uitsluitend het Zuidlaardermeer en het Drentsche Aa-gebied behandeld.

Bij de effectbeschrijving en effectbeoordeling wordt evenwel zo nodig ook gekeken naar andere relevante Natura 2000-gebieden. De gebiedsbeschrijving is gemaakt aan de hand van de aanwijzingsbesluiten en omvat waar van toepassing een overzicht van de aangewezen soorten.

32 | 158 Witteveen+Bos | 120177/20-015.940 | Definitief 02

Afbeelding 4.1 Omgrenzing Natura 2000 gebieden (groen) ten opzichte van het plangebied (zwarte lijn) en de bouwvlakken (zwarte vlakken. Het Zuidlaardermeergebied ligt deels binnen het plangebied. Verder liggen het Drentsche Aa-gebied ten zuidwesten en de Waddenzee ten Noordoosten van het plangebied.

Zuidlaardermeer Het Zuidlaardermeer is op 24 maart 2000 aangewezen als Vogelrichtlijngebied. Het gebied is in 2010 definitief aangewezen als Natura 2000-gebied. Het Zuidlaardermeer gebied ligt op de grens van Drenthe en Groningen en bestaat uit een natuurlijk meer omringd door oeverlanden. Aan de oostkant van het meer komen uitgestrekte rietlanden voor. Onderdeel van het gebied zijn een deel van de polders ten noorden en noordwesten van het meer, waarin ook een deel van het Foxholstermeer en het Drentse Diep liggen (bron: aanwijzingsbesluit en beheerplan Natura 2000-gebied Zuidlaardermeer). De tabellen 4.6 en 4.7 presenteren de instandhoudingsdoelstellingen voor het Zuidlaardermeergebied.

33 | 158 Witteveen+Bos | 120177/20-015.940 | Definitief 02

Tabel 4.6 Instandhoudingsdoelstellingen broedvogels Zuidlaardermeergebied Soort

Status doel

A021 Roerdomp

definitief

A119 Porseleinhoen A295 Rietzanger

Aantal broedparen

Omvang leefgebied

Kwaliteit leefgebied

Relatieve bijdrage

Kernopgaven

5

=

=

C

4.12,W

definitief

15

>

>

B2

4.11,W

definitief

200

=

=

C

Populatie

Populatie waarde

Instandhouding sdoelstellingen

Omvang leefgebied

Kwaliteit leefgebied

Relatieve bijdrage

A037 - Kleine zwaan

definitief

4

gemiddelde

Foerageergebied

=

=

C

A702 Toendrarietgans

definitief

210

gemiddelde

Slaap- en rustplaats

=

=

C

A041 - Kolgans

definitief

10100

maximum

Slaap- en rustplaats

=

=

C

A041 - Kolgans

definitief

630

gemiddelde

Foerageergebied

=

=

C

A050 - Smient

definitief

2700

gemiddelde

Slaap- en rustplaats

=

=

C

Soort

Status doel

Tabel 4.7 Instandhoudingsdoelstellingen niet-broedvogels Zuidlaardermeergebied

In algemene zin kent het gebied een opgave voor: - 4.11. Plas-dras situaties: Plas-dras situaties voor smienten (A050) en broedvogels zoals de porseleinhoen (A119); - 4.12 Overjarig riet: Herstel van grote oppervlakten en brede zones overjarig riet, inclusief waterriet, door herstel van natuurlijke peildynamiek en tegengaan verdroging voor rietmoerasvogels, zoals roerdomp (A021). Drentsche Aa-gebied Het Drentsche Aa-gebied is in mei 2004 aangewezen als habitatrichtlijngebied. Het gebied is in 2013 definitief aangewezen als Natura 2000-gebied. Het Drentsche Aa-gebied bestaat uit cultuurlandschap met graslanden, bosjes houtwallen, heide met jeneverbesstruwelen, essen en esdorpen. Het omvat daarnaast een redelijk compleet laaglandbeeksysteem. De waarden van het gebied worden bepaald door de complexe waterhuishouding in relatie tot het vroegere landgebruik. De tabellen 4.8 en 4.9 presenteren de instandhoudingsdoelstellingen voor het Drentsche Aa-gebied (bron: aanwijzingsbesluit Drentsche Aa-gebied).

Tabel 4.8 Instandhoudingsdoelstellingen habitattypen Drentsche Aa-gebied Habitattype

Habitatsubtype

H2310 - Stuifzandheiden met struikhei

34 | 158 Witteveen+Bos | 120177/20-015.940 | Definitief 02

Status doel

Oppervlakte

Kwaliteit

Relatieve bijdrage

Kernopgave

definitief

=

>

C

6.08

Habitattype

Habitatsubtype

Status doel

Oppervlakte

Kwaliteit

Relatieve bijdrage

Kernopgave

H2320 - Binnenlandse kraaiheibegroeiingen

definitief

=

>

B1

6.08

H2330 - Zandverstuivingen

definitief

=

=

C

6.08

H3160 - Zure vennen

definitief

=

>

C

H4030 - Droge heiden

definitief

=

=

C

H5130 Jeneverbesstruwelen

definitief

=

>

C

H6230 - Heischrale graslanden

definitief

>

>

B1

5.06,SG,W

H6410 - Blauwgraslanden

definitief

>

>

B1

5.06,SG,W

H7150 - Pioniervegetaties met snavelbiezen

definitief

=

=

C

6.05,W

H9120 - Beukeneikenbossen met hulst

definitief

=

=

C

H9190 - Oude eikenbossen

definitief

=

=

C

H91D0 - Hoogveenbossen

definitief

>

>

C

6.08

6.13

H6430A - Ruigten en zomen

moerasspirea

definitief

=

=

C

H7140A - Overgangs- en trilvenen

trilvenen

definitief

>

>

B1

5.03,W

H4010A - Vochtige heiden

hogere zandgronden

definitief

>

>

B1

5.06,SG,W; 6.05,W

H7110B - Actieve hoogvenen

heideveentjes

definitief

=

>

C

6.05,W

H9160A - Eikenhaagbeukenbossen

hogere zandgronden

definitief

>

>

C

H3260A - Beken en rivieren met waterplanten

waterranonkels

definitief

>

>

C

H91E0C - Vochtige alluviale bossen

beekbegeleidende bossen

definitief

>

>

B1

5.07,W

Kernopgave

Tabel 4.9 Instandhoudingsdoelstellingen habitatrichtlijnsoorten Drentsche Aa-gebied Soort

Status doel

Populatie

Omvang leefgebied

Kwaliteit leefgebied

Relatieve bijdrage

H1042 - Gevlekte witsnuitlibel

ontwerp

=

=

=

C

H1099 - Rivierprik

definitief

>

=

=

A

35 | 158 Witteveen+Bos | 120177/20-015.940 | Definitief 02

5.02,W

Soort

Status doel

Populatie

Omvang leefgebied

Kwaliteit leefgebied

H1145 - Grote modderkruiper

definitief

=

=

=

H1149 - Kleine modderkruiper

definitief

=

=

=

H1163 Rivierdonderpad

definitief

=

=

=

H1166 Kamsalamander

definitief

>

>

>

H1337 - Bever

ontwerp

=

=

=

Relatieve bijdrage

Kernopgave

C

Referentiesituatie stikstof De huidige stikstofdepositie in het buitengebied van Midden-Groningen en in de omgeving van het plangebied varieert van circa 1.000 tot 2.500 mol N/ha/jaar (RIVM, 2020; zie afbeelding 4.2). In het Zuidlaardermeergebied is de stikstofdepositie lager, namelijk onder de 1.000 mol/ha/jaar. Dit gebied is overigens niet stikstofgevoelig. Hier is geen sprake van een overbelasting door stikstof. In en rondom de stedelijke omgeving zijn de depositiewaarden het hoogst met waarden tot boven 2.000 mol/ha/jaar. In het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied, het Drentsche Aa-gebied, bedraagt de stikstofdepositie circa 1.000 tot 2.500 mol/ha/jaar (zie afbeelding 4.2).

Afbeelding 4.2 Huidige depositiewaarden voor stikstof (Ntotaal) van de gemeente Midden Groningen en in de omgeving van het plangebied (Bron: RIVM, 2020)

De hoeveelheid stikstofdepositie die een ecosysteem nog kan verdragen zonder schade te ondervinden, wordt de kritische depositiewaarde of kritische belasting genoemd. De stikstofdepositie in het Drentsche AA-gebied (het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied met stikstofgevoelige habitattypen) is in de bestaande situatie over het algemeen hoger dan de kritische depositiewaarden (KDW). De te hoge

36 | 158 Witteveen+Bos | 120177/20-015.940 | Definitief 02

stikstofdepositie kan leiden tot verslechtering van de kwaliteit van de aanwezige habitattypen. Ook voor veel andere Natura 2000-gebieden in Nederland geldt dat de stikstofdepositie in de bestaande situatie al aanzienlijk boven de KDW van het meest gevoelige habitattype ligt. Tabel 10 presenteert de KDW van de habitattypen in het Natura 2000-gebied de Drentsche Aa.

Tabel 4.10 Kritische depositiewaarden (KDW) van de aangewezen habitattypen van Natura 2000-gebied Drentsche Aa-gebied Code

Habitattype

KDW ( mol/ha/jaar)

H2310

Stuifzandheiden met struikhei

1.071

H2320

Binnenlandse kraaiheibegroeiingen

1.071

H2330

-Zandverstuivingen

714

H3160

Zure vennen

714

H4030

Droge heiden

1.071

H5130

Jeneverbesstruwelen

1.071

H6230

Heischrale graslanden

857

H6410

Blauwgraslanden

1.071

H7150

Pioniervegetaties met snavelbiezen

1.429

H9120

Beuken-eikenbossen met hulst

1.429

H9190

Oude eikenbossen

1.071

H91D0

Hoogveenbossen

1.786

H6430A

Ruigten en zomen

>2.400

H7140A

Overgangs- en trilvenen

1.214

H4010A

Vochtige heiden

1.214

H7110B

Actieve hoogvenen

786

H9160A

Eiken-haagbeukenbossen

H3260A

Beken en rivieren met waterplanten

H91E0C

Vochtige alluviale bossen

1.429 >2.400 1.857

Planvoornemen ten aanzien van stikstof Vanwege de overbelasting van stikstofgevoelige natuur in de Natura 2000-gebieden in Nederland in de huidige situatie zijn er niet of nauwelijks uitbreidingsmogelijkheden voor veehouderijen. Ontwikkelingen die een duidelijke toename van stikstofdepositie veroorzaken in stikstofgevoelige habitats en leefgebieden van soorten in Natura 2000-gebieden leiden namelijk onmiddellijk tot negatieve of sterk-negatieve effecten op Natura 2000-gebieden en zijn daardoor in de praktijk niet uitvoerbaar. Om deze reden is in het planvoornemen opgenomen dat een toename van stikstofdepositie wordt gezien als strijdig gebruik. Om toch een reëel beeld te kunnen schetsen van de ontwikkelingsmogelijkheden voor veehouderijen, is berekend welke ontwikkelingen mogelijk zijn als de best beschikbare technieken (BBT) worden ingezet. Daarbij kan gedacht worden aan emissiearme stallen. De rekenmethode is nader uitgewerkt in hoofdstuk 6 (Ammoniak en geur).

Beschermde soorten Wet natuurbescherming De omschrijving en beoordeling van de milieueffecten op beschermde soortgroepen wordt bemoeilijkt doordat er deels nog geen concrete plannen zijn ontwikkeld voor locaties waar ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt. Daarom kan alleen een omschrijving op hoofdlijnen plaatsvinden uitgaande van de gebiedskenmerken van het plangebied en de verspreiding van beschermde soorten. Ten behoeve van deze

37 | 158 Witteveen+Bos | 120177/20-015.940 | Definitief 02

beoordeling is een bureauonderzoek uitgevoerd, waarvoor databanken, verspreidingsatlassen en rapporten zijn geraadpleegd. In dit kader is op 3 juni 2020 het uitvoerportaal van de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF1) geraadpleegd (NDFF - 3 juni 2020 14:18:26, zie bijlage I. Daarnaast is informatie gehaald uit de Leidraad Gemeente Midden-Groningen, Wet natuurbescherming die is opgesteld door Dillerop natuuradvies uit 20172. Onderstaande teksten geven een toelichting op welke soortgroepen voorkomen in de Gemeente Midden-Groningen. Dit betreft de soortgroepen planten, vogels, vleermuizen, grondgebonden zoogdieren, amfibieën en reptielen en overige soorten Gegevens uit de geraadpleegde bronnen worden bij het bespreken van de verschillende soortengroepen alleen genoemd indien ze een meerwaarde voor het onderzoek hebben. Planten Uit de gegevens van de NDFF komen uit de soortengroep planten twee beschermde soorten naar voren. Het betreft de strikt beschermde drijvende waterweegbree (habitatrichtlijn) en grote leeuwenklauw (een nationaal beschermde soort, zie bijlage I). Voor drijvende waterweegbree zijn in het plangebied een aantal atlasblokken bekend (1990-2020) (Verspreidingsatlas.nl). De NDFF geeft slechts één waarneming aan in de afgelopen 5 jaar. Drijvende waterweegbree is een plant van helder, voedselarm tot matig voedselrijk (fosfaatarm), zwak zuur water.

Ze komt voor in laaglandbeken, vennen, kanalen en poelen, voornamelijk in Noord- Brabant en Twente. Door Dillerop (2017) en de NDFF wordt het Adriaan Tripbos als groeiplaats aangegeven van deze soort. Grote leeuwenklauw is ook slechts vanuit een aantal atlasblokken bekend (Verspreidingsatlas.nl, 1990-2020). Ook van deze soort geeft de NDFF slechts één waarneming aan in de afgelopen 5 jaar, namelijk in Hoogezand. De soort wordt niet genoemd in de gebiedsgerichte inventarisatie voor de gemeente Midden- Groningen (Dillerop, 2017). Grote leeuwenklauw soort komt voor in bermen langs onverharde wegen, graanakkers, waterkanten, braakliggende grond, bij veevoerkuilen, dijken, tuinen en langs spoorwegen, voornamelijk in Zuid-Limburg. Waarnemingen uit de NDFF van andere onder de Wnb beschermde plantensoorten ontbreken in het plangebied. De onder de Wnb beschermde plantensoorten betreft dan ook zeldzame tot zeer zeldzame soorten die in de meeste gevallen een zeer beperkte verspreiding kennen en die veelal zijn aangewezen op voedselarme omstandigheden. Aangetroffen zeldzame, maar niet beschermde soorten zijn beperkt tot de geïsoleerde (natuur)gebieden (Dillerop 2017). Buiten deze gebieden in de gemeente Midden-Groningen (onder andere in bermen) zijn geen beschermde soorten aangetroffen en worden deze ook niet verwacht.

Vogels Vogels met jaarrond beschermde nesten Uit de gegevens van de NDFF komen waarnemingen van 12 vogelsoorten met jaarrond beschermde nestplaatsen naar voren. Een aantal van deze soorten is alleen tijdens de trek (wespendief) in het plangebied te verwachten. Van de 12 soorten broeden huismus, roek, gierzwaluw, kerkuil, ransuil en ooievaar in of op gebouwen of bomen en komen regelmatig voor op boerenerven. Van deze soorten is het voorkomen van huismus, gierzwaluw en kerkuil het meest waarschijnlijk op de erven. De boomvalk broedt in de gemeente voornamelijk op hoogspanningsmasten. In de gemeente komen ook diverse roestplekken van ransuil voor (Dillerop, 2017). De genoemde soorten zijn ook foeragerend te verwachten op of nabij locaties waar ontwikkelingen worden mogelijk gemaakt. 1 De NDFF is de compleetste natuurdatabank van Nederland waarmee u online natuurinformatie kunt opvragen en beheren. De

databank geeft informatie over waarnemingen van beschermde en zeldzame planten en dieren. In de NDFF zijn uitsluitend gevalideerde gegevens opgeslagen.

2 Dillerop natuuradvies, augustus 2017; Leidraad Gemeente Midden-Groningen, Wet natuurbescherming.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12803959/1